Skip to main content

Full text of "Tijdschrift voor Nederlandsch Indië .."

See other formats


Google 


This  is  a  digital  copy  of  a  bix>k  thal  was  preserved  lor  gcncralions  on  library  shelves  bel  ore  il  was  carefully  scanned  by  Google  as  part  ofa  project 

to  makc  the  world's  books  discovcrable  onlinc. 

Il  has  survived  long  enough  Tor  ihe  copyright  lo  expire  and  the  book  to  enter  the  public  domain.  A  public  dom  ai  n  book  is  one  that  was  never  subject 

to  copyright  or  whose  legal  copyright  term  has  expired.  Whether  a  book  is  in  the  public  domain  may  vary  country  to  country.  Public  domain  books 

are  our  gateways  to  the  past.  representing  a  wealth  ol'history.  culture  and  knowledge  that 's  ol'len  dillicult  to  discover. 

Marks.  notations  and  othcr  marginalia  present  in  the  original  volume  wil]  appcar  in  this  lile  -  a  reminder  of  this  book's  long  journey  from  the 

publisher  to  a  library  and  linally  to  you. 

Usage  guidelines 

Google  is  proud  to  partner  with  libraries  lo  digili/e  public  domain  malerials  and  make  ihem  widely  accessible.  Public  domain  books  belong  to  the 
public  and  we  are  merel y  iheir  cuslodians.  Neverlheless.  ihis  work  is  expensive.  so  in  order  lo  keep  providing  ihis  resource,  we  have  laken  sleps  lo 
prevent  abuse  by  commercial  parlics.  iiicliiJmg  placmg  lechnical  reslriclions  on  aulomated  querying. 
We  alsoask  that  you: 

+  Make  non -commercial  u.se  of  the  files  We  designed  Google  Book  Search  for  use  by  individuals.  and  we  requesl  ihat  you  usc  these  files  for 
personal,  non -commercial  purposes. 

+  Refrain  from  tmtointiteil  //nerying  Do  nol  send  aulomaled  queries  of  any  sorl  lo  Google's  syslem:  II' you  are  conducling  research  on  machine 
translation.  oplical  characler  recognilion  or  olher  areas  where  access  lo  a  large  amounl  of  lexl  is  helpful.  please  conlacl  us.  We  encourage  the 
use  of  public  domain  malerials  lor  these  puiposes  and  may  bc  able  to  help. 

+  Maintain  attribution  The  Google  "walermark"  you  see  on  each  lile  is  essenlial  for  inlbrming  people  aboul  ihis  project  and  hclping  them  lind 
additional  malerials  ihrough  Google  Book  Search.  Please  do  nol  remove  it. 

+  Keep  it  legal  Whatever  your  use.  remember  that  you  are  responsible  for  ensuring  ihat  whai  you  are  doing  is  legal.  Do  nol  assume  that  just 
bccausc  we  believe  a  book  is  in  ihc  public  domain  for  users  in  the  Uniied  Staics.  thai  the  work  is  also  in  ihc  public  domain  for  users  in  other 

counlries.  Whelher  a  book  is  slill  in  copyright  varies  from  counlry  lo  counlry.  and  we  can'l  offer  guidancc  on  whelher  any  specilic  use  of 
any  specilic  book  is  allowed.  Please  do  nol  assume  ihal  a  b(K>k's  appearance  in  Google  Book  Search  means  it  can  be  used  in  any  manncr 
anywhere  in  the  world.  Copyright  infringemenl  liability  can  bc  quite  severe. 

About  Google  Book  Search 

Google 's  mission  is  lo  organize  the  world's  information  and  to  make  it  universally  accessible  and  useful.  Google  Book  Search  helps  readers 
discover  Uie  world's  books  while  lielpmg  aulliors  and  publishers  ivacli  new  audiences.  You  eau  search  llirougli  ihe  lïill  lexl  of  this  book  uu  ihe  web 
al|-\:.:.^:  /  /  böökj  .  qooqle  .  com/| 


Google 


Dil  is  een  digitale  kopie  van  een  boek  dal  al  generaties  lang  op  hihliollieekplanken  heeft  gcslaan.  maar  iili  zorgvuldig  is  gescand  dooi"  Google.  Dal 

doen  we  omdat  we  alle  boeken  ter  wereld  on  line  k-se  hik  baar  willen  maken. 

Dit  boek  is  zo  oud  dat  het  auteursrecht  erop  is  verlopen,  zodat  het  bock  nu  deel  uitmaakt  van  het  publieke  domein.  Een  boek  dat  tot  het  publieke 

domein  behoort,  is  een  boek  dal  nooit  onder  het  auteursrecht  is  gevallen,  ol' waarvan  de  wettelijke  auleursrechllemiijn  is  verlopen.  Het  kan  per  land 

verschillen  of  een  boek  tot  het  publieke  domein  behoort.  Boeken  in  het  publieke  domein  zijn  een  stern  uit  het  verleden.  Ze  vormen  een  bron  van 

geschiedenis,  cultuur  en  kennis  die  anders  moeilijk  te  verkrijgen  zou  zijn. 

Aantekeningen,  opmerkingen  en  andere  kanttekeningen  die  in  hel  origineel  stonden,  worden  weergegeven  in  dil  bestand,  als  herinnering  aan  de 

lange  reis  die  hel  boek  heelt  gemaakt  van  uilgever  naar  bibliotheek,  en  uileindelijk  naar  u. 

Richtlijnen  voor  gebruik 

Google  werkt  samen  mei  bibliotheken  om  materiaal  uit  hel  publieke  domein  te  digitaliseren,  zodal  het  voor  iedereen  beschikbaar  wordl.  Boeken 
uit  het  publieke  domein  behoren  toe  aan  hel  publiek;  wij  bewaren  ze  alleen.  Dit  is  echter  een  kostbaar  proces.  Om  deze  dienst  ie  kunnen  blijven 
leveren,  hebben  we  maatregelen  genomen  om  misbruik  door  commerciële  partijen  te  voorkomen,  zoals  hel  plaatsen  van  technische  beperkingen  op 
automatisch  zoeken. 
Verder  vragen  wc  u  het  volgende: 

+  Gebruik  de  bestanden  alleen  voor  niet-conunerciêle  doeleinden  We  hebben  Zoeken  naar  boeken  mei  Cioogle  ontworpen  voor  gebruik  door 
individuen.  We  vragen  u  deze  bestanden  alleen  te  gebruiken  voor  persoonlijke  en  niel-coniniercië.le  doeleinden. 

+  Voer  geen  geautomatiseerde  zoekopdrachten  uit  Stuur  geen  geautomatiseerde  zoekopdrachten  naar  hel  systeem  van  Google.  Als  u  onderzoek 
doet  naar  computervertalingen,  optische  lekenherkenning  of  andere  wetenschapsgebieden  waarbij  u  loegang  nodig  heefl  lol  grole  hoeveelhe- 
den tekst,  kunt  u  contact  met  ons  opnemen.  We  raden  u  aan  hiervoor  materiaal  uil  hel  publieke  domein  ie  gebruiken,  en  kunnen  u  misschien 
hiermee  van  dienst  zijn. 

+  Laat  de  eigendouisvurklaring  staan  liet  "watermerk"'  van  Google  dal  u  onder  aan  elk  bestand  ziet.  dient  om  mensen  informatie  over  het 

project  Ie  geven,  en  ze  te  helpen  eslra  materiaal  Ie  vinden  met  Zoeken  naar  boeken  mei  Google.  Verwijder  dit  watermerk  niet. 

+  Houd  u  aan  de  wet  Wal  u  ook  doel.  houd  er  rekening  mee  dal  u  er  zelf  verantwoordelijk  voor  beni  dat  alles  wat  u  doet  legaal  is.  U  kunt  er 
niet  van  uilgaan  dal  wanneer  een  werk  beschikbaar  lijkt  ie  zijn  voor  het  publieke  domein  in  de  Verenigde  Slaten.  hel  ook  publiek  domein  is 
voor  gebruikers  in  andere  landen.  Of  er  nog  auteursrecht  op  een  boek  rust.  verschilt  per  land.  We  kunnen  u  niet  vertellen  wat  u  in  uw  geval 
met  een  bepaald  boek  mag  doen.  Neem  niet  zomaar  aan  dal  u  een  boek  overal  ter  wereld  op  allerlei  manieren  kunt  gebruiken,  wanneer  het 
eenmaal  in  Zoeken  naar  boeken  met  Google  slaat.  De  wettelijke  aansprakelijkheid  voor  auteursrechten  is  behoorlijk  streng. 

Informatie  over  Zoeken  naar  boeken  met  Google 

Het  doel  van  Google  is  om  alle  informatie  wereld  wijd  toegankelijk  en  bruikbaar  Ie  maken.  Zoeken  naar  boeken  met  Google  helpl  lezers  boeken  uit 
allerlei  landen  ie  ontdekken,  en  helpt  auteurs  en  uitgevers  om  een  nieuw  leespubliek  te  bereiken.  U  kunt  de  volledige  tekst  van  dil  boek  doorzoeken 
op  het  web  via|http:  //books  .google  .com| 


I 


'TTufli.    "'<'!     ü 


K'Fliq 


^avöaïtf  (College  2,tbrarg 


FROM  THK  BEQJJKST  OF 

HENRY  WARE  WALES,  M.D. 

CU»  nf  tSjS 


TIJDSCHRIFT 


VOOR 


NEDEELANDSCH-INDIË 


VAN 


wyien  dr.  W.  R.  baron  van  HOËVELL. 


(Opgericht  in  1888.) 


TWEEDE  NZMTJ-WE  SERIE. 

* 

ONDER  REDACTIE  VAN  H.  A.  LESTTJRGEON. 

2e  JAARGANG. 


'S  GRAVENHAGE.  —  F.  J.  VAN  PAASSCHEN. 

Mede  verkrijgbaar  te 

BATAVIA  bij  G.  KOLFF  &  Co. 

en  bij  alle  Boekhandelaren  in  Ned.-Indië. 


INHOUD. 


I.    ARTIKELEN. 

Bladx. 

Amangkoe  Bowono  II  van  Djokjakarta  (De  instal- 
latie   van).    Schets    uit    den    Java-oorlog.    Door 

J.  P.  SCHOEMAKER 315 

Animisme  (Sporen  van  —  in  de  Maleische  letter- 
kunde). Door  Dr.  H.  H.  Juynboll  ......     633 

Atjeh.  (Wat  verdichting  en  wat  waarheid  is  in  zake). 
Door  L.  W.  A.  Kessler ....711 

Atjeh.  (Nog  eens :  Wat  verdichting  en  wat  waarheid 
is  in  zake).  Door  Idem 846 

Anstralasia 179 

Balineesch  zededicht.  (De  miskende  trouwe  gade). 
Door  Prof.  Dr.  H.  Kern 509 

Bimaneesche  taaistudie.  Door  Prof.  Dr.  H.  Kern     .     435 

Boyneo  (De  onlusten  in  de  Zuider-  en  Ooster-afdee- 
ling  van  —  in  1870  en  1871).  Uit  de  papieren 
van  wijlen  den  luitenant-kolonel  A.  A.  M.  van  Leersüm     567  j 

China  in  economisch  opzicht.  Door  F.  M.  Knobel     .     376 


IV  INHOUD. 

Bladt. 

China  (Een  belangrijk  rapport  over  Zuid  ).     .     .     .     930 

Chineezen  in  Nederlandsch-Indie  (De  privaatrechte- 
lijke toestand  der) 210 

Concubinaat  bij  de  ambtenaren  van  het  Binnen- 
landsch  Bestuur  in  Nederlandsch-Indië.  Door 
Adelante 304 

Polemiek  tusschen  H.  Güsdorf,  Ie  luitenant 

der  infanterie  O.-I.  L. ,  en  Adelante 610 

Gouverneur-Generaal  en  de  Atjeh-oorlog  (De).     .     .     928 

Handelsbetrekkingen  met  China  (Onze) 56 

Hulp-  en  Spaarbank  door  inlandsche  hoofden  te 
Poerwokerto.  (De  oprichting  van  de  eerste).  Door 
G-.  Rokssinqh  van  Iterson 355 

Indische  begrooting  voor  1898  in  Tweede  en  Eerste 
Kamer  (De) 1 

Indische  begrooting  voor  1899  in  de  Tweede  Kamer  (De)    894 

Kamerdebatten  met  betrekking  tot  Indië  (De  jongste)     453 

Koffie-syndicaat  in  Nederlandsch-lndië  (Concept- 
statuten der  Vereeniging  Algemeen) 674 

Koloniaal  Verslag  van  1898  (Uit  het).  Nederlandsch 
Oost-Indië 662 

.  Nederlandsch  West-Indië 733 

Koloniale  aangelegenheden  in  de  Eerste  Kamer.     .     131 

Koloniseer  en  (Hoe  Franschen  en  Duitschers)  .     .     .     142 

Lockhart  over  den  Atjeh-oorlog  (Het  oordeel  van 
Sir    William  S.  A.).  Door  L.  W.  A.  Kessler  .     .     618 

Madoereesch  (Eene  nieuwe  spraakkunst  van  het). 
Door  Prof.  Dr.  H.  Kern 718 


INHOUD.  V 

Bladi. 

Maleisch  en  zijne  beoefening  (Het).  Door  Dr.  A.  A. 
Fokker 87 

Maleische  fabel  vergeleken  met  eene  Oudindische. 
(Eene).  Door  Dr.  H.  H.  Juynboll 860 

Mekkagangers 639 

Mentawei-eilanden  (Eene  reis  naar  de).  Naar  het 
Duitsch  van  Alprbd  Maass  door  C.  Spat      .     .     .     532 

Onverdiende  beschuldiging  (Eene).  Door  L.  W.  A. 
Kkssler 243 

Oost-Indische  Compagnie  tot  Japan  ( De  betrekkingen 
der).  Door  Prof.  Dr.  Gr.  Schlrgel 267 

Oost-Indische  bezittingen  (Het  behoud  onzer).  Door 
Vice- Admiraal  Norman  Mac-Leod     ....     755 ,  871 

Pest  in  Britsch-Indië  (De) 244 

Petroleum  in  Japan 233 

Philippijnsche  wateren  (De  Nederlanders  in  de) .     .  550 

Protest  (Een).  Door  L.  W.  A.  Kessler 135 

Ruitsysteem  bij  cultures  (Het).  Door  W.  R.  Hora 
Adama 598 

Siam  (De  koning  van  —  at  home) 482 

Stoomvaart-  en  spoorwegverkeer  met  Oost- Azië   .     .     405 

Strafrecht  voor  de  Europeanen  in  Nederlandsch- 
Indië  (Het  Nieuwe  Wetboek  van) 503 

Strijd  der  natiën  op  handelsgebied  (De).  Voordracht , 
gehouden  door  den  heer  C.  Roozenraad,  op  22 
December  1897 35 

Suriname  (Concessiën  in).  Door  H.  Puttersen  Tz.    .     110 
Vreemde    Oosterlingen    (Gelijkstelling   van    —    met 
Europeanen).  Door  Mr.  M.  C.  Piepers 772 


VI  INHOUD. 

II.     VARIA. 

Blad*. 

Atjehsche  officieren   (De  zaak  der  veroordeelde)   61 ,  157 

Bataks  (Onder  de) 261 

Bataklanden  (De  zending  in  de) 341 

Bedrijfsbelasting  en  koloniën 562 

Beri-berri  ziekte  en  der  cholera  in  1896  (De  loop  der)     76 

Berri-berri  in  Deli 148 

Buitenland  (De  Vereeniging  Het) 348 

Cremer  (Een  Franschman  over  minister) 562 

Chinees  onder  Engelschen  invloed  (De) 696 

Deli-zending  (Een  bezoek  aan  de) 342 

Dipa  Negara  (De  gevangenneming  van) 146 

Duitschlands'  handel  met  de  koloniën 563 

Emigratie  naar  de  Britsche  koloniën 495 

Groudmijnen  van  Noord-Celebes  (De) 253 

Guyana  (Britsch-) 350 

Hawaï-eilanden  (De  inlijving  der)    . , 624 

Indische  planten  (Nuttige) 150 

Indische  prinsen  (De) 684 

Indigo  (Kunstmatig  bereide) 258 

Indigo  (Kunstmatige  contra-natuurlijke) 489 

Jaarverslag    van    den    Britschen    consul   te   Batavia 

(Uit  het) 560 

Japan  (Een  en  ander  over) 742 

Japan  (Een  kaart  van) 497 

Koffiecultuur  in  Transvaal 260 

Koffie  (Surinaamsche) 261 

Koloniaal  bezit 627 

Kolonisatie  tusschen  de  keerkringen 738 

Lockhart  (Een  interview  met  generaal  Sir  William)  555 
Lombok- telegrammen  (De  waarheid  in  zake  de)  .  .  418 
Madagascar  (De  zegeningen  der  beschaving  op)    .     .  628 

Manilla-sigaren 750 

Muntwezen  in  Britsch-Indië 430 


INHOUD.  Vil 

Bladi. 

Nederland  en  Perzië 151 

Negerras  (De  toekomst  van  het) 629 

Nieuw-Guinea  (Nederlandsch) 66 

Oost  (Een  Amerikaan  over  onze) 623 

Opium  regie  op  Java  en  Madura  alsmede  op  Lombok 

(Invoering  van  de) 156 

Ornamenten  bij  onbeschaafde  volken 494 

Quarantaine  in  het  Oosten  (De) 347 

Rekenkamer  (Uit  het  verslag  der  Algemeene) .  .  .  686 
Schoolwezen  in  China  (Verbetering  van  het)  ...  77 
Schutzgebiet  der  Nen-Gninea-Kompagnie  (Het).  .  .  498 
Spanje  met  zijne  koloniën  (De  handel  van) ....  497 

Strafkolonie  in  Indië  (Eene) 71 

Suiker-industrie  op  Formosa  (De) 493 

Suriname  (Officieele  statistiek  van  —  over  1897)     .  427 

Timor  (Portugeesch-) 748 

Torres-straat  (Eene  nieuwe  expeditie  naar  de)      .     .  173 

Vetter's  telegram  (Generaal) 334 

Wereldtentoonstelling  van    1900   (De   Nederlandsche 

koloniale  af  deeling  op  de) 155 


III.    BOEKAANKONDIGINGEN. 

Broes  van  Dort  (Dr.  T.).  Historische  studie  over  lepra , 
voornamelijk  in  verband  met  het  voorkómen  dezer 
ziekte  in  Nederlandsch  Oost-Indië 681 

Eyk  (Dr.  W.  B.  J.  van).  De  opleiding  der  technische 
ambtenaren  bij  het  boschwezen  in  Neêrlandsch- 
Indië  (1865—1897). 249 

JAPANSCH-Europeesch  tijdschrift  (Een) 252 

Vogel  (Dr.  J.  Ph.).  Het  leemen  wagentje.  Indisch 
tooneelspel  uit  Sanskrt  en  Prakrt  in  het  Neder- 
landsch overgebracht 80 


/ 

/ 


VIII  INHOUD. 

Bladz. 

IV.    NIEUWE  UITGAVEN. 

Nederland  82,  264,  352,  432,  500,  564,  630,  701,752, 

868,  937. 
Engeland  83 ,  176 ,  265 .  353 ,  432 ,  501 ,  565 ,  630 ,  701 , 

753,  869,  937. 

Duitschland   84,    177,   266,   353,   433,  501,  565,  631, 

702,  753,  869,  938. 
Frankrijk  84,  177,  266,  354,  434,  502,  566,  632,  703, 

754,  870. 

V.    NECROLOGIE. 
Bool  (H.  J.) *    ....  174 

VI.    NAMEN  DER  SCHRIJVERS. 

Adblante 304,  613 

Fokkeb  (Dr.  A.  A.) 87 

Güsdobf  (H.) 610 

Hora  Adema  (W.  R.) 598 

Jüïnboll  (Dr.  H.  H.) 633 ,  860 

Kern  (Prof.  Dr.  H.)  .......     .  435 ,  509 ,  718 

Kessler  (L.  W.  A.)    .     .     .    .  135  ,  243  ,  618 ,  711 ,  846 

Knobel  (F.  M.) 376 

Lebrsoh  (A.  A.  M.  van) 567 

Mac-Leod  (Vice- Admiraal  Nobman) 755 ,  871 

Maass  (Alfrbd) 532 

Pibpers  (Mr.  M.  C.) 772 

Pyttersrn  Tz.  (H.).  ' 110 

Roessingh  VAN  Itkrson  (G.) 355 

ROOZENBAAD    (C). 35 

Schlbgel  (Prof.  Dr.  G.5  .     .     .     , 267 

ScHOEHAKER   (J.    P.) 315 

Spat  (C.) 532 


* 


m 

\ 


Vi 


>     » 


TIJDSCHRIFT 


V  H 


VOOR 


JNTEDEELANDSCH  INI 


VAN 


wijlen  dr.  W.  R.  baron  van  HOEVELL. 


(Opgericht  in  183S.) 


T~WEEI>E  NIEUWE  SERIE, 


2e  JAARGANG. 


JANUARI    1898. 


>»{&°— 


'«;  GRAVENHAGE.  —  F.  J.  VAN  PAASSCHEN. 

Mede  verkrijgbaar  te 

BATAVIA  bij  £.  KOLFF  &  Col 

on  bij  alle  Boekhandelaren  in  ïfed.-Iniië*. 


INHOUD. 


Bladz. 


I.    De  Indische  begrooting  voor  1898  in  Tweede 
en  Eerste  Kamer 


II.  De  strijd  der  natiën  op  handelsgebied.  Voor- 
dracht ,  gehouden  door  den  heer  C.  ROOZEN- 
RAAD,  op  22  December  1897 35 

III.  Onze  handelsbetrekkingen  met  China  .     .     .      56 

IV.  'Varia. 

(Nederlandsch  Nicuw-Guinea.  —  De  zaak  der 
veroordeelde  Atjchsche  officieren.  —  Een  straf- 
kolonie in  Indië.  —  De  loop  der  berri-bcrri-ziekte 
en  der  cholera  in  1896.  —  Verbetering  van  het 
schoolwezen  in  China) 61 

w 

V.     Litteraire  Kroniek. 

{Het  leemen  wagentje) 80 

VI.    Nieuwe  uitgaven 82 


Bijdragen  en  brieven,  de  Redactie  betreffende,  ge- 
lieve men  te  zenden  aan  den  Heer  H.  A.  LESTURGEÖN , 
villa  „Catharina  Francisca",  N.  Badhuisweg,  Scheveningen. 


Dit  Tijdschrift  verschijnt  tusschen  den  lcn  en  den  15en 
van  elke  maand. 

De  abonnementsprijs  bedraagt  voor  Nederland  ƒ  13. — 
per  jaar.  Voor  het  buitenland  wordt  dit  bedrag  met  de 
porto's  verhoogd.  Tusschentijds  aangegane  abonnementen 
worden  ad  ƒ  3.25  per  kwartaal  berekend. 

Afzonderlijke  nummers,  voor  zoover  deze  voorhan- 
den zijn,  ƒ  1.50  per  aflevering. 

Prijs  der  advertentiën  van  x/s ;  1U\1J^gol1/1  bladzijde 
per  plaatsing  ƒ  1.50;  ƒ  2.50;  ƒ  4.50;  ƒ  8.—. 

Bij  12  achtereenvolgende  plaatsingen  van  1/8;  ,/4;  1/1 
en  Vi  bladzijde  ƒ  12.—  ;  ƒ  20.—  ;  ƒ  35.—  en  ƒ  60.—. 


De  Indische  begrooting  voor  1898  in  Tweede  en 

Eerste  Kamer. 

De  bestuursvestiging  op  Nederlandsch  Nieuw- 
Guinea.  —  Afschaffing  van  heerendiensten.  — 
Decentralisatie.  —  Beschikbaarstelling  van  gelden 
voor  hcidensche  offerfeesten.  —  Koffie.  —  De  mis- 
lukking van  het  bijslagstelsel.  —  De  ideeën  en 
plannen  van  Dr.  Burck.  —  Godsdienstvrijheid  in 
Indië.  —  Krankzinnigenwezen.  —  lnlandsche  vroed- 
vrouwen. —  De  drinkwater-voorziening  van  Soera- 
baija.  —  De  werken  aan  de  Solo-rivier.  —  De 
defensie  van  Indië.  —  Samensmelting  der  officiers- 
kaders.  —  Het  stellen  van  limites  bij  koffie- 
veilingen. —  Opiumregie  op  Java  en  Madura, 
alsmede  op  Lombok.  —  Afschaffing  van  het  invoer- 
recht van  suiker.  -  Minister  Cremer  en  de  Eerste 
Kamer. 

Een  van  de  gewichtigste  punten  die  bij  de  behandeling 
der  Indische  begrooting  in  de  Tweede  Kamer  ter  sprake 
kwam  was  wel  de  voorgestelde  vestiging  van  bestuur  op 
het  Nederlandsche  gedeelte  van  Nieuw-Guinea ,  waardoor 
een  post  van  ƒ  115.000  was  uitgetrokken. 

De  eerste  die  over  den  post  het  woord  voerde  was  de 
heer  Pyttersen,  die  herhaaldelijk  getoond  heeft  een 
levendig  belang  te  stellen  in  ons  koloniaal  bezit,  vooral 
wat  Suriname  betreft,  en  die  eenc  ijverige  studie  heeft 
gemaakt  van  verschillende  koloniale  vraagstukken.  In  dit 
opzicht  is  hij  een  rara  avis  onder  zijne  medeleden! 

Overtuigd  dat  ons  volksbestaan  onafscheidelijk  ver- 
bonden is  aan  ons  koloniaal  bezit,  en  alles  behoort  te 
worden  gedaan  om  het  rustig  bezit  en  de  geleidelijke 
ontwikkeling  daarvan  te  verzekeren,  verklaarde  hij  het 
voorstel  van  de  Regeering  om  over  te  gaan  tot  vestiging 
van  ons  bestuur  in  Nederlandsch-Guinea  met  genoegen 
te  hebben  gezien.  Wij  kunnen  toch  niet  langer  volstaan, 
meende  hij,  met  het  schijngezag  aldaar  door  ons  uitge- 
oefend. 

Toch  koesterde  hij  niet  te  groote  verwachting  van 
het  plan. 

1 


De  droeve  ervaring,  indertijd  bij  het  oprichten  en  in- 
standhouden van  fort  du  Bus  opgedaan,  heeft  ons  vol- 
doende geleerd,  dat  het  klimaat  van  Nieuw-Guinca  een 
hinderpaal  dreigt  te  zijn  voor  de  vestiging  van  Europeanen 
op  groote  schaal  op  het  eiland.  De  eigenaardige  gesteld- 
heid bemoeilijkt  bovendien  het  binnendringen  in  het  bin- 
nenland ,  omdat  de  oevers  steil  oprijzen  en  het  binnenland 
afsluiten  door  berglanden.  Het  oordeel  van  de  natuur- 
onderzoekers  luidt  dan  ook  ongunstig.  Zoo  zegt  o.  a. 
Beccari:  „C'est  un  pays  tres  interessant  pour  un  natura- 
liste,  mais  pour  Ie  reste  rien." 

Door  den  commissaris  Van  der  Crab  wordt  het  volgende 
gezegd:  „Zooals  de  stand  van  zaken  op  Nieuw-Guinea 
thans  is,  zal  iedere  proefneming  om  dat  uitgestrekte 
eiland  onder  rechtstreeksch  Europeesch  bestuur  te  bren- 
gen, een  offer  wezen,  dat  door  niets  vergoed  kan 
worden." 

Dit  ongunstig  oordeel  geldt  evenwel  niet  voor  het 
geheele  gebied;  er  zijn  ook  streken,  dat  is  bij  latere 
onderzoekingen  en  meerdere  kennis  gebleken,  die  gun- 
stiger zijn  voor  de  vestiging  van  Europeanen.  Zoo  wordt 
de  baai  van  Kapour  gezond  geoordeeld  en  schijnt  de  keuze 
eener  vestigingsplaats  te  Shroë  op  dien  grond  aanbeveling 
te  verdienen. 

Maar  wel  geldt  dit  ongunstig  oordcel  voor  het  eiland 
Manasbari,  waarop  Mansinan  is  gelegen.  Alle  oordeel- 
vellingen daarover  luiden  even  ongunstig. 

Tegenover  het  advies,  dat  volgens  de  Memorie  van 
Antwoord  is  uitgebracht  door  den  resident  van  Ternate, 
waarbij  hij  de  vestiging  te  Mansinan  aanbeveelt,  staat 
het  oordeel  van  anderen,  en  gemakkelijk  aan  te  vullen 
met  meer  aanhalingen  uit  het  standaardwerk  over  Nieuw- 
Guinea  en  de  Papocsche  eilanden  van  den  toenmaligen 
kolonel  A.  Haga. 

Bovendien  voor  de  aanraking  van  ons  bestuur  met  de 
inlandsche    bevolking,   wat  toch   in  de  eerste  plaats  het 


doel  zal  zijn  van  de  vestiging  aldaar,  is  eene  vestiging, 
op  een  schaars  bevolkt  en  nog  wel  betrekkelijk  afge- 
legen eiland,  niet  bevorderlijk. 

Op  het  oordeel  afgaande  van  de  door  den  schrijver  van 
genoemd  werk  aangehaalde  autoriteiten,  meende  de  heer 
Pyttersen  dat  het  aanbeveling  zou  verdienen  de  vestiging 
niet  te  doen  plaats  hebben  op  Manasbari,  maar  liever  in 
de  Humboldt-baai,  het  uiterste  punt  van  ons  bezit  op 
Nieuw-Guinea ,  aan  de  grens  van  de  Duitsche  bezittingen. 

Door  den  état-major  van  het  stoomschip  de  Etna  is 
indertijd  deze  baai  vrij  nauwkeurig  onderzocht  en  daarvan 
eene  hoogst  gunstige  beschrijving  gegeven,  niet  alleen 
uit  hoofde  van  de  schoone  ligging,  maar  ook  wat  den 
gezondheidstoestand  betreft.  Bovendien  wordt  omtrent  de 
bevolking  een  gunstig  getuigenis  gegeven. 

De  Papoea's  zijn  bekend  om  hunne  groote  diefachtig- 
heid, maar  die  diefachtigheid  —  zoo  leest  men  in  het 
verslag  van  den  état-major  van  de  Etna  —  daargelaten, 
maakten  de  bewoners  der  Humboldt-baai  wegens  hunnen 
fleren,  moedigen  aard,  hunne  vaardigheid  en  schrander- 
heid, een  zeer  gunstigen  indruk. 

Voorts  wordt  gezegd  dat  „de  bewoners  behoorlijk  om- 
paggerde  tuinen  hadden,  zeer  bedreven  waren  in  het 
vervaardigen  van  snij-  en  beeldhouwwerk  en  grooten 
aanleg  toonden  voor  tcekenen." 

Op  grond  van  een  en  ander  gaf  spreker  den  Minister 
in  overweging,  alsnog  te  doen  onderzoeken  of  militaire 
vestiging  in  de  Humboldt-baai  niet  de  voorkeur  zou  ver- 
dienen boven  die  te  Mansinan. 

In  tegenstelling  van  den  heer  Pyttersen,  liet  de  heer 
Van  Kol  zich  in  hoogst  af  keurenden  zin  uit  over  de 
poging  tot  uitbreiding  van  ons  gezag. 

Nog  altijd  weten  wij  geen  raad ,  verkeeren  wij  in  angst 
hoe  te  ontkomen  aan  de  gevolgen  van  onze  ondoordachte 
poging  tot  annexatie  van  Atjeh,  en  toch  worden  opnieuw 


plannen  beraamd  in  verschillende  deelen  van  den  Malei- 
schen  Archipel  om  ons  rechtstreeksch  gezag  uit  te  breiden. 
Op  Celebes  grijpen  wij  willekeurig  in  de  rechten  der 
vorsten  van  zelf  besturende  landen,  droeg  men  den  gou- 
verneur op,  de  contracten  met  die  Staatjes  zoodanig  te 
wijzigen,  dat  onze  Regcering  en  niet  de  vorsten  zelven 
zullen  beschikken  over  den  bodem  van  hun  land,  wan- 
neer mijn-concessiën  moeten  worden  verleend  of  landbouw- 
ondernemingen  worden  opgericht.  De  vorsten  der  kleine 
Staten,  als  Tonteli,  Dongola,  Towaeli,  bogen  voor  onze 
overmacht;  bij  de  machtige  vorsten  van  Boni  en  Tanette 
is  het  nog  de  vraag  of  zij  deze  verkorting  hunner  rechten 
zullen  dulden,  dan  wel  zich  verzetten  zullen  tegen  Neer- 
lands  heerschzucht  en  aanmatiging.  De  tijd  zal  dat  moeten 
leeren. 

Intusschen  vielen  onze  steeds  begeerige  blikken  op 
Nieuw-Guinca ,  op  het  land  van  den  paradijs- vogel.  De 
Javaan  betaalt  nog  niet  genoeg  belasting,  er  wordt  hem 
nög  niet  genoeg  ontnomen  van  de  vruchten  zijner  boomen , 
van  de  kracht  zijner  spieren ,  van  de  oogsten  zijner  velden. 
Eene  nieuwe  som  moet  hij  opbrengen  om  onzen  annexatie- 
geest  te  kunnen  botvieren;  eene  som  vooralsnog  niet 
hoog,  slechts  ƒ  115.000  bedragende,  doch  die  de  eerste 
schakel  zijn  kan  van  eene  lange  reeks  thans  nog  niette 
voorziene  uitgaven.  De  aan  het  bespottelijke  grenzende 
ygroot-docncrij"  van  Nederland  moet  ook  op  Nieuw-Guinea 
voor  het  rijke  Nederland  door  den  armen  Javaan  worden 
betaald.  Engeland,  Duitschland ,  Frankrijk ,  Italië  en  Spanje, 
ook  België  en  Portugal,  betalen  zelf  de  kosten  van  ver- 
overing van  nieuwe  landen  en  van  de  vestiging  van  hun 
gezag  in  overzeesche  gewesten.  Wat  voor  voordeden 
echter  heeft  de  Javaan  van  de  toeneming  onzer  heer- 
schappij over  de  Papoea's  en  Alfoeren,  van  dat  op  zoo- 
veel duizend  uren  van  hem  verwijderd  eiland?  Dd&r  toch 
wonen  alleen  kroesharige  rassen ,  die  noch  in  taal ,  noch 
in    godsdienst,    noch    in    zeden    en  gewoonten,  nóch  in 


huidskleur  zelfs  eenige  overeenkomst  met  hem  hebben. 
Is  het  geen  kaakslag  in  het  aangezicht  van  recht  en  rede , 
hem  nog  meer  landrente  of  bedrijfsbelasting  te  doen  op- 
brengen voor  de  uitbreiding  van  ons  gezag  in  die  streken  ? 
Is  er  in  Nederlandsch-Indië  niet  genoeg  te  doen  meer 
over;  zijn  de  meest  dringende  behoeften  niet  onvervuld 
gebleven?  En  zou  dus  een  beter  staatsbeleid  niet  eischen , 
Nederlandsch-Guinea  met  rust  te  laten,  en  eerst  het  werk 
te  voltooien  wat  voor  de  hand  ligt  en  slechts  op  afdoe- 
ning wacht? 

En  dan  —  men  zegge  eens  rondweg,  met  welk  recht 
willen  wij  daar  ons  rechtstreeksch  bestuur  invoeren,  in 
dat  land  waarvan  wij  nauwelijks  de  zeekust  kennen ,  doch 
in  welks  binnenlanden  slechts  een  enkel  Europeaan  ooit 
is  doorgedrongen.  Wij  namen  eenvoudig heids halve  het  goed 
recht  van  den  sultan  van  Tidore  op  al  die  landen  maar 
aan,  ofschoon  dit  recht  zeer  twijfelachtig  was,  en  door 
de  belanghebbenden,  de  inboorlingen  zelven,  hardnekkig 
wordt  ontkend.  Toen  deze  sultan  in  het  midden  der  XVIIde 
eeuw  zich  aan  ons  onderwierp ,  rekende  men  zijn  geheele 
gebied  onder  Nederlands  souvereiniteit ,  en  beschouwde 
als  zoodanig  gemakshalve  „het  land  der  Papoea's  en  de 
omliggende  eilanden."  Als  legaat  der  Compagnie  kregen 
wij  alleen  de  Noordkust  van  kaap  Ram  tot  aan  de  zuid- 
kust der  Geelvinksbaai.  Had  men  ons  stil  onzen  gang 
laten  gaan,  dan  hadden  wij  wel  verder  gegaan  met  het 
in  bezit  nemen  van  dat  grootste  eiland  der  wereld,  want 
„1'appétit  vient  en  mangeant." 

In  1828  namen  wij  Nieuw-Guinea  in  bezit  van  141° 
Oosterlengte  tot  kaap  Goede  Hoop,  wat  bij  „geheim 
besluit"  aangenomen  werd  onder  het  beheer  van  den 
sultan  van  Tidore  te  staan,  die  feitelijk  niets  beheerde. 
De  binnenlandsche  grens  werd  niet  bepaald ;  dat  was  iets 
van  later  zorg.  In  hetzelfde  jaar  bouwden  wij  het  fort  du 
Bus,  dat  echter  in  1836  reeds  werd  verlaten  wegens  on- 
gezondheid der  streek.  In  1874  werd  in  eene  edelmoedige 


bui  verklaard  dat  Nederland  zijn  gebied  niet  verder  wilde 
uitbreiden ;  wellicht  had  men  aan  Atjeh  voorloopig  genoeg 
te  slikken. 

Om  onze  supprematie  te  handhaven  werden  hier  en  daar 
langs  de  kusten  vlaggen  of  wapenborden  geplaatst,  die 
tamelijk  goed  werden  gespaard  door  de  inlanders.  Deze 
toch  koesterden  eene  bijgeloovige  vrees  voor  de  afbeel- 
dingen dezer  onbekende  dieren  (en  dat  waren  nog  wel 
onze  Nederlandsche  leeuwen !).  Zij  konden  moeilijk  beseffen 
dat  die  fraai  beschilderde  planken  het  recht  van  een  blank 
volk  aan  de  andere  zijde  der  wereld  op  hunne  gronden 
en  wateren  moesten  bewijzen.  Niet  altijd  slaagde  men  er 
in,  vasten  voet  te  krijgen  op  de  moerassige  kust ,  en  dan 
hing  ons  „Je  maintiendrai "  te  bengelen  in  een  door 
niemand  bezocht  boschje  rizophoren ,  die  met  hunne  slanke 
en  teere  luchtwortels ,  een  juist  symbool  vormen  van  de 
hechte  grondslagen  van  ons  gezag  op  Nieuw-Guinea. 

Er  kwamen  echter  kapers  op  de  kust,  toen  doorDuit- 
schers  plannen  tot  inlijving  werden  gemaakt.  Doch  de 
Australiërs  waren  wakker,  en  spoorden  de  Engelsche 
Regeering  tot  nieuwen  ijver  aan,  ten  einde  de  onaf hanke- 
lijke  deelen  van  het  eiland  liefst  maar  onmiddellijk  in 
bezit  te  nemen.  Nu  hals  over  kop  er  heen ,  en  de  Engel- 
schen  waren  het  eerste  ter  plaatse  en  proclameerden  op 
hun  oorlogsschip  Nélson ,  liggende  in  de  Oranje-baai ,  de 
Britsche  heerschappij  der  geheele  Zuidkust  van  Nieuw- 
Guinea  van  141°  Oosterlengte  (onze  oude  grens)  tot  aan 
de  Oostkaap;  in  een  paar  uren  in  bezit  nemende  een 
grondgebied  zoo  groot  als  Engeland  en  Schotland  te 
zamcn.  Men  voldeed  daardoor  aan  een  ouden  wensch  der 
Australische  kolonisten  aan  de  overzijde  van  straat  Torres 
wonende,  die  reeds  in  1872  eene  rprospecting  association" 
(speculatie-maatschappij)  hadden  opgericht,  en  nogmaals 
in  1878  het  oog  van  de  Engelsche  Regeering  vestigden 
op  deze  streken ,  waar  zij  hoopten  goud  te  vinden ,  en 
waar  zij  reeds  lang,  vaak  op  wrcedaardigc  wijze ,  koelies 


en  werkkrachten  hadden  geroofd.  Eerst  in  1884  gaf  de 
Britsche  Regeering  aan  hun  wensch  gehoor,  en  bij  Indisch 
Staatsblad  1895  n°.  220  en  n°.  221  werd  de  grensregeling 
tusschen  het  Nederlandsch  en  Engelsch  gebied  op  Nieuw- 
Guinea  vastgesteld. 

Enkele  weken  nadat  de  Nelson  de  Engelsche  vlag  op 
de  zuidkust  heesch ,  werd  de  Duitsche  vlag  op  de  noord- 
kust  geplant  en  nam  Duitschland  in  bezit  het  alsnog  open 
gebleven  gedeelte.  Eenmaal  in  gang,  nam  men  gemakshalve 
ook  nog  de  eilanden  van  den  Bismarck-archipel  en  een 
deel  der  Salomon's  en  Marschall-eilanden  in  bezit,  en 
weldra  die  in  de  Astrolabe-baai ,  om  plantages  voor  tabak , 
koffie  en  katoen  aan  te  leggen,  die  bewerkt  werden  door 
van  buiten  ingevoerde,  onder  anderen  ook  Javaansche 
koelies.  Bij  „  kaiserlichen  Schützbrief"  werd  deze  streek 
als  „Kaiser  Wilhelmsland  "  gedoopt  en  werden  de  grenzen 
vastgesteld.  De  door  Nederland  eigenmachtig ,  geheel  wille- 
keurig gekozen  grens  van  141  graden  Oosterlengte  werd 
èn  door  Engeland  èn  door  Duitschland  geëerbiedigd,  en 
Nieuw-Guinea  was  heel  broederlijk  verdeeld  onder  Hol- 
land, dat  de  helft,  en  Duitschland  en  Engeland,  die  ieder 
een  kwart  bekwamen. 

Onze  grenzen  op  Borneo,  evenals  die  op  Timor,  zijn 
bij  tractaat  geregeld;  die  op  Nieuw-Guinea  worden  trouw 
erkend  door  de  vreemde  mogendheden;  zou  het  dan  wer- 
kelijk zulk  een  bezwaar  zijn  om  op  Sumatra  voor  Atjeh 
datgene  te  doen  wat  op  Borneo,  Timor  en  Nieuw-Guinea 
zoo  goed  slaagde,  en  waardoor  wij  zeifs  bij  „nominaal 
gezag,"  toch  de  verlangde  landstreken,  als  tot  den  zoo- 
genaamden  „kring  van  ons  belang' '  behoorende,  zonder 
verder  bloedvergieten  onder  onze  supprematie  kunnen 
houden  of  brengen? 

„Doch,"  schrijft  zendeling  Haga,  in  zijne  Geschiedenis 
van  Nieuw-Guinea,  „aan  het  onder  geregeld  bestuur ^  bren- 
gen der  Papoea's  zijn  onoverkomelijke  bezwaren  verbonden ; 
reeds  veel  offers  aan  geld  en  menschenlevens  zijn  door 


8 

Nederland  aan  Westelijk  Nieuw-Guinea  gebracht  zonder 
éénig  voordeel,  zoodat  men  tot  de  overtuiging  komt  dat 
het  een  zeer  twijfelachtig  voordeel  is ,  soitverein  van  Nieuw- 
Gtihtca  te  zijn" 

Geheel  en  al  afstand  te  doen  van  onze  door  de  groote 
mogendheden  erkende  of  op  verzoek  te  erkennen  rechten , 
is  echter  niet  noodig ,  als  wij  maar  niet  volgens  het  sup- 
pletie-voorstel dezer  begrooting  er  toe  overgaan  den 
eersten  stap  te  doen  van  vestiging  van  rechtstreeksch 
beheer,  want  dkn  moet  men  eerst  overwegen  welke  de 
gevolgen  kunnen  zijn  van  een  onberaden  stap,  van  een 
ondoordacht  gehoorgeven  aan  een  doelloozen  annexatie- 
lust. 

Tot  heden  deden  wij  niets  of  bitter  weinig  en  lieten 
den  sultan  van  Ternate,  die  er  trouwens  niets  te  zeggen 
had ,  naar  willekeur  optreden  en  het  land  verwaarloozen. 
Alleen  de  beruchte  „hongi-tochten ,"  waarbij  onze  vriend 
de  sultan  om  de  belastingen  te  innen  eenvoudig  roof- en 
plundertochten  organiseerde,  hebben  wij  beperkt,  en  de 
bevolking  van  de  kustlanden  van  Nieuw-Guinea  beschermd 
tegen  de  afzetterijen  van  hun  onverschilligen  landsvader. 
Rooftochten  en  plundering  komen  thans  onder  de  bewoners 
zei  ven  nog  veelvuldig  voor,  kwamen  altijd  voor  en  zullen , 
ook  al  wonen  er  een  paar  controleurs  op  een  afgelegen 
eiland,  blijven  voorkomen.  Kan  echter  Nederland  met 
zijne  geringe  macht  geroepen  zijn  paal  en  perk  te  stellen 
aan  dergelijke  veroordeelenswaardige  toestanden ,  die  im- 
mers in  de  binnenlanden  van  Borneo,  Celebes,  Timor, 
Soemba   en   Sumatra   zelfs  nog  dagelijks  plaats  hebben? 

De  zendelingen,  die  er  sedert  1855  gevestigd  zijn, 
werden  altijd  met  rust  gelaten;  handelaren  konden  er 
zich  steeds  vrij  bewegen  en  „  werden  nooit  benadeeld  of 
bestolen,"  wat  een  afdoend  bewijs  is  hoe  „onbeschaafd" 
deze  nog  eerlijke  natuurmenschen  zijn. 

Zeker,  er  zijn  moordgevallen  voorgekomen.  In  1888 
zijn  er  een  paar  Ternataansche  jagers  gedood,  die  druk 


bezig  waren  een  der  fraaiste  vogelsoorten,  de  paradijs- 
vogels,  geheel  uit  te  roeien.  Zij  zijn  gedood  geworden, 
en  door  eene  expeditie  van  Tidoreezen ,  de  Bashi-Bazoeks 
van  den  Indischen  Archipel,  heeft  men  niet  alleen  de 
daders,  maar  in  den  wilde  weg  al  wat  men  aantrof  ge- 
straft; de  huizen  verbrand,  de  boomen  omgekapt,  neer- 
geschoten wat  men  treffen  kon.  Maar  hadden  wellicht  die 
ruwe  jagers  dat  ongeluk  niet  aan  zich  zelven  te  wijten? 
Nog  enkele  andere  gewelddaden  vermelden  de  Koloniale 
Verslagen  van  1886,  1891,  1894,  1895  en  1896,  doch 
zouden  die  verminderen  door  de  aanwezigheid  van  twee 
controleurs  langs  eene  kust ,  wellicht  tienmaal  langer  dan 
de  geheele  Nederlandsche  ?  Wat  kunnen  die  controleurs 
er  doen?  Weinig  meer  dan  conflicten  uitlokken.  Men  zal 
hen  opdrachten  geven ;  zij  zullen  een  einde  moeten  maken 
aan  de  rooftochten ,  den  slavenhandel  moeten  belemmeren , 
nagaan  of  men  voortgaat  oorlogen ,  contrabande  en  opium 
of  jenever  in  te  voeren,  wat  —  en  dit  strekt  tot  blijvende 
eer  onzer  Indische  Regeering  —  sedert  1889  en  1888 
verboden  is.  Men  zal  het  hen  opdragen,  maar  zij  kunnen 
dat  niet  volvoeren ;  bedreigingen  zullen  volgen ,  tuchtigin- 
gen noodzakelijk  zijn,  de  vertegenwoordigers  van  het 
Nederlandsch  gezag  worden  weggejaagd  of  vermoord, 
evenals  men  in  1893  onzen  posthouder  van  Selerika  met 
pijlschoten  verdreef,  zoodat  hij  het  er  geen  drie  weken 
uithield  en  met  moeite  zijn  leven  redde.  Geschiedt  zulks 
met  de  aldaar  gevestigde  ambtenaren  van  het  binnen- 
landsch  bestuur,  dan  volgt  eene  expeditie;  de  bevolking 
verdwijnt  in  de  bosschen ,  men  dringt  het  ontoegankelijke 
binnenland  zoo  goed  mogelijk  in;  de  krijgshaftige  stam- 
men verdedigen  zich,  ziekten  maaien  ons  legertje  weg; 
tot  den  terugtocht  wordt  besloten  en  met  een  reeks  bloe- 
dige expeditiën,  zooals  die  in  Atjeh,  is  weer  een  begin 
gemaakt.  Kortweg,  het  ware  misdadig  om  ter  wille  van 
eenige  ingebeelde  voordeden,  zich  wederom  in  avon- 
turen  te   begeven   waarvan   wij   het  einde   niet  kunnen 


10 

voorzien,  noch  ecnigermate  de  gevolgen  kunnen  be- 
rekenen. 

Wat  dan  wel  onze  plicht  is  op  Nieuw-Guinea,  is  dit. 
Wij  kennen  en  weten  zoo  goed  als  niets  van  het  land; 
nog  kort  geleden  moest  men  feitelijk  een  gedeelte  der 
kustlijn  met  stippels  als  onbekend  aangeven;  van  het 
binnenland  weten  wij  bitter  weinig ;  dit  werd  slechts  cene 
enkele  maal  door  vreemdelingen,  en  meest  alleen  langs 
de  bedding  van  groote  rivieren,  bezocht.  Het  geheele 
bergland  is  onbekend;  wij  weten  alleen  dat  er  oorlogs- 
zuchtige stammen  wonen,  die  hunne  vijanden  verslinden 
en  veel  palmwijn  drinken.  Doch  wat  wij  vooral  weten  is 
dat  het  op  vele  plaatsen  erg  moerassig  is  en  een  onge- 
zond koortsland,  waar  ook  veel  berri-berri  voorkomt. 
Aanraking  met  de  bevolking  hadden  wij  uiterst  zelden, 
zij  vluchtten  weg  in  de  boomen  of  de  bergen ,  en  een  der 
residenten  moest  eens  een  brief  aan  een  boom  spijkeren 
met  het  beleefd  verzoek,  dat  zij,  als  zij  lust  kregen 
in  onderwerping,  zich  bij  den  zendeling  konden  aan- 
melden. 

Die  volslagen  onbekendheid  met  land  en  volk  moet 
ophouden ;  wat  een  Rus ,  Maclay,  deed ,  die  er  jarenlang 
heeft  gewoond  en  slechts  vriendschapsbetuigingen  van 
hen  ontving,  kunnen  ook  onze  jonge  mannen  doen,  die 
zich  vol  geestdrift  aan  de  wetenschap  willen  wijden ,  en 
bij  dit  meest  primitieve  volk  zulke  belangrijke  cthnogra- 
phische  studiën  kunnen  maken,  de  taal  navorschen  en 
door  hun  optreden  het  vertrouwen  der  inboorlingen  win- 
nen. Niet  als  heer se her s  moeten  wij  er  heengaan,  maar 
als  dienaren,  niet  als  vijanden  er  binnendringen,  maar 
als  vrienden,  die  hun  welzijn  beoogen;  niet  met  het  zwaard 
in  de  hand  hun  land  roovcn,  hen  tot  arbeid  dwingen, 
vreemde  gewoonten  opdringend ,  maar  zonder  noodelooze 
kwetsing  van  hun  „adat,"  hen  beschaven  en  vatbaar 
maken  voor  eene  hoogere  ontwikkeling ;  hen  niet  tergen , 
berooven  en  —  bij  verzet  —  uitroeien ,  doch  hun  eerbied 


11 

trachten  te  verdienen,  hun  vertrouwen  te  winnen  door 
onze  daden. 

Door  gezaghebbende  en  macht  uitoefenende  ambtenaren 
is  bij  dat  aan  vrijheid  gewende  volk  dat  doel  niet  te  be- 
reiken, maar  wij  hebben  andere  personen,  die  daarvoor 
als  aangewezen  zijn,  en  dat  zijn  de  zendelingen. 
Moge  deze  bewering  uit  mijn  mond  u  niet  bevreemden, 
zcidc  de  heer  Van  Kol,  want  ik  aarzel  niet  te  herhalen 
wat  ik  reeds  meermalen  elders  zeide ,  dat  ik  een  hoogen 
eerbied  voor  die  mannen  koester,  al  is  hun  geloof  niet 
het  mijne.  Het  is  een  hartveredclend  schouwspel  wanneer 
men  in  dezen  tijd  van  genotzucht  en  rustelooze  jacht 
naar  geld ,  mannen  ontmoet  die  gevaar  verachten ,  zonder 
hoop  op  eer  noch  voordeel,  zooveel  toewijding  toonen 
aan  hun  ideaal;  die  zonder  ooit  lauweren  te  kunnen  be- 
halen, in  onbeschaafde  streken  onder  wilde  volken  be- 
grippen brengen  van  beschaving,  zedelijkheid  en  humaniteit, 
en  dat  alleen  ter  bevrediging  van  hun  gevoel  van  plicht, 
volgende  de  stem  van  hun  geweten ,  de  geboden  van  hun 
God.  Geen  mannen  met  het  zwaard  in  de  hand  naar  die 
onbekende  wereld  gezonden,  maar  dienaren  van  Christus, 
met  hun  Evangelie  in  het  hart  en  het  „raja!  raja!" 
(vriendschap)  op  de  lippen. 

Waarom  zou  men  op  Nieuw- Guinea  niet  eens  eene  ern- 
stige proef  nemen,  van  hetgeen  de  humane  invloed  dier 
zending  zonder  wapenen  en  bloedstorting  vermag? 

Niets  zou  mij  meer  verheugen  —  zoo  eindigde  spreker  — 
dan  dat  uit  den  boezem  onzer  Tweede  Kamer  een  voorstel 
of  een  amendement  opkwam  om  in  plaats  van  deze  hooge 
som  voor  de  vestiging  van  ons  bestuur  op  Nieuw-Guinea , 
een  flink  bedrag  te  besteden  voor  steun  der  zending 
aldaar. 

De  heer  M  a  c  k  a  y  was  het  in  geen  enkel  opzicht  met 
de  beschouwing  van  den  heer  Van  Kol  eens.  Heersch-  en 
annexatiezucht  achtte  hij  hier  ten  eenenmale  buitengesloten. 


12 

Trouwens  dat  gedeelte  van  Nieuw-Guinea  waarop  dit 
voorstel  ziet,  behoeft  niet  geannexeerd  te  worden,  het 
behoort  reeds  tot  het  gebied  van  Nederland,  wiens  sou- 
vereiniteit  niet  wordt  betwist.  Het  geldt  hier  alleen  de 
vraag,  of  wij  den  toestand  van  wanorde,  den  toestand 
van  anarchie,  waarin  de  bevolking  daar  verkeert,  zullen 
bestendigen,  dan  wel  of  wij  nu  den  tijd  gekomen  achten 
om  een  begin  te  maken  met  ons  direct  bestuur  daar  te 
vestigen. 

En  nu  wordt  juist  van  de  zijde  der  zending  aange- 
drongen op  bestu urs vestiging,  waarin  zij  eene  krachtige 
hulp  zien  in  het  werk  dat  zij  gedurende  zoo  vele  jaren 
met  opofferingen,  die  grooter  zijn  dan  men  denken  kan, 
ondernomen  hebben. 

Op  grond  van  het  getuigenis  van  een  zendeling,  werk- 
zaam op  de  Noordkust  van  Nieuw-Guinea,  betoogde 
spreker  dat  Nieuw-Guinea  zonder  bestuur  nooit  tot  ont- 
wikkeling kan  komen. 

Voorzichtiger  liet  de  heer  B  a  s  t  e  r  t  zich  uit.  Mij  dunkt, 
zeide  hij ,  wij  staan  hier  voor  eene  onbekende  toekomst 
en  weten  niet  wat  de  gevolgen  zullen  zijn  van  dezen 
eersten  stap. 

Daarom  meen  ik  dat ,  indien  de  Regeering  de  invoering 
van  ons  Europeesch  bestuur  in  Nieuw-Guinea  noodig 
oordeelde,  het  wel  zoo  doelmatig  ware  geweest,  dat 
dit  voorstel  bij  een  afzonderlijk  wetsontwerp  ware  voor- 
gedragen. Het  ware  ddarom  ook  zoo  wenschelijk  en 
noodzakelijk  geweest,  omdat  de  Eerste  Kamer,  die  toch 
evengoed  als  wij  te  beoordeelen  heeft  wat  in  'slands 
belang  wenschelijk  en  noodzakelijk  is,  daardoor  eene 
vrije  stem  en  eene  vrije  beschikkking  zou  hebben  gehad, 
en  dit  mist  nu  de  Eerste  Kamer.  Wanneer  deze  post  in 
de  begrooting  wordt  opgenomen ,  dan  kan  de  Eerste  Kamer 
de  geheele  begrooting  verwerpen,  maar  dezen  post  af- 
voeren kan  zij  niet. 

In    de   tweede  plaats   deelde   spr.   de   vrees,   dat   de 


13 

bestuursvestiging  tot  verwikkelingen  met .  de  bevolking 
aanleiding  zal  geven  en  het  zenden  van  expeditiën  noodig 
zal  maken. 

Indien  ik  wel  onderricht  ben,  dan  bestaat  o.  a.  in 
Nieuw-Guinea  nog  de  slavernij.  Indien  wij  het'Europeesch 
bestuur  daar  vestigen,  zullen  wij  dan  moeten  overgaan 
tot  de  afschaffing  van  de  slavernij?  Dit  is  een  zeer  aan- 
lokkelijk beeld,  maar  ik  vraag  mij  af,  waar  moeten  de 
dubbeltjes  vandaan  komen  om  de  kosten  daarvan  goed 
te  maken?  Met  het  oog  op  de  toekomst  en  de  geschie- 
denis van  Atjeh,  die  weliswaar  hiermede  niet  geheel  en 
al  vergeleken  kan  worden ,  meen  ik  mij  niet  verantwoor- 
delijk te  mogen  stellen  voor  de  gevolgen  die  uit  dezen 
post  kunnen  voortvloeien. 

De  verdediging  van  den  minister  van  Koloniën, 
den  heer  Cremer,  was  tamelijk  zwak,  naar  het  ons 
voorkomt. 

Wij  gaan  eenvoudig  beschavingswerk  verrichten ,  zeide 
hij,  en  ik  geloof  niet  dat  iemand  er  aan  denkt,  dat  wij 
hier  eene  bezitting  gaan  veroveren  waar  wat  te  halen  is , 
om  het  platweg  uit  te  drukken.  Neen ,  daar  halen  eenige 
Ternataansche  jagers  paradijs-vogels  vandaan  en  komen 
daarbij  nog  al  eens  in  conflict  met  de  bevolking;  maar 
voordeden  voor  de  Europeanen  of  voor  de  Regeering  zijn 
daar  niet  te  halen ,  nu ,  noch  in  het  verschiet.  Wij  komen 
daar,  niet  geroepen  door  industrieelen ,  maar,  zooals  de 
heer  Mackay  gezegd  heeft,  door  zendelingen.  Dezen  heb- 
ben sinds  jaren  aangedrongen  op  vestiging  van  ons  bestuur 
op  Nieuw-Guinea,  opdat  eindelijk  een  einde  zou  komen 
aan  de  verwarring  en  rechteloosheid  die  daar  heerschen. 

Van  annexeeren  is  hier  geen  sprake ,  want  geen  Euro- 
peesche  of  inlandsche  mogendheid  betwist  ons  het  westelijk 
deel  van  Nieuw-Guinea. 

In  den  laatsten  tijd  echter  heeft  zich  herhaalde  malen 
een    begin    van   moeilijkheden    van   internationalen  aard 


14 

voorgedaan,  zoo  ten  gevolge  van  rooftochten  van  inlan- 
ders, die  gezegd  worden  in  het  onder  ons  gezag  staande 
gebied  thuis  te  behooren,  naar  het  aangrenzend  gebied, 
als  ook  wegens  berooving  van  reizigers  die  op  Nieuw- 
Guinea  aan  wal  waren  gegaan.  Het  oog  van  verschillende 
natiën,  ook  in  Azië,  is  op  dit  stukje  van  Nieuw-Guinea 
gevestigd.  Men  zal  de  politiek  van  non-interventie ,  ook 
al  wilde  men  nog  zoo  gaarne,  derhalve  niet  kunnen  vol- 
houdeq.  Wanneer  wij  nu  niet  de  beslissing  nemen  om  ons 
daar  te  vestigen,  dan  bestaat  de  mogelijkheid  dat  wij 
binnen  korten  tijd  daartoe  gedwongen  kunnen  worden, 
of  dit  gebied  zullen  moeten  opgeven. 

De  Indische  Regeering  heeft  deze  zaak  zeer  ernstig 
overwogen.  De  vestigingen  zullen  voorloopig  van  zeer 
eenvoudigen  aard  zijn.  Het  is  ecne  proef  die  wij  nemen, 
maar  eene  proef  die  juist  door  het  aanwezig  zijn  van 
zendelingen  in  die  streken  zeer  veel  kans  van  slagen 
heeft,  want  nu  weten  wij  bij  voorbaat  dat  die  plaatsen 
bewoonbaar  zijn.  Hoe  later  de  indccling  van  ons  bestuur 
op  Nieuw-Guinea  zal  worden ,  kan  eerst  worden  bepaald , 
wanneer  wij  meer  kennis  van  het  land  zullen  hebben 
verkregen,  door  middel  van  de  twee  controleurs  (wellicht 
zal  het  volgende  jaar  eene  kleine  uitbreiding  worden 
voorgesteld)  die  zich  met  de  stoombootjes ,  welke  te 
hunner  beschikking  worden  gesteld,  telkens  langs  de 
kusten  kunnen  begeven,  die  tot  nog  toe  slechts  enkele 
malen  door  groote  schepen  werden  bezocht. 

Ik  heb  reeds  gezegd,  ging  de  Minister  voort,  dat  wij 
ons  op  Nieuw-Guinea  willen  vestigen  uit  een  bijzonder 
oogpunt,  nl.  uit  een  oogpunt  van  humaniteit.  De  Gouver- 
neur-Generaal,  die,  evenals  zijn  voorganger,  zeer  voor 
de  vestigtng  gestemd  is ,  heeft  de  zaak  tot  een  onderwerp 
van  zeer  ernstige  overweging  gemaakt.  En  wat  heeft  hem 
daarbij  geïnspireerd?  Het  voorbeeld  van  het  Britsche 
gedeelte  van  Nieuw-Guinea ,  aan  het  hoofd  waarvan  als 
administrateur  staat  sir  William  Mac  Gregor. 


15 

Dat  is  juist  een  van  die  menschen  die  wij  ons  tot 
voorbeeld  moeten  nemen  voor  eene  vreedzame  vestiging 
op  Nicuw-Guinea.  Hij  is  geneesheer  en  philanthroop ,  een 
man  die  zich  geheel  wijdt  aan  de  vreedzame  ontwikkeling 
van  dat  deel  van  Nieuw-Guinea.  En  nu  is  reeds  bij  de 
Indische  Regeering  in  overweging  de  vraag,  door  welke 
personen  de  nieuwe  standplaatsen  het  best  zullen  kunnen 
worden  bezet.  Art.  18  namelijk  van  Indisch  Staatsblad 
1883  na.  249  laat  vrijheid  om  in  buitengewone  gevallen 
ook  personen  buiten  het  eigenlijke  kader  tot  ambtenaar 
van  het  binnenlandsch  bestuur  te  benoemen,  en  het  zoeken 
naar  personen  voor  de  moeilijke  taak  om  op  Nieuw-Guinea 
met  beleid ,  geduld  en  toewijding  zich  de  genegenheid  van 
de  bevolking ,  eerst  in  de  onmiddellijke  nabijheid ,  en  later 
verder  op,  te  verwerven,  heeft  geleid  tot  de  overtuiging 
dat  het  noodig  kan  zijn ,  ook  het  oog  te  vestigen  op  per- 
sonen buiten  het  korps  van  het  binnenlandsch  bestuur 
staande. 

Evenals  de  zending  hare  eerste  stappen  op  onbekend 
gebied  doet,  niet  dadelijk  met  den  bijbel  in  de  hand 
maar ,  door  de  ondervinding  geleerd ,  met  de  medicijnkist , 
evenzeer  kan  het  op  onzen  weg  liggen  het  voorbeeld  der 
Engelschen  te  volgen  in  de  keuze  van  de  personen,  die 
op  Nieuw-Guinea  ons  gezag  het  eerst  zullen  vertegen- 
woordigen. Zekerheid  of  dit  gelukken  zal  heb  ik  natuurlijk 
niet,  maar  het  feit  dat  er  in  Indië  ernstig  aan  gedacht 
wordt,  gevoegd  bij  de  overwegingen  die  ik  daaromtrent 
gelezen  heb,  wijzen  duidelijk  uit,  dat  ook  bij  de  Hooge 
Regeering  in  Indië  de  bedoeling  bestaat  deze  vestiging 
te  doen  strekken  uitsluitend  ten  bate  van  de  inlanders 
op  Nieuw-Guinea.  Het  kleine  politic-korps  van  20  man, 
dat  de  gezaghebbers  daar  onder  zich  zullen  hebben, 
heeft  waarlijk  geene  sterkte  om  op  avonturen  uit  te 
gaan. 

Ik  hoop  dat  onze  bestuursvestiging  daar  zal  strekken 
als  voorbeeld,  hoe  met  arbeidzaamheid  en  ijver,  en  onder 


16 

onze  bescherming ,  de  bevolking  tot  grooter  welvaart  en 
ontwikkeling  kan  komen  dan  zij  nu,  helaas,  bezit.  En 
wanneer  de  heer  Bastert  dan  zegt :  gij  gaat  een  onbekend 
avontuur  te  gemoet ,  dan  kan  ik  hem  dit  in  vele  opzichten 
toegeven,  maar  dit  wil  ik  er  bij  zeggen,  dat  het  streven 
is  om  dit  avontuur  niet  zeer  gevaarlijk  te  maken;  dat 
men  zich  daar  niet  in  gevaarlijke  ondernemingen  zal  be- 
geven. Integendeel  zal  men  trachten  op  vreedzame  wijze 
den  inlander  de  voordeden  van  den  vrede  te  doen  ten 
deel  vallen,  welke  hij  nu  niet  geniet. 

Een    afzonderlijk   wetsontwerp   had   de   Minister   niet 
noodig  geoordeeld ,  omdat  omtrent  zeer  vele  bestuursrege- . 
lingen ,  even  gewichtig  als  deze ,  de  Tweede  Kamer  hare 
beslissing  heeft  genomen  bij  begrootingswetten. 

Nogmaals  verhief  de  heer  Van  Kol  zijne  waarschu- 
wende stem. 

Evenmin  als  wij  vóór  24  jaar  hadden  kunnen  voorzien 
wat  in  Atjeh  zou  gebeuren  —  wij  meenden  misschien  dat 
in  een  paar  maal  24  uren  ons  rechtstreeksch  gezag  pp 
Atjeh  reeds  gevestigd  zou  zijn  —  evenmin  kan  men  thans 
voorspellen  of  de  gevolgen  niet  even  droevig,  de  resul- 
taten niet  even  rampzalig  zullen  zijn. 

Het  is  waar,  ƒ  115  000  is  geen  noemenswaardige  som 
vergeleken  bij  de  groote  massa  geld  waarover  het  Parle- 
ment in  deze  dagen  zijne  stem  moet  uitbrengen.  Maar 
het  is  een  begin ,  en  wij  moeten  niet  vergeten  dat  niemand 
kan  zeggen  waar  het  eindigt.  Het  is  een  eerste  stap ,  die 
velerlei  gevolgen  kan  hebben  en  ontzaglijke  offers  van 
de  schatkist  kan  vergen,  ook  naar  het  oordeel  van  een 
man ,  die  recht  heeft  om  zulk  eene  waarschuwing  te  doen 
hooren ,  van  den  gewezen  resident  den  heer  F.  de  Clercq , 
die  daar  jaren  heeft  doorgebracht ,  lang  met  de  inlanders 
heeft  omgegaan,  die  de  taal  kent  en  meer  dan  iemand 
weet  wat  het  gevolg  zal  zijn,  indien  wij  ons  in  het  „wes- 
pennest" van  Nieuw-Guinea  steken. 


17 

Zijn  er  op  Nieuw-Guinea  wellicht  goudmijnen  gevonden  ? 
Heeft  men  de  verwachting  dat  er  petroleum  zal  gevonden 
worden  en  dat  exploitatie  van  die  streken  groot  voordeel 
zal  opleveren?  Men  moet  echter  voorzichtig  zijn,  want 
wij  weten  dat  er  gruwelen  zijn  gebeurd  uit  zucht  naar 
goud.  Waarom  hebben  de  Engelschen  zich  er  gevestigd? 
Omdat  zij  gedwongen  werden  door  de  Australische  kolo- 
nisten en  exploratie-maatschappijen.  Omdat  deze  wisten 
dat  er  goud  was  te  vinden,  hebben  zij  de  Engelschen 
gedwongen  dat  land  binnen  te  dringen.  Laat  ons  oppassen , 
want  door  de  aanwezigheid  van  de  Engelschen  om  er 
goud  te  zoeken  en  van  de  Duitschers  om  koffiegronden 
te  ontwikkelen ,  loopen  wij  gevaar  in  botsing  te  komen  met 
de  groote  mogendheden ,  aan  wier  willekeur  wij  machteloos 
zouden  zijn  overgeleverd. 

De  heer  Van  Kol  vond  een  medestander  in  den  heer 
Pijnacker  Hordijk,  wriens  bezwaren  door  de  gehouden 
discussie  en  niet  het  minst  door  het  antwoord  van  den 
Minister  krachtig  waren  versterkt. 

Waar  het  hier  eene  zoo  ernstige  zaak  geldt ,  bovendien 
eene  beginselquaestie ,  gaf  hij  den  Minister  in  overweging 
om  het  voorstel  weer  uit  de  begrooting  te  lichten,  ten 
einde  het  in  den  vorm  van  een  op  zich  zelf  staand  wets- 
ontwerp te  kunnen  indienen. 

Hiervan  echter  wilde  de  Minister  niet  hooren.  Vond 
de  Kamer  de  zaak  niet  genoegzaam  voorbereid,  dan  had 
zij  daarvan  maar  in  het  Voorloopig  Verslag  moeten  doen 
blijken. 

Men  had  overlegging  van  stukken  kunnen  vragen, 
hetgeen  zoo  dikwijls  gebeurt.  Er  is  natuurlijk  bij  het 
Ministerie  een  volumineus  dossier  over  deze  zaak  aan- 
wezig. Niemand  heeft  echter  de  zaak  zoo  belangrijk 
gevonden,  dat  men  het  noodig  heeft  geacht  om,  zooals 
op  militair  en  verschillend  ander  gebied  geschied  is, 
overlegging  van  stukken  te  verzoeken.  Er  zijn  bij  ver- 
schillende brieven  stukken  aan  de  Kamer  gezonden  betref- 

2 


18 


fende  deze  begrooting.  Had  men  deze  zaak  nader  willen 
bestudeeren ,  welnu ,  men  had  de  overlegging  van  stukken 
kunnen  vragen ,  waaraan  met  groot  genoegen  voldaan  zou 
zijn  geworden.  Uit  de  gewisselde  stukken  is  mij  echter 
niets  anders  gebleken,  dan  dat  omtrent  de  zaak  zelve 
vrij  algemeene  eenstemmigheid  bestond;  slechts  enkele 
kleine  bezwaren  werden  geopperd. 

„Dit  is  —  ging  de  Minister  voort  —  vanzelf  het  ant- 
woord op  de  vraag ,  mij  gesteld  door  den  heer  Van  Kol , 
namelijk  of  de  aanleiding  tot  deze  overhaaste  behandeling 
daarin  gelegen  was,  dat  men  goudmijnen,  petroleum- 
bronnen  of  rijke  landen  ter  exploitatie  had  gevonden. 
Ik  kan  den  geachten  afgevaardigde  verklaren,  dat  hoe- 
genaamd niets  bekend  is  aangaande  het  voorkomen  van  de 
zaken  die  hij  noemde  op  ons  gebied  in  Nieuw-Guinea. 
Ik  geloof  dat ,  indien  dit  wel  het  geval  ware,  de  couranten , 
welke  die  geachte  afgevaardigde  steeds  met  aandacht  leest , 
daarvan  wel  melding  zouden  gemaakt  hebben.  In  geene 
enkele  publicatie  kan  men  hieromtrent  iets  vinden.  Ik 
kan  alleen  mededeelen  dat,  naar  althans  bekend  is,  in 
ons  gebied  op  Nieuw-Guinea  op  het  eilandje  Lakahia  vrij 
waardelooze  steenkolen  voorkomen." 

En  verder: 

„Het  is  niet  om  botsingen  uit  te  lokken ,  maar  om  die 
te  voorkomen,  dat  de  Indische  Regeering  voorziening  in 
deze  zaak  zoo  urgent  acht;  niet  alleen  botsingen  met  de 
twee  buren,  die  wij  op  Nieuw-Guinea  hebben,  maar  ook 
met  anderen ,  die  hun  oog  op  dat  gebied  hebben  geslagen. 
In  het  volkenrecht  wordt  volgens  de  nieuwere  beginselen 
de  souvereiniteit  van  eene  Europeesche  natie  over  der- 
gelijk gebied  gerekend  te  dateeren  van  het  oogenblik  dat 
het  land  door  haar  geoccupeerd  is.  Onze  aanspraken  op 
Nieuw-Guinea  zijn  echter  van  ouderen  datum,  en  men 
kan  dus  niet  van  ons  vorderen  dat  wij  Nieuw-Guinea 
feitelijk  occupeeren  om  souvereiniteitsrechten  aldaar  te 
behouden,  maar  dit  neemt  niet  weg,  dat  wij  toch  in  zeer 


19 

groote  moeilijkheden  zouden  kunnen  komen,  wanneer 
anderen  eene  andere  opvatting  omtrent  die  rechten  mochten 
hebben  ,  zoodat  juist  datgene  waar  men  zoo  bang  voor  is, 
het  uitlokken  van  botsing  ten  gevolge  van  onze  occupatie, 
veel  meer  te  vreezen  staat,  wanneer  wij  er  niet  geves- 
tigd zijn. 

„Xu  kan  men  natuurlijk  zeggen :  voorkom  die  botsingen 
dan  door  er  voor  goed  weg  te  blijven,  door  u  Nieuw- 
Guinea  niet  verder  aan  te  trekken,  maar  ik  veroorloof 
mij  met  de  meeste  bescheidenheid  in  overweging  te  geven , 
of  zoodanig  denkbeeld  voor  ons,  als  beheerder  van  een 
groot  koloniaal  bezit,  niet  een  gevaarlijk  uitgangspunt 
zoude  zijn?  De  vraag  of  wij  eene  dergelijke  streek  zouden 
kunnen  opgeven  zonder  meer ,  is  eene  zeer  ernstige.  Het 
geldt  hier  niet  de  vraag,  of  wij  meenen  dat  dit  stuk  van 
Nieuw-Guinea  voor  ons  eenige  waarde  heeft. 

„Op  het  oogenblik,  daarover  zullen  wij  het  allen  wel 
eens  zijn,  heeft  die  landstreek  voor  ons  geen  materieele 
waarde,  maar  eene  moreele  waarde  heeft  zij  wel,  omdat 
daar  menschen  wonen,  waarvan  wij  op  dit  oogenblik  de 
souverein  zijn.  En  moge  nu  een  vroegere  resident  van  het 
gewest  waartoe  Nieuw-Guinea  behoort ,  de  heer  De  Clercq , 
waarschuwen  tegen  uitbreiding  van  ons  gezag,  ik  stel 
zijne  autoriteit  te  dezen  aanzien  niet  hooger  dan  die  van 
de  laatste  residenten  van  hetzelfde  gewest ,  die  de  Neder- 
landsch-Indische  Regeering  zeer  dringend  hebben  gewezen 
op  de  noodzakelijkheid  om  meer  gezag  aldaar  uit  te 
oefenen,  dan  tot  nog  toe  door  de  periodieke  bezoeken, 
die  onze  ambtenaren  daar  brengen,  kan  geschieden;  ik 
wijs  op  den  resident  Bensbach ,  die  als  een  van  de  beste 
kenners  dier  residentie  bekend  stond,  maar  ook  den 
tegenwoordigen  resident  dr.  Horst. 

„De  bedoeling  is  geleidelijk  de  bevolking  onder  onzen 
invloed  te  brengen  en  te  gelijker  tijd  onze  heerschappij 
over  het  eiland  te  bevestigen  en  aan  te  toonen. 

„Ik  acht  dit  een  dringend  belang,  en  het  zou  mij  zeer 


20 

spijten,  wanneer  de  Kamer  van  eene  andere  meening 
blijk  gaf." 

In  zijn  antwoord  op  verschillende  replieken  verklaarde 
de  Minister  nog ,  dat  niet  besloten  is  tot  eene  vestiging  op 
Nieuw-Guinea ,  alleen  omdat  de  zending  die  vraagt.  Wel 
is  van  de  ervaring  en  van  de  meerdere  ondervinding 
der  zendelingen  omtrent  gezondheid,  ligging,  geschikt- 
heid en  bevolking  gebruik  gemaakt  bij  de  keuze  der 
plaats  van  vestiging. 

De  post  werd  ten  slotte  met  49  tegen  23  stemmen 
aangenomen. 

Voor  hebben  gestemd  de  heeren  Nolens,  Geertsema, 
Dobbelmann,  De  Bieberstein,  't  Hooft,  Van  Bylandt 
(Apeldoorn) ,  Seret,  De  Waal  Malefijt,  De  Savornin  Lohman, 
Krap ,  Pijnappel ,  Roessingh ,  Groen  van  Waarder ,  Rink , 
Everts ,  Donner ,  Kool ,  Van  Kerkwijk ,  Travaglino,  Goeman 
Borgesius,  Conrad,  Van  Limburg  Stirum,  Bahlmann, 
Van  Heemstra ,  Mackay ,  Van  Gilse ,  Smidt ,  Merckelbach , 
Van  de  Velde,  Michiels  van  Verduynen,  Van  Asch  van 
Wijck  (Wijk  bij  Duurstede),  Schaafsma,  Schimmelpenninck, 
Smits  van  Oijen,  Van  der  Kun,  Harte  van  Tecklenburg, 
Lely ,  Van  Karnebeek ,  De  Ras ,  Hesselink  van  Suchtelen, 
De  Visser,  Van  der  Borch  van  Verwolde,  Van  Bylandt 
(Gouda),  Van  Kempen,  Van  Gijn,  Knijff,  Bouman,  Van 
Vlijmen  en  de  Voorzitter. 

Tegen  hebben  gestemd  de  heeren  Meesters,  Staalman, 
Pijnacker  Hordijk,  De  Klerk,  Stoffel,  Van  Kol,  Bastert, 
Ketelaar,  Nolting,  Rethaan  Macaré,  Drucker,  Fokker, 
Heldt,  Tijdens,  Schepel,  Hartogh,  VanderZwaag,  Hou- 
wing, Veegens,  Lieftinck,  Verhey,  Ferf  en  Zijlma. 

Naar  aanleiding  van  opmerkingen  van  den  heer  Van 
Limburg  Stirum  bij  den  dcsbetreffenden  post  ver- 
klaarde de  Minister  met  de  afschaffing  van  heerendiensten 
niet  overhaast  te  werk  te  willen  gaan,  hoe  groot  zijne 
sympathie  voor  de  zaak  ook  is,  —  uit  vrees  óf  toteene 


21 

verhooging  van  het  hoofdgeld  te  moeten  komen,  hetgeen 
de  oeconomische  toestand  van  Java  op  het  oogenblik 
zeer  stellig  niet  gedoogt,  öf  de  uitvoering  van  verschil- 
lende werken  te  moeten  nalaten. 

De  Minister  deed  voorts  de  toezegging,  zich  met  de 
quaestie  van  decentralisatie ,  in  verband  ook  met  die  van 
de  heerendiensten,  ten  spoedigste  te  zullen  bezighouden. 

Bij  onder  af d.  41,  luidende:  „  Publieke  feesten,  ƒ  64,700", 
protesteerde  de  heer  Kuyper  tegen  het  feit,  dat  „ter 
opheffing  van  de  Balineesche  bevolking  op  Lombok", 
van  Regeeringswege  gelden  waren  uitgegeven  voor  een 
daar  te  houden  offerfeest.  Hij  vroeg  of  het  aanging,  dat 
uit  eene  kas  onder  onze  verantwoording  staande,  voor 
offers  aan  afgoden  gelden  werden  beschikbaar  gesteld. 

Een  door  den  afgevaardigde  van  Sliedrecht  voorgesteld 
amendement  tot  vermindering  van  den  post  met  ƒ  130, 
werd  na  eene  vrij  levendige  discussie  verworpen  met 
34  tegen  24  stemmen. 

De  beraadslaging  over  onderafd.  50 :  „Koffie ,  ƒ  8.942.685", 
werd  ingeleid  door  den  heer  Van  Limburg  Stirum, 
die  opnieuw  zijne  grieven  tegen  de  toepassing  van  het 
bijslagstelsel  te  berde  bracht.  Bij  de  behandeling  der 
vorige  begrooting  reeds  toonde  de  heer  Van  Stirum  aan , 
dat  het  bijslagstelsel ,  zooals  het  wordt  toegepast ,  een  was- 
sen neus,  éene  comedievertooning  is. 

Wat  is  de  bijslag? 

't  Is  eene  poging  om  te  voldoen  aan  art.  56,  4°.,  van 
het  Regeeringsreglement ,  een  inlossen  van  het  meer  dan 
eene  halve  eeuw  geleden  aan  den  inlandschen  koffieplanter 
gegeven  woord ,  dat  de  gouvernementskoffiecultuur  hem  — 
„zonder  schadelijke  opdrijving"  —  bij  gelijken  arbeid, 
ten  minste  gelijke  voordeden  zal  opleveren  als  de  vrije 
teelt. 

Zoo  zegt  dan  ook  het  Koloniaal  Verslag  van  1892,  „dat 
het  krediet  van  ƒ  500,000  bij  de  Indische  begrooting  voor 
1893  toegestaan,  dienen  moet  om  daaruit  met  behoedzaam- 


22 

heid  —  deze  uitdrukking  is  teekenend  —  in  streken  waar 
de  bestaande  betaling  van  ƒ  15  per  pikol,  met  het  oog 
op  de  eischen  van  art  56  van  tut  Regeeringsreglement , 
den  planter  te  weinig  verschaft,  aan  dezen,  voor  aan- 
plant en  onderhoud,  gedurende  de  eerste  jaren  een  bijslag 
te  geven  ter  aanvulling  van  hetgeen  er  aan  eene  behoor- 
lijke vergoeding  ontbreekt." 

In  confesso  was  dus ,  dat  er  streken  zijn,  waar  art.  56, 
4°.,  van  het  Regeeringsreglement  niet  werd  nageleefd, 
waar  de  Javaan-koffieplanter  veel  en  zwaren  arbeid  te 
verrichten  had  zonder  behoorlijke  vergoeding. 

Aan  dezen  toestand  moest  een  einde  worden  gemaakt. 
Regeering  en  Parlement  meenden  het  wèl  met  den  Javaan, 
en  deze  moest  nu  eens  eindelijk  van  die  welgezindheid 
een  tastbaar  blijk  ontvangen.  Hem  dit  blijk  te  geven  door 
eenvoudige  verhooging  van  den  inkoopsprijs  per  pikol 
ging  niet  aan,  meende  men.  De  ongunstige  verhouding 
tusschen  den  veel  en  den  weinig  koffie-inleverenden 
cultuur-plichtige  zou  daardoor  nog  meer  worden  geaccen- 
tueerd. 

De  „bijslag"  nu  zou  aan  die  ongunstige  verhouding 
een  einde  maken.  Ieder  cultuur-plichtige  zou  loon  naar 
werken  ontvangen ,  en ,  als  eenmaal  die  bijslag  was  inge- 
voerd, dan  zou  alles  zijn  pour  U  tnieux  dans  Ie  meilleur 
des  mondes. 

De  heer  Van  Stirum  nu  toonde  aan,  dat  —  wat  dr.  Burck 
ook  moge  beweren  —  de  groote  onbillijkheden  niet  zijn 
opgeheven;  dat  het  gevaar,  dat  een  cultuurplichtige  bij 
de  teelt  van  koffie  schade  lijdt,  nog  wel  degelijk  bestaat. 

Spr.  gaf  een  critisch  overzicht  van  de  cijfers,  die  de 
minister  van  Koloniën  in  de  bijlage  der  M.  v.  A.  heeft 
medegedeeld. 

Uit  die  cijfers  blijkt  o.  a. ,  dat  er  dessa's  zijn ,  waar  de 
cultuurplichtige  meer  ontvangt  dan  waarop  hij  aanspraak 
mag  maken. 

Het  zonderlingste  is  wel  de  regeling  van  den  bijslag 


23 

in  het  district  Parang ,  afdeeling  Magcttan ,  der  residentie 
Madioen.  Twaalf  dessa's,  in  twee  groepen  verdeeld, 
komen  aldaar  voor  den  bijslag  in  aanmerking.  Terwijl 
in  8  dezer  dessa's ,  de  eene  groep  vormende ,  de  cultuur- 
plichtigen  ƒ  1,65  ontvangen ,  waar  zij  meenden  te  mogen 
rekenen  op  ƒ1,82,  zien  hunne  mede-afgevaardigden  der 
koffietuinen  van  de  4  dessa's ,  uitmakende  de  andere  groep, 
f  2,70  toegekend,  waar  zij  met  ƒ  2,16  reeds  voldoende 
betaald  zouden  zijn  geweest. 

Er  zijn  109  groepen  van  dessa's  waar  de  koffieplanters 
door  den  bijslag  het  hun  toekomende  ontvangen,  en  98 
groepen  van  dessa's  waar  de  cultuurplichtigen ,  niettegen- 
staande den  bijslag,  iets,  veel,  of  zeer  veel  te  weinig 
ontvangen.  Daarentegen  zijn  er  twee  groepen  van  dessa's 
waar  de  cultuurplichtigen  iets  méér  dan  het  hun  compe- 
teerende  ontvangen. 

Van  het  toekennen  van  den  bijslag  per  bouw,  dat  dr. 
Burck  als  het  beste  middel  beschouwt  om  de  d wang- 
cultuur  te  doen  overgaan  in  eene  vrije  volkscultuur, had 
spr.  niet  veel  verwachting. 

Of  men  hen  per  bouw  of  mannetje  voor  mannetje  be- 
taalt, dat  doet  er  heel  weinig  toe,  alles  hangt  af  van  het 
hun  uit  te  betalen  bedrag.  Ontvangen  de  planters  nü  —  bij 
het  vigeerend  systeem  van  bijslag  —  te  weinig ,  dan  zullen 
zij,  tenzij  men  de  betaling  verhooge,  ook  per  bouw  te 
weinig  ontvangen. 

Ook  de  heer  Pijnacker  Hord  ijk  betoogde ,  dat  de 
toepassing  van  het  bijslagstelsel  niet  deugt  en  dat  men 
goed  zou  doen  er  mede  te  breken. 

De  heer  Geertsema  vroeg  inlichting  van  den  Mi- 
nister over  de  bestemming  die  aan  de  ƒ  500,000  zal 
worden  gegeven,  die  in  dezen  post  zijn  opgenomen.  Hij 
wenschte  namelijk  te  weten,  of  die  som  zal  worden  gebruikt : 

1°.  om  het  bijslagsysteem  te  liquideeren ,  dat  wil  zeggen 
alleen  om  nog  te  voldoen  aan  gedane  toezeggingen; 

2°.  ook  nog  bij  wijze  van  proef  voor  de  vrije  cultuur 


24 

eene  tegemoetkoming  te  geven  voor  den  aanplant  van  de 
eerste  drie  jaren. 

In  zijn  antwoord  verklaarde  de  Minister,  dat  de  Indische 
Regeering  het  tegenwoordig  stelsel  wenscht  te  laten  af- 
loopen ,  omdat  de  proef,  die  er  mede  is  genomen,  in  geen 
enkel  opzicht  aan  de  verwachting  heeft  beantwoord.  Na- 
tuurlijk moet  daarbij  de  billijkheid  jegens  de  bevolking 
blijven  betracht  worden,  en  gaat  het  niet  aan  in  eens  de 
sommen  die  nog  moeten  worden  bijgepast  volgens  het 
tegenwoordig  stelsel ,  in  te  trekken.  Het  moet  natuurlijk 
een  paar  jaar  duren  eer  deze  proef  geliquideerd  is. 

In  de  tweede  plaats  wenscht  de  Indische  Regeering 
voort  te  gaan  met  de  sinds  eenige  jaren ,  met  aanvankelijk 
goeden  uitslag,  genomen  proef,  om  voor  vrijwilligen 
aanplant,  een  bijslag  per  bouw  te  geven  voor  de  eerste 
drie  jaren.  De  berichten  omtrent  die  proef,  in  vier  resi- 
dentiën  genomen,  zijn  volgens  den  Gouverneur-Generaal 
zonder  uitzondering  gunstig.  De  Gouverneur- Generaal 
meent,  dat  ook  in  andere  gewesten  de  vrije  cultuur  eene 
hooge  vlucht  zal  kunnen  nemen,  indien  de  bevolking 
slechts  overtuigd  raakt  van  de  voordeden,  welke  zij  op 
die  wijze  uit  de  cultuur  zal  trekken.  De  Indische  Regeering 
ziet  in  eene  bijslagtoekenning  op  deze  wijze  een  middel 
om  die  vrije  cultuur  langzamerhand  tot  eene  zoodanige 
uitbreiding  en  bloei  te  brengen,  dat  misschien  mettertijd 
de  dwangcuituur  zal  kunnen  verdwijnen. 

Ten  derde  wenscht  de  Indische  Regeering  de  practische 
gevolgen  af  te  wachten  van  de'  toepassing  van  den  bijslag 
op  de  vrije  cultuur,  alvorens  voor  te  stellen  dit  stelsel 
ook  bij  de  dwangcuituur  in  toepasing  te  brengen,  in  welk 
geval  de  som  van  5  ton,  die  daarvoor  nu  is  toegestaan, 
zeker  onvoldoende  zal  zijn.  Het  spreekt  dus  vanzelf,  dat 
niet  tot  die  toepassing  zou  kunnen  worden  overgegaan 
zonder  dat  de  Kamer  is  gehoord. 

Alvorens  het  mij  mogelijk  zal  zijn  met  een  definitief 
voorstel   te   komen,  ging  de  heer  Cremer  voort,  zal  — 


25 


zooals  ik  in  de  Memorie  van  Antwoord  heb  gezegd  — 
ook  moeten  worden  afgewacht  het  rapport ,  dat  de  Indische 
Regeering  nog  wenscht  uit  te  brengen  over  de  ideeën  en 
plannen  van  den  wetenschappelijken  adviseur  voor  de 
koffiecultuur ,  den  heer  Burck.  De  Minister  knoopte  hier- 
aan de  opmerking  vast,  dat  hij  de  wijze  waarop  de 
adviseur  der  Regeering  met  zijne  adviezen  handelt,  hem 
eenigszins  vreemd  voorkwam: 

„  Het  is  zeker  in  de  wetenschap  gebruikelijk ,  dat  som- 
mige aanvankelijke  resultaten  van  wetenschappelijk  onder- 
zoek, gemeen  recht  en  gepubliceerd  worden.  Wanneer 
men  echter,  zooals  hier,  niet  te  doen  heeft  met  eene 
zuiver  wetenschappelijke  quaestie ,  maar  met  overwegingen 
van  een  adviseur  der  Regeering,  dan  komt  het  mij  in 
het  algemeen  beter  voor,  dat  die  adviezen  voorshands 
strekken  tot  inlichting  der  Regeering  en  dat  zij  eerst  als 
men  tot  een  resultaat  gekomen  is,  te  gelijk  met  die 
slotsom  en  de  overige  overwegingen  die  daartoe  hebben 
geleid,  ter  kennis  van  het  publiek  komen." 

De  heer  Van  VI ij  men  had  den  Minister  toegeroepen : 
„Pas  eenig  bepaald  stelsel  toe  bij  de  gouvernements- 
koffiecultuur ! " 

Dat  gaat  niet!  antwoordde  Z.Exc.  Men  kan  niet  voor 
geheel  Java  uitmaken  of  intensieve  dan  wel  extensieve 
cultuur  de  voorkeur  verdient.  Heeft  men  bijv.  te  doen 
met  eene  bevolking,  die  nog  eenigen  lust  heeft  in  de 
gouvernementskoffiecultuur ,  omdat  de  gronden  goed  zijn 
en  zij  uit  die  cultuur  groote  voordeelen  heeft  getrokken  — 
dan  kan  invoering  der  extensieve  cultuur  daar  schaden. 

Nog  dezer  dagen  vernam  ik  van  een  assistent-resident 
uit  eene  zoogenaamde  koffie-afdeeling ,  dat  die  werkwijze 
in  zijn  gewest  bepaald  nadeelig  gewerkt  had,  ook  voor 
de  bevolking.  In  andere  streken  echter,  waar  geen  goede 
gronden  beschikbaar  waren,  is  de  toepassing  van  de 
intensieve  cultuur  voor  haar  eene  wezenlijke  ramp  ge- 
weest. Met  veel  moeite  en  zorg  heeft  men  daar  die  gronden 


26 

diep  bewerkt,  bemest  en  met  koffieboomen  beplant,  die 
eenige  jaren  later  niets  waard  bleken  te  zijn. 

Men  vergeet ,  dat  gouvernementskoffiecultuur  nooit  gelijk 
kan  worden  gesteld  met  de  particuliere  cultuur,  omdat 
ieder  particulier  zijne  gronden  behandelt  zooals  deze  dat 
speciaal  noodig  hebben,  terwijl,  al  had  de  Regeering  in 
plaats  van  één,  vijf  wetenschappelijke  adviseurs,  zij  toch 
over  die  groote  uitgestrektheid  niet  dat  toezicht  op  de 
cultures  zou  kunnen  uitoefenen,  zooals  een  particulier 
dat  kan  doen.  Ware  dat  mogelijk,  dan  was  de  koffie- 
quaestie  veel  gemakkelijker  dan  zij  nu  is. 

Naar  aanleiding  van  door  den  heer  H  i  n  t  z  e  n  gestelde 
vragen  wees  de  Minister  er  nog  op,  dat  wat  nu  wordt 
ondernomen  is  eenvoudig  het  nemen  van  eene  proef 
op  grooter  schaal.  Wat  verder,  naar  aan  leiding  van 
de  resultaten  dier  proefneming ,  zal  behooren  te  geschie- 
den ,  zal  later  aan  de  beslissing  der  Kamer  worden  over- 
gelaten. 

Onderafd.  50  werd  ten  slotte  zonder  hoofdelijke  stem- 
ming aangenomen. 

Bij  de  beraadslaging  over  de  Vde  afdeeling  (departe- 
ment van  Onderwijs,  Eeredienst  en  Nijverheid)  in  het 
algemeen ,  pleitte  de  heer  D  o  n  n  e  r  nog  eens  voor  de 
vrijheid  van  godsdienst  voor  alle  protestanten  in  Indië, 
in  dien  zin,  dat  aan  alle  protestanten  in  Indië,  zonder 
onderscheid,  het  recht  worde  toegekend,  om,  öf  als 
Gereformeerde  öf  als,  Luthersche  óf  als  Doopsgezinde 
gemeente  bij  de  Regeering  bekend  te  zijn  en  als  zoodanig 
rechtspersoonlijkheid  te  hebben,  en  niet  als  eene  vereeni- 
ging,  maar  als  kerk  of  kerkgenootschap. 

Wijziging  of  opheffing  van  art.  122  van  het  Regeerings- 
reglement  achtte  hij  daartoe  niet  noodzakelijk. 

Tusschen  de  heeren  Donner,  Roessingh  en 
De  Visser  werd  een  tamelijk  vinnige  discussie  over 
het  punt  in  quaestic  gevoerd.  De  Minister  hield  zich 
buiten  schot,  door  te  verklaren,  dat  hij  met  al  den  ernst 


27 

dien  de  zaak  verdient ,  zal  overwegen  wat  er  vroeger  en 
ook  nu  daaromtrent  is  gezegd. 

Bij  onderafd.  65:  „Geneeskundige  dienst,  ƒ  1.985.501," 
drong  de  heer  S  m  i  d  t  er  op  aan ,  dat  de  Minister  de  ver- 
betering van  het  krankzinnigenwezen  in  Indië,  waarvan 
ook  deze  Regeering  de  noodzakelijkheid  heeft  erkend, 
spoedig  en  met  kracht  zal  aanvatten. 

De  heer  Van  Kol  wees  op  de  gebrekkige  verloskun- 
dige hulp  in  Indië,  zich  daarbij  refereerende  aan  de  uit- 
spraak van  prof.  Hector  Treub  en  aan  hetgeen  dr.  Stratz  in 
zijn  onlangs  verschenen  werk :  De  vrouwen  op  Java  schreef. 
De  toestand  is  inderdaad  allerellendigst.  Britsch-Indië  en 
Fransch  Algeric  geven  ons  in  dit  opzicht  beschamende 
voorbeelden. 

Ten  aanzien  van  het  eerste  punt  deed  de  Minister  de 
toezegging,  dat  hij  zijn  uiterste  best  zal  doen  om  op  de 
volgende  begrooting  een  flinken  termijn  te  brengen  voor 
een  gesticht  overeenkomstig  de  voortreffelijk  bewerkte 
plannen  van  dr.  S.  Lijkles,  die  in  het  bezit  der  Regee- 
ring zijn. 

Wat  betreft  de  opleiding  van  inlandsche  vroedvrouwen , 
van  de  dringende  behoefte  aan  betere  regeling  van  deze 
aangelegenheid  was  de  Minister  ten  volle  overtuigd.  Bij 
ervaring  echter  kende  hij  de  moeilijkheden,  welke  zich 
daarbij  kunnen  voordoen. 

Die  moeilijkheden  zijn  van  tweeërlei  aard;  1°.  zijn 
vele  moeders  ongenegen  de  goede  hulp  van  Europeesche 
geneeskundigen  te  aanvaarden;  2°.  is  het  uiterst  moeilijk 
om  goede  adspirant-vroedvrouwen  te  vinden. 

Ik  herinner  mij  eene  vrouw,  die  in  barensnood  ver- 
keerde. De  Europeesche  geneesheer,  die  haar  werd  ge- 
zonden ,  werd  onder  aan  de  trap  van  het  huisje  door  twee 
mannen  van  harentwege  geweerd,  zóó  groot  was  hun 
vooroordeel  tegen  de  Europeesche  wetenschap.  De  dokter 
bleef  beneden  en  de  vrouw  is  gestorven. 

Nu  moet  het  streven  zijn,  uitsluitend  door  inlandsche 


28 

vrouwen  daarin  verbetering  te  brengen ,  doch  hierbij  stuit 
men  op  zeer  groote  bezwaren.  De  school  te  Weltevreden 
is  in  1875  opgeheven,  omdat  er  niet  genoegzaam  leer- 
lingen waren.  Toen  is  in  1890  voorgesteld,  het  overeen 
anderen  boeg  te  wenden  en  door  eene  soort  van  decen- 
tralisatie het  doel  te  bereiken.  Men  heeft  toen  gelden 
beschikbaar  gesteld  om  op  Java  zes  en  op  de  Buitenbe- 
zittingen drie  doctoren  elk  met  de  opleiding  van  twee 
vroedvrouwen  te  beiasten,  zoodat  na  eenigen  tijd  18  vroed- 
vrouwen per  jaar  zouden  kunnen  worden  afgeleverd:  12 
op  Java  en  6  op  de  Buitenbezittingen. 

Tot  nog  toe  is  dat  getal  niet  bereikt.  Van  1893  tot  1896 
zijn  er  slechts  12  geslaagd.  Hoeveel  er  in  1897  geslaagd 
zijn  is  nog  niet  bekend.  En  in  1898  verwacht  men  dat 
er  10  gereed  zullen  komen.  Die  verwachting  is  echter 
eene  zuivere  begrootingsverwachting.  Men  heeft  het  geld 
disponibel  gesteld,  maar  het  zal  zeer  medevallen  indien 
het  wordt  besteed. 

De  Minister  wees  daarbij  op  de  moeilijkheden,  die  de 
heer  en  mevrouw  Bervocts — Van  Ewijck  te  Modjowarno , 
die  zich  uit  menschenliefde  aan  de  opleiding  van  Javaan- 
sche  meisjes  tot  vroedvrouwen  wijden,  ondervinden. 

Toch  verwachtte  hij  in  deze  het  meest  van  het  parti- 
culier initiatief.  Het  hierop  echter  niet  willende  laten  aan- 
komen ,  uit  vrees  dat  de  zaak  dan  op  de  lange  baan  zou 
worden  geschoven,  had  spr.  zich  gewend  tot  dr.  Stratz, 
die  zijne  denkbeelden  in  eene  nota  heeft  samengevat  en 
een  plan  voor  eene  goede  inrichting  heeft  uitgewerkt. 

Dat  plan ,  volgens  hetwelk  zeker  getal  Europeesche  en 
Javaansche  vrouwen  zouden  opgeleid  worden  om  te  voor- 
zien in  de  behoefte;  volgens  hetwelk  tevens  voorzien  zou 
worden  in  de  groote  behoefte  aan  Europeesche  genees- 
heeren,  speciaal  in  dit  vak  opgeleid;  waaraan  o.  a.  het 
denkbeeld  ten  grondslag  ligt  dat,  bij  welslagen,  ook  op 
andere  plaatsen,  door  middel  van  het  personeel ,  aan  deze 
inrichting  gevormd,  meer  dergelijke  inrichtingen  zouden 


29 

kunnen  worden  tot  stand  gebracht,  dat  plan  is  al  sinds 
eenigen  tijd  naar  Indië  verzonden ,  met  verzoek  om  daarom- 
trent zoo  spoedig  mogelijk  het  advies  van  de  Indische 
Regeering  te  vernemen.  De  Minister  voegde  er  bij,  dat  de 
pogingen,  door  dr.  Stratz  en  anderen  te  Batavia  ge- 
daan, om  met  de  hulp  van  particulieren  eene  inrichting 
van  dien  aard  tot  stand  te  brengen,  niet  geslaagd  zijn. 

De  Regeering  is  in  deze  dus  diligent  en  hoopt  dit  te 
blijven. 

Na  deze  verklaring  trok  de  heer  Van  Kol  een  door 
hem  voorgesteld  amendement  tot  verhooging  van  onder- 
afdeeling  65  met  ƒ  1000,  in. 

Over  de  quaestie  der  drinkwatervoorziening  van  Soe- 
rabaija ,  welk  punt,  mede  door  den  heer  Van  Kol  werd 
ter  sprake  gebracht,  deelde  de  Minister  mede,  dat  hij 
nog  slechts  het  eerste  gedeelte  had  ontvangen  van  het 
rapport  van  den  Nederlandschen  deskundige ,  wiens  advies 
de  Regeering  heeft  gevraagd,  en  die  in  overleg  is  ge- 
treden met  den  Indischen  ingenieur,  die  van  Regeerings- 
wege  met  het  ontwerpen  van  plannen  is  belast  geweest. 
De  Minister  echter  hoopte  thans  spoedig  het  tweede  ge- 
deelte van  het  rapport  te  zullen  ontvangen. 

Dan  zal  eerst  de  vraag  moeten  worden  overwogen,  of 
de  exploitatie  zal  geschieden  van  Regeeringswege  of  door 
particulieren. 

De  heer  Bahlmann,  wijzende  op  den  tegenvaller 
met  de  werken  voor  de  verlegging  van  de  Solo-rivier  en 
voor  de  irrigatie- werken  in  de  Solo-vallei,  vroeg:  l°.in 
hoeverre  de  oorspronkelijke  raming  van  den  Minister  Van 
Dedem  zal  worden  overschreden,  en  2°.  met  welk  bedrag? 

Wanneer  het  vooruitzicht  bestaat,  dat  het  misschien  12 
tot  20  millioen  zal  tegenvallen ,  dan  meende  spr.  dat  het 
beter  was,  het  werk  te  staken. 

Hiertegen  kwam  de  heer  Van  Kol  bij  voorbaat  in 
verzet,  met  het  oog  op  het  groote  nut  van  het  werk. 
Ook  hem  had  het  teleurgesteld  dat  het  werk  zoo  schro- 


iiKlitk  tegenvalt,  doch  men  vergete  niet,  dat  tegenvallen 
Ki  al  dergelijke  groote  werken,  vooral  in  Indië,  mo- 
gelijk is. 

De  Minister  kon  op  de  door  den  heer  Bahlmann 
gestelde  vragen  op  dit  oogenblik  geen  rechtstreekser 
antwoord  geven,  omdat  de  zaak  nog  in  onderzoek  is, 
Naar  aanleiding  van  de  hooge  raming  heeft  de  Gouverneur- 
Generaal  eene  commissie  benoemd,  die  in  last  heeft  ter 
plaatse  zelve  een  onderzoek  in  te  stellen. 

De  commissie  heeft  de  opdracht  na  te  gaan: 

1».  of  bij  het  opmaken  van  het  oorspronkelijk  ontwerp 
geene  technische  fouten  zijn  begaan,  waarvoor  zij  die 
dat  ontwerp  hebben  opgemaakt  en  onderzocht  verantwoor- 
delijk behooren  te  worden  gesteld ; 

2°.  of  bij  hetgeen  tot  dusver  is  uitgevoerd  met  het 
noodige  overleg  en  beleid  en  de  vereischte  spaarzaamheid 
is  te  werk  gegaan ; 

3°.  of  er  mogelijkheid  bestaat  om  door  het  aanbrengen 
van  rationeele  bezuinigingen  het  eindcijfer  van  de  nieuwe 
raming  te  verminderen. 

Van  staking  van  het  werk  wilde  de  Minister  niet 
hooren;  zelfs  niet  van  eene  gedeeltelijke  staking.  Hij 
wees  er  op,  dat  dit  een  hoogst  treurigen  indruk  zou 
maken  op  de  bevolking,  die  nu  reeds  zoo  vele  jaren  rekent 
op  het  totstandkomen  van  het  werk ,  dat  229.000  bouws 
bebouwbaar  zal  maken. 

Naar  aanleiding  van  de  overgelegde  defensieplannen  voor 

'Mië,   drong    de  heer  Verheij  er  op  aan,  dat  althans 

plannen  zouden  worden  vastgesteld  en  de  détails  van 

werken   die  hier  en  daar  zullen  moeten  worden  ge- 

akt  alreeds  zouden  worden  geregeld.  Dan  kan  men  ten 

ïste  thans  eene  raming  maken  van  kosten ,  en  wellicht 
er  op  eene  volgende  begrooting  wel  iets  af  te  zon- 

'en  zijn  om  met  de  zaak  een  begin  te  maken. 

Dezelfde  spreker  brak  een  lans  voor  de  samensmelting 

i  de  officierskaders ,  waarvan  hij  de  groote  voordcelcn 


31 

in  het  licht  stelde,  zonder  de  nadeelen  die  er  tegenover 
staan  uit  het  oog  te  verliezen.  Hij  vond  hierin  steun  bij 
den  heer  De  Ras,  een  van  de  krachtigste  voorstanders 
der  zaak. 

De  Minister  verklaarde,  ten  aanzien  van  de  defensie, 
dat  hij,  met  het  oog  op  den  toestand  der  schatkist,  er 
op  dit  o  ogen  blik  niet  aan  denken  kan  om  sommen  te 
vragen  voor  de  doode  weermiddelen  in  Indië.  Bovendien 
was  hij  voor  zich  van  meening,  dat  wanneer  een  niet- 
inlandsche  vijand  onze  heerschappij  in  Indië  wil  belagen, 
de  zekerheid  dat  hij  daar  tegenover  zich  zal  hebben  een 
flink  veldleger,  hem  eerder  zal  weerhouden,  dan  de 
wetenschap,  dat  op  dit  of  dat  punt  een  zeker  aantal 
forten  liggen,  die  hij  desnoods  wel  altijd  zal  weten  te 
ontgaan,  om  ons  langs  een  anderen  weg  te  bereiken. 

Wat  betreft  de  samensmelting  van  de  officierskorpsen, 
dit  onderwerp  is  in  tal  van  brochures  en  courantenartikelen 
behandeld.  In  de  Indische  rapporten  echter  heb  ik  nooit 
veel  warmte  voor  eene  dergelijke  samensmelting  kunnen 
ontdekken,  merkte  de  Minister  op.  Ik  blijf  voorshands 
dan  ook  van  meening,  dat  het  denkbeeld  niet  zoo  ge- 
makkelijk is  te  verwezenlijken,  vooral  wat  de  hoogere 
rangen  aangaat.  Voor  zooveel  de  jongere  officieren  be- 
treft zoude  het  nog  gaan,  maar  of  oudere  officieren,  die 
veelal  gehuwd  en  hier  aan  een  zekeren  leefregel  gewend 
zijn,  lust  zullen  gevoelen  van  tijd  tot  tijd  den  Neder- 
landschen  dienst  met  den  Indischen  te  verwisselen,  durf 
ik  nog  zoo  stellig  niet  aannemen.  Het  heen-  en  weer- 
trekken  van  de  gehuwde  officieren  met  hun  gezin,  zou 
bovendien  ook  tot  groote  kosten  en  ongerief  aanleiding 
geven. 

Ik  acht  het  daarom  beter  dat  eene  nadere  aanraking 
tusschen  beide  legers  bestaat  ongeveer  op  den  voet  van 
het  Koninklijk  besluit  van  Augustus  1871  {Indisch  Staats- 
blad n°.  176),  dat  regelen  voorschrijft,  waarop  nu  reeds 
over   en   weer  kan  worden  gedetacheerd,  bij  onderlinge 


32 

ruiling  voor  vijf  jaar ,  doch  slechts  tot  een  beperkt  aantal. 
Wellicht  is  uitbreiding  in  de  toekomst  mogelijk,  maar  in 
den  eersten  tijd  zeker  niet,  omdat  men  in  Indië  daarvoor 
het  personeel  mist. 

Ten  slotte  memoreeren  wij  nog  met  een  enkel  woord 
hetgeen  bij  de  behandeling  van  Hoofdstuk  I  (Wet  op  de 
middelen  in  Nederland)  met  betrekking  tot  de  koffie- 
veilingen is  gezegd.  De  heer  Bah  1  man n,  wijzende  op 
het  feit,  dat  op  de  laatste  veiling  van  de  Ned.  Handel- 
maatschappij de  koffie,  getaxeerd  op  45  cents,  10  cents 
was  gedaald,  vroeg  waarom  de  Regeering  in  zulke  ge- 
vallen niet  het  voorbeeld  van  particulieren  volgde  en  den 
voorraad  van  de  markt  nam?  Hij  herinnerde  daarbij  aan 
hetgeen  minister  Keuchenius  indertijd  heeft  gedaan.  Wel 
heeft  die  maatregel  toen  veel  ontzetting  en  beroering  in 
den  koffichoek  teweeggebracht,  maar  de  heer  Keuchenius 
heeft  daardoor  tonnen  gouds,  sommigen  beweren  zelfs 
millioenen,  voor  de  schatkist  bespaard. 

Ik  zou  denken  dat  om  een  voorbeeld  te  kunnen  volgen, 
dat  voorbeeld  eerst  moet  gegeven  zijn,  antwoordde  de 
Minister.  En  dat  is  hier  niet  het  geval  geweest.  Wat  de 
particulieren  hebben  gedaan  is  een  gevolg  geweest  van 
de  koffieveiling,  maar  niet  daaraan  voorafgegaan.  Ik  wil 
er  op  wijzen,  dat  particuliere  koffie  tegelijk  met  die  van 
de  Regeering  in  de  veiling  is  verkocht  en  niet  opge- 
houden. 

Nu  is  het  voor  de  Regeering  moeilijk  eene  limite  te 
stellen.  Bij  eene  rijzende  markt  kan  dit  gelukken ,  maar  het 
kan  ook  tegenvallen;  dat  weet  men  van  te  voren  niet. 
Bij  eene  rijzende  markt  heelt  men  de  meeste  kans  op 
slagen.  Bij  eene  dalende  markt  eene  dergelijke  speculatie 
te  wagen,  is  voor  eene  Regeering  nog  al  gewaagd.  In  1869 
werd  ook  opgehouden  voor  38  cent,  omdat  de  raming 
toen  was  40  cent.  In  het  najaar  bracht  die  opgehouden 
koffie  toen  op  311/*  k  32  cent.  Toen  werd  dus  oneindig 
grooter  verlies  geleden,  dan  bij  het  ophouden  in  1889 bij 


33 

eene  rijzende  markt  door  Minister  Keuchenius  voordeel 
werd  behaald. 

Evenwel  wat  de  heer  Keuchenius  deed  in  1889  en  reeds, 
blijkens  zijne  mededeelingen  toen ,  limites  werden  gesteld 
door  mijne  voorgangers  —  in  1874  door  den  heer  Fransen 
van  de  Putte,  in  1875  door  den  heer  Van  Goltstein  en 
in  1878  door  den  heer  Van  Bosse  —  kan  dit  ook  plicht 
zijn  voor  volgende  Regeeringen.  De  Regeering  behoudt 
zich  altijd  het  recht  voor ,  om  voor  de  veiling  te  handelen 
zooals  's  lands  belang  naar  hare  meening  zal  medebrengen. 

De  verschillende  wetsontwerpen  tot  vaststelling  der 
begrooting  van  Ned.-Indië  voor  1898  werden  zonder  hoof- 
delijke stemming  aangenomen,  evenzoo  het  wetsontwerp 
tot  verhooging  der  begrooting  van  uitgaven  van  Ned.- 
Indië  voor  het  dienstjaar  1898,  ten  behoeve  van  de  in- 
voering van  de  opiumregie  op  Java  en  M adura ,  alsmede 
op  Lombok. 

De  Tweede  Kamer  nam  voorts  in  hare  vergadering  van 
23  December  de  wetsontwerpen  aan:  1°.  tot  verhooging 
van  het  maximum  bedrag  der  in  Nederlandsch-Indië  uit 
te  geven  koperen  pasmunt;  2°.  tot  wijziging  van  art.  6 
der  wet  tot  vaststelling  der  tarieven  van  in-,  uit-  en 
doorvoer  in  Nederlandsch-Indië  en  wijziging  en  aanvul- 
ling van  Hoofdstuk  II  der  uitgaven  van  de  Indische  be- 
grooting voor  1898;  3°.  tot  afschaffing  van  het  uitvoer- 
recht van  suiker  in  Nederlandsch-Indië;  4°.  tot  wijziging 
en  verhooging  der  begrooting  van  Nederlandsch-Indië  voor 
1896;  5*.  tot  voorziening  in  het  Indisch  kas-tekort  over  1898. 


De  Eerste  Kamer  maakte  het ,  als  naar  gewoonte ,  met 
de  behandeling  der  Indische  begrooting  kort,  en  veel 
belangrijks  leverden  de  gehouden  discussies  ditmaal  niet 
op.  Alleen  zij  geconstateerd ,  dat  de  Minister  bij  de  leden 
een  zeer  welwillend  onthaal  vond,  met  name  ook  bijden 

3 


34 

heer  Fransen  van  de  Putte.  De  begrooting  ging  er 
met  vlag  en  wimpel  door. 

Wat  Nieuw- Giunea  betreft,  opperden  enkele  sprekers 
bedenkingen,  met  name  de  heeren  van  Asch  van  Wijck 
en  Van  Weideren  Rengers.  Laatstgenoemde  vooral 
verklaarde  er  zich  vrij  sterk  tegen.  Hij  vond  het  wèl 
zoo  verstandig  als  wij  ons  hielden  aan  de  passieve  ge- 
dragslijn, die  wij  tot  dusver  tegenover  genoemd  gewest 
hebben  gevolgd.  Er  was  niet  de  minste  reden  om  te 
duchten,  dat  ons  prestige  daaronder  zou  lijden. 

De  heer  Van  Alphen  verklaarde ,  dat  hij  aanvan- 
kelijk minder  ingenomen  met  de  zaak  was  geweest,  uit 
vrees  voor  nieuwe  verwikkelingen,  terwijl  wij  reeds  zoo 
véél  op  de  horens  hebben  in  onze  uitgebreide  koloniën. 
Wat  de  Minister  echter  in  de  andere  Kamer  omtrent  het 
plan  had  gezegd,  had  hem  volkomen  gerustgesteld.  Eene 
verklaring ,  voor  welke  de  Minister  zich  natuurlijk  dank- 
baar betoonde. 

De  heer  Fransen  van  de  Putte  vond  de  zaak 
alleen  maar  onvoldoende  geïnstrueerd.  Gevaar  zag  hij  er 
niet  in. 

De  Minister  volhardde  bij  zijne  optimistische  be- 
schouwing, dat  het  plan  eigenlijk  niets  om  het  lijf  heeft. 


De  strjjd  der  natiën  op  handelsgebied. 


Eene  zeer  belangrijke  voordracht  werd  den  23sten 
December  jl.  door  den  heer  C.  Roozenraad  uit  Londen 
gehouden  voor  de  leden  der  Vrijzinnige  Kiesvereeniging 
Vooruitgang,  district  II  te  Amsterdam,  over  bovenstaand 
onderwerp. 

Op  het  laatste  diner  der  Kamer  van  Koophandel  te 
Birmingham,  aldus  ving  de  heer  Roozenraad  aan,  zeide 
de  heer  Chamberlain ,  staatssecretaris  van  het  departement 
van  Koloniën : 

„Alle  ministeriën  werken  in  het  belang  van  den  handel. 
Die  van  Buitenlandsche  Zaken  en  van  Koloniën  zijn 
hoofdzakelijk  bezig  nieuwe  markten  te  vinden ,  en  oude 
te  behouden.  De  departementen  van  Oorlog  en  Marine 
bereiden  steeds  voor  wat  voor  de  verdediging  dezer 
markten  en  voor  de  bescherming  van  onzen  handel 
gedaan  kan  worden.  Die  van  Landbouw  en  Handel  zijn 
geheel  gewijd  aan  de  belangen  dezer  beide  groote 
takken  van  bedrijf.  Zelfs  het  departement  van  Onder- 
wijs grondt  zijn  aanvraag  om  geld  op  de  noodzakelijk- 
heid om  ons  volk  in  staat  te  stellen  de  commercieele 
concurrentie  met  anderen  vol  te  houden.  Daarom  is  het 
niet  te  veel  gezegd,  als  ik  beweer,  dat  de  handel  de 
grootste  aller  politieke  belangen  is,  en  dat  het  meest 


36 

de  goedkeuring  der  natie  verdient  die  Regeering  welke 

alles   doet   om  onzen  handel  te  doen  toenemen  en  op 

vasten  grondslag  te  plaatsen." 

Inderdaad,  zeide  spr.,  gewichtige  woorden,  niet  alleen 
omdat  zij  opnieuw  bewijzen,  welke  voorname  plaats  de 
handel  in  de  oogen  der  Regeering  in  Engeland  inneemt, 
hoe  zeer  zij  doordrongen  is  van  den  plicht  die  op  haar 
rust  om  harerzijds,  tot  de  verlevendiging  daarvan  rtiet 
alle  krachten  mede  te  werken ,  maar  ook  omdat  zij  werden 
uitgesproken  op  een  oogenblik  dat  de  strijd  der  natiën  op 
handelsgebied  scherper  is  dan  ooit,  dat  meer  dan  een 
land  er  naar  streeft ,  een  zoo  groot  mogelijk  aandeel  aan 
den  wereldhandel  te  nemen. 

Spr.  trad  nu  in  eene  breede  geschiedkundige  beschou- 
wing over  het  streven  der  natiën  naar  commercieele 
suprematie.  Op  de  Phoeniciërs  volgden  de  Carthagers, 
de  Grieken  en  de  Romeinen;  in  de  middeleeuwen  werd 
de  Middellandsche  Zee  het  centrum  van  den  wereld- 
handel. Marseille,  Genua,  Pisa,  en  vooral  Venetië,  be- 
reikten het  toppunt  van  commercieelen  bloei,  totdat  de 
wereldhandel  zich  opnieuw  verplaatste,  en  niet  meer  de 
Middellandsche  Zee  maar  de  Atlantische  Oceaan  het  mid- 
delpunt werd  van  den  grooten  internationalen  handel ,  en 
het  schiereiland  der  Pyreneën  al  meer  op  den  voorgrond 
trad.  Ook  aan  de  wereldheerschappij  van  het  trotsche 
Castillië  evenwel  kwam  een  einde,  door  den  overmoed 
en  het  arbitraire  optreden  zijner  Regeering,  door  het 
miskennen  van  de  principes  eener  gezonde  financieele 
en  koloniale  politiek;  het  werd  verdrongen  door  de 
Nederlanden ,  waar  men ,  wars  van  de  protectionnistischc 
handelspolitiek,  tot  hiertoe  steeds  door  andere  natiën 
gevolgd ,  alle  tollen ,  alle  belemmeringen  ophief  die  de 
ontwikkeling  van  handel  en  nijverheid  konden  tegenhou- 
den. Op  de  Hollandsche  markten  konden  toen  de  natiën 
der  wereld  te  zamen  komen  om  onder  elkander  hunne 
in-   en    verkoopen    te   bewerkstelligen;    Amsterdam  was 


37 

de  voornaamste  handelsplaats  der  wereld  geworden.  Op 
zijne  beurt  werd  Holland  verdrongen  door  Engeland, 
welks  commercieel  overwicht  na  de  oorlogen  tegen 
Napoleon  meer  en  meer  op  den  voorgrond  trad.  Toen 
toch  slaagde  het  er  in  zijne  financiën  op  hechter  basis  te 
plaatsen,  zijn  muntstelsel  te  hervormen.  In  1816  voerde 
het  officieel  den  gouden  standaard  in,  en  wanneer  ook 
afwijking  van  de  principes  eener  gezonde  financieele 
politiek  de  Engelsche  Bank  noodzaakte  drie  malen  hare 
speciebetalingen  te  staken,  toen  het  aan  Robert  Peel  ge- 
lukt was  door  wettelijke  voorschriften  de  directie  der 
Bank  tot  eene  meer  voorzichtige  gedragslijn  te  dwingen, 
en  de  Bankacte  van  1844  de  basis  was  geworden  waarop 
het  geheele  Engelsche  geldwezen  rust,  was  Engeland  de 
goud-  en  geldmarkt  der  wereld  geworden,  het  Clearing- 
house van  den  internationalen  handel,  was  zijn  commer- 
cieel prestige  en  zijn  politieke  invloed,  onafscheidelijk 
aan  elkaar  verbonden,  steeds  stijgende,  en  marcheerde 
het  aan  de  spits  der  handeldrijvende  natiën.  De  groote 
vlucht  die  handel  en  nijverheid  namen ,  leidde  herhaaldelijk 
tot  „overtrading"  en  scherpe  handelscrises ,  maar  de 
lessen  van  1847,  1857  en  1866  hebben  heilzaam  gewerkt. 
Sedert  1866,  niettegenstaande  vele  stormen,  is  de  Bank- 
acte niet  meer  behoeven  ingetrokken  te  worden,  blijft  de 
Engelsche  Bank  de  eerste  en  voornaamste  bankinstelling 
der  wereld,  Londen  het  centrum  van  den  wereldhandel. 
De  verschillende  omstandigheden  welke  hiertoe  hebben 
bijgedragen ,  werden  door  spr.  nagegaan.  De  voornaamste 
was  het  overgaan  tot  den  vrijen  handel.  Vrijhandel  was 
de  handelspolitiek  van  het  groote  Britsche  volk  gewor- 
den, vrijhandel  de  basis  waarop  dat  machtige  Rijk  tot 
rijkdom  en  welvaart  zoude  geraken,  en  de  namen  van 
Huskisson,  Cobden,  John  Bright,  Villiers  en  Peel  staan 
met  gulden  letteren  geschreven  in  de  geschiedenis  van 
Groot-Brittannië ,  als  die  der  mannen  door  wier  vader- 
landslievende pogingen  de  zege  werd  behaald  op  begrippen , 


38 


zoo   geheel   strijdende   met   de   belangen  eener  commer- 
cieele  natie. 

Hoe ,  op  Engeland's  voorbeeld ,  de  vrijhandelsbeginselen 
ingang  vonden  op  het  vasteland,  werd  nu  door  spr.  be- 
handeld. Langzamerhand  werd  Europa  met  een  net  van 
handelsverdragen  omspannen,  alle  gematigde  tarieven  en 
de  clausule  der  meest  begunstigde  natie  tot  grondslag 
hebbende ;  het  Kanaal  van  Suez  maakte  in  1869  den  weg 
naar  Indië  en  het  verre  Oosten  aanmerkelijk  korter.  De 
voordeelen  der  zegenrijke  handelspolitiek  werden  echter 
herhaaldelijk  geneutraliseerd  door  de  gebeurtenissen  op 
politiek  gebied.  Opnieuw  moest  in  sommige  landen  de 
strijd  op  handelsgebicd  plaats  maken  voor  bloedigen 
strijd ,  voortspruitende  uit  de  zucht  van  Napoleon  III  om 
in  Europa  den  boventoon  te  voeren,  en  eerst  na  den 
vrede  tusschen  Duitschland  en  Frankrijk  kon  de  handels- 
strijd  opnieuw  algemeen  worden.  Maar  toen  natuurlijk 
onder  gansch  andere  omstandigheden,  beheerscht  door 
de  vorming  van  het  Duitsche  Rijk.  Voor  Bismarck  was 
hoofddoel:  aan  Duitschland  een  grooter  gedeelte  vanden 
wereldhandel  te  verzekeren.  Vandaar  de  invoering  van 
den  gouden  standaard;  het  bevorderen  van  de  oprichting 
van  Duitsche  banken  in  den  vreemde,  speciaal  in  over- 
zeesche  gewesten,  om  aldus  de  Duitsche  Reichsmark, 
het  Duitsche  accept  overal  bekend  te  doen  worden,  en 
aan  Duitsche  banken  de  commissie,  de  rente,  en  de 
winst,  voortspruitende  uit  wisselopera tien ,  te  verzekeren , 
tot  hiertoe  aan  Engelsche  banken  betaald.  Vandaar  een 
goed  georganiseerd  consulaatwezen ;  subsidiën  aan  stoom- 
en  scheepvaartlijnen  naar  alle  punten  van  de  globe. 
Vandaar  ook  aanvankelijk,  Bismarck  optredend  als 
„  freetrader." 

Onder  Bismarck  werd  Berlijn  het  centrum  der  financi- 
cele  wereld.  Men  ging  echter  te  ver  in  Duitschland.  De 
Gründer-periode  leidde  op  bijna  elk  gebied  tot  overpro- 
ductie en  „overtrading,"  en,  na  scherpe  daling  der  prijzen, 


39 

volgde  de  crisis.  Nu  zag  men  naar  kunstmiddelen  om. 
De  industrie,  die  in  Duitschland  steeds  protectie  voor* 
staat,  verlangde  invoerrechten  —  niet  zoozeer  om  zich 
tegen  de  buitenlandsche  concurrentie  te  weren,  want 
reeds  nam  Duitschland  op  industrieel  gebied  eene  voor- 
name plaats  in,  maar  als  een  middel  om  hoogere  prijzen 
te  kunnen  bedingen.  En  toen  Amerika  en  Rusland  met 
hun  graan  Duitschland  gingen  overstelpen,  toen  de  indu- 
strie en  de  landbouw  gezamenlijk  op  bescherming  begon- 
nen aan  te  dringen,  moest  Bismarck  toegeven.  In  1879 
kwam  het  eerste  protectionnistische  tarief  in  werking ,  dat 
de  invoer  van  buitenlandsch  ijzer,  hout  en  graan  be- 
zwaarde en  toen  traden  Hamburg  (1881)  en  Bremen  (1884) , 
tot  hiertoe  vrijhavens,  toe  tot  den  Duitschen  Zollverein. 
Spoedig  bleek  ook  hier,  dat  telkens  nieuwe  verhooging 
van  tarieven  niet  kon  uitblijven.  In  1883  verdere  ver- 
hooging der  graanrechten ,  en  in  1887  alweer  eene  ver- 
hooging, terwijl  voor  de  industrie  tusschen  1881  en  1883 
reeds  herhaalde  verhoogingen  hadden  plaats  gehad. 

Uit  de  protectionnistische  politiek  volgden  ook  nu  be- 
lemmering van  den  internationalen  handel,  represailles 
van  de  zijde  van  andere  natiën,  een  tarievenoorlog  met 
Rusland.  De  verhouding  tusschen  dat  Rijk  en  Duitschland 
werd  gaandeweg  minder  vriendschappelijk.  Duitschland 
wilde  Rusland  door  een  financieelen  oorlog  verlammen. 
De  bekende  feiten,  waartoe  dit  geleid  heeft, werdendoor 
spr.  nagegaan.  Het  voornaamste  was  het  besluit  van  10 
November  1887 ,  waarbij  de  Duitsche  Rijksbank  verklaarde 
verder  niet  meer  de  Russische  fondsen,  driejaren  te  voren 
door  eene  andere  staatsinstelling  (de  Seehandlung)  als  zoo 
geschikt  voor  geldbelegging  aanbevolen,  te  zullen  belee- 
nen. Intusschen  zelfs  dit  besluit  was  niet  in  staat  het 
crediet  van  het  Moscovitische  Rijk  afbreuk  te  doen.  In- 
tegendeel ,  van  dat  oogenblik  kwam  er  eene  aanhoudende 
verbetering  in  de  noteering  der  Russische  fondsen.  Zoodra 
de   financieele   krijg   in   Berlijn  begonnen  was,  had  de 


40 

Russische  Regeering  te  Parijs  de  noodige  stappen  gedaan 
om  daar  de  Regeering  en  de  haute  banque  (steeds  hand 
aan  hand  gaande),  te  overtuigen  niet  alleen  van  de 
soliditeit  der  Russische  financiën,  maar  ook  van  dewen- 
schelijkheid  van  een  bondgenootschap ,  dat  meer  dan  ooit 
reden  van  bestaan  had  sedert  Duitschland ,  Oostenrijk  en 
Italië  het  Drievoudig  Verbond  hadden  gesloten. 

Deze  démarche  der  Russische  Regeering  ontmoette  te 
Parijs  een  allergunstigst  onthaal.  De  Fransche  haute  banque 
zag,  om  redenen  die  spr.  nader  ontwikkelde,  talrijke 
voordeden  in  eene  innigere  verhouding  tot  Rusland.  Wel- 
dra volgde  de  gewone  couranten-oorlog  tusschen  Frankrijk 
en  Italië ,  en  daarna  de  tarieven-oorlog.  En  het  was  weder 
het  protectionnisme ,  dat  Frankrijk  en  Italië  van  elkander 
verwijderde.  Den  15en  December  1886  nam  de  Italiaansche 
regeering  het  initiatief  tot  het  opzeggen  van  het  handels- 
tractaat.  Toen  kwam  het  officieele  bezoek  vanCrispiaan 
Bismarck  op  Friedrichsruh.  Een  ware  financieele  oorlog 
brak  uit,  die  aan  Italië's  crediet  gevoelige  slagen  toebracht. 
De  Berlijnsche  markt  nam  vele  millioenen  Italiaansche 
staatsrente  op,  maar  op  den  duur  bleek  Duitschland  niet 
bij  machte  aan  Italië  dezelfde  financieele  hulp  te  verlee- 
nen,  welke  het  vroeger  steeds  zoo  ruimschoots  van 
Frankrijk  ondervonden  had.  De  kracht  der  Fransche 
markt  bleek  opnieuw  door  het  opnemen  van  alle  door 
Berlijn  aangeboden  Russische  fondsen,  door  het  plaatsen 
in  Frankrijk  van  verdere  Russische  leeningen  en  indu- 
strieele  ondernemingen.  Die  interventie  der  Fransche 
haute  banque  en  van  het  Fransche  publiek  heeft  er  veel 
toe  bijgedragen  om  het  Rusland  mogelijk  te  maken  zijne 
financiën  en  zijn  muntsysteem  op  gezonde  basis  te  plaat- 
sen. Zoö  is  uit  de  invoering  van  het  protectionnisme  in 
Duitschland  de  tarieven-oorlog ,  daarna  de  financieele  oor- 
log met  Rusland  voortgesproten ,  die  gevoerd  heeft  tot  de 
financieele  en  politieke  alliantie  tusschen  Rusland  en  Frank- 
rijk ,  tot  den  tarievenoorlog  en  daarna  tot  den  financieelen 


41 

strijd  tusschen  Frankrijk  en  Italië.  En  het  bondgenoot- 
schap tusschen  Rusland  en  Frankrijk  heeft  weer  aanleiding 
gegeven  dat  beide  landen,  en  vooral  het  groote  Moscovi- 
tische  Kijk,  in  het  verre  Oosten  eene  belangrijke  rol 
spelen  en  aan  Engeland's  invloed  in  China  trachten  af- 
breuk te  doen. 

Met  het  protectionnisme  ging  het  toenemen  van  het 
socialisme  hand  aan  hand.  Vooral  in  Duitschland  trad  de 
sociaal-democratische  partij  al  stouter  en  stouter  op,  en 
ondanks  de  maatregelen  die  er  werden  genomen  om  het 
welzijn  van  den  arbeider  te  verhoogen  en  zijn  lot  te 
verzachten,  werd  de  toestand  meer  en  meer  gespannen. 
Eindelijk  komt  Bismarck  ten  val.  Zijn  werk  wordt  voort- 
gezet door  Caprivi ,  maar  met  toepassing  eener  veel  gema- 
tigder handelspolitiek.  Het  politieke  bondgenootschap  met 
Oostenrijk  en  Italië  maakt  het  mogelijk  het  commercieel 
bondgenootschap  met  die  landen  te  sluiten.  In  1891  komt 
een  handelsverdrag  met  verlaagde  tarieven  tusschen 
Duitschland  en  Oostenrijk  tot  stand;  1  Februari  1892 
volgt  niet  alleen  dat  met  Italië,  maar  ook  met  Zwitser- 
land en  België,  terwijl  1  Januari  1894  een  handels-  en 
scheepvaartverdrag  met  Rumenië  wordt  gesloten.  Die 
handelsverdragen  toonen  dat  er  een  eind  gekomen  is  aan 
de  tot  hiertoe  door  Duitschland  geyolgde  scherpe  protec- 
tionistische handelspolitiek,  dat  meer  gematigde  ideeën 
de  overhand  genomen  hebben ,  en ,  voor  een  tijdperk  van 
1 2  jaren  afgesloten ,  geven  zij  den  handel  een  zekeren 
waarborg  dat  vooreerst  geene  verandering  van  tarieven 
zal  plaats  vinden. 

Ook  met  den  tegenstander  Rusland  gelukt  het  Duitsch- 
land den  8en  Maart  1894  een  handelsverdrag  te  teekenen, 
waarbij  niet  alleen  een  einde  gemaakt  wordt  aan  den 
tarie venoorlog,  maar  ook  het  besluit  der  Duitsche  Rijks- 
bank  van  10  November  1887  wordt  ingetrokken*  De  gema- 
tigde handelspolitiek  maakt  goed  wat  het  protectionnisme 
bedorven  heeft ,  de  vriendschappelijke  verhouding  tusschen 


42 

de  twee  grootc  Rijken  van  het  Noorden  wordt  hersteld, 
en  Berlijn  neemt  opnieuw  een  levendig  aandeel  aan  de 
groote  Russische  financieele  operatiën,  die  met  de  af- 
schaffing van  den  gedwongen  koers  in  dat  land  in  verband 
staan. 

Meer  en  meer  doen  zich  de  gunstige  resultaten  der 
door  Duitschland  nu  toegepaste  gematigde  handelspolitiek 
gevoelen,  breiden  zich  zijne  zaken  en  verbindingen  naar 
alle  richtingen  uit,  blijkt  het  dat  op  industrieel  gebied 
het  eene  macht  van  beteekenis  geworden  is,  dat  het  op 
chemisch  en  electrisch  terrein  steeds  nieuwe  lauweren 
plukt.  En  terwijl  Duitsche  banken  in  Argentinië,  Chili, 
Brazilië,  China  en  Azië  ten  gunste  van  Duitschland's 
handel  in  den  vreemde  met  succes  arbeiden  en  in  be- 
vredigende dividenden  de  belooning  vinden  harer  energieke 
pogingen ;  terwijl  de  Duitsche  haute  banque  met  bevriende 
huizen  in  Oostenrijk  en  Zwitserland  onmidddellijk  na  de 
hevige  crisis,  die  Italië  in  1893  teisterde  en  waarbij  44 
banken  haar  betalingen  staakten,  twee  bankinstellingen 
in  Milaan  en  Genua  opricht ,  die  beide  gewichtige  diensten 
aan  Italië's  handel  en  nijverheid  bewijzen,  trachten  Duit- 
sche reizigers ,  met  taal-  en  zaakkennis  toegerust,  overal 
nieuwe  débouchés  voor  Duitsche  artikelen  te  scheppen; 
wordt  Hamburg  door  talrijke  stoomvaartlijnen  in  ver- 
binding met  alle  deelen  der  aarde  de  voornaamste  haven 
van  het  vasteland.  Maar  ook  de  industrie  neemt  eene 
groote  vlucht.  Rusland  opent  haar  een  uitgebreid  veld 
voor  haar  ondernemingsgeest;  zij  is  bezig  Turkije  met 
een  net  van  spoorwegen  te  overdekken ,  en  in  het  leveren 
van  70  millioen  mark  spoorwcgmatcrieel  aan  de  Pruisische 
Regeering  en  in  de  constructie  van  8000  kilometers  locaal- 
spoorwegen,  gevoegd  bij  belangrijke  orders  voor  Chili 
en  andere  overzeesche  gewesten,  op  electrisch  gebied, 
vindt  zij  volop  arbeid.  Zoo  vertoonen  de  havens  en 
fabrieken  in  Duitschland  een  beeld  van  groote,  rustelooze 
werkzaamheid,  gaan  haute  banque,  handel  en  nijverheid 


43 

samen  om  Duitschland  een  belangrijk  aandeel  aan  den 
wereldhandel  te  verzekeren. 

Maar  die  kolossale  ontwikkeling  van  handel  en  nijver- 
heid ,  die  groote  vooruitgang  op  elk  gebied,  en  vooral  de 
beteekenis  die  de  Berlijnsche  beurs  als  internationale 
markt  verkregen  heeft,  zijn  een  doorn  in  het  oog  der 
agrarische  partij,  en  deze  weet  eene  wet  op  het  beurs- 
wezen er  door  te  krijgen ,  die  de  zaken  op  tijd  bemoeilijkt, 
ja  voor  sommige  waarden  onmogelijk  maakt;  die  de 
Duitsche  graanmarkt  desorganiseert.  Waar  in  Engeland 
de  handel  beschouwd  wordt  als  de  grootste  aller  politieke 
belangen,  tracht  de  reactionnaire  partij  in  Duitschland  de 
hooge  vlucht,  die  beurswezen,  handel  en  nijverheid  ge- 
nomen hebben ,  zooveel  mogelijk  te  kortwieken.  Maar  de 
agrariërs  hebben  buiten  den  waard  gerekend,  want  vast 
aaneengesloten  treden  beurs  en  handel  als  één  man  op  om 
zich  tegen  eene  dergelijke  kortzichtige  politiek  te  ver- 
zetten. De  cijfers  geven  het  welsprekendst  bewijs  van 
Duitschland's  krachtig  optreden:  van  1872  tot  1897 heeft 
zich  Duitschland's  handel  met  60  °/o  vermeerderd;  van 
1881  tot  1897  met  30  °/0.  Het  hoofdaandeel  daarvan  valt 
op  den  handel  ter  zee,  die  circa  65  °/o  van  den  totalen 
handel  uitmaakt.  De  invoer,  in  1881  M.  2961  millioen, 
bedroeg  voor  1896  M.  4558  millioen,  de  uitvoer  in  1896 
M.  3754  millioen,  tegen  M.  2974  millioen  in  1881.  Duitsch- 
land komt  met  zijne  handelsomzetten  onmiddellijk  na 
Engeland ,  is  de  tweede  handelsnatie  der  wereld ,  een  der 
voornaamste  concurrenten  van  Engeland  geworden. 

Naast  Duitschland  staat  nu  Rusland,  dat  in  den  aan  dat 
land  eigen  vorm,  voortdurend  Engcland's  belangen  be- 
dreigt, zijn  commercieel  en  politiek  prestige  aanhoudend 
tracht  afbreuk  te  doen.  Waar  Duitschland  met  zijne  steeds 
toenemende  bevolking  (die  van  42  millioen  op  1  December 
1875,  in  1897  tot  53 V2  millioen  inwoners  gestegen  is) 
steeds  meer  en  meer  zijne  zonen  naar  alle  deelen  van 
den  aardbol  zendt  als  kantoorbedienden,  handelsreizigers, 


44 

technische  beambten  en  ingenieurs ;  waar  het  tracht  overal 
nieuwe  dóbouchós  te  scheppen  en  den  handel  tusschen  het 
moederland  en  de  overzeesche  gewesten  te  bevorderen, 
volgt  Rusland  eene  eenigszins  andere  wijze  van  werken, 
is  het  om  zoo  te  zeggen  Engeland's  concurrent  in  het 
groot,  tracht  het  overal,  maar  vooral  in  het  verre  Oosten , 
eene  domineerende  positie  in  te  nemen  en  den  Engelschen 
invloed  afbreuk  te  doen. 

Want  dok  Rusland,  misschien  meer  nog  dan  Duitsch- 
land,  heeft  in  de  laatste  jaren  reusachtige  vorderingen 
gemaakt.  Getrouw  aan  het  gezegde  van  Nicolaas  I :  „Rus- 
land heeft  geene  grenzen"  breidt  het  zich  in  Centraal 
Azië  voortdurend  uit;  door  eenvoudige  onderhandelingen 
ontvangt  het  van  het  Hemelsche  Rijk  nu  deze,  dan  gene 
concessie.  Vandaar  de  aanleg  van  den  Siberischen  spoor- 
weg ,  waarvan  de  opening  op  1  Juli  1904  is  vastgesteld , 
en  die  het  mogelijk  zal  maken  de  route  Londen-Berlijn- 
Warschau-Wladiwostok  in  ongeveer  10  dagen  af  te  leggen, 
en  dus  het  vervoer  van  passagiers  en  goederen  naar  China 
en  Japan  aanmerkelijk  te  bekorten.  Tevens  zal  deze  lijn 
op  den  internationalen  handel  grooten  invloed  oefenen, 
en  o.  a.  eene  belangrijke  wijziging  brengen  in  de  passa- 
giersgelden  en  vrachten  naar  het  verre  Oosten.  Na  Rus- 
land schijnt  Duitschland  het  meest  van  de  nieuwe  lijn  te 
zullen  profiteeren. 

Tegelijkertijd  tracht  de  Russische  Regeering  steeds  den 
handel  tusschen  Rusland  en  Perzië ,  Turkestan ,  China  en 
Japan  te  verlevendigen.  Vooral  helder  echter  komen  de 
energie  der  Russische  Regeering  en  het  doorzicht  harer 
staatslieden  uit  na  den  oorlog  tusschen  Japan  en  China. 
Begrijpende  welke  voordeden  voor  haar  kunnen  voort- 
spruiten uit  de  veranderde  toestanden  in  het  verre 
Oosten,  begint  Rusland  met  China  in  staat  te  stellen 
dadelijk  een  gedeelte  der  door  het  Hemelsche  Rijk  aan 
Japan  te  vergoeden  oorlogsschatting  te  betalen,  garandeert 
daartoe  eene  4  pets.  Chincesche  leening  van  400  millioen 


45 

francs,  welke  met  zulk  eene  garantie  in  Frankrijk  grif 
plaatsing  vindt,  het  China  mogelijk  maakt  van  Japan  de 
onmiddellijke  ontruiming  van  eenige  als  onderpand  voor 
de  te  betalen  oorlogsschatting  bezette  provinciën  te  ver- 
langen, en  door  'een  en  ander  de  vriendschappelijke 
relatiën  tusschen  Rusland  en  China  ten  zeerste  versterkt. 
Ook  Bismarck's  beleid,  om  in  het  belang  van  den  Duit- 
schen  handel  overal  Duitsche  banken  op  te  richten,  is 
aan  de  Russische  Regeering  niet  ontgaan,  en  terwijl  zij 
de  oprichting  aanmoedigt  van  kantoren  der  Russische 
banken  te  Londen ,  Parijs ,  Genua ,  Rotterdam  en  Salonika, 
ter  bevordering  der  Russische  belangen  en  ontwikkeling 
van  den  Russischen  graanhandel,  schept  zij,  met  het  oog 
op  de  te  verwachten  commercieele  hervorming  van  China, 
met  medewerking  der  Fransche  haute  banque  de  Russisch- 
Chineesche  Bank  met  een  kapitaal  van  6  millioen  roebel, 
met  hoofdkantoor  te  Shanghai  en  vertakkingen  in  die 
deelen  der  wereld  waar  de  Russisch-Chineesche  industri- 
eele  en  commercieele  belangen  dit  zullen  noodig  maken. 
Onmiddellijk  na  hare  oprichting  verkrijgt  de  nieuwe  Bank 
van  de  Chineesche  Regeering  de  concessie  voor  den  aanleg 
en  de  exploitatie  van  den  Wester  Chineeschen  spoorweg, 
welke  aanleg  28  Augustus  begonnen  is,  en  die  aan  den 
Stberischen  spoorweg  zijne  aansluiting  vinden  zal.  Ook 
andere  spoorweglijnen  zijn  in  China  in  voorbereiding, 
aan  de  Kuropeesche  industrie  en  haute  banque  nieuwe 
gelegenheden  openende  om  hunne  operatiën  uit  te  breiden. 
Zoo  schijnt  zich  langzaam  het  gezegde  van  Li-Hung-Chang 
te  verwezenlijken,  dat  China  binnen  50  jaren  met  een 
net  van  spoorwegen  zal  zijn  overdekt;  zoo  schijnt  China 
toch  sneller  voor  meer  ontwikkeling  rijp  te  zijn  dan  men 
na  de  ontmoedigende  verslagen  van  enkele  consuls  had 
mogen  verwachten.  Mijns  inziens  —  zeide  spreker  — 
zal  de  hervorming  van  China  des  te  rasscher  vorderingen 
maken  naarmate  het  Hemelsche  Rijk,  welks  financieelc 
positie   eenigszins   geleden   heeft   door   den  oorlog  met 


46 

Japan  en  de  te  betalen  oorlogsschatting ,  meer  dan  vroeger 
aan  de  Europeesche  geldmarkt  zal  hebben  te  appelleeren , 
waardoor  het  Europa  mogelijk  zal  zijn ,  als  tegenwaarde 
voor  de  te  verleenen  financieele  hulp ,  telkenmale  op  een 
liberaler  optreden  der  Chineesche  Regeering ,  op  de  ophef- 
fing van  alles  wat  den  internationalen  handel  met  China 
belemmert  aan  te  dringen. 

Gelijk  overal,  is  het  Engeland,  dat  tot  hiertoe  het 
leeuwendeel  heeft  aan  den  handel  in  China.  Van  de  672 
in  China  gevestigde  handelshuizen  zijn  363  Engclsche, 
99  Duitsche,  40  Amerikaansche  en  14  Russische,  maar 
volgens  de  laatste  berichten  is  het  aantal  der  vreeihde 
huizen  die  zich  in  China  vestigen  steeds  toenemende ,  en 
de  strijd  der  natiën  op  handelsgebied  schijnt  vooral  in 
China  steeds  grootere  verhoudingen  aan  te  nemen.  Wat 
verder  geloovcn  doet  dat  China  de  noodzakelijkheid  be- 
grijpt om  tot  hervormingen  over  te  gaan,  is  het  besluit 
tot  oprichting  eener  Chineesche  Staatsbank  met  een  kapi- 
taal van  5  millioen  taëls,  met  hoofdkantoor  te  Shanghai 
en  vertakkingen  in  alle  tractaathavens ,  hoofdsteden  der 
provincies  en  hoofdsteden  van  Europa  en  Amerika.  In 
^jj  China  zal  de  Bank  „  the  Imperial  Chinese  Bank  of  Inter- 
national Commerce"  genoemd  worden,  maar  in  Europa  en 
Amerika  zal  zij  eenvoudig  den  titel  van  „  Imperial  Bank 
of  China"  dragen.  Het  kapitaal  der  Bank  schijnt  tamelijk 
klein  voor  zulk  een  uitgebreid  arbeidsveld,  en  men  zal 
goed  doen  verdere  berichten  af  te  wachten ,  alvorens  een 
oordeel  te  vellen.  Tegelijk  met  het  besluit  tot  oprichting 
dezer  bankinstelling  komt  het  bericht  van  de  ophanden 
zijnde  vorming  eener  algemecne  handelskamer  te  Shang- 
hai, in  welker  bestuur  vertegenwoordigers  van  den  handel , 
de  nijverheid  enz.  zitting  zullen  nemen. 

Maar  terwijl  China  dus  geroepen  schijnt  een  belang- 
rijken invloed  te  oefenen  op  het  internationale  handels- 
verkeer, en  een  ruim  arbeidsveld  belooft  te  worden  voor 
de  Europeesche  industrie,  is  ook  op  Japan  de  aandacht 


47 

van  Europa  gevestigd.  Ook  Japan  treedt  meer  en  meer 
op  den  voorgrond.  Financieel  veel  sterker  dan  China, 
schijnt  het  niet  alleen  een  onafhankelijk  standpunt  te 
willen  innemen,  maar  zelfs  gaandeweg  alle  vreemden  te 
willen  verdringen;  tracht  het  zich  op  elk  gebied  van 
vreemden  invloed  vrij  te  maken.  Zeker  is  het,  dat  de 
handel  in  Japan  sedert  25  jaren  eene  groote  vlucht  ge- 
nomen heeft  en  de  uitvoer  in  1896  niet  minder  dan  171 8/4 
millioen  yen  bedroeg.  Meer  en  meer  ontwikkelen  zich  de 
handel  som  zetten  van  het  ondernemende  en  ontwikkelde 
volk,  dat,  1  October  1897  tot  den  gouden  standaard  over- 
gegaan, zich,  wanneer  de  operatie  in  haar  geheel  gelukt , 
met  zijne  valuta  op  gelijke  lijn  gesteld  zal  hebben  met 
zijn  grooten  concurrent  in  het  verre  Oosten,  Engeland, 
en  dus  den  handel  zekerheid  zal  gegeven  hebben  tegen 
te  groote  variatiën  in  den  wisselkoers.  Japan  werkt  vol- 
gens een  bepaald  programma.  Na  zich  eerst  door  de  toe- 
passing der  in  het  Westen  gevolgde  administratieve  en 
militaire  organisatie  sterk  gemaakt  te  hebben,  weert 
Japan  onverbiddelijk  alle  vreemden  die  door  hunne  ta- 
lenten en  ervaring  daartoe  hebben  medegewerkt,  doet 
daarna  zijne  vitaliteit  en  superioriteit  uitkomen  door  zijn 
zwakken  mededinger  China  op  zijde  te  stellen,  plaatst 
met  de  ontvangen  oorlogsschatting  zijne  financiën  en  zijn 
muntsysteem  op  gezonde  basis,  versterkt  zijne  marine, 
sluit  handelstractaten  met  Amerika  en  de  voornaamste 
landen  van  Europa ,  schept  zelfs  eene  kolonie :  Formosa , 
en  doet  nu  al  het  mogelijke  om  handel  en  industrie  te 
doen  bloeien.  In  1895  bestonden  in  Japan  580  maatschap- 
pijen, met  een  kapitaal  van  40  millioen  yen,  en  sedert 
is  dat  aantal  met  20  pet.  toegenomen.  Zijne  lucifers  vinden 
op  de  Oostersche  markten  flinke  afnemers,  verdringen 
zelfs  in  sommige  streken  de  Engelsche  lucifers,  terwijl 
Japansche  parapluies,  glaswerken  en  katoenen  goede- 
ren reeds  tot  de  meest  gezochte  artikelen  behooren  en 
de  uitvoer  daarvan  zich  meer  en  meer  uitbreidt. 


48 

Voor  den  aanleg  van  spoorwegen  is  Japan  nog  grooten- 
deels van  het  buitenland  afhankelijk.  Amerika,  dat  een 
zoo  groot  aandeel  neemt  aan  den  handel  met  Japan, 
slaagde  er  in,  Engeland  op  dit  gebied  meer  dan  eens  de 
loef  af  te  steken,  maar  ook  de  Britten  geven  den  strijd 
niet  op ;  nog  dezer  dagen  wisten  zij  voor  hunne  fabrieken 
belangrijke  contracten  voor  locomotieven  en  rails  af  te 
sluiten.  Amerika  is  en  blijft  echter  in  die  streken  voor 
Engeland  een  gevaarlijke  concurrent,  en  de  Yokohama 
Specie-bank,  in  1880  opgericht  met  een  kapitaal  van 
12  millioen  yen,  waarvan  9  millioen  gestort,  heeft  met 
het  oog  op  de  steeds  grootere  handelsomzetten  tusschen 
Japan  en  de  Vereenigde  Staten,  vertakkingen  opgericht 
te  New- York  en  San-Francisco.  Ook  te  Londen,  Lyon, 
Bombay,  Shanghai  en  Hongkong  bestaan  agentschappen 
der  Bank ,  wier  zaken  zich  steeds  uitbreiden  en  die ,  aan 
de  traditie  getrouw,  slechts  Japanners  als  aandeelhouders 
toelaat. 

Op  scheepvaartgebied  speelt  Engeland  in  Japan  nog 
altijd  de  voornaamste  rol,  maar  ook  in  die  streken  zit 
Duitschland  niet  stil.  In  1891  vertoonden  zich  in  de  Japan- 
sche  wateren  467  Engelsche  en  233  Duitsche  schepen, 
tegen  einde  1896  1018  Engelsche  en  323  Duitsche  schepen. 
Ook  Noorwegen  neemt  op  dit  gebied  eene  belangrijke 
plaats  in.  Van  75  schepen  in  1891  zien  wij  zijn  aantal  tot 
319  stijgen,  terwijl  Rusland  van  36  tot  92  is  gestegen. 

Alle  die  landen  hebben  dus  hunne  zaken  met  Japan 
uitgebreid,  waar  Frankrijk  in  die  wateren  van  den  5en 
tot  den  7en  rang  is  afgedaald.  Gedurende  1896  liep  zelfs 
geen  enkel  Fransch  schip  de  Japansche  havens  binnen 
en  werd  de  Fransche  vlag  nog  alleen  vertoond  door  de 
Messageries  Maritimes,  die  met  haar  veertiendaagschen 
dienst  de  concurrentie  tracht  vol  te  houden  met  de  Engel- 
sche P.  &  O.  Steam  Navigation  Company,  de  Indische 
Tola  &  IndoChina  linie,  de  onder  Amerikaanschc  vlag 
varende  3   groote  lijnen  (Canadian  Pacific  Railway  Co., 


49 

Southern  Pacific  en  Oriental  &  Occidental  Stcamship 
Navigation  Co.)  en  de  Duitsche  Dampfschiffrederei  en 
Norddeutsche  Lloyd.  De  handel  met  Japan  geeft  dus  aan- 
leiding tot  een  belangrijk  scheepvaartverkeer,  en  het  kan 
onder  die  omstandigheden  niet  verwonderen,  dat  Japan 
zelf  er  naar  streeft  om  aan  de  vreemde  schepen  de 
vrachten  te  betwisten  voor  de  naar  en  uit  Japan  te  ver- 
voeren goederen. 

Met  de  concurrentie  der  overzeesche  landen  zal  Europa 
inderdaad  meer  en  meer  rekening  hebben  te  houden.  Voor 
het  oogenblik  echter  zijn  er  nog  tal  van  overzeesche 
landen,  die,  in  ruil  voor  hunne  producten,  nog  altijd 
flinke  afnemers  van  Europeesche  artikelen  blijven,  die 
op  electrisch  en  ander  gebied  nog  steeds  van  Europa 
afhangen.  Dat  werd  terecht  dezer  dagen  in  het  licht  ge- 
steld in  Oostenrijk  zelf,  waar  eene  vergadering  van 
industrieelen  de  middelen  besprak  om  aan  den  strijd  der 
natiën  op  handelsgebied  een  grooter  aandeel  te  nemen, 
om  aldus  den  achteruitgang  tegen  te  gaan  van  de  nationale 
industrie,  welke  zich  levendig  afspiegelt  in  de  Oosten- 
rijkschc  handelsbalans  en  in  den  gang  der  wisselkoersen. 

De  treurige  toestand  waarin  daar  de  binnenlandsche 
politiek  verkeert  en  de  slechte  handelsbalans  zijn  de 
redenen  waarom,  niettegenstaande  het  benoodigde  goud 
niet  ontbreekt,  van  eene  hervatting  der  speciebetalingen 
voorloopig  geen  sprake  kan  zijn ,  en  zoolang  die  hervat- 
ting onmogelijk  blijft,  zal  Oostenrijk  het  beeld  vertooneo 
van  een  land  dat  met  millioenen  gouds  in  de  kelders 
der  Bank,  nog  altijd  gebukt  gaat  onder  de  euvelen  eener 
papier-circulatie. 

En  ook  Italië  heeft  nog  altijd  met  groote  schommelin- 
gen van  den  wisselkoers  rekening  te  houden.  Daar  heerscht 
nog  altijd  de  gedwongen  koers.  Intusschen  hebben  de 
handel  en  nijverheid  er  zich  op  krachtige  wijze  ontwik- 
keld. De  bedrijvigheid  in  Milaan ,  Turijn  enz.  op  industrieel 
gebied ,  de  gunstige  resultaten  door  verschillende  fabrieken 

4 


50 

verkregen,  de  overwinning  door  verscheidene  onderne- 
mingen op  buitcnlandsche  concurrenten  behaald,  doen 
verwachten ,  dat  het  Noorden  van  Italië ,  het  meest  arbeid- 
zame gedeelte  van  het  land ,  meer  en  meer  eene  waardige 
plaats  op  industrieel  gebied  zal  innemen.  Ook  op  scheep- 
vaartgebied heeft  Italië  groote  vorderingen  gemaakt.  Genua 
heeft  Marseille  overschaduwd  en  door  den  aanleg  van 
nieuwe  havenwerken  alles  voorbereid  om  flink  deel  te 
nemen  aan  de  grootere  levendigheid  op  handelsgebied  die 
ontegenzeggelijk  voor  haar  zal  voortspruiten  uit  den  op- 
handen zijnden  bouw  van  de  Simplon-tunnel.  Trouwens, 
van  bijna  geheel  Italië  luiden  de  laatste  berichten  opwek- 
kender. Niettegenstaande  ministerieele  crises  en  van  tijd 
tot  tijd  onstuimige  parlementszittingen ,  vertoont  Italië 
het  beeld  eener  steeds  toenemende,  arbeidzame,  spaar- 
zame bevolking,  wier  deposito's  bij  de  banken  en  spaar- 
kassen steeds  toenemen,  wier  handelsomzetten  voor  de 
eerste  negen  maanden  van  dit  jaar  55Vi  millioen  lire 
meer  bedragen  dan  in  1896,  die  er  ijverig  naar  streeft 
om  hare  débouchés  uit  te  breiden  en  die,  krachtdadig 
ondersteund  door  de  Italiaansche  Kamers  in  het  buiten- 
land, er  meer  en  meer  in  slaagt  overal  afzet  te  vinden 
voor  hare  producten  en  artikelen.  Maar  zijn  de  uitkom- 
sten door  Italië  op  handels-  en  scheepvaartgebied  ver- 
kregen alleszins  bevredigend  te  noemen,  het  afsluiten 
van  een  handelsverdrag  tusschen  Italië  en  Frankrijk  blijft 
nog  steeds  op  groote  bezwaren  stuiten.  Het  tot  stand 
komen  daarvan  is  alleen  mogelijk  wanneer  wederzijds 
belangrijke  concessiën  gedaan  worden,  waartoe  noch  het 
protectionnistisch  gezinde  Ministerie  en  Parlement  in 
Frankrijk,  noch  de  industrieele  partij  in  het  Noorden 
van  Italië  voorloopig  bereid  schijnen. 

Intusschen  schijnt  Rusland  ook  te  trachten  Italië  voor 
zich  te  winnen  en  aldus  ook  aan  de  Middellandsche  Zee 
den  Engelschen  invloed  afbreuk  te  doen.  De  benoeming 
te   Rome   tot   ambassadeur   van  een  der  kundigste,  zoo 


51 

niet  de  kundigste  aller  Russische  diplomaten,  geeft  aan- 
leiding te  vermoeden,  dat  niet  alleen  het  sluiten  vaneen 
handelsverdrag  tusschen  Rusland  en  Italië,  de  ware  op- 
dracht aan  den  nieuwen  ambassadeur  is,  maar  dat  aan 
de  Tiber  quaestiën  van  groot  belang  te  behandelen  zijn, 
met  zich  brengende  het  versterken  der  reeds  meer  vriend- 
schappelijke relatiën  tusschen  de  beide  zusternatiën  Frank- 
rijk en  Italië,  en  het  spreekt  van  zelf  dat  de  afsluiting  van 
een  handelsverdrag  tusschen  beide  laatsten  er  niet  weinig 
toe  zoude  bijbrengen  om  dat  doel  te  bereiken. 

In  Frankrijk  zelf  neemt  de  aandrang  tot  eene  meer  ge- 
matigde handelspolitiek  toe.  De  verslagen  der  Kamer  van 
koophandel  van  de  twee  voornaamste  Fransche  havens 
(H&vre  en  Marseille)  bewijzen  dit.  Er  kan  echter  van  het 
toepassen  eener  meer  gematigde  handelspolitiek  geen 
sprake  zijn  zoolang  men  in  hooge  invoerrechten  een 
middel  meent  gevonden  te  hebben  tot  stijving  der  staats- 
kassen. Bovendien ,  Méline  heeft  —  naar  spr.  aantoonde  — 
meer  dan  één  argument  te  zijner  beschikking  om  te  be- 
weren dat  de  zaken  onder  het  protectionnisme  nog  niet 
zoo  slecht  gaan.  Tegenover  die  enkele  gunstige  feiten 
echter  staat  dat  niettegenstaande  alle  begunstigingen  de 
landbouw  steeds  klaagt,  vele  industriën  het  op  den  duur 
tegen  de  buitenlandsche  concurrentie  niet  kunnen  vol- 
houden ,  dat  volgens  de  berichten  van  vele  Fransche  con- 
suls Frankrijk  op  de  meeste  markten  meer  en  meer  wordt 
teruggedrongen,  dat  het  als  koopvaardijvloot  tot  denóen 
a  7en  rang  is  teruggegaan,  en  dat  terwijl  Hamburg  en 
Genua  zoo  enorm  zijn  vooruitgegaan,  Ha vre  en  Marseille 
zich  slechts  met  moeite  op  den  omzet  van  vorige  jaren 
hebben  weten  te  handhaven.  Ook  de  cijfers  geven  een 
sprekend  bewijs  dat  handel  en  nijverheid,  over  het  alge- 
meen genomen,  in  Frankrijk  niet  bloeien.  In  1890 expor- 
teerde Frankrijk  jaarlijks  3750  millioen,  in  1891  3570; 
in  1892  viel  men  op  3464,  in  1893  op  3226,  in  1894  op 
3078,    om   in    1895  op   3374,  in  1896  op  3404  millioen 


52 

té  stijgen.  Dus  niettegenstaande  den  vooruitgang  die 
Frankrijks  voornaamste  concurrenten  —  Engeland  en 
Duitschland  —  van  1890—1896  kunnen  aantoonen,  en 
die  zich  afspiegelen  in  hunne  handelsomzetten,  blijft 
Frankrijk  voor  1896  nog  altijd  bij  1890,  1891  en  1892 
ten  achter. 

Toch  zitten  de  Fransche  handelaars  en  fabrikanten ,  de 
Fransche  haute  banque,  niet  stil.  Vooral  geldt  dit  vair 
het  Crédit  Lyonnais  en  het  Comptoir  d'Escompte. 

Spr.  trok  nu  een  parallel  tusschen  Frankrijk  en  de 
Vereenigde  Staten.  Beide  republieken  volgen  eene  sterk 
protectionnistische  handelspolitiek ,  beide  verwachten  dat 
hooge  invoerrechten  de  staatskassen  zullen  vullen, beide 
zijn  overladen  met  zilver  waarop  zij  millioenen  en  mil- 
lioenen  verliezen:  beide  zullen,  in  korteren  of  langeren 
tijd,  onder  de  euvelen  eener  zoo  sterk  geprononceerde 
protectionnistische  handelspolitiek  te  lijden  hebben ;  beide 
zullen  te  erkennen  hebben  dat  hooge  invoerrechten  ver- 
mindering van  den  invoer  en  dus  voor  het  budget  min- 
dere ontvangsten  beduiden;  beide  hebben  reeds  onder- 
vonden, en  zullen  blijven  ondervinden,  dat  niet  alleen 
Engeland,  maar  ook  Duitschland,  Rusland,  Oostenrijk, 
de  Scandinavische  landen ,  Rumenië ,  Engelsch-Indië , 
Chili,  Japan,  Bulgarije,  Salvador,  Peru  en  Costa  Rica, 
vooral  na  al  de  opofferingen  die  vele  dezer  landen  zich 
getroost  hebben  om  hun  muntsysteem  te  doen  beant- 
woorden aan  de  eischen  eener  internationale  valuta,  na 
al  de  verliezen  die  door  den  verkoop  van  hun  zilver 
tegen  aankoop  van  goud  voor  hen  ontstaan  zijn,  dat  die 
landen  weigerachtig  blijven  zullen  de  eventueele  voor- 
stellen der  bimetallisten  in  Frankrijk  en  Amerika  in 
ernstige  overweging  te  nemen.  Maar  het  laatste  gezamen- 
lijke optreden  der  beide  republieken  in  zake  het  zilver 
heeft  hen  nauwer  tot  elkander  gebracht,  en  geruchten 
omtrent  eene  meer  intieme  verhouding  op  handelsgebied , 
wederzijdsche   concessiën    wat  tarieven  betreft,  doen  de 


53 

ronde,  en  men  zal  er  goed  aan  doen,  zei  spr.,  oplettend 
te  volgen  wat  in  dezen  geest  vermeld  wordt.  Amerika 
verkeert  nu,  door  den  goeden' graanoogst,  tijdelijk  in 
een  gunstigen  toestand ,  maar  de  gebreken  die  de  Ameri- 
kaansche  valuta  aankleven  zijn  niet  weggenomen,  en 
wel  is  in  de  laatste  tijden  gebleken  dat  men  in  Amerika 
hierin  eenige  verbetering  wil  aanbrengen,  maar  het  is 
geenszins  zeker  dat  dit  gelukken  zal. 

Volgens  spreker  beloven  de  pogingen  om  een  Ameri- 
kaanschen  Zollverein  tot  stand  te  brengen ,  weing  succes. 
Even  weinig  als  de  voorstanders  van  Imperial  Federation 
in  Engeland,  die  door  de  opzegging  van  de  handelsver- 
dragen met  België  en  Duitschland  nog  meer  versterkt 
zijn  in  hun  geloof  aan  het  tot  stand  komen  eener  dus- 
danige federatie,  Na  de  beteekenis  van  dezen  maatregel 
der  Britsche  Regeering  te  hebben  aangetoond ,  verklaarde 
spr.  van  oordeel  te  zijn  dat  Engeland,  hetwelk  sedert 
1816  is  trouw  gebleven  aan  den  gouden  standaard,  ook 
niet  veranderen  zal  van  handelspolitiek ,  van  de  politiek 
van  vrijhandel,  die  voor  het  land  zulke  zegenrijke  resul- 
taten heeft  gehad.  Het  is  waar  —  zeide  hij  —  dat  de 
protectionistische  politiek  van  vele  landen,  gevoegd  bij 
het  energieke,  krachtdadige  optreden  van  enkele  natiën, 
Engeland  in  enkele  streken  terrein  heeft  doen  verliezen , 
maar  sterk  als  die  concurrentie  zijn  mag,  wettigt  zij 
daarom  nog  niet  eene  verandering  van  handelspolitiek, 
waar  Engeland  op  bijna  elk  gebied  zijne  mededingers 
nog  ver  achter  zich  laat.  Van  de  3409  schepen,  die  in 
1896  het  Kanaal  van  Suez  passeerden ,  waren  2162  onder 
Engelsche  vlag,  tegen  322  onder  Duitsche,  230  onder 
Italiaansche ,  219  onder  Fransche  en  200  onder  Holland- 
sche  vlag.  Als  zeehaven  laat  Londen,  waar  in  1896 
86,810  schepen  met  15,819,740  tonnenmaat  binnenliepen, 
Hamburg  met  10,477  schepen  en  6,455,000  tonnenmaat, 
Marseille  met  8,150  schepen  en  5,274,904  tonnenmaat, 
nog  ver  achter  zich.  Engeland's  uitvoer  steeg  in  1894  tot 


54 

£  218  millioen,  in  1895  tot  225 * /4  millioen,  in  1896  bijna 
tot  £  240  millioen,  waarbij  niet  uit  het  oog  verloren 
mogen  worden  de  millioenen  en  millioenen  ponden  die 
Engeland  aan  vrachten,  rente,  commissie,  enz.  ontvangt, 
die  in  geen  statistieken  kunnen  voorkomen,  evenmin  als 
de  bouw  van  schepen  voor  rekening  van  vreemde  natiën. 
In  1896  bijv.  was  30  pet.  van  het  totaal  der  gebouwde 
schepen  voor  vreemde  rekening,  tegen  20  pet.  in  1895, 
en  merkwaardigerwijze,  in  dat  jaar  was  Duitschland  En- 
geland's  beste  afnemer.  Niet  minder  toch  dan  30  schepen 
met  117,870  tonnenmaat  werden  voor  rekening  van  Duitsch- 
land op  Engelsche  werven  gebouwd.  Het  zijn  zelfs  niet 
alle  bij  benadering  op  te  geven  bedragen,  die  Engeland 
toevloeien ,  die  het  in  staaf  stellen  den  invoer  te  betalen 
der  voor  de  steeds  toenemende  bevolking  (thans  39f/4 
millioen)  benoodigde  voedingsmiddelen,  der  grondstoffen 
voor  de  industrie  enz.,  invoeren  die  van  £  424  millioen 
in  1893  tot  £  442  in  1896  opliepen.  Engeland  met  zijne 
uitstekende  financiën,  goed  georganiseerd  munt- en  bank- 
wezen, uitgebreiden  internationalen  en  kolonialen  handel 
en  scheepvaart,  marcheert  nog  altijd  aan  de  spits  der 
groote  handelsnatiën  der  wereld,  en  het  zal  niets  onbe- 
proefd laten  om  die  positie  te  handhaven. 

Aan  dien  strijd  zal  Nederland  met  alle  kracht 
blijven  deelnemen;  immers,  evenals  voor  Engeland,  is 
voor  ons  land  de  rang  dien  het  onder  de  natiën  inneemt, 
geheel  afhankelijk  van  zijne  commercieele  beteekenis. 
Dank  zij  zijn  uitstekend  banksysteem  (een  model  voor 
andere  emissiebanken)  steeds  bewaard  gebleven  voor  de 
euvelen  van  overmatige  papiercirculatie,  bekleedt  Neder- 
land, met  zijn  aanzienlijken  transito -handel,  zijn  over 
't  algemeen  genomen  zich  ontwikkelende  nijverheid,  en 
zijne  aanzienlijke  omzetten  in  de  producten  zijner  koloniën, 
onder  de  handeldrijvende  natiën  eene  eervolle  plaats.  Maar 
het  heeft,  gelijk  Engeland,  te  worstelen  met  de  concur- 
rentie en  de  protectionnistische  handelspolitiek  van  zoo 


.      55 

vele  andere  Staten.  En  het  moet  de  in  andere  landen 
(Engeland,  Duitschland,  Italië,  Frankrijk)  in  de  laatste 
tijden  gegeven  voorbeelden  volgen,  welke  alle  ten  doel 
hebben  den  handel  voor  te  liehten  omtrent  alles  wat  met 
de  oeconomische  en  commercieele  belangen  der  natie  in 
verband  staat,  de  studie  te  bevorderen  van  het  muntwezen 
en  andere  oeconomische  onderwerpen,  van  de  handels-  en 
scheepvaarttractaten ,  van  de  nationale  en  de  internationale 
handelsbetrekkingen,  en  van  wat  dienen  kan  om  nieuwe 
markten  te  openen.  Een  gezamenlijk  optreden  van  de 
élite  van  Holland's  zonen,  aldus  eindigde  de  heer  Rozen- 
raad,  zal  er  veel  toe  bijdragen  om  Holland's  aandeel  aan 
den  wereldhandel  te  vermeerderen,  zijne  scheepvaart  uit 
te  breiden,  zijne  vlag  te  doen  wapperen  op  alle  zeeën, 
zijn  naam  te  verspreiden  over  alle  werelddeelen. 


Onze  handelsbetrekkingen  met  China. 


No.  50  van  de  Consulaire  verslagen  en  berichten  bevat 
het  verslag  over  1896  van  den  consul  der  Nederlanden 
te  Tientsin,  den  heer  A.  D.  Startseff.  Hij  deelt  daarin 
o.  a.  mede,  dat  Tientsin,  op  omstreeks  80  mijlen  van 
Peking  gelegen  en  57  mijlen  van  de  zee  (per  rivier),  de 
voornaamste  haven  is  voor  den  handel  van  het  buitenland 
op  noordelijk  China  en  Mongolië.  De  bevolking  wordt  op 
ongeveer  een  millioen  geschat ,  waaronder  500  Europeanen. 
De  stad,  gemakkelijk  van  Shanghai  en  Japan  uit  te  be- 
reiken ,  wordt  zeer  veel  bezocht  door  reizigers ,  maar  het 
is  opmerkelijk  dat  Nederlandsche  reizigers ,  in  het  bijzon- 
der die  uit  Nederlandsch-Indië,  zoo  zelden  in  China  ge- 
zien worden.  De  eenige  Nederlander ,  die  in  1896  Tientsin 
bezocht,  was  de  heer  D.  J.  Lamberts,  de  vertegenwoor- 
diger van  het  Hollandsch-Chineesche  Syndicaat.  Het  ge- 
volg van  het  bezoek  van  dezen  heer  is  geweest,  dat  het 
Syndicaat  een  bijkantoor  in  deze  haven  zal  vestigen.  Moge 
deze  eerste  vestiging ,  zegt  de  consul ,  het  begin  zijn  van 
de  herleving  der  Nederlandsche  handelsbetrekkingen  in 
China. 

Het  is  waarschijnlijk  dat  Nederland  een  minder  belang- 
rijk aandeel  heeft  in  den  handel  op  Tientsin  dan  het  geval 
kon  zijn,  wanneer  de  Chineesche  markt  ernstiger  bestu- 
deerd ware  door  den  Nederlandschen  handel. 


57 


De  opvatting  schijnt  in  Nederland  te  heerschen,  dat 
enkel  winstgevende  zaken  met  China  te  doen  zijn  na 
verloop  van  eenige  jaren,  die  kostbare  uitgaven  zullen 
vorderen.  Het  is  onmogelijk ,  te  slagen  zonder  eene  zekere 
mate  van  kennis  te  bezitten  omtrent  moeilijkheden,  ver- 
bonden aan  het  doen  van  zaken  in  dit  land,  maar  er 
is  toch  niet  de  duur  van  een  menschenleven  gemoeid  met 
het  inwinnen  der  bijzonderheden  van  de  handels-transac- 
tiën  in  China.  Niettemin,  het  verdient  aanbeveling,  dat 
zij,  die  van  plan  zijn  hunne  zaken,  door  het  aanknoopen 
van  nieuwe  connectiën  in  dit  land,  uit  te  breiden ,  begin- 
nen met  nauwkeurige  inlichtingen  in  te  winnen  in  verband 
met  hunne  plannen.  Om  teleurstelling  en  verlies  van  tijd 
en  geld  te  voorkomen ,  beveelt  de  consul  het  raadplegen 
aan  van  de  „  Returns  of  Trade  and  Trade  Reports."  Deze 
verslagen  worden  jaarlijks  op  last  van  de  overheid  ge- 
publiceerd en  zijn  verkrijgbaar  bij  de  heeren  Kelly  &  Walsh 
Ltd.  te  Shanghai ,  Hongkong ,  Singapore  en  Yokohama ,  en 
eveneens  bij  de  heeren  King  &  Son,  12  en  14  Kingstreet, 
Westminster,  Londen  S.  W.  De  prijs  van  deze  jaarver- 
slagen is  5  Mex.  dollars. 

Ten  opzichte  van  den  import  in  China  dient  in  aan- 
merking te  worden  genomen,  dat  de  vreemde  bevolking 
er  gering  is:  slechts  enkele  duizenden.  Shanghai  heeft 
eene  vreemde  bevolking  van  ruim  5000  zielen,  maar  de 
andere  Chineesche  havens  tellen  si  echts. enkele  honderden, 
en  dikwijls  niet  eens  zooveel,  vreemdelingen.  De  markt 
voor  goederen ,  welke  alleen  door  vreemdelingen  gebruikt 
worden,  is  dientengevolge  van  weinig  belang.  Verreweg 
het  grootste  gedeelte  van  den  invoerhandel  is  voor  het 
gebruik  van  Chineezen  zelven  bestemd.  Natuurlijk  zijn 
eenige  artikelen  bestemd  voor  het  gebruik  van  Chineezen 
en  buitenlanders  beide,  zooals  petroleum,  een  artikel, 
dat  tot  ver  in  het  binnenland  wordt  vervoerd.  Boter, 
kaas,  sigaren,  vreemde  dranken  enz.  zijn  gewone  arti- 
kelen van  verbruik   der  Chineezen  in  de  handelshavens 


58 

en  worden  zelden  in  ccnigc  belangrijke  hoeveelheid  naar 
het  binnenland  vervoerd.  Goederen  voor  het  uitsluitend 
gebruik  van  vreemdelingen  zijn  zeldzaam,  en  onder  deze 
categorie  moeten  bijvoorbeeld  de  materialen  voor  dames- 
en  heerenkleeding  worden  gerangschikt.  De  „Returns  of 
Trade"  kunnen  hieromtrent  nadere  inlichtingen  geven. 

Enkele  van  de  exportartikelen  van  Tientsin  zouden 
waarschijnlijk  eene  markt  kunnen  vinden  in  Nederland, 
maar  men  dient  er  op  te  letten,  dat  Hamburg  en  Londen 
de  voornaamste  markten  in  Europa  zijn  voor  den  Chinee- 
schen  export.  Met  het  oog  op  de  ligging  van  Nederland 
tusschen  deze  twee  markten ,  rijst  de  vraag  in  hoever  en 
om  welke  redenen  van  practischen  aard  Amsterdam  of 
Rotterdam  in  staat  zou  zijn  een  centrum  van  distributie 
te  worden  voor  een  deel  van  het  continent  van  Europa 
met  betrekking  tot  den  export  van  China.  Voor  het  oogen- 
blik  lijkt  dit  oppervlakkig  niet  wel  mogelijk,  omdat  er 
slechts  ééne  Nederlandsche  firma  in  China  gevestigd  is; 
en  zelfs  deze  firma  heeft  nog  maar  zeer  onlangs  een  ver- 
tegenwoordiger gezonden  om  hier  zaken  te  doen.  Het  is 
evenwel  te  hopen ,  dat  de  uitvoer  van  petroleum  uit  Ned.- 
Indië  moge  slagen  door  de  vestiging  van  enkele  andere 
firma's  in  China,  hetzij  uit  de  koloniën  of  uit  Nederland. 
Alleen  wanneer  stappen  in  deze  richting  worden  gedaan, 
zal  een  uitgebreider  handel  tusschen  Nederland  en  China 
wellicht  ontstaan. 

Directe  handel  is  onmogelijk,  zoolang  er  niet  eene 
directe  stoomvaart-verbinding  is ,  en  wanneer  men  in  aan- 
merking neemt,  dat  Antwerpen  de  reputatie  heeft  van 
eene  goedkoopere  haven  te  zijn  dan  Londen,  kan  Rot- 
terdam wellicht  in  eene  niet  ongunstige  positie  voorden 
handel  met  China  worden  geacht.  De  vrachtprijzen  van 
China  naar  Antwerpen  zijn  in  het  algemeen  lager  dan 
die  naar  Londen.  Er  wordt  echter  eene  nauwkeurige 
kennis  vereischt  omtrent  de  talrijke  details,  om  te  kun- 
nen bepalen  in  hoever  een  gedeelte  van  den  handel  tus- 


59 

schcn  China  aan  de  eene  zijde  en  Londen  en  Hamburg 
aan  de  andere  zijde,  eventueel  zijn  weg  zoude  kunnen 
vinden  door  Nederland. 

Onder  de  artikelen  uit  Nederland  en  Nederlandsch- 
Indië,  welke  wellicht  eene  markt  in  China  zouden 
vinden,  worden  meer  in  het  bijzonder  genoemd  bier, 
boter,  cacaopoeder,  karpetten,  kaas,  chocolade,  gecon- 
denseerde melk,  banketbakkerswaren,  filters,  goud-  en 
zilversmidswerk ,  haring,  ham,  linnen  voor  huishoudelijk 
gebruik ,  keukengerced schappen ,  lederwaren ,  zadels ,  heel- 
kundige instrumenten,  spiegels,  schilderswaren ,  papier, 
reukwerken,  groenten  in  blik,  zaden,  spiritus,  siroop, 
tabak ,  vernissen ,  azijn ,  lood,  koffie,  indigo,  paarlmoer  enz. 

Weliswaar  wordt  geen  der  artikelen  in  zulke  hoeveel- 
heden geïmporteerd,  dat  ieder  afzonderlijk  de  basis  zou 
kunnen  vormen  voor  de  vestiging  eener  firma,  maar  het 
totaalbedrag  aan  invoeren  geeft  een  zeer  hoog  cijfer. 

De  import  uit  Nederland  is  op  het  oogenblik  geen  gemak- 
kelijke zaak,  omdat  vreemden,  namelijk  niet-Nederland- 
sche  firma's  in  China,  die  thans  bij  den  importhandel 
betrokken  zijn,  de  bedoelde  artikelen  reeds  van  elders 
betrekken.  Onder  deze  omstandigheden  kan  niet  worden 
verwacht,  dat  zij  hunne  tegenwoordige  relatiën  zullen 
prijsgeven  voor  nieuwe  handelsconnectiën  welke  zeker 
in  den  beginne  zeer  veel  last  zullen  veroorzaken,  en  de 
meeste  van  de  bovengenoemde  Nederlandsche  export- 
artikelen zullen  weinig  kans  van  slagen  op  de  Chineesche 
markt  hebben ,  wanneer  niet  firma's  uit  Nederland  of  zijne 
koloniën  er  toe  besluiten  bijkantoren  in  China  te  openen. 
Maar  het  mag  verwondering  wekken ,  dat  hier  geen  Neder- 
landsche firma's  zijn  (het  Hollandsch-Chineesche  Syndicaat 
uitgezonderd),  omdat  enkele  van  de  Nederlandsche  en 
koloniale  exportartikelen  stapel-artikelen  zijn  voor  den 
import  in  China.  Onder  deze  mogen  gerekend  worden 
katoenen  goederen ,  suiker  en  petroleum.  Het  totaalbedrag 
van  den  invoer  dezer  artikelen  bedraagt  millioencn  guldens. 


60 

De  invoer  van  katoenen  goederen  te  Tientsin  alléén 
steeg  in  1895  tot  eene  waarde  van  ƒ  25  milioen.  De  totale 
invoer  van  petroleum  in  China  gedurende  1895  vertegen- 
woordigde eene  waarde  van  ruim  ƒ  12|  millioen. 

Er  kan  dus  niet  worden  gezegd ,  dat  er  in  China  geen 
toekomst  is  voor  den  handel  van  Nederland  en  zijn  kolo- 
niën. Wanneer  op  eene  doelmatige  wijze  de  stapel-artikelen 
als  basis  worden  genomen  voor  die  van  minder  aanbelang , 
zullen  deze  laatste  spoedig  in  eene  betere  positie  komen 
dan  nu.  Kracht  in  zaken  kan  worden  verkregen  door 
verschillende  belangen  te  combineeren.  Zulk  eene  com- 
binatie van  belangen  schijnt  ten  opzichte  van  de  expor- 
teurs in  Nederland  en  koloniën  niet  te  bestaan. 

Kooplieden  aldaar  mogen  andere  opinies  zijn  toege- 
daan dan  die  welke  in  dit  verslag  zijn  neergelegd  —  aldus 
besluit  de  heer  Startseff  dit  gedeelte  van  zijn  uitgebreid 
rapport  — ,  verdere  informatiën  langs  betrouwbare  kana- 
len zullen  wel  spoedig  de  overtuiging  bij  hen  kunnen 
vestigen,  dat  de  uitgesproken  meeningen  zijn  gebaseerd 
op  eene  langdurige  ondervinding  in  China,  ofschoon 
anderzijds  de  schrijver  gaarne  erkent  niet  volkomen  be- 
kend te  zijn  met  den  handel  en  de  industrie  in  Nederland. 

Waar  China's  handel  zich  steeds  uitbreidt,  zou  het  te 
betreuren  zijn,  wanneer  niet  verder  pogingen  werden 
gedaan  om  de  Nederlandsche  handelsbelangen  in  China 
te  bevorderen. 


VARIA. 


De   zaak   der  veroordeelde  Atjehsche 

officieren. 

In  het  Soer:  Handelsblad  van  30  October  jl.  kwam 
omtrent  het  vonnis  tegen  de  Atjehsche  officieren  L.  en  B. 
het  volgende  voor: 

„Een  der  overwegingen  van  het  Hof  zal,  naar  wij 
grond  hebben  te  mogen  vermoeden,  wel  zijn  geweest, 
door  het  stellen  van  een  afdoend  voorbeeld  eindelijk  eens 
voor  goed  een  einde  te  maken  aan  al  dat  willekeurig 
rampassen ,  ook  daar  waar  er  hoegenaamd ,  zelfs  van  uit 
het  meest  liberaal  militaire  oogpunt,  geen  aanleiding  toe 
bestaat.  Niets  heeft  van  meet  af  aan  de  pacificatie  van 
Atjeh  misschien  meer  in  den  weg  gestaan  en  tevens  ook 
niets ,  waarover  tot  nu  van  militaire  zijde  doorgaans  zoo 
lichtvaardig  werd  gedacht,  als  dat  voortdurend  „mir  nichts 
dir  nichts"  zich  toeëigenen  van  de  bezittingen  des  wer- 
kelijken  of  vermeenden  vijands. 

„Het  reageeren  daartegen  door  de  civiele  ambtenaren 
gaf  tot  nu  slechts  aanleiding  tot  verbittering,  tegenwer- 
king en  verergering  in  clandestienen  zin,  gelijk  menig 
ambtenaar,  vooral  onder  generaal  Van  der  Heijden,  tot 
zijn  ergernis  en  nadeel  moest  ondervinden." 


62 

Dat  de  schrijver  de  zaak  volstrekt  niet  overdrijft, 
blijkt  uit  de  Java-Bode  van  den  31  Juli  1879,  wier 
toenmalige  hoofdredacteur,  die  het  onder  volgende  schreef, 
een  voorstander  van  het  agressief  stelsel  was: 

„Wat  hebben  de  troepen,  die  XXVIMoekims  afliepen, 
van  het  recht  van  verdediging  gemaakt?  Hoe  werd  het 
door  hen  geëerbiedigd? 

„Zij  hebben  tegen  alle  menschelijkheid  en  tegen  de 
bepalingen  van  het  oorlogsrecht,  nagenoeg  het  geheele 
land  verwoest  met  al  wat  er  op  stond. 

„  De  dapperheid  der  troepen  wordt  niet  ontkend ;  maar 
door  het  gebeurde  in  de  XXVI  Moekims  is  zij  ontsierd. 

„Het  beleid  bij  den  veldtocht  ontwikkeld  is  groot,  doch 
hetzelfde  kan  gezegd  worden  van  de  manoeuvres  van 
Bazeille,  't  geen  niet  belette,  dat  de  handelingen  der 
Duitsche  krijgers  aldaar,  een  kreet  van  afgrijzen  door 
de  geheele  beschaafde  wereld  deden  opgaan. 


„  De  gevolgen  van  de  verwoesting  der  XXVI  Moekims 
kunnen  niet  uitblijven.  Was  de  bevolking  reeds  van  den 
beginne  af  met  een  doodelijke  haat  tegen  ons  Nederlan- 
ders vervuld,  een  zeer  begrijpelijke  dorst  naar  bloedige 
wraak  zal  haar  voortaan  bezielen ;  een  wraak  die  wij  steeds 
te  duchten  zullen  hebben ,  —  óók  wanneer  het  volk  zich 
schijnbaar  zal  onderwerpen.  Wij  zullen  een  land  ver- 
overd en  vernield  maar  niet  onderworpen  hebben.  En 
terwrijl  het  heette ,  dat  te  Atjeh  een  strijd  voor  de  bescha- 
ving werd  gevoerd,  hebben  wij  vergeten  wat  wij  aan 
eigen  beschaving,  zelfs  tegenover  de  onbeschaafden  ver- 
plicht zijn;  hebben  wij  duizenden  aan  den  hongerdood 
prijsgegeven;  duizenden  onschuldigen  van  al  wat  zij  be- 
zaten beroofd  en  in  kommer  en  armoede  gedompeld; 
kampongs  verbrand  met  fraaie  en  bloeiende  bamboe- 
stoelen,  die  tot  wederopbouw  zouden  moeten  dienen; 
de    bevolking    verjaagd    en    haar  bestaan  vernietigd;  de 


63 

vruchtbare  velden,  die  rijke  oogsten  zouden  opleveren, 
welke  voor  de  millioenen  aan  den  oorlog  besteed,  ons 
moesten  schadeloos  stellen,  verwoest;  wreedheden  ge- 
pleegd, die  uit  schaamte  verborgen  worden  gehouden 
en  een  grenzenlooze  haat  hebben  vooroorzaakt ,  welke 
eenmaal,  wanneer  de  vele  bataljons  niet  meer  daar  zijn, 
dié  ons  tegen  de  woede  en  wraak  beschermen,  in  een 
bloedbad  zich  zal  uiten ,  dat  nieuwe  expedities  zal  nood- 
zakelijk maken ,  waarvoor  al  weder  offers  en  menschen- 
levens  en  millioenen  schats  zullen  worden  gebracht." 

Volgens  een  schrijven  uit  Atjeh  van  iemand  die  het 
weten  kan,  was  ook  de  expeditie  naar  Tamiang  een 
natuurlijk  gevolg  van  de  wijze  waarop  in  de  XXII  en 
de  XXVI  Moekims  is  huisgehouden. 

De  lieden,  die  bij  dien  tocht  verjaagd  en  van  alles  beroofd 
werden ,  vestigden  zich  in  Modjopaijt  en  Tamiang  en  zijn 
thans  onze  bitterste  vijanden.  Daar  was  slechts  eene  ge- 
ringe oorspronkelijke  bevolking.  In  het  officieel  rapport 
dd.  18  April  1893,  over  de  verrichtingen  der  troepen  in  het 
Tamiangsche ,  in  de  Javasche  Courant  gepubliceerd ,  wordt 
gezegd:  „ onder  de  drie-en-zestig  in  de  veroverde  bentings 
gevondene  lijken,  werden  geen  Tamiangers  herkend.  Het 
waren  blijkbaar  allen  Atjehers  uït  de  aangrenzende  kust* 
staten." 

Zoo  ook  in  het  verslag  der  Tweede  Tamiangsche  excur- 
sie in  het  B.  N.  van  28  April :  „  De  gesneuvelden  droegen 
allen  de  Atjehsche  kleeding  en  was  er  blijkbaar  geen  enkele 
Tamianger  bij.,y  Zoo  ook  de  Deli-Courant  van  5  April: 

„  Uit  de  confrontatie  der  lijken  bleek ,  dat  het  bijna  allen 
lieden  waren  uit  Groot- Atjeh,  zoodat  de  Tamiangers  niet 
mede  gedaan  of  zich  achterbaks  gehouden  hebben" 

Lieden  uit  Groot- Atjeh,  die  wij  van  have  en  goed  be- 
roofden ,  en  zoodoende  stempelden  voor ....  de  galg.  Het 
beschavingswerk  der  Nederlanders! 

Dat  de  indruk  van  de  merkwaardige  dagorder  van  den 


64 

leger-commandant  5  October  1860,  waarvan  Multatuli  in 

het  Ie  deel,  blz.  202,  zijner  Ideeën  spreekt,  in  Atjehdan 

ook   uiterst  gering  was,  blijkt  uit  de  circulaire  van  den 

civielen  en  militairen  gezaghebber,  dd.  27  Juli  1875,  waarbij 

wordt  medegedeeld ,  dat  het  verbranden  van  huizen  en  het 

vernielen  van   kampongs  niet  alleen  geoorloofd  was  maar 

zelfs  ten  zeerste  aanbeveling  verdiende.  *) 

K. 


°)  De  bovengenoemde  dagorder,  die  wel  in  herinnering  verdient 
te  worden  gebracht,  laten  wij  hier  volgen : 

„Batavia,  den  5en  October  1860. 

„Bij  het  lezen  van  de  vele  goed  bewerkte  korpsgeschiedenissen, 

.die  het  Militaire  Departement  opvolgend  zijn  aangeboden,  wordt  men 

te   midden   van  het   vele  goede,  dat  men  daarin  vindt,  weemoedig 

getroffen  dooreen  tal  van  daarin  vermelde  verwoestingen,  dieeene 

schaduw  werpen  op  zoo  menige  schoone  bladzijde. 

„Men  zoekt  vergeefs  naar  den  oorsprong  van  die  heillooze  ge- 
woonte, die  zoovele  overwinningen  en  nederlagen  doet  gepaard  gaan 
met  de  vernieling  van  het  weinige  wat  het  volk  bezit.  Van  waar, 
vraagt  men  zich,  heeft  het  leger,  dat  naar  beschaafde  en  christelijke 
beginselen  bestuurd  wordt,  het  recht  geput,  zoo  strijdig  toch  met 
het  oorlogsrecht  van  beschaafde  volken,  om  het  private  eigendom 
te  vernielen,  en  schuldelooze  vrouwen  en  kinderen  of  machtelooze 
grijsaards  bloot  te  stellen,  om  door  gebrek  om  te  komen? 

„  Een  werktuig  van  wraak  of  bestraffing  kan  het  niet  zyn  —  want 
de  taak  van  het  leger  is  niet  om  te  kastijden,  noch  om  te  kwellen, 
maar  om  te  strijden,  te  overwinnen,  en  de  gevolgen  van  den  oorlog 
zoo  min  mogelijk  schadelijk  te  maken.  Een  ander  beginsel  onteert 
den  Staat,  onder  wiens  vlag  de  oorlog  wordt  gevoerd 

„Het  kan  ook  niet  zijn  een  middel,  om  de  overwinning  gemak- 
kelijker te  maken,  of  de  gestoorde  rust  spoediger  te  herstellen,  -— 
want  instedc  van  verzoening  verwekt  de  verwoesting  slechts  ver- 
bittering, versterkt  zij  het  verzet,  en  vergroot  zij  den  dorst  naar 
wraak.  Hoc  zou  men  ook  kunnen  mcenen,  dat  een  onkundig,  onbe- 
schaafd en  meestal  misleid  volk,  wanneer  al  wat  het  bezit,  ook  zijne 
voedingsmiddelen,  baldadig  verwoest  zijn,  éérder  genegen  zoude 
zijn,  om  de  wapenen  neder  te  leggen  en  den  overwinnaar  te  gehoor- 
zamen, dan  zoolang  de  kans  nog  bestaat  door  onderwerping  weder 
in  het  bezit  van  have  en  goed  terug  te  komen? 


65 

,  Evenmin  kan  zulks  gerechtvaardigd  worden  door  de  allerwege 
gehuldigde  beginselen  van  het  volkenrecht.  Toen,  twee  eeuwen  geleden 
[1674],  de  Palts  door  het  Fransche  leger  verwoest  werd,  liet  gansch 
Europa  een  kreet  van  verontwaardiging  hooren  over  deze  afschuwe- 
lijke daad.  Zoude  dan  het  Nederlandsch-Indische  leger  twee  eeuwen 
later  mogen  doen,  wat  in  een  minder  beschaafden  tijd  reeds  is  ver- 
oordeeld? 

„Niets  kan  inderdaad  die  verwoestingen  rechtvaardigen,  en  wan- 
neer men  ze  niettemin  ziet  plaatsgrijpen,  dan  moet  men  ze  wel 
houden  voor  het  gevolg  van  verouderde  overleveringen,  die  bereids 
lang  hadden  moeten  verlaten  worden ,  of  van  valsche  beschouwingen. 

„Wanneer  in  Indië  oorlog  gevoerd  wordt,  is  het  altijd  voor  eene 
van  deze  beide  oogmerken,  te  weten:  onder  misleide  en  oproerige 
onderdanen  de  rust  te  herstellen;  of,  om  de  regenten  van  onbe- 
schaafde volksstammen,  die  nog  het  zelfbestuur  hebben  behouden, 
in  het  belang  der  beschaving,  mildere  beginselen  van  bestuur  en 
van  internationale  betrekkingen  op  te  leggen.  Voor  beide  deze  ge- 
vallen, past  een  beschaafde  en  milde  oorlog  beter,  en  zal  deze  ook 
betere  werking  hebben,  en  heilzamer  indrukken  nalaten,  dan  brand- 
stichting en  verwoesting.  Reeds  zijn  de  gevolgen  van  de  oorlogen 
op  zichzelven  zoo  verderfelijk  voor  de  welvaart  van  het  volk,  dat 
het  niet  noodig  is  die  opzettelijk  te  vermeerderen,  om  beter  de 
kastijdende  hand  te  doen  gevoelen. 

„  Daarom  is  het  wenschelijk,  om  het  tot  dusverre  gevolgde  voor 
goed  te  verlaten,  en  de  beginselen  der  beschaafde  volkeren  aan  te 
nemen. 

„ Daarom  ook  is  het  wenschelijk,  dat  de  officieren,  door  het  be- 
oefenen van  het  volkenrecht,  zich  bekend  maken  met  hetgeen  als 
oorlogsrecht  voor  geoorloofd  en  ongeoorloofd  wordt  gehouden,  en  zich 
overtuigen  van  de  onbetamelijkheid  en  onbevoegdheid  van  het  aan- 
richten van  opzettelijke  verwoestingen  Aldus  zullen  zij,  wanneer 
het  uur  der  toepassing  zal  gekomen  zijn,  met  overtuiging  en  ken- 
nis van  zaken ,  te  beter  bij  hunne  onderhoorigen  de  edele  gevoelens, 
die  toch  bij  alle  dapperen  aanwezig  zijn,  kunnen  opwekken,  om  de 
minder  edele  te  onderdrukken  en  den  oorlog  niet  tot  een  hardvochtig 
handwerk  te  maken. 

De  Komman  dunt  van  O.-/.  Leger, 

(W.  g.)    I.  VAN  SWIETEN. 


66 
Nederlandsch   Nieuw- Guinea. 

Een  merkwaardig  plan,  dat  wel  aan  de  vergetelheid 
verdient  te  worden  ontrukt,  al  heeft  het  niet  tot  een 
practisch  resultaat  geleid ,  is  dat  hetwelk  door  de  heeren 
M.  C.  Verloop,  directeur  van  stoomtramwegen  op  Java 
en  van  de  Japara  Petroleum- Maatschappij ',  C.  S.  Fayan 
Vlielander  Hein ,  oud-notaris  op  Java ,  thans  directeur  der 
houtaankap-  en  cultuur- maatschappij  Madjenang ,  en  C. 
F.  H.  Engelen ,  oud-burgemeester,  allen  wonende  te  's  Gra- 
venhage,  met  betrekking  tot  Ned.  Nieuw- Guinea  is  ont- 
worpen. In  een  adres  aan  H.  M.  de  Koningin-Regentes 
hebben  zij  voor  een  tijdvak  van  75  jaren  concessie  ge- 
vraagd voor  de  kolonisatie,  exploratie  en 
exploitatie  van  het  Nederlandsche  deel 
van  Nieuw-Guinea,  ongeveer  onder  de  navolgende 
voorwaarden : 

1.  Erfpacht  voor  den  tijd  van  75  jaren ,  tegen  een 
jaarlijksche  pacht  naar  gelang  der  ontginningen  voor 
rekening  der  concessionnarissen,  met  bepalingen  omtrent 
in  eigendom  verstrekken  van  gedeelten  van  het  land  na 
afloop  der  erfpacht. 

2.  Het  recht  aan  hen  toe  te  kennen  van  het  heffen 
van  zoodanige  inkomende  en  u  i  tg  aan  de  rech- 
ten, accijnzen,  pachten  en  andere  belastingen 
als  in  andere  deelen  van  Nederlandsch-Indië  worden  ge- 
heven ,  tegen  uitkeering  aan  's  lands  kas  van  tien  percent 
van  de  bruto  opbrengsten  van  een  en  ander. 

3.  Het  recht  van  mijnontginning  in  den  meest 
uitgebreiden  zin,  voor  den  duur  der  erfpacht,  tegen  uit- 
keering van  tien  percent  aan  's  lands  kas  van  de  daaruit 
te  maken  winsten,  met  bepalingen  omtrent  overgang  in 
eigendom  van  een  deel  der  ontginningen  na  afloop  der 
erfpacht. 

4.  Het  toekennen  van  politierechtspraak  aan 
de  administrateurs  en  posthouders  der  concessionnarissen , 


67 

zooals   dit   thans   geschiedt  door  controleurs  of  'slands 
posthouders. 

5.  Het  instellen  van  een  1  a  n  d  r  a  a  d  op  de  te  stichten 
hoofdplaats,  met  een  door  Hr.  Ms.  Regeering  aangestel- 
den  ambtenaar  als  president  en  eenige  van  de  ambtenaren 
der  concessionnarissen  als  leden,  die  desnoods  alleen  zaken 
van  inlanders  en  vreemde  Oosterlingen  kan  behandelen , 
zullende  zaken,  Europeanen  of  daarmede  gelijkgestelde 
personen  onderling  betreffende,  en  waarin  onderdanen 
van  vreemde  mogendheden  mochten  zijn  betrokken ,  wor- 
den behandeld  door  van  wege  Hare  Majesteit  nader  aan 
te  wijzen  rechtbanken. 

6.  Het  recht  van  verdediging  van  de  rechten 
der  concessionnarissen  door  henzelven  tegenover  inlanders 
en  daarmede  gelijkgestelden. 

Dat  de  concessionnarissen  op  zich  nemen: 

1.  Om  binnen  een  zoo  kort  mogelijk  tijdsbestek  na  de 
aanvaarding  der  concessie  eene  hoofdplaats  te 
bouwen  als  op  eene  bij  het  adres  gevoegde  kaart  nader 
wordt  verduidelijkt,  ongeveer  even  ver  van  beide  kusten 
der  Geelvink-Baai  en  Banda  Zee  (Indischen  Oceaan) ,  die 
per  tramweg  is  verbonden  met  aan  beide  kusten  aan  te 
leggen  etablissementen,  welke  hoofdplaats  alsdan  buiten 
de  gewone  bevolking  (Papoeas)  van  het  eiland  minstens 
honderd  volwassen  mannen  zal  tellen ,  bestaande  uit  Euro- 
peanen of  daarmede  gelijkgestelden ,  Javanen ,  Amboinee- 
zen  of  andere  inlandsche  christenen;  en  evenals  beide 
kustetabjissementen  zal  deze  beschermd  zijn  door  een 
inlandsch  fortje  met  bastions  en  bezet  door  minstens 
vijftig  man  voor  de  hoofdplaats  en  minstens  vijf-en-twintig 
man  voor  elk  der  twee  kustetablissementen ,  allen  geweer- 
dragend  en  in  den  wapenhandel  geoefend,  of  op  een 
ander  punt,  zooals  de  omstandigheden  zullen  eischen, 
daar  het  mogelijk  is  dat  later  blijkt,  dat  hetzelfde  idóe 
beter  is  uit  te  voeren  op  een  ander  punt  van  het  eiland. 

2.  Dat    door    concessionnarissen   binnen   den   kortst 


68 

mogelijken  tijd eene  geregelde  postverbinding 
zal  zijn  ingevoerd,  minstens  ééns  per  maand,  van  een 
der  beide  kustetablissementen ,  met  Amboina ,  Banda , 
Ternate  of  eene  andere  plaats  in  Nederlandsch-Indië  en 
correspondeerende  met  de  Pakketvaart  wat  betreft  de 
datums  van  vertrek  der  booten. 

3.  Dat  binnen  tien  jaren  langs  de  noord-  en  zuidkusten 
van  Nederlandsch  Nieuw-Guinea  minstens  tien  etablis- 
sementen zullen  zijn  gesticht,  alle  minstens  ééns  per 
maand  in  geregelde  postverbinding  met  de  hoofdplaats  en 
te  zamen  bevolkt  door  minstens  duizend  volwassen  man- 
nen buiten  de  gewone  bevolking  (Papoeas)  van  het  land. 

4.  Dat  er  door  Harer  Majestcits  Regeering  verdere  be- 
palingen kunnen  worden  gemaakt,  in  overeenstemming 
met  requestranten ,  om  eene  behoorlijke  en  krachtige 
ontwikkeling  van  het  land  te  verzekeren. 

Requestranten  deelden  in  hun  adres  verder  het  volgende 
omtrent  hunne  plannen  mede: 

„Reeds  dadelijk  nadat  de  concessie  zal  zijn  aanvaard 
zal,  zooals  op  de  reeds  vermelde  kaart  is  verduidelijkt, 
de  hoofdplaats  worden  gevestigd  op  eene  hoogte  van 
ongeveer  1000  voet  boven  de  zee,  en  die  hoofdplaats 
worden  verbonden  door  een  tramweg  met  de  Geelvink- 
Baai  naar  het  noorden  en  de  Etna-Baai  naar  het  zuiden. 

Met  de  oprichting  van  een  en  ander  wordt,  onder  toe- 
zicht van  den  hoofdadministrateur,  een  speciale  beambte 
belast,  ter  hoofdplaats  wonende,  met  twee  Europeesche 
posthouders  onder  zich  voor  de  kust-etablisscmenten.  - 

Daarna  wordt  het  etablissement  aan  de  Etna-Baai  ver- 
bonden door  eene  heen  en  weder  varende  boot  met  Banda, 
hetwelk  twee  dagen  stoomens  ongeveer  daarvan  verwij- 
derd ligt,  of  met  eene  andere  plaats  in  Ned.-Indië,  wan- 
neer dit  mocht  blijken  beter  te  zullen  voldoen. 

Met  den  meestcn  spoed  wordt  dan  het  terrein  rondom 
de   hoofdplaats  ontgonnen  voor  koffie-,  tabak-  of  andere 


69 


cultures,  onder  speciale  beambten,  en  op  het  in  de 
nabijheid  liggende  gebergte  op  eenc  hoogte  van  ongeveer 
2  a  3000  voet  een  gezondheidsetablissemcnt  opgericht  en 
de  weg  daarheen  als  hoofdweg  voor  de  koffie-plantagcs 
aangelegd. 

Tergelijkcrtijd  wordt  eene  mijmbouwkundige  commissie 
aan  het  werk  gesteld  om  het  terrein  te  onderzoeken. 

Aan  Javanen ,  Amboincczen  en  andere  inlandsche  christe- 
nen worden  gronden  afgestaan  in  erfpacht ,  zoo  ook  met 
geldelijke  hulp  der  concessionnarissen  aan  Europeesche- 
en  andere  kleine  maatschappijen;  te  hunnen  behoeve 
wegen  en  tramwegen  aangelegd  en  tal  van  anderezaken 
volvoerd,  welk  een  en  ander  door  later  in  te  voeren 
belastingen  kan  worden  goedgemaakt. 

De  op  de  kusten  later  te  creëer  en  etablissementen 
zullen,  naar  de  omstandigheden  dit  eischen,  en  na  het- 
geen een  speciaal  daartoe  aan  te  stellen  explorateur  zal 
hebben  ontdekt,  worden  opgericht.  Het  werkvolk  ver- 
meenen  requestranten  te  verkrijgen  van  Java  en  de  Mo- 
lukken,  en  zij  hopen  de  Papoeas  langzamerhand  te  be- 
wegen zich  daarbij  te  voegen. 

De  eerst  ondergeteekende  heeft  28  jaar  met  Javanen 
gewerkt,  en  weet  wat  hij  met  hen  gedaan  kan  krijgen, 
zelfs  in  de  meest  onherbergzame  oorden,  terwijl,  door 
de  hoofdvestiging  reeds  dadelijk  op  duizend  voet  hoogte 
boven  de  zee  aan  te  leggen ,  tal  van  ziekten  kunnen  wor- 
den voorkomen  en,  mochten  die  op  de  strandplaatsen 
voorkomen ,  dadelijk  in  den  beginne  in  een  koeler  klimaat 
kunnen  worden  genezen. 

Requestranten  kunnen  reeds  beschikken  over  voldoende 
fondsen,  doch  zouden  toch  de  eventueel  te  verkrijgen 
concessie,  om  met  nog  meer  kracht  te  kunnen  werken, 
in  eene  maatschappij  willen  brengen.  De  Duitsche  Nieuw- 
Guinea-maatschappijen  hebben  eigen  politiemacht  en  be- 
lastingen voor  hunne  ambtenaren,  evenals  de  Noord- 
Bornco- maatschappij  en    tal   van    Duitsche  en  Engelsche 


70 

gecharterde  maatschappijen ,  en  de  ontwikkeling  van  der- 
gelijke landen  is  zonder  dat  ook  bijna  onmogelijk. 

Mocht  Hare  Majesteit  wijzigingen  wenschen ,  van  welken 
aard  ook,  in  de  hierboven  aangegeven  wijze  waarop 
adressanten  de  concessie  zouden  durven  aanvaarden, 
alsdan  zijn  zij  volkomen  bereid  om  daarover  in  onder- 
handeling te  treden." 

Hoe  de  adressanten ,  met  de  allertreurigste  geschiedenis 
van  de  gecharterde  maatschappijen  in  dezen  tijd  voor 
oogen  (om  van  die  van  vroeger  tijd  nog  maar  te  zwijgen) , 
met  een  dergelijk  plan  hebben  kunnen  aankomen,  zal 
velen  een  raadsel  zijn.  Dat  hunne  aanvraag  intusschen 
meer  als  een  ballon  d'essai  dan  als  de  vrucht  van  een 
ernstig ,  wèl  overwogen  plan  moet  worden  beschouwd ,  zou 
men  mogen  afleiden  uit  de  leukheid  waarmede  zij  ineen 
communiqué  aan  de  dagbladen  kennis  hebben  gegeven  van 
de  zeer  spoedig  op  de  indiening  van  hun  request  gevolgde 
afwijzende  beschikking  van  den  minister  van  Koloniën: 

„Bij  beschikking  van  Z.Exc.  den  minister  van  Koloniën 
werd  ons  request  betreffende  de  exploitatie ,  exploratie  en 
kolonisatie  van  het  Nederlandsch  deel  van  Nieuw-Guinea 
zonder  opgaaf  van  redenen  van  de  hand  gewezen. 

„  Zulk  een  buitengewoon  spoedige  beslissing,  al  is  deze 
ongunstig,  is  natuurlijk  voor  ons  verre  te  prefereeren 
boven  een  aan  het  lijntje  houden  en  moeten  wij  den 
Minister  dan  ook  min  of  meer  erkentelijk  zijn. 

„  Naar  onze  bescheiden  mecning  was  de  oplossing  van 
het  Nicuw-Guinea-vraagstuk  op  de  door  ons  voorgestelde 
wijze  de  beste ,  doch  onze  meening  is  geen  evangelie,  en 
wellicht  is  het  ook  mogelijk ,  dat  men  door  direct  bestuur 
van  Nieuw-Güinea  een  bloeiende  Nederlandsche  kolonie 
kan  maken. 

„  In  elk  geval  heeft  de  Minister  door  den  voorgestelden 
post  van  ƒ  115,000  op  de  begrooting  reeds  getoond, dat 


71 

hij  een  open  oog  heeft  voor  d$  behoeften  van  onze  afge- 
legen buitenbezittingen. 

M.  C.  Verloop. 

Het  plan  is  dus  van  de  baan  en  men  behoeft  zich  niet 
te  verdiepen  in  beschouwingen  omtrent  de  mogelijke 
gevolgen  die  het  voor  onze  positie  in  Nieuw-Guinea  had 
kunnen  hebben.  Het  adres  echter  werpt  een  vrij  zonder- 
ling licht  op  de  verklaringen,  door  den  minister  van 
Koloniën  in  de  beide  Kamers  ter  zake  van  onze  bestuurs- 
vestiging  op  Nieuw-Guinea  afgelegd.  Er  blijkt  in  elk  geval 
uit ,  dat  de  Minister  niet  goed  geïnformeerd  was ,  toen  hij 
de  door  den  heer  Van  Kol  geopperde  vooronderstelling, 
dat  er  op  Nieuw-Guinea  goud ,  petroleum  e.  m  d.  uit  den 
bodem  te  halen  was,  verwierp,  en  dat  Z.Ex.  zich  niet 
volkomen  rekenschap  heeft  gegeven  van  de  moeilijk- 
heden, die  onze  daadwerkelijke  inbezitneming  van  het 
Nederlandsch  gedeelte  van  het  reuzeneiland  *)  in  de  toe- 
komst kan  hebben. 


Eene    strafkolonie  in  Indië. 

De  Java-Bode  (11  Nov.  '97)  knoopt  aan  het  bericht, 
dat  door  Spanje  het  voorstel  gedaan  is  om  op  een  tot 
de  Philippijnen  behoorend  eiland  eene  internationale  straf- 
kolonie op  te  richten ,  speciaal  bestemd  voor  anarchisten 
en  andere  gevaarlijke  misdadigers,  den  wensch  vast  om 
in  Indië  eene  strafkolonie  te  stichten. 


°)  Op  Nieuw-Holland  na,  is  Nieuw-Guinea  het  grootste  eiland 
der  aarde.  Zync  oppervlakte  overtreft  die  van  Bomco,  de  eilandjes 
over  en  weer  meegerekend,  nog  met  70,000  kwadraat  kilometers. 
Het  Nederlandsche  gedeelte  ervan  is  niet ,  zooals  de  heer  Pijnacker 
Hordijk  in  de  Tweede  Kamer  vermoedde,  in  grootte  aan  Frankrijk 
gelijk,  maar  ongeveer  aan  Engeland,  Schotland, Ierland, Nederland, 
Hannover  en  bijna  de  helft  van  België  te  zamen! 


et  blad  zou  een  der  talrijke,  daarvoor  volkomen  ge- 
kte eilanden  willen  aangewezen  zien,  waar  men  de 
ladigers  tot  landbouwkolonisten  verecnigen  moet  en 
erk  stellen.  Daardoor  zouden  zij  verdwijnen  uit  een 
inleving,  waarin  voor  zulk  slag  van  lieden  geen 
ts  is;  daardoor  zouden  deze  staatskostgangers  ten 
>eve  van  het  algemeen  nuttig  en  productiever  worden 
door  het  schoonmaken  van  den  weg  hier  of  het  uit- 
en van  een  sloot  daar,  altegader  in  viermaal  meer 
dan  een  betaald  arbeider  ad  hoc  zulks  doet. 
Oe  gelden,  welke  de  schatkist  voor  deze  lieden  uit- 
t,  zijn  buitensporig  en  nemen  jaarlijks  toe,  hoewel 
roeding  en  huisvesting  over  het  algemeen  zeer  veel 
'enschen  overlaten. 

i  welke  zijn  de  resultaten  van  hun  arbeid  ? 
;n  gedeelte  gaat  mede  op  expeditie  en  bewijst  dan 
telijk  groote  diensten;  doch  het  grootste  deel  luilakt 
aat  zich  behaaglijk  de  voeding  op  Staatskosten  wel- 
illen.  Een  ieder  erkent  het  verkeerde  hiervan ;  periodiek 
chijnen  enkele  bepalingen  om  verandering  in  den  toe- 
i  te  brengen,  die  echter  in  hoofdzaak  onveranderd  blijft. 
3t  het  nemen  van  meer  ingrijpende  maatregelen  ont- 
kt  de  energie  of  de  moed ;  het  onkruid  woekert  welig 
-t. 

ooral  ook  om  het  aanstootelijke  voor  de  rechtgeaar- 
en  de  heerendienstplichtigen  weg  te  nemen ,  behoorde 
werk ,  dat  thans  door  dwangarbeiders  of  kettinggan- 
;  wordt  verricht,  door  vrije  lieden  tegen  betaling  te 
den  uitgevoerd.  De  gestraften  enz.  late  men  elders 
ken ,  den  landbouw  beoefenen,  en  het  door  hen  afge- 
rde  product  zal  ruimschoots  voldoende  zijn  om  hun 
erhoudskosten  te  vergoeden.  Mits  de  zaak  maar  op 
Itreffende  wijze  en  met  tact  worde  aangegrepen, 
et  is  bekend  dat  eenige  jaren  geleden  een  onderne- 
op  een  eiland  buiten  Java  aan  de  Regeering  den 
rslag  deed  om  hem  tot  arbeid  in  zijn  plantages  een 


73 

1000-tal  gestraften  af  te  staan ,  tegen  betaling  van  25  cents 
per  dag  en  per  man.  De  Regecring  wilde  daar  niet  in 
treden,  en  dat  was  te  begrijpen.  Maar  iets  anders  is  het, 
wanneer  zij  zelve  over  de  werkkrachten  op  gepaste  en 
voor  haar  productieve  wijze  beschikt ;  over  krachten ,  die 
zij  nu  nutteloos  betaalt. 

Hiertoe  richte  men  een  strafkolonie  op;  de  landbouw 
wordt  den  gestrafte  als  dwangarbeid  opgelegd.  Onontgon- 
nen land  wordt  dan  vruchtbaar;  ongebruikte  arbeidskracht 
vindt  werk,  armoede  en  misdaad  worden  zooveel  moge- 
lijk voorkomen.  En  zoo  men  daarbij  den  dwangarbeider 
vergunde  zijn  huisgezin  naar  de  aangewezen  kolonie  mede 
te  nemen  of  den  ongetrouwde  vrijheid  gaf,  om  een  der 
gestrafte  vrouwen  te  huwen,  dan  zou  zich  over  twintig 
jaren  uit  de  strafinrichting  een  landbouwkolonie  ontwik- 
keld hebben,  welke  op  hare  beurt  weder  volksplanting  werd. 

Benkoelcn  heeft  zijn  bevolking  door  het  stelsel  sterk 
zien  aanwassen  en  de  Karimon-eilanden  zijn  er  door 
gekoloniseerd.  Thans  is  er  sprake  van  uitbreiding,  of 
juister  van  vestiging  van  bestuursmiddelen  op  ons  deel 
van  Nieuw-Guinea.  Een  ontwikkeling  van  dat  land ,  alleen 
en  uitsluitend  door  uitbreiding  van  bestuursmiddelen ,  moet 
een  onbegonnen  werk  zijn,  uitputtend  voor  de  Indische 
schatkist.  Maar  toch  kan  ook  de  Westkust  van  Nieuw- 
Guinea  in  werkelijkheid  in  ons  bezit  komen. 

Stel  dat  de  kustlanden  voor  de  suikercultuur  geschikt 
zijn  —  wat  zeer  waarschijnlijk  is  —  dan  vestige  men 
daar,  dan  wel  in  de  hooger  gelegen  streken,  geschikt 
voor  de  koffiecultuur ,  een  drietal  koloniën ;  de  ééne  een 
vijftig  paal  van  de  andere  verwijderd ,  te  zamen  onder  één 
civiel  bestuur  en  bestemd  tot  het  drijven  van  suiker-  of 
koffiecultuur.  Een  dergelijke  kolonie  zou  voor  fabrieks- 
arbeid en  landbouw,  hoog  gerekend,  1000  man  behoeven , 
doch  wat  maakt  dit  cijfer  uit  op  een  aantal  van  ongeveer 
20.000  hoofden,  die  dagelijks  uit  de  Staatsruif  gevoederd 
worden ! 


74 

Van  lieverlede  zouden  de  kolonisten  zich  met  de  nog 
woeste  inboorlingen  vermengen ,  doch  tegen  dien  tijd  was 
de  strafkolonie  reeds  landbouwkolonie  geworden ,  terwijl 
de  Staat  zijn  doel  bereikt  had  door  een  deel  van  een 
onherbergzaam  oord  tot  ontwikkeling  en  onder  geregeld 
beheer  te  brengen.  Onder  streng  toezicht  verrichten  de 
veroordeelden  hun  werk  op  het  veld  of  in  de  fabriek  en 
bearbeiden,  wanneer  de  werkzaamheden  in  de  koffie- 
tuinen  of  rietvelden  zijn  afgeloopen,  sawahgronden ,  waar- 
van de  opbrengst  ten  bate  der  gestraften  zou  kunnen 
strekken. 

Men  zal  hiertegen  aanvoeren  dat  het  oprichten  van 
fabrieken  en  gebouwen,  het  aankoopen  van  machinerieën 
en  landbouw  werktuigen ,  het  aanleggen  van  kampongs, 
bezoldiging  van  mandoors,  politie  en  civiel  bestuur  een 
dadelijke  en  zeer  kostbare  uitgave  zouden  zijn.  Doch  zou 
de  verkregen  producten-waarde  niet  ruimschoots  opwegen 
tegen  de  onkosten? 

Men  houde  bovendien  het  practische  en  politieke  doel 
voor  oogen  en  neme  de  reeds  tot  ontwikkeling  gekomen 
strafinrichtingen  van  Engeland  en  Frankrijk,  vooral  die 
in  Australië,  tot  voorbeeld.  Is  de  strafkolonie  eenmaal 
landbouwkolonie  en  volksplanting  geworden,  dansluiten 
zich  industrieelen  en  handelaars  van  zelf  daarbij  aan ,  en 
een  nieuw  gewest,  dat  zijn  eigen  uitgaven  bestrijdt  en 
voor  de  ommelanden  nieuwe  bronnen  voor  verkeer  en 
handel  heeft  geopend,  is  verkregen. 

Indien  men  kalm  over  deze  zaak  nadenkt,  dan  moet 
men  den  heerschenden  geest  betreuren  die  tot  dusverre 
belet  heeft ,  dat  krachten ,  die  tot  groot  materieel  en  politiek 
voordeel  van  den  Staat,  die  er  recht  op  heeft,  konden 
zijn  aangewend,  slecht,  inproductief  en  tot  zedelijk  nadeel 
zoowel  van  de  vrije  lieden  als  van  de  gestraften  zelven 
aangewend  zijn.  En  nu  het  meer  en  meer  de  aandacht 
van  het  buitenland  trekt  dat  uitgestrekte  streken  in  den 
Indischen   archipel   onbenut  blijven  door  onze  onmacht 


75 

om   ze   in  exploitatie   te   brengen,   is  het,   meenen  wij, 
tijd  in  dien  toestand  verandering  te  brengen. 

Dat  te  doen  is  zeker  geen  gemakkelijke  zaak.  Hij  ver- 
eischt  ongetwijfeld  energie  en  moreelen  moed,  maar  de 
landvoogd ,  die  haar  met  succes  volbrengt ,  zal  met  even- 
veel recht  als  Daendels  en  Van  den  Bosch  een  staatsman 
in  den  waren  zin  van  het  woord  zijn.  Ook  aan  hem  zal 
die  eeretitel  worden  toegekend,  die  de  bevolking,  van  de 
slechte  elementen  daaronder  verlossend,  terzelfder  tijd 
de  ontwikkeling  van  woeste,  ternauwernood  bekende 
streken  voorbereidt.  Moge  al  tegen  het  kiezen  van  Nieuw- 
Guinca  voor  zulk  een  strafkolonie  bezwaar  bestaan  — 
welke  bezwaren  daartegen  kunnen  rijzen ,  weten  wij  niet  — 
dan  kieze  men  een  ander  eiland,  dat  in  gelijke  mate  aan 
verwaarloozing  is  prijs  gegeven;  het  komt  op  de  zaak, 
niet  op  de  omstandigheden  aan.'1 

Wij  teckenen  hierbij  aan ,  dat  toen  eenige  jaren  geleden 
het  denkbeeld  van  eenc  strafkolonie  voor  gestraften  in 
het  moederland  door  een  der  Nederlandsche  dagbladen 
weder  werd  opgeworpen  en  het  blad  daartoe  een  gedeelte 
van  Suriname  wilde  bestemmen,  zich  terstond  stemmen 
tegen  het  denkbeeld  verhieven.  Zelfs  werd  het  dreigement 
vernomen  dat,  als  de  Nederlandsche  Regeering  er  aan 
mocht  denken  om  een  dergelijken  maatregel  met  geweld 
door  te  zetten ,  de  Surinamers  de  bescherming  van  Enge- 
land zouden  inroepen  tegen  hun  eigen  Gouvernement, 
waartoe  in  de  aanwezigheid  van  eenige  duizenden  Britsch- 
Indische  onderdanen  voldoende  aanleiding  zou  bestaan. 

Tegen  het  denkbeeld  zelf  echter  werd  geen  enkel  steek- 
houdend argument  vernomen.  Er  is  ongetwijfeld  zeer  veel 
vóór.  Men  kan  gerust  zeggen ,  dat  Australië  zijne  opkomst 
heeft  te  danken  aan  de  straf  kolonisatie.  Frankrijk ,  dat  eerst 
in  1854  met  deportatie  van  misdadigers  is  begonnen ,  heeft 
het  stelsel,  dat  Engeland  met  succes  in  Australië  toepaste , 
overgenomen,   doch  er   veel  minder  gunstige  resultaten 


76 

mede  verkregen.  Desondanks  zijn  de  voornaamste  des- 
kundigen in  Frankrijk  beslist  vóór  het  behoud  van  dezen 
strafvorm. 

Een  zeer  interessant  opstel  over  de  verschillende  straf- 
koloniën,  waarin^  het  voor  en  tegen  nauwgezet  wordt 
overwogen,  vindt  men  in  de  Prcusische  Jahrbttcher  van 
1895 ,  van  de  hand  van  den  Regierungsrath  dr.  F.  Freund. 


De   loop   der   berri-ber  rizi  ekt  e    en   der 

cholera   in    1-896. 

In  het  Koloniaal  Verslag  over  1896  vinden  wij  het  vol- 
gende omtrent  deze  ziekten  opgeteekend: 

Evenals  in  1895  woedde  de  berri-berri  hevig  tcAtjeh, 
en  over  het  algemeen  was  het  aantal  door  de  ziekte  aan- 
getasten grooter  dan  vorige  jaren ,  waarbij  evenwel  niet 
uit  het  oog  moet  worden  verloren,  dat  in  1896  het  leger 
respectievelijk  4  en  5000  man  sterker  was  dan  in  1895 
en  1894. 

Sterfgevallen  aan  berri-berri  kwamen  beduidend  minder 
voor  dan  in  de  twee  vorige  jaren,  maar  het  aantal  afkeu- 
ringen tengevolge  van  die  ziekte  vermeerderde  aanmer- 
kelijk. De  volgende  cijfers  geven  een  duidelijk  beeld  van 

den  loop  der  ziekte: 

1894     1895     1896 
£..  /Java  en  Madura  met  Billiton, 

JüJ  i      Bali  en  Lombok    ....  1197  890  1440 

||È  ?Atjeh  en  Onderhoorighedcn  .  1643  3329  3412 

1 |  \  f  Sumatra's  Westkust .     ...  205  150  202 

<||1  \  Overige  buitenbezittingen.     .  1384  752  511 


Te  zamen     .     .     .    4429    5121     5565 
Van  't  vorig  jaar  in  behandeling  gebleven    655      586      614 


Totaal     .     .     .     5084    5707    6179 


Aan  berri-berri  stierven 

en  wegens  berri-berri 
werden  afgekeurd 


77 


Europeanen 


Aziaten  .     . 

Europeanen 
Aziaten  .     . 


14 
238 

76 
768 


23 

231 

35 
528 


16 

147 

132 
877 


Het  leger  verloor  dus  feitelijk  door  berri-berri  in  1896 
16  +  147  +  132  +  877  =  1172  man!  Gelukkig  had 
in  de  eerste  maanden  van  1897  de  berri-berri,  zoo  in 
Atjeh  als  elders,  een  zeer  gunstig  verloop. 

Had  in  1894  en  1895  de  cholera  zich  zoogoed  als  niet 
in  het  leger  vertoond,  over  1896  kwamen  137  gevallen 
voor  (55  in  Atjeh),  waarvan  82  met  doodelijken  afloop 
(in  Atjeh  34).  Vooral  Europeanen  werden  aangetast  (in 
102  van  de  137  gevallen). 


Verbetering   van   het   schoolwezen 

in   China. 


Wel  gaat  het  langzaam  aan  en  contre  coeur,  maar  toch 
begint  de  gele  kolos  zich  meer  en  meer  uit  zijn  staat 
van  indolente  rust  te  verheffen.  Eenmaal  wakker  geschud 
door  den  geminachten  dwergvijand,  zal  op  buit  belust 
Europa  er  wel  voor  zorgen  dat  hij  niet  weder  inslaapt. 
Welk  krachtiger  bewijs  voor  een  ontwakend  China  zou 
er  kunnen  worden  geleverd ,  dan  de  pogingen  die  worden 
aangewend  tot  vervorming  van  het  schoolwezen  naar 
Westerschen  trant  en  in  Westerschen  geest! 

De  minister  en  directeur  van  de  Rijksbibliotheek ,  Soen- 
tfia-nai,  heeft  den  keizer  plannen  voorgelegd  tot  verbete- 
ring en  uitbreiding  van  het  onderwijs  in  China.  Soen- 
tfia-nai ,  die  een  groot  geleerde  is ,  heeft  aangetoond ,  hoe 
uiterst  gebrekkig  het  onderwijs  in  het  Hemelsche  Rijk 
is  ingericht,  en  hoe  alle  buitenlanders  de  Chineezen  in 
dit  opzicht  vooruit  zijn.  Hij  dringt  sterk  aan  op  verbe- 


78 

tering  om  niet  onder  te  gaan  in  den  strijd  tegen  het 
westen.  Daarom  moet  China  datgene ,  waarin  het  westen 
juist  zoo  uitmunt,  overnemen,  in  de  eerste  plaats  het 
schoolwezen,  waardoor  Europa  zulk  een  voorsprong 
heeft  op  China.  De  plannen  van  den  minister  moeten  al 
door  den  keizer  goedgekeurd  zijn ;  hoofdzakelijk  betreffen 
ze  de  stichting  van  een  universiteit,  ten deele naar Euro- 
peesch  model,  te  Peking;  de  zuiver  Chineesche  weten- 
schappen zullen  de  voornaamste  leerstof  blijven.  Aan  deze 
universiteit  zal  onderwijs  worden  gegeven  in  tien  facul- 
teiten: 1°.  wis-  en  sterrenkunde,  2°.  aardrijkskunde, 
3°.  wijsbegeerte  en  godsdienstwetenschap,  4°.  staatkunde, 
5°.  literatuur  en  vreemde  talen,  6°.  wetenschappen  op 
oorlog  en  marine  toegepast,  7°.  landbouw,  8°.  techno- 
logie, 9°.  handelswetenschappen,  10°.  geneeskunde.  Voor 
dit  alles  zouden,  meent  men,  vier  professoren  voorloopig 
voldoende  zijn:  twee  Chineezen  en  twee  vreemdelingen, 
en  op  grooten  toeloop  van  hoorders  wordt  vermoedelijk 
nog  niet  gerekend.  Met  het  toelaten  van  studenten  tot  de 
universiteit  moet  men  zeer  voorzichtig  zijn,  raadt  Soen- 
tfia-nai  aan.  Beneden  den  25-jarigen  leeftijd  mogen  geen 
studenten  worden  aangenomen,  maar  zij  zullen  een  be- 
zoldiging krijgen  van  4  tot  8  ljan  (15  tot  30  gulden) 
'smaands.  Merkwaardig  is  ook  de  wijze  waarop  het  geld 
voor  den  bouw  en  het  onderhoud  der  universiteit  bijeen- 
gebracht wordt:  aan  de  twee  opperbevelhebbers  van  de 
noordelijke  en  de  zuidelijke  havens  wordt  bevolen  maan- 
delijks 5000  ljan  naar  het  ministerie  van  Financiën  te 
zenden.  Binnen  een  jaar  wil  Soen-tfia-nai  de  Pekingsche 
universiteit  kant  en  klaar  hebben ,  maar  dan  zouden  bouw 
en  inrichting  maar  heel  weinig  kosten :  ongeveer  ƒ  400,000 ! 
Er  is  ook  nog  een  plan,  van  Den-hoea-hi,  den  gou- 
verneur van  de  provincie  Ngon-hoei,  tot  het  oprichten 
van  hoogere  burgerscholen  in  de  provinciën ,  en  ook  dit 
moet  in  beginsel  reeds  de  goedkeuring  van  den  keizer 
hebben  verworven.  In  alle  provinciale  hoofdsteden  zouden 


79 

dan  hoogere  burgerscholen  worden  opgerieht,  waar  twee 
leeraren  onderricht  geven  in  schoonschrijven ,  Chineesche 
geschiedenis  en  letterkunde ,  aardrijkskunde ,  en  nog  andere 
Chineesche  vakken,  terwijl  twee  andere  leeraren,  die 
aan  de  Pekingsche  universiteit  een  graad  moeten  gehaald 
hebben,  les  zullen  geven  in  vreemde  talen,  algemeene 
geschiedenis  en  natuurwetenschappen.  Deze  scholen  heb- 
ben een  vierjarigen  cursus.  Uit  hen,  die  het  eindexamen 
van  deze  scholen  afleggen,  worden  zij  gekozen  die  aan 
de  Pekingsche  universiteit  hun  studiën  mogen  voortzetten. 
Ook  de  leeftijd  waarop  men  tot  het  toelatings-  examen  voor 
de  hoogere  burgerscholen  wordt  toegelaten,  is  tamelijk 
hoog. 


Litteraire  Kroniek. 


Het  leemen  wagentje.  Indisch  tooneclspel  uit  Sanskrt 
en  Pr&krt  in  het  Nederlandsen  overgebracht  door  J.  Ph. 
Vogel. 

In  de  vorige  maand  is  aan  de  Amsterdamsche  univer- 
siteit tot  doctor  in  de  Nederlandsche  letteren  gepromo- 
veerd de  heer  J.  Ph.  Vogel,  op  een  proefschrift  dat  de 
bijzondere  aandacht  verdient  Deze  dissertatie  is  eene 
vertaling  van  de  Mrcchakatikd ,  waarschijnlijk  het  oudste 
van  de  voor  ons  bewaard  gebleven  Sanskrit  drama's ,  dat 
onder  den  titel :  Het  kernen  wagentje  door  den  heer  Vogel 
met  groote  zorg  en  nauwkeurigheid  (mogelijk  wat  al  te 
letterlijk!)  in  onze  taal  is  overgebracht.  Het  is  de  eerste 
Nederlandsche  vertaling  van  dit  werk,  dat  vooral  wordt 
geroemd  om  zijn  voortreffelijke  zedenschildering.  Eenige 
jaren  geleden  werd  het  in  Den  Haag ,  in  zeer  verminkten 
vorm,  door  Lugné  Poe  ten  tooneele  gebracht,  onderden 
titel:  Le  chariot  de  terrc  cuite. 

De  ouderdom  van  Het  leemen  wagentje  staat  niet  vast; 
men  neemt  aan,  dat  het  ongeveer  in  de  5de  eeuw  na 
Christus  werd  geschreven ,  en  wel ,  zooals  de  heer  Vogel 
in  zijn  „stellingen"  uitdrukkelijk  beweert,  door  één 
enkelen  dichter.  Wie  de  dichter  is,  kan  hij  evenwel  niet 
zeggen,  terwijl  hij  de  gronden,  waarop  anderen  het  werk 


o  L 


aan  Dandin,  die  in  de  6de  eeuw  na  Chr.  leefde,  willen 
toeschrijven,  niet  voldoende  acht. 

Het  werk  van  den  heer  Vogel  is  op  eene  voor  een 
academisch  proefschrift  ongemeen  kostbare  en  artistieke 
wijze  uitgegeven ,  op  Hollandsch  papier  gedrukt  en  „ver- 
licht" door  F.  Hart  Nibbrig. 

In  het  algemeen  bestaan  er  in  onze  taal  niet  veel  ver- 
talingen van  Indische  tooneel werken ,  immers  behalve  de 
nu  verschenen  nog  twee,  namelijk  Malavikagnimitza 
(Danseres  en  koning)  Van  dr.  J.  van  der  Vliet  en  £akuntala 
{Het  herkenningsteeketi)  van  dr.  H.  Kern. 


i 


•»      f 


f 


NIEUWE   UITGAVEN. 


NEDERLAND. 

Annales  du  jardin  botaniquc  de  Buitenzorg,  publiées  par  Ie  dr.  Mcl- 
chior  Treub.  Ier  supplément.  Leiden,  E.  J.  Bril  ....    ƒ  9. — . 

Hilgers  (Th.  J.  A.).  Gewond  voor  den  vijand.  Verhalen  voor  de 
Indische    en    Nederlandsche   jeugd.  vSoerabaija,    H.    van    Ingen. 

ƒ  140  ;  geb.  f  1.75. 

Ido  (Viotor).  Don  Juan.  Indische  roman.  Utrecht,  H.  Honig,  f  2.75 

Jardin  botanique  de  Buitenzorg.  Icones  Bogorienses.  Ier  fase. 
Leiden,  E.  J.  Bril Per  afl.  f  10.—. 

Kiliaan.  (H.  N.).  Madoereesche  spraakkunst.  Batavia,  Landsdruk- 
kerij, ('s  Gravenhage,  Martinus  Nyhoff).  2e  stuk.  Woordleer  en 
syntaxis /  2.25. 

Protestant  (De).  Orgaan  van  de  protestantsche  gemeente  te  Ban- 
doeng.  Red.:  dr.  W.  van  Lingen,  R.  Brons  Middel  en  S.  P.  Ham. 
Ie  jaargang.  1897/98  No.  1.  Bandoeng,  De  Vries  &  Fabricius. 
Per  jrg.  (24  nrs.) f  3.—. 

Tiemersma  (L.).  Pëngadjaran  agama.  Dikarangkên.  Batavia.  G. 
Kolff  &  Co /  0.50. 

Verslag  over  den  aanleg  en  de  exploitatie  van  de  Staatsspoorwegen 
in  NecL-Indië,  over  het  jaar  1896.  's  Gravenhage,  Gebr.  J.  &  H. 
van  Langenhuysen   .    . ƒ  6  50. 

Verslag  (Eerste  jaarlijksch)  van  het  Geschied-,  taal-,  land-  en 
volkenkundig  genootschap  gevestigd  te  Willemstad,  Curacao. 
Amsterdam,  J.  H.  de  Bussy f  2  50. 

Wet  en  adat.  Bladen,  gewijd  in  het  algemeen  aan  het  recht  en 
aanverwante   onderwerpen,   in  het   bizonder  aan  Indische  rechts- 


83 

belangen.   Uitgegeven  onder   leiding   van  Mr.  I,  A.  Nederburgh. 
2e  jaargang.   1898.   Ie  stuk.  Batavia,   G.   Kolff  &  Co.  Per  jjrg., 

fr.  p.  p.  f  14.—. 


ENGELAND. 


Assemblies  of  Hartri  (The).  Students  edition  of  the  Arabic  text. 
With  English  notes,  &c.,  by  dr.  F.  Steingass 21  / 

Barnes  (Irene  H.).  Behind  the  Pardah :  the  story  of  C.  E.  Z.  M.  S. 
work  in  India.  With  preface  by  rev.  T.  A.  Gurney  ....    3/6 

Commercial  Treaties  (Hertslet's).  A  complete  collection  of  the 
treaties  and  conventions,  and  reciprocal  regulations  at  present 
subsisting  between  Great  Britain  and  foreign  powers,  &c,  &c. 
Vols.  1  to  19 : 15/ 

DawBon  (Samuel  Edward).  North  America.  Vol.  1,  Canada  and 
Newfoundland 15/ 

Hayne  (M.  H.  E.).  The  pioneers  of  the  Klondykc.  Being  an 
account  of  two  years'  police  service  on  the  Yukon,  recorded  by 
H.  West  Taylor.  Illust.  by  photographs  taken  on  the  spot  by 
the  narrator 3/6 

Handbook  of  the  Japanese  langnage.  For  the  use  of  tourists 
and  residents.  Printed  in  Roman  diameters 4/ 

Hare  (Gh  T.).  Textbook  of  documantary  Chinese.  3  vols.    £  2  8/ 

Jefferson  (Bobert  L.).  Roughing  it  in  Siberia.  With  some  account 
of  the  Trans-Siberian  railway  and  the  gold-mining  industry  of 
Asiatic  Russia 6/ 

Eeyser  (A.).  From  Jungle  to  Java.  The  trivial  impressions  of  a 
short  excursion  to  Netherlands  India 2/ 

Little  (Mrs.  A).  My  diary  in  a  Chinese  farm 4/ 

Mac-Gtowan  (J.).  A  history  of  China  from  the  earliest  days  down 
to  the  present 16/ 

Morris  (Edward  E.).  Austral  English :  a  dictionary  of  Australasian 
words,  phrases  and  usages.  With  those  aboriginal  Australian  and 
Maori  words  which  have  become  incorporated  in  the  language, 
and  the  commoner  scientific  words  that  have  had  their  origin 
in  Australia 16/ 

Smith  (Gteorge).  Twelve  Indian  statesmen 10/6 

— 7 (G.  Barnett).  The  United  States.  Vol.  2.  From  the  seven- 

teenth  century  to  the  present  day.  (Romance  of  colonization)    2/6 


84 

Taylor  (Annie  B.).  Pioneering  in  Tibet.  The  origin  and  progress 
of  the  Tibetan  pioneer  mission.  Together  with  my  experiences 
in  Tibet,  and  some  facts  about  the  country 1/6 


DTJITSCHLAHD. 

Behandlung  (Die)  der  Eingeborenen  in  den  deutschen  Kolonieen. 
Ein  Sammelwerk.  Hrsg.  v.  Frz.  Giesebrecht M.    4.— 

Bayefn  (Th.  Prinzessin  ▼•).  Meine  Reise  in  den  brasilianischen 
Tropen.    .    • M.  12  — 

Graeser  (O.).  Aus  Indien  u.  Italien.  Skizzen  u.  Studiën.    M.    3  — 

Haün  (Jul.).  Handbuch  der  Klimatologie.  2.  Aufl.  3  Bde.  Mit  22 
Abbildgn M.  36.— 

Klrahmer  (Gen.-Maj.  z.  D.  Gk).  Sil?irien  u.  die  grosse  sibirisqhe 
Eisenbahn M.    3.— 

Iianghaim  (Paal).  Schutzgebiete  Kamerun  u,  Togo  in  4  BlattQrn 
m.  16  Nebenkarten.  Mit  Begleitworten  üb.  die  wirtschaftL  Grund- 
züge    der  Schutzgebiete  u.  Kartenquellen.  M.  4.— ;   auf  Leinw. 

in  Mappe  M.    5.60 

.  Das  Schutzgebiet  der  Neu-Guinea-Kompanie  in  6  Blattern 

m.  69  Nebenkarten.  Mit  Begleitworten  u.  s.w.  M.  6.—;  auf  Leinw. 

in  Mappe  M.    8.40 

Ostafrikanisches  Schutzgebiet  in  4  Blattern  m.  23  Neben- 
karten. Mit  Begleitworten  u.  s.  w.  M.  4.— ;  auf  Leinw.  in  Mappe 

M.    5.60 

Südwestafrikanisches  Schutzgebiet  (nebst  Verbreitung  des 

Deutschtums  in  Süd-Atrika)  in  4  Blattern  m.  19  Nebenkarten.  Mit 
Begleitworten  il  s.  w.  M.  4.—  ;  auf  Leinw.  in  Mappe  M.    5.60 

Buge  (8.).  Die  Entdeckung  des  Seeweges  nach  Ostindien  duren 
Vasco  da  Gama  1497/8 M.    1.50 

SeicUita  (W.  aT.).  Geschichte  des  japanischen  Farbenholzschnitts. 
Mit  95  Abbildgn.    ........    M.  18.—  ;   geb.  M.  20.— 


Blérald.  (B.  D.).  La  culture  du  tabac.  111 l  fr.  50. 

Cassou.  Souvenirs  d'Extrême-Orient 2  f r. 


85 

Deville  (V.).  Partage  de  1'Afrique.  Avec  6  cartes    .    .    .    .    5  fr. 

Dignet  (B.).  Etude  de  la  langue  Taï 15  fr. 

Oanter  (D.).  Recueil  de  Ia  législation,  en  vigueur  en  Annam  et 
au  Tonkin 30  fr. 

Hooqnard.  1'Expédition  de  Madagascar 10  fr. 

Launay  (L.  de).  Les  diamants  du  Cap.  Historique,  organisation 
financière  et  commerciale,  geologie,  mode  d'exploitation  et  de 
traitement,  comparaison  avec  les  gisements  du  Brósil,  de  1'Inde, 
de  Bornéo  et  d' Australië.  Avec  49  ng.  dans  lc  texte  ...  10  fr. 

Boohebrune  (Dr.  A.  T.  de).  Toxicologie  africaine.  Etude  botanique, 
historique.  ethnographique  sur  les  végétaux  toxiques  et  suspects 
propres  au  continent  africain.  Précédés  d'une  préface  de  M.  lc 
professeur  Brouardel,  t.  Ier  avec  345  figures  dans  Ie  texte.  25  fr. 

Sorbier  de  la  Tourasee.  La  colonisation  du  Senegal  et  du 
Soudan 1  fr. 


VERBETERING. 


Professor  Kern  deelt  mij  mede,  dat  het  woord  sata, 
hetgeen  ik  in  mijne  bespreking  van  het  werk  van  den 
heer  Groeneveldt,  in  den  jaargang  1897  van  dit  tijdschrift, 
voor  eene  afkorting  van  het  Maleische  satali  heb  gehou- 
den, uit  het  Oud-Javaansch  stamt  en  thans  nog  op  Bali 
gebruikelijk  is.  Het  woord  is satak:  „een  tweehonderdtal " 
en  bestaat  uit  sa,  éen,  en  atak,  uitgesproken  ata\  Op 
Bali  bedoelt  men  met  satak  eene  rist  van  200  kepengs 
(Maleisch  klping  en  gepeng,  duiten) ,  vertegenwoordigende 
thans  eene  waarde  van  ongeveer  62  Hollandsche  centen. 

G.  SCHLEGEL. 


GELEGENHEID-ALBUMS. 

Het  eenigste  en 
beste  adres  voor 
artistieke  albums 
en  prachtbanden 
jn  alle  stijlen  als- 
ook met  familie- 
wapens er  op  ge- 
werkt, is 

m.  IRRKRLBAGII,  UTRECHT  (HOLLAM). 

n&ecernacier.  Bekroond  met  Gouden  en  Zilcereu  Medaille*. 


C.  Ii.  STEVENS.    —    DEN  HAAG 

Elke  dag  brengt  drukte  mee, 

'k   Ben  daarover  zeer  te  vree; 

Werken  is  roün  element: 

Dut  ik  't  goed  doe,  U  bekend. 

S  l'EVENS  wordt  genoemd  met  eere , 

Hij  bedriegt  zijn  klanten  niet; 

Wat  men  Trage  of  begeere, 

't  Is  al  billijk  en  solied. 

Vijftien  Htuiwer»  kost  eon  VEER, 

Kant  en  klaar  is  uw  horloge; 

't  Kost,  (ik  zog  het  onder  't  roosje,) 

U  bij  aad'ren  h*el  wat  meer.  — 

Marmeren  PENDUULH  en  COUPEH, 

Met  Driejarige  garantie , 

Lever  ik  voor  'M.—>tl+m  ■««•, 

Des  verkiezend  op  kwitantie. 

BEMONTOIRS  vau  ZILVER  Zr., 

GOUDEN  DAMES  Kif  en  HEBREN 

4rkitiM  CinirffM,  heel  die  les 

Moogt  gQ  wel  van  buiten  leeren. 

Zorg  dat  dit  het  eerst  geschiedt; 

Zorg  dat  ieder  mensen  het  we  te : 

Dat;   Wat  verder  men  vergete, 

Breedstraat  Honderd,  zeker  niet. 


i     i 


lilt  lilll£  „ 


» 


Wetenschappelijk  nagewezen  volkomen  desinfeetie. 
Geringste  mechanische  slijtage.  Geen  kunstbleekerU*  geen 
Stamp-,  Wring-  en  Borstelmachincs. 

Specialiteit  in  Snelwasschen. 

TELEPHOOIV  674. 

Telegram-Adres :   Wasch inrichting    „RIJSWIJK". 


Nam  Leesbibtiotlicek, 

Prias  Hendrikstraat  119. 

De  nieuwste  romans 

in  alle  talen. 
Lezing  per  deel  en  per  abonnement. 
KANTOOR-,    SCHRIJF-    en    SCHOOL- 
BEHOEFTEN. 
BIND-  EN  DRUKWERK. 
Plaatsing   van   Advertentiën  en  Abonne- 
menten op  alle  Dagbladen. 
FINALE  UITVERKOOP  WEGENS 
VERBOUWING. 


MAX  M.  SCHILTE 


NAAR 


Oost-  &  West  Indië 


Bij  F.  J.  VAN  PAASSCHEN,  te  's  Gra- 
renhage  is  verschenen: 

Msé  Handleiding  der  Eng.  Taal, 

Voor  Postambtenaren, 

DOOR 

j.  F.  E.  W.  ZEIJ , 

Adjunct- Commies  bij  het  Hoofd- 
baluur   der   Posterijen   en    Teiegrafie* 
Gediplomeerd  in  Engelsch  (Midd. 
onderwijs), 

Fr%s  f  0.75  fr.  p.  p.  1  0.80. 


Makanan  Djawa. 

Verzending  van  alle  Ind.  gerechten. 

Bezorging  van  kleine  en  groote 

Ind.  diners.  —  Diners  k  f  1  36  best* 

uit  5  Ind.  gerechten ,  vold.  v.  a  pers. 

GROOTHANDEL 

in  SAMBALS  en  BOEMBOES. 

ECHTE  JAVA-KERRIE 

a  ƒ  0.50,  ƒ1.—  en  ƒ  2.— per1/,  fleseh. 

Vraagr  Menu  en  Prijscourant. 

Adres :  P.  VAN  KEMPEN,  Loosduinsche 
kade  4,  b/h.  Westeinde,  Den  Haag. 


De  Nieuwe  Drogist  winkel, 
Mej.  E.  DE  LEEUW, 

££*iti4eóttaat  42.  —  2)evt  tfCaag. 

Somatose,  Quina  Laroche 

en  alle  Binnen-  en  Buitenlandsche  genees- 
middelen. 

SPECIALITEIT  IN  TANDPOEDER,  TANDWATER 
EN  TANDBORSTELS. 

Eau  de  Cologne  van  Boldoot  enz. 

VERZENDING  NAAR  INDIÈ. 


BIJ  de  Uitgevers-Maatschappij  „PUBLICITAS"  te  Amsterdam  verschenen: 


BXXL2Z0LA,  Voor  een  nacht  v.  liefde  f  1.50 

,  Thérèse  Raquin,  geïll.  -  2.25 

,  Madeleine  Férat,     „    -2.50 

,    , ,  Mevrouw  Neigeon   „    - 1.90 

^Naïs  Micoulin    .      „    -1.90 

Dr.  ?.  8.  KAÉP,  De  Sexueele  Voorbe- 
hoedmiddelen     -0.75 

Dr.  P.  XOULXN,  Magnetisme  en  Som- 

nambulisme -0.90 

PIERBE  SBOPOTSXNE,  De  Anarchie, 

Philosophie  en  Ideaal    ....    -0.60 
Br.  E.  OLEXBNT,  Gezondheidsleer  v. 
het  huwelijk f  0.90 


Dr.  E.  OLfiXSNÏ,  De  ziekten  van  den 

man fo.90 

Dr.   OA&L  HENNIG,  De  ziekten  van 

het  kind -  2.90 

A.  B.  WE8TE&H0ÏÏT,  Marie  Huising, 

real.  Novellen -1.90 

OHAJCPAGNE-KALENDEB 1898 1.  pers  -  0.50 
BOUDOXB-KALENDEB  1898  ter  perse  -  0.25 
MIOB  OOBDAY,  Kamer  No.  3    .    .    -0.25 

(Onschuld,  geïll.  Aan  het  Dessert,  Op 

advies  van  Mama,  geïll.  Brand!  geïll. 

Bonbons,  geïll.,)  Dit  deeltje  is  het  ie 

van  de  Boudoir-Bibliotheek. 


Voor  franco  zending  naar  Indië  worden  deze  pryzen  met  10  pet.  verhoogd. 


G.  STREITWOLF 

Instrumentmaker, 

Firma  Wed.  Bern  Klaassen, 

Passage  26,     Zoutmaastraat  83, 

'S  GRAVENHAGE. 

Brillen  en  Pince-Nez, 


Artikelen  tooi  Ziekenverplegiig 


pEVESTIGDt 

Piet  Heinstraat  No.  21, 


'j 


Colfccfeur  der  Staatsloterij 


Heele  en  gedeelten  van 
loten  in  de  355e  loterij  ver- 
krijgbaar. 


M".  HAMBURG. 

Uitzet-,  Kapitaal-  en  Rente- Verzekering-Maatschy. 

DIRECTIE  DER  AFDEELING  NEDERLAND  EN  BELGIË : 

Amsterdam,  Rokio  117.  Brussel,  10  Boulevard  Anspaeh. 

DIVIDEND  aan  de  verzekerden-  uitgekeerd  over  i$g6 

131/i  °/0  der  Jaarpremie. 

Nadere   inlichtingen  zijn  o.   a.   te   bekomen   bij   den  heer   G.  VAN 
BLIJSWIJK  SOMBEEK,  Inspecteur  der  Maatschappij,  Tasmanstraat  47, 

's  Gravenhage. 


a? 


-  a 


HUMEL  VAN  RIN 


1 


F 


TEIN, 


u 
a 

O 

m 


o 

co 


JJjJjIj. 

jioOGSTHAAT    29    EN    jSTATIONSWEG 


71- 


Interc.  Telephoon 

Steeds  voorradig  eene  groote  collectie 


van    A.    J.    REIJNVAAN,    Arasterdam. 

SPECIALE  BUKVERP:  MET  FRANSCHE  SLUITING. 

Export  door  de  geheel©  Wereld. 


F.  W.  RINCK  &  ZOON. 


Portretlijsten.  Portefeuilles,  Fortemonnaies,8igarenkoker8,Buvard8  en  andere 
artikelen,  welke  alle  onder  garantie  voor  deugdelijke  bewerking  en  soliditeit 

wonlen  geleverd. 
Artikelen,  in  onze  magazijnen  gekocht,  worden  kosteloos  gerepareerd. 

Ruimste  keuze;  uiterst  billijke  prijzen. 

ALBUMS  voor  Indië,  expresse  bewerking. 
%,  Schottmbnrgsfraat  %,  $en  ékoag. 

H,  H.  KL A ASSEN,  Prinsestraat  23  en  25, 

'S  GRAVEN H AGE. 


Meest  uitgebreid  Magazijn  ran  Po>t-  «a  Laxepapiar , 

Schrijf  aak-avftaa,   CwvartM,  lakten,  ••«, 

Verkoopt  met  snecee : 
Pakken  «eruit  P»*taaaiert  £10   yel,  ook   geschikt 
toot  de  mail,  voor  den  spotprijs  Tan  39  re»*, 

rdoffw.  Toor  post  in  tweeën,  blauw  gevoerd, 
it   per   !•©.  Kleinere  formaten  van  af  tt*k  «ent 
par  WO. 

Die*at-Coavert«a    lft%  coat  per  IOO. 

KnoapMBra,  lste  kwaliteit,  per  gros  (144  stuks), 
*•  «•■«• 

Doocen  E.«*«  Papfor,  50  yel  en  50  Couverten,  blauw 
geroerd,  3©  raat. 

Prima  PoclaaaVa,  letter  H.  B«,  voor  «•ents  caat 
per  dozijn. 

Verder  alle  Mearfjfavaavftaa,  spotgoedkoop.  Bollen 
imi  Papier  ■•  ecat  per  rol,  eebt  Engelsen. 


n». 


.    Grootste  Magazijn  ran 
-É<3     FKffiST-ARTIKELBN      £>- 
voor    Bruiloften,    Verjaringen,  Kinderpartijen,    en» 

Voardracatea,   Varajë»,  Aardlghaaaa,  em. 
FABRIEK  VAN 

JBloemen-^rtikelen, 

Yaar  aelf  Bloaaaea  ta   atakaa. 

Diverse  soorten  Bladeren,  5  et.  per 
dozijn,  alle  van  linnen. 

Export  naar  Oost-  en  West-Indiën 


Vraag  Monsters  en  Geïllustreerde  Prijscouranten. 


ï 


Het  grootste  en  goedkoopste  magazijn  in 
bovenstaande  artikelen  is 

f  assage  33-35-37 

Emballeert,  verhaart  en  verzendt 
door  de  geheele  wereld. 

O.  SïïZJSaB, 

DEN  HAAG. 


Tandheelkundige  Inrichting 


VAN 


H    HAMBURG, 

TANDARTS, 

van  Kmsbergenstraat  80. 

DAGELIJKS  TE  CONSULTEEREN. 

Heele  Gebitten  f  35.  Tanden  per  stuk  f  2. 
Goud  plombeeren  f  5.  Cement  of  Zilver 
plombeeren  f  2.  Tandheelkundige  operatiën 
zonder  pyn  f  l. 

Zondags  van  9  tot  3  uur. 


DELFTSCHE  BOOMBOTER-INRICHTING 


3'  8  £ 

s  ï  i 

•1*  S  co 

Il  "3 

■  s  s  z 

!=■  Is 

j  F 

Verzending  Tan  Roomboter  ralra  1T000  KG.  per  week. 

JDE  A.VONDPOST, 

Neutraal  Nieuwsblad. 

Van  alle  in  de  Residentie  verschijnende  dagbladen  het  meest 
verspreid ,  ook  buiten  's  Gravenhage ;  bevat  o.  m.  uitvoerige  ver- 
slagen der  Staten -Generaal,  artikelen  over  actneelo  onder- 
werpen en  sociale  vraagstukken,  militaire  beschouwingen, 
Indische  schetsen,  brieven  uit  de  Oost  en  causerieën,  met 
worg  gekozen  feuilletons,  offlcleele  berichten  en  benoemin- 
gen van  denzelfden  dag,  mailberichten,  opgaven  omtrent 
verleren  van  Indische  officieren  en  ambtenaren,  enz. 

Het  Zondagsblad  mn  De  Avondpost 

is  hoofdzakelijk  aan  belletrie  gewijd. 
Abonnementsprijs  voor   Den   Haag,    Scheveningen   en 
Loosduinen  f  138,  Delft  ƒ  1.40,  voor  alle  andere  plaatsen  in 
Nederland  fr.  p.  p.  ƒ  1.66. 

Voor  O.  &  W.  Indië  per  jaar  bij  vooruitbetaling  f  IS. 
éBureaux:  2*  *ÏÜa ff ett straat  70,  's&ravenAatfe. 


!  MAILBANKENenSTOELBS  s 

Z  Bamboes,  Theehout  / 
|  ROTTING  MEUBELEN  ya^/ 
j  voor  Serres  /«/«! 
!  WARANDA'S  x<^/„ 
!  Tuinen.  X"*»X  Volières^ 
/C&<  VeGKlkOOIKX  S 
y .  "*/ Zietastotlei  ei  Banken  f 

^         \S       in  ruime  keuw  voorhanden  | 

V/    24,  «ronmuirkt  24.      | 

'Sfn-ialüi'd  itin  fijn  Miniknweil,- 1 


JAC.  M0ÜL1JN, 

uJüffenstraat   95. 

Eenig   vertegenwoordiger   voor    den 
Haag  en  Omstreken  der 

PHOENIX-Rijwielen. 

Prima  Holiandsch  fabrikaat.  ■ 
-3  BILLIJKE  PRIJZEN.   ;- 
Repareeren,  Emailleeren, 
Vernikkelen  en  Ruilen. 


LOUIS  KUIPERS. 

v/h  b/d  firma  LEIJDENROTH  &  Zn., 

PASSAGE  60-52 
•Sa  DEN  HAAG.  SS- 

Fabriek  t»n 

MILITAIRE  IIOOFDTOOISELS 

en  Équipementen. 

^VftTER'S  sto^ 

»v  .  Ja[elsung2,3ei.4      *» 
"G"1VENH^' 

't  Beste  adres  voor 

Sport-  en  Reis-ftrtikelen. 

è,_ 

H.  J.  T.  MATVELD, 

P 

z 

Ld 

z> 
I 
er 

> 

i;  o  n  «  E  \    en   ROZA 

IANO'S    en    ORGELS 

i. 

3 

WAGENSTRAAT  127  -  DEN  HAAG. 

Teckenbehoeften. 

SCHILÖER-ARTIKEIEN. 

Grootste  keuze. 

Billjjkste  prijzen. 
PRIJSCOURANTEN    en    MONSTER- 
BOEKJES op  aanvraag  franco. 

-                            ai 

S                                        H.  ( 

2                                TJ 

e                         > 

*               a'l 

> 

HlllkHOIII-,rSTH..l.      i-Hbi 

« .......    in;    im:«    miiijhi:    iiivdii  u\ 

Restaurant    Burgemeister, 

BUITENHOF  39, 

vis-4-vis  de  hoofdwacht 


Diners  quotidien. 

JSaLONS    A    RESERVER. 


TO'JSfl 


Xuiisfvoorwerpen. 


JA\  *3  1919 


O 


TIJDSCHRIF 


VOOR 


;  NEDEKLANDSCH-INDIË 


-    VAN 


wyien  dr.  W.  R.  baron  van  HOËVELL. 


(Opgericht  in  1838.) 


TWEEDE  NIEUWE  SERIE. 

2e  JAARGANG. 


FEBRUARI    1898. 


**;< 


'S  GRAVENHAGE.  —  F.  J.  VAN  PAASSCHEN. 

Mede  verkrijgbaar  te 

BATAVIA  bij   G.  KOLFF   &  Co. 

en  bij  alle  Boekhandelaren  in  Ned.-Indië. 


•    *<>     ■  .  ' 


/, .      -  x*"?+ 


INHOUD. 


Black. 

I.  Het   Maleisch   en  zijne  beoefening.  Door  Dr. 

A.  A.  Fokker 87 

II.  Concessiën  in  Suriname.  Door  H.PYTTERSENTz.  110 

III.  Koloniale  aangelegenheden  in  de  Eerste  Kamer  131 

IV.  Een  protest.  Door  L.  W.  £.  KESSLER  ...  135 
V.  Hoe  Franschen  en  Duitschers  koloniseeren    .  142 

VI.  Varia.  -     • 

(De  gevangenneming  van  Dipa  Negara.  —  Berri- 
berri  in  Deli.  —  Nuttige  Indische  planten.  — 
Nederland  en  Perzie.  —  De  Nederlandsche  kolo- 
niale afdeeling  op  de  Wereldtentoonstelling  van 
1900.  —  Invoering  van  de  opium-regie  op  Java 
en  Madura  alsmede  op  Lombok.  —  De  zaak  der 
veroordeelde  Atjehsche  officieren.  —  Een  nieuwe 
expeditie  naar  de  Torres-straat 146 

VII.  Necrologie  (f  H.  J.  Bool) 174 

VIII.  Nieuwe  uitgaven 176 

Bijdragen  en  brieven,  de  Redactie  betreffende,  ge- 
lieve men  te  zenden  aan  den  Heer  H.  A.  LESTURGEON , 
villa  „Catharina  Francisca",  N.  Badhuisweg,  Scheveningen. 

Dit  Tijdschrift  verschijnt  tusschen  den  len  en  den  15en 
van  elke  maand. 

De  abonnementsprijs  bedraagt  voor  Nederland  ƒ  13. — 
per  jaar.  Voor  het  buitenland  wordt  dit  bedrag  met  de 
porto's  verhoogd.  Tusschentijds  aangegane  abonnementen 
worden  ad  ƒ  3.25  per  kwartaal  berekend. 

Afzonderlijke  nummers,  voor  zoover  deze  voorhan- 
den zijn,  ƒ  1.50  per  aflevering. 

Prijs  der  advertentiën  van  V8 !  V4  5  !A  en  ll\  bladzijde 
per  plaatsing  ƒ  1.50;  ƒ  2.50;  ƒ  4.50;  ƒ  8.—. 

Bij  12  achtereenvolgende  plaatsingen  van  V8;  Vi?  Vi 
en  1/1  bladzijde  ƒ  12.—  ;  ƒ  20.— ;  ƒ  35.—  en  ƒ  60.—. 


f 


Het  Maleisch  en  zflne  beoefening. 

Openbare  les,  gehouden  in  het  Universiteits -gebouw  te  Amsterdam 

op  31  Januari  1898,  door  Dr.  A.  A.  FOKKER, 

Privaat-docent  voor  de  Maleische  Taal-  en  Letterkunde,  aan  de 

Gemeente-Universiteit  te  Amsterdam. 


Geachte  toehoorders. 

Het  onderwerp ,  waarover  ik  u  thans  spreken  ga ,  behoort 
zeker  niet  tot  die,  welke  het  meest  de  aandacht  van 
geleerden  en  beschaafden  onder  de  menschen  boeit. 

De  Maleische  taal  en  hare  beoefening 
luidt  de  naam  van  dat  onderwerp,  en  mij  dunkt,  't  is 
alsof  ik  op  •  't  punt  sta ,  u  in  kennis  te  brengen  met  een 
menschelijk  wezen,  dat  ik  liefheb,  maar  dat  door  toe- 
vallige, omstandigheden  verwaarloosd  is,  en  er  niet 
presentabel  uitziet;  want  verreweg  de  meesten  van  u, 
geachte  toehoorders,  bewegen  zich  in  levenskringen, 
waar  „het  Maleisch  en  zijne  beoefening "  vreemdelingen 
zijn.  Ik  zou  't  zelfde  aarzelachtige  gevoel  hebben ,  wanneer 
ik  een  broeder  had  voor  te  stellen ,  dien  ik  door  jaren- 
en-jarenlangen  vertrouwelijken  omgang  had  leeren  kennen 
als  goed  en  beminnenswaardig ,  afgezien  nog  van  den 
band  van  broederschap ;  maar  van  wien  ik  evenzeer  wist , 
hoe  weinig  gezien  en  geacht  hij  was ,  van  wien  ik  vreesde , 
dat  laster  en  een  minder  aantrekkelijk  uiterlijk  de  harten 
tegen  hem  zouden  innemen.  Maar  mijn  gevoel  van  aar- 
zeling zou  dan  kort  zijn.  Mijne  groote  liefde  zou  mij  de 
kracht  geven ,  om  eiken  wantrouwenden  blik  te  trotseeren, 
en  ik  zou  weldra  onbevangen  zeggen :  „  Dit  is  mijn  broeder, 

7 


88 

hij  is  goed  en  beminnenswaardig.  Ik  heb  hem  lief,  tracht 
g  ij  hem  te  leeren  kennen  en  te  waardeeren/'  En  ik  zou 
veel  goeds  gaan  vertellen  van  „mijn  broeder  en  den 
omgang  met  hem  "  . . . 

Maar  gij,  geachte  toehoorders,  toont  mij  reeds  door 
uwe  opkomst  en  de  welwillende  aandacht,  waarmede  gij 
naar  mijne  woorden  luistert ,  dat  van  eigenlijk  wantrouwen 
bij  u  geen  sprake  kan  wezen,  't  Is  dan  ook  slechts  eene 
vluchtige  inbeelding  geweest,  eene  onwillekeurige  aan- 
doening, die  bij  mij  opkwam  als  nawerking  van  heel 
wat  opgedane  ondervinding. 

Want  de  studie  van  het  Maleisch  is  niet  in  aanzien, 
geachte  toehoorders.  En  zelfs  in  de  rij  der  Maleisch- 
Polynesische  zustertalen  is  het  Maleisch  eene  stiefzuster. 
't  Is  nauw  een  vijf  en  twintig  jaar  geleden,  dat  er  te 
Leiden  een  doctoraat  in  de  taal-  en  letterkunde  van  den 
Oost-Indischen  Archipel  werd  ingesteld;  en  hoe  weinig 
dit  bekend  is ,  bewijst  wel  het  feit ,  dat  velen ,  zeer  velen 
onder  de  beschaafdsten  hier  te  lande  niet  eens  weten, 
dat  er  zulk  een  doctorsgraad  aan  een  onzer  universiteiten 
te  verwerven  is. 

O,  hoe  anders  is  het  met  de  andere  taalfamiliën !  Hoe 
trotsch  rijst  het  gebouw  der  Indo-Germaansche  taalkunde 
voor  onze  oogen  op,  hoe  waardig  staat  daarnaast  de 
tempel  der  Semietische  taalwetenschap.  Werkelijk,  de 
Moslim  zou  niet  ver  van  de  waarheid  zijn,  zoo  hij  de 
eerste  met  een  schoone  j  Sl  m  i',  de  tweede  met  een  mooien 
masjid,  de  Maleisch-Polynesische  taalkunde  met  een 
bidkapelletje  aan  den  grooten  weg,  met  een  houten 
süraw   of  lang  ar   vergeleek. 

Doch  spreken  wij  over  *t  Maleisch  in  't  bizonder.  Wat 
zou  wel  de  reden  zijn ,  waarom  wetenschappelijk  gevormde 
taalkundigen  zich  zoo  bitter  weinig  tot  de  studie  dier 
lieve  taal  aangetrokken  voelen?  Wel,  naar  't  mij  voor- 
komt juist  omdat  er  tot  nu  toe  slechts  zeer  enkelen 
onder  die  taalkundigen  het  Maleisch  tot  hunne  hoofdstudie 


89 


gemaakt  hebben.  Een  mensch  is  een  mensch,  en  niet 
alleen  aan  een  gouvernementsbureau  vraagt  men  naar 
antecedenten.  Men  wil  voorgangers  hebben,  men  voelt 
behoefte  aan  aanmoediging  en  steun,  en  die  vindt  men 
zoo  weinig  als  men  het  waagt  het  Maleisch  als  hoofdvak 
te  gaan  beoefenen.  Stelt  u  voor  eene  taal,  waarover  nog 
geen  enkele  zuiver  wetenschappelijke  spraakkunst  bestaat , 
waarvoor  nog  geen  enkel  betrouwbaar  woordenboek 
voorkomt!  Een  taal,  waarvan  zelfs  beweerd  wordt,  dat 
men  hare  uitspraak  onmogelijk  vast  kan  stellen,  omdat 
ze  „  lingua  franca"  geworden  is  —  alsof  ze  in  dat  opzicht 
niet  gelijk  stond  met  elke  andere  taal,  die  dat  lot  ge- 
troffen heeft!  Stelt  u  voor  eene  taal,  waarvan  beweerd 
wordt  door  menschen,  die  er  boeken  over  geschreven 
hebben ,  dat  ze  gesproken  wordt  „  door  de  bevolking  van 
Midden-Sumatra  van  de  oost-  tot  de  westkust",  terwijl 
anderen,  die  zich  evenveel  autoriteit  aanmatigen,  vol- 
houden, dat  de  „spreektaal"  in  't  Maleisch  op  Java 
voldoende  beoefend  kan  worden  door  na  te  spreken  wat 
de  Javaansche ,  Soendaneesche  en  Madoereesche  inlanders 
voor  den  dag  brengen,  wanneer  ze  Maleisch  met  Euro* 
peanen  spreken ,  en  te  letten  op  het  Maleisch  der  Chineesche 
marskramers.  Hoe  weinig  verkwikkelijk  is  het  voor  velen , 
om  in  een  drom  van  tegenstanders  en  andersdenkenden  zijne 
eigen  denkbeelden  op  den  voorgrond  te  plaatsen!  Is  't 
dan  wonder,  dat  zoovele  edelen  onder  de  aristocraten 
der  taalwetenschap ,  weigeren  in  te  gaan  tot  de  bidkapel , 
waar  zulk  een  onvroom  gehaspel,  zoo'n  onstichtelijk 
geharrewar  heerscht  onder  hen,  die  zich  als  priesters 
opwerpen,  en  de  enkele  goedgezinden  schier  verbijsterd 
zijn  door  't  rumoer? 

Voor  het  Maleisch  missen  wij  een  schutspatroon,  een 
beschermheilige,  en  zulk  eenen  hebben  het  Javaansch, 
het  Bataksch,  het  Boegineesch,  het  Makassaarsch.  Maar 
wat  nood!  Een  alombevruchtend  genie,  zetelend  in  een 
man,  op  wien  Nederland  fier  mag  wezen,  heeft  als  eene 


90 


2on  zijn  licht  doen  vallen  over  het  gansche  ontzaggelijke 
gebied  der  Maleisch-Polynesische  taalfamilie,  het  omvattend 
met  een  reuzenblik,  en  ook  de  beoefening  van  het  ver- 
schopte  Maleisch  heeft  er  den  weldadigen  invloed  van 
ondervonden.  Naast  hem  staat  een  ander,  die  ginds  op 
Celebes,  verweg  te  midden  van  barbaarsche  volken,  de 
beste  jaren  zijns  levens  veil  had ,  om  vrijwel  onbekende 
talen  onder  de  aandacht  van  Europa  te  brengen ,  en  naast 
dezen  rijst  de  gestalte  van  een  man,  die  —  thans  tot  de 
dooden  behoorende  —  in  zijn  werkzaam  leven  tal  van 
jaren  gewijd  heeft  aan  taalonderzoek  op  Sumatra,  Java 
en  Bali.  Behoef  ik  de  namen  dezer  drie  voorgangers, 
dezer  nestors  der  Maleisch-Polynesische  taalkunde  te 
noemen?  Een  ieder  moet,  dunkt  mij,  gehoord  hebben 
van  een  Kern,  een  Matthes  en  een  Van  der  Tuuk.  De 
werken  dier  mannen  hebben ,  schoon  buiten  het  eigenlijke 
beperktere  gebied  der  Maleische  taal  liggende,  op  de 
beoefening  dezer  taal  een  grooten  en  blijvenden  invloed 
gehad.  Om  hen  scharen  zich  anderen,  onder  de  ouderen 
zeer  verdienstelijken,  onder  de  jongeren  enkelen,  wier 
arbeid  reeds  goede  vruchten  afgeworpen  heeft  en  nog 
belooft.  (Ik  verheug  mij  erin  ook  van  hen  bij  deze  open- 
bare les  persoonlijke  belangstelling  te  mogen  opmerken). 
De  arbeid  dezer  jongeren  —  op  verwant  terrein  gelegen 
—  is  grootendeels  aan  mijn  wetenschappelijke  streven 
voorgegaan,  en  ik  ben  dankbaar  ook  voor  de  leering 
daarvan  door  mij  op   mijn   terrein  genoten. 

Door  de  groote  voorgangers  op  algemeen  en  bizonder 
gebied  is  ook  voor  de  beoefenaars  van  het  Maleisch 
thans  de  weg  aangewezen ,  al  is  deze  nog  niet  afgebakend 
en  nog  lang  niet  opgenomen,  gemeten  en  in  kaart  ge- 
bracht. 

Voordat  ik  ertoe  overga,  dezen  tot  eene  zuiver  weten- 
schappelijke bestudeering  mijner  lievelingstaai  leidenden 
weg  nader  te  bespreken,  past  het  een  enkel  woord  te 
zeggen   over   hetgeen   voor  't  Maleisch   gedaan  is  door 


91 

Nederlanders,  die  tot  het  verleden  behooren,  en  door 
buitenlanders  van  vroeger  en  thans. 

De  eerste  Nederlander,  die  een  boekje  schreef  ten 
behoeve  van  hen,  die  het  Maleisch  wenschen  te  leeren 
kennen,  was  Frederik  de  Houtman,  éen  der  twee  gebroeders, 
wier  namen  in  onze  geschiedenis  nauw  verbonden  zijn 
aan  onze  eerste  vestiging  in  Oost-Indië.  Zijn  boekje  gaf 
eene  verzameling  gesprekjes  in  't  Maleisch  en  in  't  Ma- 
legasisch  (de  taal  der  Hoewa's  op  Madagascar).  De  ver- 
dienste van  dat  boekje  ligt  natuurlijk  voornamelijk  in  't 
feit,  dat  het  het  eerste  werkje  over  't  Maleiseh  is,  dat 
ooit  door  een  Nederlander  geschreven  is.  Dat  het  van 
fouten  en  onnauwkeurigheden  krioelt,  is  niet  te  ver- 
wonderen, 't  berustte  uitsluitend  op  waarneming  en  op 
eerste  waarneming  door  een  man  zonder  wetenschap- 
pelijke vorming.  De  vele  andere  boekjes  en  boeken  na 
de  Houtman  door  Nederlanders  over  't  Maleisch  geschreven 
tot  het  begin  dezer  eeuw  zijn  alle  zonder  veel  beteekenis , 
behalve  éen.  In  de  eerste  helft  der  vorige  eeuw  schreef 
George  Hendrik  W e r n d  1  y zijne Maleische Spraak- 
kunst. Voor  zijn  tijd  kan  dit  werk  een  zeer  verdienstelijke 
arbeid  genoemd  worden.  En  langen  tijd  teerde  men  als 
't  ware  op  de  groote  geleerdheid  van  Werndly.  Doch, 
hoe  't  ook  zij ,  in  't  licht  der  tegenwoordige  taalwetenschap 
beschouwd  is  zijn  boek  bijna  leekenarbeid.  Hoe  kon  't 
ook  anders!  Vóór  de  groote  zegepralen  der  Indo-Ger- 
maansche  laalbeoefening  kön  er  immers  niets  anders 
wezen ;  want ,  tegengesteld  aan  't  bekende  ex-oriente 
lux,  was 't  immers  hier  ex  occidente  lux.  Uithet  wes- 
ten, uit  Duitschland  —  het  laboratorium  der  wetenschap  — 
in  't  bizonder  —  moest  het  licht  gaan  schijnen,  dat  veel 
later  ook  de  studie  der  Maleische  taal  ten  goede  is  ge- 
komen. Maar,  nader  beschouwd  was  het  tóch  ook  da&r 
ex  oriente  lux;  want  de  studie  van  't  Sanskrit  leidde 
tot  bedoelde  zegepralen.  Doch  daarover  straks  meer. 

Wie  komen  na  Werndly  in  aanmerking  onder  hen ,  die 


92 

zich  voor  't  Maleisch  verdienstelijk  gemaakt  hebben? 
In  de  eerste  plaats  wel  een  buitenlander ,  de  Engelschman 
W.  Marsden,  die  in  1812  een  GrammaroftheMalayan 
language  met  eene  bloemlezing  gaf.  Dit  werk  werd  in  't 
Nederlandsch  en  Fransch  vertaald,  en  was  jaren  achtereen 
de  vraagbaak  voor  allen,  die  zich  ernstig  op  't  Maleisch 
toelegden.  Marsden  was  evenals  de  Nederlander 
W  e  r  n  d  1  y  een  voor  zijn  tijd  wetenschappelijk  gevormd 
taalkundige ,  hetwelk  toen  nog  schier  algemeen  in  Europa 
beteekende:  hij  was  doorkneed  in  't  Grieksch  en  Latijn. 
De  inleiding  tot  dit  werk  bevat  belangrijke  gegevens. 
Dezelfde  Marsden  gaf  een  woordenboek,  dat 
eveneens  in  't  Nederlandsch  werd  vertaald.  Op  Marsden's 
kennis  teerde  Roorda   van   Eysinga. 

Deze  gaf  ongeveer  te  zelfder  tijd  als  Marsden's  Spraak- 
kunst in  de  vertaling  verscheen  —  1824  —  een  woor- 
denboek. Maar  hij  ontzeilde  de  klip  niet ,  tegen  welke 
vóór  en  na  hem  zoovelen  zich  gestooten  hebben,  nl.  de 
stilzwijgende  veronderstelling,  dat  het  Maleisch  ook  op 
op  Java  als  in  een  Maleisch  land  kon  bestudeerd  worden. 
Dit  woordenboek  neemt  dus  evenals  alle  andere  later 
verschenen  woordenboeken  eene  macht  van  Javaansche, 
Balineesche,  Hollandsche  en  andere  woorden  op,  die  in 
een  Maleisch  lexicon  natuurlijk  evenmin  thuishooren  als 
b.v.  Syrische,  Koptische  en  Armenische  woorden  in  een 
Grieksch  lexicon  uit  den  tijd,  toen  de  mini  de  „lingua 
franca"  was  in  de  landen  om  't  oostelijk  bekken  der 
Middellandsche  Zee. 

Na  Marden  is  Crawfurd  de  schrijver  eener  spraak- 
kunst en  van  een  woordenboek ,  beide  in  't  Engelsch.  Craw- 
furd is  daarom  merkwaardig ,  omdat  hij  een  man  van  grootc 
geleerdheid  was;  maar  ofschoon  zijn  grammar  and 
dictionary  in  1852  verscheen,  geeft  hij  treurige 
blijken  van  een  verkeerd  inzicht ,  waar  hij  zich  aan  taai- 
vergelijking  waagt.  Toch  is  Crawfurd  verdienstelijk  als 
de  eerste  Europeaan  ?  die  ernstig,  en ,  zoover  zijne  krachten 


93 

gaan,  nauwgezet,  bij  de  behandeling  van  het  Maleisch, 
ook  de  verwante  Mal.-Polynesische  talen  beschouwt. 
Merkwaardig  is  het  resultaat  zijner  vergelijking  van  woor- 
den ,  die  't  zelfde  beteekenen,  hetgeen  hij  deed  in 
plaats  van  die  te  beschouwen,  welke  wel  eene  verwante 
beteekenis  in  de  verschillende  talen  derzelfde  familie 
hebben,  maar  in  de  eerste  plaats  eene  verwantschap  in 
klankbouw  vertoonen.  Als ,  om  een  voorbeeld  te  noemen, 
1  i  m  a  in  't  Boeg.  hand  beteekent  en  tanan  in  't  Mal. 
hetzelfde ,  dan  zou  hij  dit  beschouwd  hebben  als  eene  aan- 
wijzing voor  het  niet-verwant-zijn  van  Boeg.  en  Mal.  Als 
hij  bedacht  had ,  dat  dan  toch  1  i  m  a  in  't  Mal.  de  betee- 
kenis van  een  telwoord,  vijf,  heeft,  en  deze  beteekenis 
moet  voortgekomen  zijn  uit  die  van  hand  met  vijf 
vingers,  dan  zou  hij  de  „blunder"  niet  begaan  hebben, 
een  van  de  vele,  die  hij  op  dergelijke  wijze  beging. 

Na  Crawfurd  is  de  merkwaardigste  Maleische  Spraak- 
kunst die  van  1'Abbé  Favre,  gewezen Roomsch-Katho- 
liek  zendeling  te  Poelaw-Pinang  en  op  Malaka.  Dezelfde 
abt  gaf  ook  een  woordenboek.  Beide  werken  getuigen  van 
veel  studie  en  veel  geleerdheid.  Favre  kende  b.v.  zoowat 
alles  wat  door  Nederlanders  over  Mal.-Polynesische  talen 
geschreven  was,  een  inderdaad  zeldzaam  verschijnsel  bij 
een  Fransch  geleerde.  Maar  onze  abbé  was  wat  men 
volksmatig  „te  geleerd"  noemt.  Zijn  woordenboek  had 
b.v.  deze  zeer  bijzondere  eigenaardigheid ,  dat  de  Maleische 
letters,  d.  w.  z.  de  letters  van  het  gewijzigde  Arabisch- 
Perzische  schrift,  dat  bij  de  Maleiers  in  gebruik  is, 
daarin  gerangschikt  staan  naar  de  volgorde  van  't  Sans- 
krit-alfabet !  Nu  is  't  al  een  heele  toer  voor  een  gewonen 
geest  om  de  volgorde  van  dat  uitgebreide  schriftsysteem 
behoorlijk  in  't  hoofd  te  hebben ;  doch  bepaald  hinderlijk 
wordt  het,  wanneer  men  die  met  moeite  geleerde  opeen- 
volging moet  gaan  toepassen  op  letterteekens  van  een 
geheel  ander  systeem.  Stelt  u  voor ,  geachte  toehoorders, 
dat  men  een  Grieksch  lexicon  moest  gebruiken,  waarin 


94 

de  beginletters  gerangschikt  waren  naar  de  volgorde  in 
't  Hebreeuwsche  schrift :  iets  van  dien  aard  had  Favre 
geleverd.  Daarmede  in  verband  stond  wellicht  Favre's 
voorliefde  voor  vreemde  letterschriften ,  die  in  zijn  woor- 
denboek ten  duidelijkste  voor  den  dag  treedt,  waar  hij  bij 
de  Mal.  woorden  de  verwante  woorden  in  andere  Mal. 
Polynesische  talen  opgeeft.  Zoo  geeft  hij  bijv.  steeds  de 
spelling  der  Tegaalsche  woorden  in  Tegaalsch  schrift  op. 
Dit  schrift  —  een  der  vele  Indische  schriftsystemen  uit 
Indonesië  —  is,  zooals  men  weet,  reeds  lang,  lang, 
lang  verdrongen  door  het  Latijnsche  schrift  der  Spaansche 
missionarissen ,  welke  in  de  Filippijnen  zoo  ruimschoots 
hun  beschavingsijver  hebben  doen  gelden.  Bij  al  de  groote 
Christelijke  deugden ,  die  de  geleerde  abt  in  zijn  arbeid- 
zaam leven  van  toewijding  had  aangekweekt  en  tot  heil 
van  anderen  in  toepassing  had  gebracht ,  had  ook  hij  het 
ijdelheidje  van  zoo  velen,  welke  talen  beoefenen  met 
vreemde  letterschriften:  hij  hield  ervan  zijne  bedrevenheid 
daarin  te  toonen.  Ook  hij,  zeg  ik,  want  ziet,  schier 
alle  woordenboeken  van  't  Maleisch  en  ook  van  andere 
Mal.-Polynesische  talen ,  zijn  geschreven  als  waren  ze  voor 
inlanders  in  den  Archipel  bestemd  en  niet  voor  Euro- 
peanen. Crawfurd  alleen  vermijdt  het  gebruik  van  het 
„eigenaardig  letterschrift".  Als  waren  ze,  zeg  ik,  want 
de  bedoeling  schijnt  te  wezen ,  ze  op  die  wijze  meer  echt 
in  den  geest  der  taal  te  maken.  Evenwel  is  dat  doel  er 
toch  niet  mee  bereikt;  want  een  Maleisch  woordenboek 
ingericht  op  Maleische  wijze  bestaat  niet,  tenzij  men  de 
Arabische  of  Perzische  manier  zoo  wilde  noemen.  Deze 
bestaat  echter  dan  in  het  opgeven  der  volgorde  niet  vol- 
gens de  letters  van  't  Arabische  alfabet  naar  de  begin- 
letters der  woorden,  maar  naar  de  eindletters.  Nu,  aan 
zoo  iets  heeft  gelukkigerwijze  niemand  onder  de  lexico- 
graphen  gedacht.  Daar  komt  bij ,  dat  men ,  ondanks  de 
zucht  om  echt  in  den  geest  der  taal  te  vallen,  ook  in 
zooverre   van  het  gebruik  afwijkt,  dat  men  de  volgorde 


95 

van  't  Arabisch-Perzische  schrift  van  voren  naar  achteren 
in  plaats  van  van  achteren  naar  voren  neemt.  Het  ge- 
bruik bij  hen,  die  zich  van  't  Arabische  schrift  bedienen, 
wil  immers,  dat  wat  bij  ons  de  laatste  bladzijde  heet, 
bij  hen  de  eerste  zij.  't  Blijft  dus  toch  een  schipperen, 
een  half  Europeesch,  half  Oostersch  doen  s.  v.  v. 

Na  1'Abbé  Favre  is  de  eenige  Maleische  spraakkunst 
van  werkelijk  belang  die  van  Gerth  van  Wijck,  tot  voor 
kort  leeraar  aan  de  Indische  Instelling  te  Batavia.  Aan 
Favre's  werken  gaan  vooraf  de  spraakkunsten  van  Dr. 
de  Hollander  en  Van  Eek.  De  eerste  dezer  beiden  was 
nooit  in  Indië  geweest,  de  laatste  nooit  in  eenig  land, 
waar  het  Maleisch  als  moedertaal  gesproken  wordt.  De 
werken  en  werkjes  van  Dr.  de  Hollander  vooral  zijn 
jaren  lang  gebruikt  en  zijne  Handleiding  bij  de  beoefening 
der  Maleische  taal-  en  letterkunde  wordt  nog  als  leer- 
middel gebezigd  aan  de  Kon.  Milit.  Academie  en  tot  voor 
kort  ook  aan  de  Indische  Instelling  te  Delft. 

Ofschoon  minder  algemeen  gebruikt  en  van  de  hand 
van  een  niet-academisch  gevormd  man ,  is  de  spraakkunst 
van  Gerth  van  Wijck,  waarvan  in  1889  de  eerste 
en  in  1892  de  tweede  druk  verscheen ,  voor  de  beoefening 
van  't  Maleisch  van  grooter  beteekenis.  Een  gebrek  van 
Dr.  de  Hollander  en  den  oud-zendeling  Van  Eek  beiden 
is  hun  vertrouwen  op  eigen  vaardigheid  waar  het  de 
praktische  aanwending  der  taal  betreft:  beiden  zuigen 
uitdrukkingen  en  zinswendingen  uit  hun  duim,  om  maar 
eens  deze  kernachtige  volksuitdrukking  te  gebruiken. 
Niet,  dat  al  de  door  hen  aangehaalde  voorbeelden  en 
opgegeven  volzinnen  van  eigen  vinding  of  liever  samen- 
stelling zouden  wezen ;  maar  dan  toch  vele ,  en  zulks 
maakt  begrijpelijkerwijze  het  door  hen  geleerde  al  niet 
betrouwbaar  meer.  Zoo  iets  doet  Gerth  van  Wijck  niet. 
Zijne  voorbeelden  zijn  aan  de  literatuur  of  aan  de  levende 
taal  ontleend. 

Dr.  de  Hollander  en  Van  Eek  gelooven boven- 


96 

dien  beiden  aan  een  laag  Maleisch,  een  populair  mis- 
verstand, dat  niemand  deelt,  die,  met eenig taalgevoel en 
eenig  verstand  begaafd ,  drie  maanden  in  een  echt  Maleisch 
land  geweest  is.  Dat  „  laag  "  Maleisch  is  eene  fictie ,  anders 
niet.  Het  bestaat  niet,  tenzij  men  dien  naam  geven  wille 
aan  een  oneindig  aantal  verschillende  soorten  van  ver- 
haspeld Maleisch ,  dat  gesproken  wordt  door  eene  oneindige 
verscheidenheid  van  rassen  en  persoonlijkheden,  maar 
nooit  door  een  Maleier  tot  een  Maleier  in  den 
strengen  zin ;  want  het  Maleisch  door  en  tot  vreendelingen 
gesproken  is  natuurlijk  overal  en  altijd  varieerend,  zich 
regelende  naar  de  ontwikkeling,  de  mate  van  kennis  en 
den  landaard  van  spreker  of  toegesprokene. 

Een  gebrek  eigen  aan  Gerth  van  Wijck ,  Dr.  de  Hollander 
en  Van  Eek  is  verder,  dat  alle  drie  bij  de  behandeling 
van  't  verbum  sterk  onder  den  invloed  staan  van  Taco 
Roorda,  een  Hebraeicus-Arabicus-Javanicus ,  wiens  op- 
treden in  't  laatst  van  de  eerste  helft  dezer  eeuw  eene 
nu  nog  krachtig  nawerkende  strooming  heeft  gegeven  in 
de  denkrichting  van  hen,  die  zich  aan  de  studie  en  het 
doceeren  der  Maleisch-Polynesische  talen  wijdden.  Dat 
Taco  Roorda  een  man  met  buitengewone  begaafdheid  was, 
mag  wel  afgeleid  worden  uit  het  feit,  dat  zelfs  zijn 
grootste  tegenstander  op  taalkundig  gebied,  dezelfde 
Neubronner  van  der  Tuuk,  dien  wij  boven  noemden, 
ondanks  zijn  hevig  èn  hatelijk  èn  soms  onwaardig  te 
keer  gaan  tegen  Roorda ,  dat  een  genie  als  hij  zelfs  niet 
vrij  bleef  van  Roorda's  invloed.  Van  der  Tuuk's  Batak- 
sche  spraakkunst  bewijst  duidelijk  bij  de  behandeling  van 
't  werkwoord ,  dat  ook  hij  passief  was  bij  de  uiteenzetting 
van  't  passief  der  verba.  De  verwarrende ,  verstrik- 
kende, verbijsterende  Roordasche  theorie  van  't  passief 
had  ook  Van  der  Tuuk's  helder  brein  beroerd. 

't  Spreekt  haast  van  zelf,  dat  ook  H.  C.  Klinkert, 
lector  voor  't  Maleisch  te  Leiden,  en  vóór  hem  Dr. 
Pijnappel,   hoogleeraar   voor  die   taal  aldaar,   niet  vrij 


97 

bleven  van  de  Roordasche  hallucinatie.  Beiden  gaven 
eeneMal.  Spraakkunst  en  een  Mal.  woordenboek,  de  eerste 
ook  Hollandsch-Mal.  Deze  twee  woordenboeken  met  dat 
van  Von  de  Wall  vormen  bij  elkaar  het  drietal ,  dat 
tegenwoordig  bij  ons  te  lande  het  meest  op  den  voorgrond 
treedt  bij  de  beoefening  van  't  Maleisch.  Het  laatst  ge- 
noemde woordenboek,  dat  van  Von  de  Wall,  werd  in  1877 
op  last  van  het  N.  I.  Gouvernement  door  den  meerge- 
noemden geleerde  Neubronner  van  der  Tuuk  voor  rekening 
van  dat  gouvernement  uitgegeven.  Door  de  jaren  arbeids 
aan  dit  woordenboek  door  den  opsteller  ten  koste  gelegd 
—  aan  tractement,  reiskosten  enz.  kwam  het  ten  slotte 
het  N.  I.  Gouvernement  op,  naar  men  zegt,  vijf  ton  te 
staan  —  en  door  de  groote  bekwaamheid  van  den  bewerker, 
die  de  stof  schifte  en  bijeenbracht,  werd  dit  woorden- 
boek het  rijkste  en  beste,  dat  tot  nu  toe  voor  het  Mal. 
geschreven  is.  En  dat  ondanks  het  vele  overtollige  — 
b.  v.  al  de  tweevouds-  en  meervoudsvormen  van  Arabische 
subst. ,  zelfs  al  zijn  ze  volmaakt  ongebruikelijk  in  het 
Maleisch  —  en  in  weerwil  van  't  kreupele  Hollandsch 
van  den  Duitschen  Von  de  Wall,  aan  welk  gebrek  door 
Van  der  Tuuk  niet  tegemoet  is  gekomen ,  ten  spijt  eindelijk 
ven  de  onkiesche  hatelijkheden  en  schimpscheuten ,  waar- 
mee van  der  Tuuk  de  uitgave  van  den  nagelaten  arbeid 
van  Von  de  Wall  ontsiert.  Spreken  wij  den  vromen  wensch 
uit,  dat  dit  tonnen  verslindend  woordenboek  nog  eens  van 
regeeringswege  herzien  (moge  worden  door  een  bevoegd 
en  beschaafd  Malaicus. 

Doch  komen  wij  even  op  Klinkert  terug.  Dezen  noemen 
wij  zonder  aarzeling  den  besten  lexicograaf  onder  de 
thans  levende  beoefenaars  van  het  Maleisch.  Deze  heer 
is  drie  jaar  in  de  Riouwsche  landen  geweest,  en  schijnt 
daar  met  zijn  tijd  gewoekerd  te  hebben.  Geboren  Euro- 
peaan is  hij  merkwaardig  diep  in  't  inlandsche  denken 
doorgedrongen.  Zijne  bijbelvertaling  houd  ik  voor  de 
beste  onder  alle  bestaande  vertalingen  —  en  er  zijn  er 


98 

ettelijke.  Klinkert  is  echter  geen  wetenschappelijk  ge- 
vormd taalkundige.  Had  ook  hij  evenals  Dr.  Adriani  — 
thans  te  Poso  op  Celebes  —  eerst  den  doctorsgraad 
in  de  Mal.-Pol.  talen  verworven,  vóór  dat  hij  ter  bestu- 
deering van  eene  dier  talen  voor  eene  latere  bijbelover- 
zetting naar  O.  I.  toog,  dan  zouden  ongetwijfeld  thans 
zijne  spraakkunst  en  ook  zijne  woordenboeken  er  beter 
bij  gevaren  zijn. 

Onder  de  Nederlanders,  die  zich  door  hunne  geschrif- 
ten over  of  in  't  Maleisch  bijzonder  verdienstelijk  ge- 
maakt hebben  mag  ik  naast  den  grooten  Van  der  Tuuk 
niet  nalaten  ook  over  Dr.  G.  K.  Niemann  te  spreken. 
Deze  heer,  hoogleeraar  te  Delft,  wiens  enorme  werk- 
zaamheid hem  grootendeels  buiten  het  gebied  van  't 
eigenlijke  Maleisch  gehouden  heeft,  gaf  niettemin  reeds 
vijf  en  twintig  jaren  geleden  eene  verzameling  Maleische 
stukken  uit,  met  belangrijke  aanteekeningen ,  welke  ver- 
zameling onder  den  titel  van  Tftman  MSl&yu,  d.  i. 
Maleische  lusthof  reeds  ettelijke  drukken  beleefd 
heeft.  Ook  onder  de  Maleiers  vindt  deze  Chrestomathie 
gretige  lezers.  Ik  herinner  mij ,  dat  ik  als  ambtenaar  B.B. 
onder  mijne  vele  functiën  ook  die  van  debitant  van 
Gouvernementsuitgaven  op  't  gebied  van  inlandsche  talen 
vervullende ,  verscheidene  exemplaren  van  genoemd  werk 
onder  Maleiers  en  Arabieren  ter  Westerafdeeling  van 
Borneo,  zonder*de  minste  reclame-makerij  wist  te  „slijten". 
Van  der  Tuuk  gaf  eene  reeks  van  leesboeken  met  zeer 
opmerkelijke  aanteekeningen,  en  Meursinge  schonk  der 
studeerende  Malayophilen-wereld  eene  verzameling  van 
rijp  en  groen  in  Mal.  leesstukjes  en  stukken.  Noemen 
wij  nog  voor  vroeger  tijd  —  een  vijftig  jaar  geleden  — 
Van  den  Hoëvell ,  die  eene  uitgave  van  B  i  d  a  s  &  r  i , 
een  mooi  Maleisch  gedicht ,  een  z.g.  s  a  h  i  r  (verb.  van 
Arab.  §&'ir  dat  dichter  beteekent)  bezorgde,  met  ver- 
taling en  aanteekeningen.  Klinkert  had  zich  bepaald  tot 
het  uitgeven  in  't  oorspr.  schrift  van  drie  Mal.  gedichten, 


99 

waaronder    eene    redactie    van   diezelfde    Bidas&ri. 

Eindelijk  moet  ik  voor  Nederland  nog  wijzen  op  de 
uitgave  eener  wereldberoemde  fabelverzameling,  nl.  de 
Kali  la  dan  Daminah,  door  J.  R.  P.  F.  Gonggrijp, 
hoogleeraar  te  Delft.  Dit  boek  vind  ik  daarom  merk- 
waardig —  hoezeer  ook  zelfs  de  tweede  druk,  die  voor 
enkele  jaren  uitkwam  nog  vol  fouten  zit  —  omdat  het 
een  der  zeer  enkele  Maleische  leesboeken  in 
Latijnsch  schrift  is.  De  aanteekeningen  achterin 
zijn  echter  Van  weinig  beteekenis. 

Voor  't  buitenland  wil  ik  nog  even  stilstaan  bij  Max- 
well, die  een  g  r  a  m  m  a  r  schreef,  bij  Clifford ,  die  't  zelfde 
deed,  en  vooral  bij  Swettenham,  den  tegenwoordigen 
resident  van  Pérak  op  Malaka,  die  een  zeer  praktische 
Vocabulary  Eng. -Mal.  en  Mal.-Eng. ,  met  eene  ver- 
zameling van  over  't  geheel  echt  Maleisch  gedachte  ge- 
sprekken leverde.  Hij  had  bij  de  samenstelling  van 
zijn  werk  de  hulp  van  een  geletterd  Maleier.  De  verdienste 
van  Maxwell1  s  gram  mar  is  eene  negatieve:  hij  laboreert 
niet  aan  de  Roord a-passie  van  't  passief,  waarschijnlijk 
omdat  hij  niet  voldoende  onze  taal  machtig  was,  om 
Roorda's  hersenbekorende  theorieën  in  de  Javaansche 
Grammatica  aan  te  durven.  Maxweü's  verzameling  Mal. 
spreekwoorden,  gegeven  tusschen  '78  en  '97,  is  naast 
die  van  Klinkert  naar  mijn  idee  belangrijk  èn  voor  den 
linguist  èn  voor  den  ethnograaf. 

Al  wat  de  Franschen  gegeven  hebben,  is  behalve 
Favre's  arbeid,  als  oorspronkelijk  streven,  geen  ver- 
melding waard.  En  zelfs  Favre  was  niet  oorspronkelijk 
waar  het  't  verbum  gold. 

Over  andere  dan  linguïstische  werken,  en  die  welke 
de  linguistiek  in  haar  streven  ter  zijde  staan,  sprak  ik 
hier  niet.  Ik  ben  in  de  eerste  plaats  linguist ,  en  spreek 
hier  over  de  beoefening  der  taal  als  taal ,  dat  is  dus 
als  doel,  niet  over  de  taal  als  middel  om  de  voortbreng- 
selen der  letterkunde  te  leeren  kennen.  Alle  arbeid  op 


100 

philologisch  gebied   gelegen,   hoe  verdienstelijk  en  uit- 
stekend ook,  laat  ik  thans  buiten  behandeling. 

Over  wat  ik  zelf  gedaan  heb  als  beoefenaar  mijner 
tweede  moedertaal,  past  het  mij  niet  in  den  breede  uit 
te  wijden.  Alleen  wijs  ik  er  hier  pven  op,  dat  mijn 
„Leercursus",  waarvan  ik  't  origineel  nu  ongeveer 
tien  jaar  geleden  ter  Westerafdeeling  van  Borneo  schreef, 
en  waarvan  de  tweede  druk  verleden  jaar  verschenen  is, 
een  boek  is ,  dat  geen  aanspraak  maakt  op  streng  weten- 
schappelijke waarde.  Ook  vermeld  ik,  dat  de  eerste  druk, 
bij  veel  andere  fouten,  de  gewone  bezit,  nl.  verwarring 
van  letterteekens  en  klanken ,  en  verder  het  gebrek  heeft 
van  het  verbum  op  Roordasche  wijze  te  ver . . .  duisteren. 
Verklaren  kan  men  hier  eigenlijk  niet  zeggen.  Ein- 
delijk merk  ik  op,  dat  mijn  proefschrift  over  de  klank- 
leer van  't  Mal.  handelt,  een  onderwerp  dat  nog  nooit 
te  voren  door  iemand  behandeld  was.  't  Spreekt  dus  van 
zelf,  dat  daarin  onnauwkeurigheden  voorkomen.  Dit  laatste 
werkje  moet  het  eerste  deel  vormen  eener  volledige  Mal. 
spraakkunst. 

Ik  heb  het  tot  dusver  anders  alleen  gehad  over  vol- 
ledige spraakkunsten,  over  woordenboeken  en  bloem- 
lezingen. Vandaar  dat  ik  verzuimde  te  spreken  over  het 
werk  van  Dr.  Tendeloo,  thans  controleur  bij  't  B.B. 
te  Tebing-Tinggi  (Sum.  O.  K.).  Dit  boek  behandelt  juist 
dat  onderdeel  der  Mal.  spraakleer,  waarin  ook  ik  in 
mijne  opvattingen  geheel  verschil  van  alle  grammatici, 
die  onder  Roordaschen  invloed  gestaan  hebben ,  en  tevens 
aanmerkelijk  van  allen  vóór  den  tijd  van  dien  alomge- 
voelden  invloed. 

Ik  aarzel  niet  —  ik  heb  't  meer  gezegd  —  het  proef- 
schrift van  den  heer  T.  over  Maleische  verba 
en  nomina  verbalia  een  zeer  belangrijk  stuk  werk 
te  noemen. 

Mijne  denkbeelden,  uitgesproken  in  mijne  stellingen 
en  later  in  verschillende  artikelen  (vooral  in  den  lnd.  Gids), 


101 

zijn  niet  geheel,   maar  dan  toch  in  hoofdzaak  overeen- 
stemmend met  die  ontwikkeld  in  genoemd  proefschrift 

Aangezien  wij  nu  o  n  a  f  h  a  n  k  e  1  ij  k  van  elkaar  daar- 
toe gekomen  zijn,  en  bovendien  tal  van  feiten  in  de 
levende  taal  en  in  de  Mal.  literatuur  waargenomen  niet 
in  strijd  zijn  met  die  denkbeelden,  maar  ze  integendeel 
bevestigen ,  meen  ik  gerechtigd  te  wezen ,  ze  voor  nader 
bij  de  waarheid  te  houden  dan  de,  s.  v.  v.,  Roordasche 
theorie  van  't  verbum ,  die  voor  't  Mal.  geen  rekening 
houd  met  de  waargenomen  feiten. 

Ik  smaak  de  voldoening ,  dat  twee  ernstige  beoefenaars 
der  Mal.  taal,  de  Heer  Golsings,  Ie  Luit.  van  't  Ind. 
leger,  thans  gedetacheerd  bij  het  leger  hier  te  lande  en 
leeraar  aan  de  Mil.  Academie  te  Breda,  en  zijn  collega 
Spat,  aan  wien  nu  kortelings  het  onderwijs  in  de 
Maleische  taal  aan  gezegde  Academie  is  opgedragen ,  zich 
aan  mijne  zijde  scharen,  en  dus  beiden  de  opvatting  van 
't  verbum  deelen,  welke  T.  en  ik  aanhangen,  terwijl  ze 
zich  bij  de  verschilpunten  bij  mij  aansluiten. 

Wat  is  nu  die  z.  g.  nieuwe  theorie  van  het  verbum  en 
de  verbale  vormen  in  't  Mal.,  waarover  T.  door  zijn  al 
te  hevig  optreden  zooveel  verbittering  van  de  zijde  der 
met-taalkundig  gevormde  Malaïci  heeft  moeten  ondervin- 
vinden,  eene  theorie,  die  echter,  merkwaardig  genoeg, 
nog  door  geen  enkelen  wetenschappelijken  linguist  be- 
paald is  afgebroken? 

In  hoofdzaak  dit.  Ik  geef  nu  mijne  opvatting  en  zal  't 
verschilpunt  met  T.'s  theorie  noemen. 

't  Mal.  kent  geen  vormelijke  onderscheiding  van  t  ij  d  e  n 
(tempora)  bij  zijne  verba ,  't  kent  evenmin  w  ij  z  e  n  (modi) 
Doordat  het  ook  geen  personen  vormelijk  onder- 
scheidt ,  en  evenmin  v  o  c  e  s ,  vervalt  dus  alles  waaraan 
wij  gewoon  zijn  in  de  Indo-Germ.  talen  een  verbum  te 
onderscheiden  van  een  ander  woord. 

Wat  een  verbum  is ,  moet  dus  uitgemaakt  worden  naar 
den  samenhang  in  den  zin. 


102 

Verbale  stam  is  indentiek  met  nominalen  stam,  dus 
tevens  infinitief,  maar  ook  finiet-vorm.  Tulis 
b.  v.  kan  derhalve  wezen  schrijven  (inf.),  schrijf 
(ie  pers.  sing.  pres.),  schreef  (3e  pers.  sing.  perf.), 
scribent  (3e  pers.  plur.  fut.),  scribendi  (gen.  ge- 
rundii),  enz. 

Doch,  het  Mal.  verbum  —  d  w.  z.  een  woord  als  zoo- 
danig optredend  —  onderscheidt  verschillende  vormen 
Welk  verschil  bestaat  er  nu  daartusschen  in  beteekenis? 

Er  zijn  de  volgende  vormen,  op  tulis  ioegepast: 

tulis,  m&nulis,  b&rtulis,  ditulis  en  t&r- 
tulis.  Een  vorm  katulisan,  bij  andere  verbale  vor- 
men voorkomende,  mist  men,  zoover  ik  weet,  bij  dezen  stam. 

Behalve  als  verb.  vormen  komen  genoemde  afleidingen 
van  een  stam  ook  in  andere  beteekenissen  voor,  b.  v. 
in  die  van  nomina  subst.,  n.  adj.,  adv.  enz.  Daarover 
spreken  wij  thans  niet. 

Als  verb.  vormen  onderscheid  ik  ze  in  twee  categorieën : 

1°.  die  vormen ,  welke  een  perfectief  begrip  aan- 
duiden, nl. : 
de  onveranderde  stam, 
de  stam  met  voorgev.  di 
„      „      „  „         t  &  (meestal  met  een  verbindende  r, 

soms  met  neuskl.) 
„      „      „  „  ka  of  kü  en  achtergevoegd  -an. 

„      „      „  „         p  X   (al  of  niet  met  r  of  neuskl.) 

2°.  alle  overige f  welke  een  imperfectief  begrip 
aanduiden)  d.  i.  die  met  m&  en  die  met  b&  (de  eerste 
meest  met  neuskl. ,  de  laatste  met  r  als  verbindingsklank). 

't  Mal.  verbum  kent  dus  alleen  twee  begripsfazen, 
om  maar  eens  zoo  te  zeggen:  de  perfectieve  of  per- 
fectachtige  en  de  imperfectieve  of  imperfect- 
a  c  h  t  i  g  e.  De  eerste  wijst  op  een  volkomen  daad  of  als  bij- 
begrip op  een  enkele  even  plaats  hebbende  daad, 
dat  is  dus  op  een  aorist.  Echter  beteekent  dit  natuur- 
lijk geenszins ,  dat  die  daad  voorgesteld  wordt  als  te  ge- 


103 

schieden  in  een  bepaalde  tijdssfeer ,  d.  i.  verleden ,  heden 
of  toekomst. 

Dat  velen  dit  niet  begrijpen,  ligt  aan  't  taalonderwijs, 
dat  ze  gehad  hebben,  't  Is  waar:  zij,  die  aan  Latijn, 
Grieksch,  Sanskrit  en  Arabisch  gedaan  hebben,  zien  bij 
't  tegenwoordig  taalonderwijs  beter  in  dan  anderen 
wat  eene  zuivere  opvatting  van  tempora,  modi  en 
voces  is,  maar  niettemin  —  daarover  straks  meer  — 
kan  men  ook  zonder  die  taalstudiën  zeer  goed  eene  zuivere 
opvatting  van  deze  hoofdpunten  van  algemeene  spraak- 
leer  bezitten.  Zoo  b.  v.  kan  men  zeer  goed  weten,  wat 
een  a  o  r  i  s  t  is,  zonder  nog  juist  aan  Grieksch  of  Sans- 
krit gedaan  te  hebben. 

De  tweede  begripsfaze  van  't  Maleische  verbum 
drukt  het  tegengestelde  uit  van  de  eerste,  nl.  eene  onvol- 
komenheid der  daad ,  dus  het  idee  van  het  imperfectum 
toegepast  op  al  de  drie  tijdssfeeren.  Ook  hier 
kan  men  dus  zoowel  de  finiet  als  de  inflniet-vormen , 
zoowel  scripturus  sum  als  scribendo,  als 
scribebas,  als  scribens,  als  scribet,  als  ook 
scriberem  enz.  enz.  uitdrukken  met  het  enkele  m&- 
nulis  soms  met  toevoeging  van  het  pr.  p. 

Nooit  echter  kan  m&nulis  beteekenen  s  c  r  i  p  s  i  t  of 
scripsisse. 

Scribendo  kan  evenwel  ook  wel  eens  met  t u  1  i s 
in  plaats  van  m  &  n  u  1  i  s  uitgedrukt  worden ,  omdat  men 
in  't  gerundium  niet  zien  kan,  of  men  met  een  perfectief 
of  imperfectief  begrip  te  doen  heeft.  „  Door  't  schrijven 
van  veel  brieven  heeft  hij  zijn  stijl  verbeterd "  is  een 
voorbeeld,  waar  m&nulis  te  pas  zou  komen;  terwijl 
in  „  door  dien  brief  te  schrijven  compromiteerde  hij  zich  ", 
een  vorm  zonder  m&  of  b&  de  aangewezene  zou  zijn, 
hier  de  vorm  met  di:  s&bab  d  i  t  u  1  i  s  n  a  sfirat 
-i  t  u  d.  i.  lett.  om  reden  van  zijn  geschreven  hebben  van 
dien  brief. 

Nu  zegt  T.  dat  m  &-  en  b  8-  (al  of  niet  met  neuskl.  of 

8 


104 

verbindings-r)  actief  zijn.  Goed ,  dat  neem  ik  ook  aan ; 
maar  dat  daartegenover  zou  staan  een  passief  met 
vaste  kenmerken ,  ontken  ik.  Ik  beweer ,  dat  het  pas- 
sieve van  de  beteekenis  evenzeer  uit  het  verband 
in  den  zin  moet  opgemaakt  worden  als  de  onderscheiding 
van  modi  en  tempora.  Terwijl  nu  T.  aan  den  vorm  met 
d  i ,  dus  d  i  - 1  u  1  i  s  in  dit  concreete  geval ,  de  beteekenis 
toeschrijft  van  een  vast  passief  met  iraperfec- 
tieve  beteekenis  —  hij  noemt  dat  duratief  —  wil 
hij  aan  den  vorm  met  t  &  —  t  &  r  zegt  hij ,  omdat  hij  deze 
r  niet  als  phonetischen  verbindingsklank  wil  beschouwen  — 
de  kracht  geven  van  een  passief  met  perfectieve 
beteekenis.  Deze  onderscheiding  nu  wordt  door  de  feiten 
gelogenstraft. 

Maka  ditulisna  sürat  itu 
beteekent :  en  nu  schreef  hij  dien  brief.  Een  zuiver  histo- 
risch perfectum,  nietwaar?  Terwijl  toch  het  Mal.  volko- 
men correct  is.  Hierin  ligt  geenszins  een  imp  er  f  ectief 
begrip.  Zoo  kan  men  tal  van  voorbeelden  uit  de  levende 
taal  en  uit  de  literatuur  aanhalen. 

Ziehier  nog  twee ,  in  't  wilde  genomen  : 

Uit  de  P&l&yiran  van  Abdoellah,  een  bekend 
modern  Mal.  schrijver  (blz.  53  der  gesteendr.  uitg.  van 
Klinkert) : 

KSmudiyan  pulan  lah  -iya,  lalu  dibawS- 
na  s&tu  bakul. 

Twee  opeenvolgende  feiten :  vervolgens  ging  hij  naar 
huis,  en  daarop  bracht  hij  een  mand. 

Geen  sprake  van  imperfectief  begrip,  nietwaar? 

Uit  de  Kin  Tabuwan,  een  bekend  gedicht ,  vers 
88  van  mijne  transscriptie  in  't  Mal.  blad  Pawarta 
B  o  e  m  i  dat  ik  thans  redigeer  (Singap.  uitg.  van  M  u- 
hammad  Sir&j  —  1305  H.}: 

D&mi   diliyat   s&g&la   put&ri, 
S&kaliyan   m&n&gur   manis   b&s&ri, 
d.  i.:  „Toen  zij  gezien  werd  door  de  princessen ,  spraken 


105 

allen  haar  vriendelijk  lachend  toe";  't  eerste  is  een 
enkel  feit  (di-liyat). 

Opvallend  is  het,  dat  in  zeer  veel  gevallen  juist  de  vorm 
met  di  optreedt  na  voegwoorden  beantwoordende  aan 
nadat,  toen,  en  nu  in  't  Nederlandsch ,  en  dat  ook 
in  zulke  gevallen  het  Arabisch  een  verbalen  vorm 
bezigt ,  die  een  perfectief  begrip  aanduidt  ('t z.  g. 
perfectum  in  Caspari's  G r a m m a t i k). 

Eindelijk  wijs  ik  op  't  eigenaardig  verschijnsel,  dat 
men  zich  in  't  Eng.  meest  behelpt  met  een  perfectvorm, 
waar  men  in  't  passief  de  progressive  form  wil 
uitdrukken.  Bekend  is  't  immers,  dat  deze  Eng.  vorm 
een  imperfect ,  een  duratief  te  kennen  geeft. 

I  was  being,  of  he  is  being  spoken  to 
b.v.  is  ongebruikelijk,  men  zegt  dan  liever  eenvoudig 
I  was  spoken  to  of  he  is  spoken  to  ook 
al  bedoelt  men  b.v.  „hij  werd  juist  toegesproken,  toen 
ik  de  zaal  binnentrad". 

In  onze  taal  —  nog  dit  even  —  zeggen  wij  ook  zeer 
gemakkelijk  hem  uitlachende  over  zijne  dwaas- 
heid, deed  hij  echter  niets  om  hem  te 
verbeteren,  maar  't  gaat  niet  aan  te  zeggen :  d  o  o  r 
hem  uitgelachen  wordende  enz.  Ook  wij  be- 
helpen ons  dan  in  't  passief  met  een  vorm,  die  in  't 
actief  een  perfectief  begrip  zou  uitdrukken ,  b.v. : 

door  hem  uitgelachen  werd  hij,  maar 
niet   verbeterd. 

Maar  wat  is  nu  het  groote  verschilpunt  met  de  oude 
leer,  n.1.  die  van  Roorda  —  want  vóór  diens  tijd  ziet 
men  in  de  grammatica's  niets  daarvan,  zoover  ik  heb 
kunnen  nagaan  ? 

Dit. 

Een  vorm  als  ku  tulis  en  kaw  tulis,  naar 
onze  opvatting  eenvoudig  afkortingen  van  'aku  tulis 
en  'Snkaw  tulis,  ik  schrijf  en  gij  schrijft ,  wordt 
door  de  anderen  verklaard  als  passief: 


108 

en  Moslimsche  beschavingsgeschiedenis  in  den  ruimsten 
zin  en  kennis  van  de  ethnographie  der  landen  waar  de 
talen  der  Mal.  Pol.  familie  gesproken  worden,  speciaal 
natuurlijk  die  der  z.  g.  Mal.  landen,  d.  i.  globaal  het 
westen  van  den  Indischen  Archipel ,  aan  weerszijden  van 
de  Straat  van  Malaka  en  't  zuidelijk  deel  der  Chin.  Zee. 

Kennis  van  Latijn  en  Grieksch  is  zeer  wenschelijk, 
maar  niet  noodzakelijk.  Zoolang]  echter  onze  spraakkunsten 
van  Arab.  en  Skr,  die  kennis  veronderstellen,  kan  men 
er  moeilijk  buiten.  Bij  grondig  onderwijs  in  de  moeder- 
taal en  zuiver  taalinzicht  zou  men  echter  zeer  goed  die 
beide  moeilijke  talen  voor  zoover  noodig  is,  kunnen 
bestudeeren  zonder  dien  omweg.  Als  Hindoesche  prinsen 
b.  v.  Arab,  Sanskr.,  en  Eng.  naast  hunne  moedertaal 
machtig  zijn ,  en  dat  zonder  Latijn  en  Grieksch ,  waarom 
zou  dan  niet  een  Europeaan  zulk  eene  studie  op  die  wijze 
met  vrucht  kunnen  maken? 

Voor  't  Mal.  zelf,  na  de  voorstudie ,  acht  ik  in  't  bizonder 
aanbevelenswaardig:  veel  teksten  in  Latijnsch  schrift  te 
bezitten,  eene  uitgave  dus  van  de  voornaamste  voort- 
brengselen der  literatuur  in  Lat.  transscriptie.  Dit  geldt 
ook  voor  de  overige  Mal.-Pol.  talen,  welker  bestudeering 
ter  vergelijking  onontbeerlijk  is.  Om  die  transscriptie 
goed  te  geven,  dient  men  op  de  hoogte  te  zijn  van  de 
k  1  a  n  k  w  e  1 1  e  n,  en,  om  goede  teksten  te  krijgen,  dient 
men  slechte  vertalingen  uit  het  Arabisch  en  Perzisch  a.  a. 
te  kunnen  onderscheiden  van  oorspronkelijke  teksten.  Iets 
wat  niet  mogelijk  is  zonder 

bestudeering  der  levende  taal,  om  in  den 
geest  der  taal  door  te  dringen.  In  't  algemeen  wensch 
ik  de  studie  van  't  Maleisch  als  alle  onderwijs  in  de 
levende  talen  meer ,  veel  meer  empirisch,  op  waar- 
genomen feiten  te  laten  berusten  dan  op  theorieën  en 
op  vaak  onbetrouwbare  teksten. 

Een  goed  Mal.  woordenboek  in  Latijnsche  letter  is  noo- 
dig, en  evenzoo  een  voor  de  voornaamste  verwante  talen. 


109 

Een  goede  Mal.  spraakkunst  is  broodnoodig ,  en  eene 
herziening  der  bestaande  van  de  verwante  talen. 

Men  ziet  het:  er  is  nog  een  reuzentaak  te  verrichten, 
en  deze  is  slechts  door  velen  in  samenwerking  te  onder- 
nemen. 

Moge  de  steun  en  samenwerking  niet  ontbreken  en  't 
mij  gegeven  zijn  krachtdadig  bijgestaan  te  worden  in  de 
voor  mij  zoo  aantrekkelijke  taak  voorvechter  te  zijn  voor 
het  belang  eener  studie,  die  waarlijk  verdient  bevorderd 
te  worden. 

De  belangen  van  m  ij  n  geboorteland ,  waar  't  Mal.  zeker 
de  voornaamste  taal  is ,  zijn  immers  ook  nauw  vereenigd 
met  die  van  ons  lief  Nederland  ? 

En  't  was  immers  ook  door  't  Maleisch  als  gedachten- 
medium,  dat  het  Evangelie  in  den  Ind.  Archipel  kwam. 

Is  het  dan  eigenlijk  wel  noodig  aan  't  slot  van  deze  mijne 
les  uitdrukkelijk  te  zeggen,  dat  ik  dankbaar  ben  voor 
deveniadocendi  mij  aan  deze  illustre Universiteit 
verleend  ? 

Ik  geloof  het  niet 


( 


Concessiên  in  Suriname. 


Herhaaldelijk  is  gedurende  de  laatste  weken  in  de 
bladen  gewaagd  van  de  ontstemming ,  welke  in  de  Kolonie 
Suriname  heerschte,  naar  aanleiding  van  de  lastgeving 
van  den  Minister  van  Koloniën  aan  den  Gouverneur  om 
niet  over  te  gaan  tot  afkondiging  eener  Verordening, 
waarbij  aan  de  heeren  Duncan  c.s.  concessie  werd  ver- 
leend voor  den  aanleg  van  een  spoorweg  van  Para- 
maribo in  Z.  W.  richting  naar  de  Saramacca,  en  tot  de 
vervroegde  afkondiging  eener  Verordening,  waarbij  aan 
het  syndicaat  Barr  Robertson  vergunning 
werd  verleend  om  onderzoek  te  doen  naar  de  aanwezig- 
heid van  delfstoffen,  op  terreinen  gelegen  aan  de  Boven- 
Saramacca. 

De  juistheid  dier  berichten,  zoo  wat  de  lastgeving  van 
den  Minister  betreft,  als  van  de  daardoor  ontstane  ont- 
stemming in  de  Kolonie ,  valt  wel  niet  te  betwijfelen.  Deze 
laatste  is  dan  ook  allezins  begrijpelijk;  sedert  jaren  leidt 
Suriname,  ondanks  zijn  natuurlijken  rijkdom  en  vele 
hulpbronnen,  een  kwijnend  bestaan,  zoodat  voordurend 
finantieele  steun  van  het  Moederland  noodig  is.  Terwijl 
de  geheele  ontwikkeling  der  Kolonie  zich  tot  heden  be- 
paalt tot  de  smalle  kuststreek  langs  den  oever  van 
den  Atlantischen  Oceaan,  liggen  daar  in  het  binnenland 
uitgestrekte   terreinen,   waarvan  men  schier  niets  weet, 


lil 

doch  waarvan  vermoedt  wordt,  dat  zij  onmetelijk  rijk 
zijn  aan  verschillende  mineralen  en  bij  uitstek  geschikt 
voor  alle  tropische  cultures. 

Ofschoon  eene  Nederlandsche  Kolonie,  hebben  noch 
de  Regeering,  noch  het  Nederlandsche  kapitaal  zich  tot 
heden  gelegen  laten  liggen  aan  een  onderzoek  dier  ter- 
reinen ,  teneinde  daaromtrent  de  betrouwbare  gegevens  te 
verzamelen,  die  allereerst  noodig  zijn  om  de  ontwikke- 
ling dier  streken  mogelijk  te  maken. 

Behalve  aan  kennis  omtrent  den  aard  en  de  gesteld- 
heid dier  terreinen  en  hunne  vermoedelijke  geschiktheid 
voor  ontginning  en  cultuur ,  behoefde  men  voorts  snellere 
en  min-kostbare  verkeersmiddelen  om  de  ontwikkeling 
dezer  nagenoeg  onbereikbare  en  onbevolkte  streken  ter 
hand  te  nemen. 

Nu  komen  twee  personen,  vertegenwoordigers  van 
schijnbaar  machtige  syndicaten,  de  een  met  de  aanvraag 
om  concessie  voor  den  aanleg  en  de  exploitatie  van  een 
spoorweg  naar  het  onbekende  binnenland ,  de  andere  om 
vergunning  tot  het  instellen  van  een  onderzoek  op  uit- 
gestrekte terreinen ;  het  Koloniaal  Bestuur,  overtuigd  van 
de  groote  voordeden,  welke  voor  de  Kolonie  in  de  toe- 
komst uit  deze  aanvragen  zullen  voortvloeien,  betoont 
zich  bereid  concessie  en  vergunning  te  verleenen;  reeds 
ziet  men  in  gedachten  den  weg  naar  het  onbekende  bin- 
nenland geopend,  en  als  gevolg  daarvan  toenemende 
welvaart  voor  de  geheele  Kolonie,  als  een  machtwoord 
van  den  Minister  al  die  schoone  verwachtingen  den  bodem 
inslaat. 

Het  moeten  ongetwijfeld  ernstige,  gewichtige  redenen 
zijn  geweest,  welke  dezen  Minister,  die  de  beteekenis 
van  industrie  en  landbouw  voor  de  ontwikkeling  van  een 
land  kent,  die  bovendien  herhaaldelijk  getoond  heeft  den 
vooruitgang  van  Suriname  te  bedoelen ,  en  niet  noodeloos 
de  gemoederen  in  de  Kolonie  zou  willen  ontstemmen, 
tot  het  nemen  van  deze  besluiten  hebben  geleid.  Ter  juiste 

1  cd 


112 

beoordeeling  dier  redenen  is  het  evenwel  noodig  eenig  meer- 
der licht  te  doen  opgaan  over  de  verschillende  aanvragen 
om  concessie  en  vergunning,  dan  tot  heden  is  geschied. 

Tot  voor  weinige  jaren  was  Suriname  alleen  bekend 
wegens  de  buitengewone  vruchtbaarheid  van  den  bodem 
en  zijne  geschiktheid  voor  verschillende  cultures.  Wel 
had  de  heer  Westphal  omstreeks  1855  beweerd  te  Phedra, 
aan  de  Suriname-rivier,  steenkolen  te  hebben  gevonden, 
maar  latere  onderzoekingen  hadden  de  onjuistheid  dezer 
bewering  aangetoond.  Van  de  geologische  gesteldheid 
van  het  land  was  nagenoeg  niets  bekend;  een Duitscher, 
Dr.  Voltz,  was  in  het  midden  dezer  eeuw  met  het  instel- 
len van  een  wetenschappelijk  onderzoek  begonnen ,  maar 
de  resultaten  zijner  waarnemingen  gingen  na  zijn  dood 
gedeeltelijk  verloren,  en  werden  voor  een  deel  eerst 
openbaar  gemaakt  door  den  hoogleeraar  K.  Martin,  die 
in  1885  een  onderzoek  instelde  aan  de  rivier  de  Suriname. 
Dat  Suriname's  bodem  goud  bevatte  was  toen  ter  tijd 
reeds  gebleken,  maar  omtrent  de  ligging,  de  uitgestrekt- 
heid en  den  vermoedelijken  rijkdom  der  goudhoudende 
formatie  wist  men  nagenoeg  niets  met  zekerheid.  Reeds 
de  heer  Martin  wees  er  op,  dat  het  van  groot  belang 
zou  zijn,  als  eerste  stap  tot  een  systematische  ontginning , 
om  nauwkeurig  na  te  gaan  en  in  kaart  te  brengen,  welk 
deel  van  den  bodem  wordt  ingenomen  door  de  formatie 
der  kristallijne  leien  (huronische  formatie),  uit  welke  het 
goud  voornamelijk  schijnt  afkomstig  te  zijn.  Maar  er 
werd  niets  in  deze  richting  gedaan. 

Intusschen  bleek  de  goudrijkdom  van  Suriname  meer 
en  meer.  De  eerste  uitvoer  van  goud  had  plaats  in  1884 , 
en  ondanks  de  primitieve  wijze  van  ontginning,  welke 
zich  bepaalde  tot  eenvoudig  wasschen ,  bedroeg  de  uitvoer 
tot  heden  niet  minder  dan  ƒ  19,000,000. 

Terwijl  men  in  Nederland  volhardde  in  de  bestaande 
onverschilligheid   ten   opzichte   van   de   Kolonie,  begon 


113 

Snriname  de  aandacht  te  trekken  van  het  buitenlandsche 
kapitaal,  dank  zij  de  gunstige  verslagen  van  mijnbouw- 
kundigen ,  uitgezonden  tot  het  instellen  van  een  onderzoek. 
Een  hunner ,  A.  J.  Mather ,  Practical  Mine-Ope- 
rator, gaf  in  het  Amerikaansche  tijdschrift  The  Engi- 
neering Magazine  van  1893  eene  uitvoerige  beschrijving 
van  de  „Goudvelden  van  Nederlandsch- Guyana",  zooals 
hij  deze  door  eigen  onderzoek  en  door  de  waarnemingen 
van  anderen  had  leeren  kennen.  Volgens  hem  begint  de 
goudhoudende  rand  ongeveer  75  mijlen  van  de  zeekust, 
en  loopt  in  N.  O.  en  Z.  W.  richting,  ter  breedte  van  75 
tot  100  mijlen.  Deze  rand  is  nog  niet  voor  de  helft  on- 
derzocht, doch  dat  daarin  een  ontzaggelijke  rijkdom  van 
kostbare  metalen  verborgen  is,  wordt  door  geen  des- 
kundige, die  den  bodem  met  eigen  oogen  heeft  gezien, 
betwijfeld.  Volgens  hem  en  anderen  is  Nederl. -Guyana 
bestemd  om  het  rijkste  goudveld  ter  wereld  te  worden 
en  zijn  de  vooruitzichten ,  welke  men  van  de  p  1  a  c  e  r- 
en  de  kwartsontginning  mag  verwachten,  niet  te  hoog 
te  stellen.  Een  goed  spoorwegstelsel  is  evenwel  onont- 
beerlijk om  het  verre  binnenland  te  bereiken;  die  spoor- 
weg zou  behalve  dat  hij  de  mijnontginning  ten  goede 
kwam,  ook  het  vervoer  van  de  verschillende  uitstekende 
timmer-  en  meubelhoutsoorten  zeer  vergemakkelijken, 
en  de  cultuur  van  allerlei  producten  bevorderen. 

Maar,  zoo  voegt  hij  er  bij,  zonder  „Amerikaan- 
sche push  en  kapitaal  valt  er  op  geen  goeden  uitslag 
te  rekenen.  Dit  land  verbeidt  de  aanraking  van  den 
tooverstaf  door  Ameri^aanschen  ondernemings- 
geest gezwaaid,  daar  noch  het  Nederlandsche  bestuur, 
noch  het  Nederlandsche  kapitaal  iets  doen  om  het  bin- 
nenland der  Kolonie  open  te  stellen  en  tot  ontwikkeling 
te  brengen." 

Het  zou  weldra  blijken  dat  deze  woorden  niet  onop- 
gemerkt waren  gebleven. 

Eindelijk  begon  men  ook  in  Nederland  eenige  aandacht 


114 

te  schenken  aan  Suriname.  Reeds  sedert  geruimen  tijd 
had  de  heer  Mr.  Lindaal  Jacobs  getracht  invloedrijke 
personen  te  winnen  voor  een  door  hem  ontworpen  plan 
tot  het  instellen  van  een  geologisch  en  landbouwkundig 
onderzoek  van  een  deel  van  het  binnenland,  waarmede 
tevens  samenging  het  plan  tot  aanleg  van  een  spoor-  of 
tramweg ,  uitgaande  van  een  punt  aan  de  Suriname-rivier , 
loopende  in  Z.  W.  richting  naar  de  onbekende  land- 
streek gelegen  tusschen  de  Suriname-  en  de  Saramacca- 
rivieren ,  de  andere  in  Z.  O.  richting  naar  het  zg.  Lawa- 
gebied,  de  streek  gelegen  tusschen  de  Lawa  endeTapa- 
nahony.  De  kosten ,  voorloopig  geraamd  op  ƒ  15,000,000, 
moesten  bestreden  worden  uit  eene  leening,  uitgegeven 
onder  garantie  van  den  Staat.  Het  mocht  hem  evenwel 
niet  gelukken  het  vertrouwen  der  geldmannen  voor  zijne 
plannen  te  winnen,  en  waarschijnlijk  zou  de  exploratie 
van  een  gedeelte  van  Suriname  door  Nederlanders  nog 
lang  tot  de  vrome  wenschen  hebben  behoord ,  indien  niet 
andere  mannen  zich  tot  dat  doel  aan  het  hoofd  eener 
nieuwe  onderneming  hadden  gesteld.  Dit  was  het  zg. 
Comité-de  Gelder,  bestaande  uit  de  heeren  J.  A.  de  Gelder, 
oud-lid  van  den  Raad  van  Nederl.-Indië ,  J.  C.  Jansen, 
oud  Minister  van  Marine,  C.  Lely,  oud-Minister  van  W., 
H.  en  N.,  en  Mr.  H.  W.  F.  Struben,  advocaat,  waaraan 
later  werd  toegevoegd  de  heer  L.  D.  J.  L.  de  Ram,  Lid 
van  de  Tweede  Kamer  der  St.-G. ,  welk  Comité  later  is 
overgegaan  in  de  vennootschap  „Maatschappij  Suriname", 
gevestigd  te  's  Gravenhage. 

De   Maatschappij   Suriname. 

Onder  dagteekening  van  25  Augustus  1896  werden 
door  het  Comité  rekesten  aangeboden  aan  den  Minister 
van  Koloniën  en  den  Gouverneur  van  Suriname ,  waarbij 
zij  vergunning  vroegen  tot l het  instellen  van  een 
geologisch  en  landbouwkundig  onderzoek  van  den  bodem 


115 

van  Boven-Suriname ,  en  wel  in  het  bijzonder  van  de 
landstreek  gelegen  bezuiden  Paramaribo  en  begrensd 
door  de  Marowijne-  en  Suriname- rivieren ,  met  de  be- 
doeling om  bij  gunstige  resultaten  van  dat  onderzoek, 
concessie   te  verkrijgen: 

a.  voor  den  aanleg  en  de  exploitatie  van  een  tramweg 
van  Paramaribo  naar  het  Lawagebied; 

b.  tot  ontginning  van  een  terreinstrook  diep  1000  meters 
aan  weerszijden  van  den  tramweg; 

c.  tot  ontginning  van  een  of  meer  terreinen ,  gezamenlijk 
ter  grootte  van  500,000  HA.  in  het  onderzochte  terrein. 

Op  den  voorgrond  werd  gesteld  dat  de  tramweg 
beschouwd  moest  worden  als  het  middel  tot  ontginning 
der  landstreek,  doch  niet  als  een  directe  bron  van  in- 
komsten; het  vervoermiddel  diende  de  exploitatie  vooraf 
te  gaan,  als  noodzakelijk  om  tot  de  krachtige  ontwik- 
keling van  het  gewest  te  komen.  Dat  dus  allereerst  het 
in  te  stellen  onderzoek  zou  moeten  dienen  tot  de  vast- 
stelling van  een  voorloopig  tracé  van  den  tramweg,  en 
in  de  tweede  plaats  tot  het  verzamelen  van  de  noodige 
gegevens  ter  beoordeeling  van  de  levensvatbaarheid  van 
een  boven-  en  benedengrondsche  exploitatie  van  de  on- 
derzochte terreinen.  Weliswaar  bleef  de  aanleg  van  den 
tramweg  afhankelijk  van  de  resultaten  van  dit  onderzoek , 
daar  de  lijn,  loopende  deels  door  een  schaars  bevolkte, 
deels  door  een  geheel  onbewoonde  streek,  uit  zichzelve 
geene  levensvatbaarheid  bezat ,  maar  daarentegen  zou,  ook 
bij  gunstig  resultaat  van  het  onderzoek,  de  ontginning 
dier  terreinen  niet  op  voldoende  schaal  kunnen  ge- 
schieden, zoolang  de  tramweg  niet  gereed  was. 

In  de  Kolonie  werd  deze  aanvrage  met  grooten  bijval 
begroet.  Wijl  daaraan  evenwel  overeenkomstig  de  bestaande 
verordening  niet  kon  worden  voldaan,  diende  de  Gou- 
verneur eene  speciale  verordening  in,  welke  den  21 
December  1896  door  de  Koloniale  Staten  werd  goedgekeurd. 
Hierbij  werd  de  Gouverneur  gemachtigd  om  aan  het  Comité 


116 

de  gevraagde  vergunning  tot  het  instellen  van  een  onder- 
zoek te  verleenen.  In  art.  4  werd  bepaald  dat  gedurende 
den  tijd  waarvoor  de  vergunning  verleend  is,  door  den 
Gouverneur  geene  concessiën  of  vergunningen ,  van  welken 
aard  ook ,  worden  uitgegeven  of  verleend ,  op  eene  strook 
land  ter  breedte  van  1000  meters  aan  weerszijden  van 
de  as  van  den  tramweg ,  zoodra  de  richting  daarvan  door 
de  houders  der  vergunning  zal  zijn  aangegeven. 

In  zijne  toelichting  wees  de  Gouverneur  er  met  nadruk 
op,  dat  hoewel  alleen  het  verzoek  om  vergunning  tot 
onderzoek  op  dat  oogenblik  rijp  was  voor  beslissing, 
er  verband  gelegd  moest  worden  tusschen  die  vergunning 
en  eventueel  te  verleenen  concessiën.  „Bij  de  moeilijkheid 
eener  afdoende  regeling ,  moest  voor  een  deel  wederzijdsch 
vertrouwen  de  grondslag  van  alles  zijn/'  „Formeele  aan- 
spraak op  de  gevraagde  concessiën  wordt  niet  gegeven, 
maar  wanneer,  zooals  te  verwachten  is,  de  aanvragers 
rekenen  op  goede  trouw  bij  Regeering  en  Koloniaal  Bestuur, 
dan  zal  de  gekozen  vorm  zeker  voldoende  zijn  om  den 
grondslag  der  zaak  te  kunnen  vormen." 

Den  4en  Januari  1897  volgde  het  besluit  van  den  Gou- 
verneur tot  het  verleenen  der  gevraagde  vergunning, 
welke  voor  den  tijd  van  vier  jaren  werd  verleend,  te 
rekenen  van  de  dagteekening  dezer  beschikking,  terwijl 
het  onderzoek  binnen  een  jaar  moest  zijn  aangevangen , 
dus  vóór  den  4en  Januari  1898. 

Het  was  op  dezen  grondslag  van  wederzijdsch  vertrouwen 
tusschen  Koloniaal  Bestuur  en  aanvragers ,  dat  de  M  a  a  t- 
schappij  Suriname  tot  stand  kwam ,  en  hoewel 
van  den  aanvang  af  door  de  oprichters  er  nadruk  op 
gelegd  werd,  dat  de  toekomst  der  Maatschappij  geheel 
afhankelijk  was  van  de  uitkomsten  van  het  in  te  stellen 
onderzoek,  ondervond  zij  ook  het  noodige  vertrouwen 
van  de  zijde  van  het  publiek.  Hiertoe  werkte  ongetwijfeld 
niet  weinig  mede  de  steun  welke  zij  mocht  ondervinden 
van   de  zijde   der  Regeering,  die  op  haar  verzoek  twee 


117 

bekwame  Ned.  Indische  ambtenaren  ter  beschikking  der 
Maatsch.  stelde,  onder  bepaling  dat  hun  diensttijd  niet 
wordt  onderbroken  door  hunne  werkzaamheid  in  West 
Indië.  Dus  gesteund ,  kostte  het  de  Maatsch.  geene  groole 
moeite  de  noodige,  uitstekende  krachten  aan  hare  onder- 
neming- te  verbinden.  Hoezeer  bij  die  keuze  tramweg- 
aanleg  op  den  voorgrond  trad ,  blijkt  wel  uit  de 
benoeming  van  den  heer  Grinwis  Plaat  tot  leider  der 
opnemings-expeditie ,  terwijl  de  salarissen  voor  de  inge- 
nieurs, speciaal  daarvoor  aangewezen,  met  inbegrip  van 
dat  van  een  landbouwkundige  ƒ  34,800  bedragen ,  terwijl 
de  technici  met  de  mijnbouwkundige  opsporingen  belast, 
slechts  /  11,800  ontvangen. 

Het  geheele  personeel  van  ambtenaren  —  de  mindere 
beambten  enz.  zouden  te  Paramaribo  worden  geëngageerd 
—  scheepte  zich  in  December  jl.  in ,  en  gerust  mag  men 
zeggen ,  dat  nimmer  eene  onderneming  op  degelijker  wijze 
voorbereid  en  met  meer  kans  op  welslagen  Nederland 
verliet.  Nog  voor  den  in  de  verordening  bepaalden  datum 
van  4  Januari  1898  kon  met  het  onderzoek  een  aanvang 
worden  gemaakt. 

De   aanvrage-Duncan   c.  s. 

Tot  de  vreemdelingen  die,  aangelokt  door  de  schitte- 
rende beschrijvingen  van  den  heer  Mather  e.  a.,  Suriname 
bezochten,  met  het  doel  om  bij  gunstig  bevinden  deze 
Kolonie  tot  het  terrein  van  hunne  operatien  te  maken, 
behoorde  ook  de  heer  John  Duncan,  de  type  van  den 
jongen,  ondernemenden  Amerikaan. 

Na  een  verblijf  in  de  Kolonie,  waarbij  hij  zich  door 
een  bezoek  aan  de  verschillende  p  1  a  c  e  r  s  (goudont- 
ginningen) eenigszins  op  de  hoogte  had  gesteld  van  de 
toestanden ,  verzocht  hij  van  het  Koloniaal  Bestuur ,  namens 
een   Amerikaansch   syndicaat,    gevormd   door    den  heer 


118 

Newhouse,   een   rijk   en   zeer   bekend   spoorwegman  te 
Denver,  V.  S.,  de  volgende  concessieën: 

a.  Voor  den  aanleg  van  een  spoorweg  in  de  landstreek 
gelegen  tusschen  de  Suriname-  en  de  Saramaccarivieren , 
loopende  in  Z.  W.  richting,  over  eene  lengte  van  ruim 
150  engelsche  mijlen; 

b.  afstand  van  1  KM.  grond  aan  weerszijden  van  den 
spoorweg ; 

c.  schenking  van  500.000  HA.  land  ter  zijner  keuze, 
vrij  van  eenige  retributie,  alles  voor  den  tijd  van  90 
jaren. 

Hij  verplichtte  zich  om  binnen  6  maanden  na  het  ver- 
krijgen der  concessie  met  den  aanleg  van  den  spoorweg 
te  beginnen,  en  deze  binnen  5  jaren  te  voltooien. 

Er  behoeft  wel  niet  uitdrukkelijk  gewezen  op  de  groote 
overeenkomst  bestaande  tusschen  deze  aanvrage  en  die 
van  de  Mij  Suriname,  ook  wat  de  lijnen  betreft ,  die  beide 
in  zuidelijke  richting  van  Paramaribo  uit,  de  landstreek 
tusschen  de  Suriname-  en  de  Saramacca-rivieren  door- 
snijden, met  dit  verschil,  dat  op  een  punt  nabij  de  Suri- 
namerivier  gekomen,  Bergendal  genoemd,  die  der  Mij 
Suriname  in  Z.  O.  richting  loopt  naar  het  Lawagebied, 
terwijl  de  heer  Duncan  zich  voorstelt  alsdan  in  Z.  W. 
richting  te  gaan.  De  stamlijn  van  Paramaribo  tot  aan 
Bergendal ,  welke  de  thans  geëxploiteerde  goudvelden  met 
de  hoofdstad  zal  verbinden ,  is  evenwel  nagenoeg  dezelfde. 

Doch  tevens  behoeft  het  niet  te  verwonderen  hoezeer 
ook  deze  aanvrage  in  de  Kolonie  met  groote  ingenomen- 
heid begroet  en  voor  de  toekomst  van  Suriname  van 
overwegend  belang  geacht  werd.  De  exploitatie  van  goud- 
velden op  groote  schaal  is  onmogelijk,  zonder  het  tot 
stand  komen  van  betere  en  snellere  verkeersmiddelen, 
daar  de  aanvoer  van  werktuigen  en  levensbehoeften  langs 
de  rivier  tot  aan  Bergendal  en  van  daar  naar  het  bin- 
nenland, te  kostbaar  en  dikwijls  onmogelijk  is.  En  nu 
woog  vooral  zwaar  in  het  voordeel  der  concessie  Duncan, 


119 

dat  de  concessionaris  beloofde  dat  de  aanleg  van  de  lijn 
binnen  6  maanden  begonnen  en  binnen  5  jaren  voltooid 
zoude  zijn,  terwijl  de  Mij  Suriname  op  dat  tijdstip  haar 
onderzoek  nog  moest  aanvangen  en  in  elk  geval  eerst 
over  pi.  m.  2  jaren  met  den  aanleg  zou  kunnen  beginnen. 

Hier  tegenover  stond  dat  het  Koloniaal  Bestuur  tegen- 
over de  Mij.  Suriname  zoo  niet  formeel,  dan  toch  moreel 
gebonden  was ,  en  de  aanleg  van  een  concurreerende  lijn 
bezwaarlijk  vereenigbaar  scheen  met  de  door  de  Mij. 
verkregen  rechten.  Op  dezen  grond  toch  had  de  Gouver- 
neur kort  tevoren  geweigerd  de  concessie  te  verleenen 
voor  den  aanleg  van  een  tramweg  loopende  in  nagenoeg 
dezelfde  richting,  aangevraagd  door  den  heer Duurvoort. 

De  voordeden  voor  de  Kolonie  voortspruitende  uit 
het  spoedig  tot  stand  komen  van  de  lijn-Duncan  wogen 
evenwel  te  zwaar,  dan  dat  de  Gouverneur  de  beslissing 
op  die  aanvrage  meende  te  mogen  aanhouden  tot  de  Mij. 
Suriname  haar  spoorwegplan  had  voltooid,  en  toen  de 
pogingen  om  overeenstemming  te  verkrijgen  tusschen  de 
Maatschappij  en  den  heer  Duncan,  afstuitten  op  diens 
besliste  verklaring ,  dat  hij  niet  met  anderen  wilde  samen- 
werken ,  meende  de  Gouverneur  in  het  belang  der  Kolonie 
te  handelen  door  het  ontwerpen  eener  concept-verordening, 
waarbij  „  met  eerbiediging  in  den  ruimsten  zin  van  de  rech- 
ten en  vooruitzichten  aan  de  Mij  Suriname  gegeven",  aan 
den  heer  Duncan  de  gevraagde  concessie  werd  verleend. 

Zooals  bekend  is  en  hiervoren  werd  opgemerkt,  gaf 
de  Minister  van  Koloniën  telegrafisch  last  de  afkondiging 
dezer  verordening   op    te   schorten. 

De   concessie-Barr   Robertson. 

Bijna  gelijktijdig  met  die  van  den  heer  Duncan  werd 
nog  eene  derde  aanvrage  van  grooten  omvang  gedaan, 
nl.  door  den  heer  J.  Barr  Robertson  uit  Londen. 

Tot  goed   begrip   van  de  geschiedenis  dezer  aanvrage 

9 


120 

diene,  dat  het  recht  van  vergunning  tot  het  doen 
van  onderzoek  naar  de  aanwezigheid  van  delfstoffen,  en 
dat  van  concessie  tot  exploitatie ,  worden  beheerscht 
door  eene  Verordening,  welke  o.  a.  bepaalt  dat  geene 
vergunning  tot  onderzoek  kan  worden  verleend  in  streken, 
waar  alreeds  gronden  in  concessie  zijn  uitgegeven ;  d.  w.  z. 
dat  binnen  een  afstand  van  30  KM.  van  eene  bestaande 
exploitatie  geen  vergunning  tot  onderzoek  kan  worden 
verleend;  daarentejgen  geeft  de  vergunning  voorkeur  op 
concessie  in  de  onderzochte  streken.  De  vergunning  wordt 
kosteloos  verleend,  doch  voor  niet  langer  dan  é  é  n  jaar, 
en  voor  geene  grootere  uitgestrektheid  dan  20,000  HA. 
Deze  laatste  bepaling  wordt  evenwel  in  de  praktijk  herhaal- 
delijk buiten  werking  gesteld  door  het  aanvragen  van  ver- 
gunningen op  verschillende  namen.  Het  concessierecht  duurt 
niet  langer  dan  40  jaren,  en  kost  het  1ste  en  2de  jaar 
10  ets.  per  H.A. ,  het  2de  en  3de  jaai  25  ets.  en  daarna 
50  ets.,  alles  bij  vooruitbetaling. 

Door  den  heer  Barr  Robertson  nu  werd  vergunning 
aangevraagd  voor  332,800  HA.;  toen  evenwel  bleek  dat 
een  deel  dier  gronden  gelegen  was  in  streken  waar  reeds 
terreinen  in  concessie  waren  uitgegeven ,  wijzigde  hij  zijne 
aanvrage  in  dier  voege ,  dat  hij  concessie  vroeg 
voor  199,450  H.A. ,  en  daarvoor  het  concessierecht  van 
ƒ  19,945  betaalde,  ofschoon  ook  hier  feitelijk  alleen  on- 
derzoek werd  beoogd.  Voorts  vroeg  hij  vergunning  voor 
de  rest,  wat  hem  werd  toegestaan. 

Verschillende  deskundigen  werden  nu  door  den  heer 
R.  naar  het  binnenland  gezonden  om  de  noodige  onder- 
zoekingen te  doen,  maar  de  uitkomst  beantwoordde  tot 
dusverre  niet  aan  de  verwachtingen.  Daar  de  vergunning 
overeenkomstig  de  bestaande  verordening ,  evenwel  slechts 
voor  één  jaar  kon  worden  verleend,  stond  de  heer  R. 
dus  na  verloop  van  dat  jaar  voor  het  feit ,  öf  de  vergunning 
te  verliezen,  waardoor  de  gemaakte  kosten  nutteloos 
werden,   óf   ook   voor   deze  terreinen    concessie  aan  te 


121 

vragen,  en  het  concessierecht  van  ƒ  35,000  te  moeten 
voldoen. 

De  door  hem  opgerichte  maatschappij  The  Dutch- 
Guiana  concessions  Limited,  maakte  daar- 
tegen bezwaar,  temeer  nog  wijl  gebleken  was,  dat  deze 
terreinen,  naar  het  heette  nimmer  onderzocht,  bedekt 
waren  met  exploratie-gaten  van  vroegere  onderzoekers, 
zonder  dat  het  Bestuur  daarmede  bekend  was.  De  heer 
R.  stelde  daarop  aan  het  Koloniaal  Bestuur  voor  hem 
de  vergunning  tot  onderzoek  van  terreinen,  te  zamen 
groot  332,800  HA.  voor  v  ij  f  jaren  te  verleenen ,  tegen 
betaling  van  ƒ  2000  met  uitzicht  op  concessie  op  de  ge- 
wone voorwaarden. 

Deze  aanvrage  was  in  strijd  met  de  bestaande  verordening; 
de  Gouverneur  oordeelde  haar  evenwel  zoozeer  in  het 
belang  der  Kolonie ,  dat  hij  meende  door  eene  speciale 
wijziging  der  verordening  de  gerezen  bezwaren  te  moeten 
wegnemen,  en  de  aanvrage  toestaan.  Verder  werd  met 
het  oog  op  eventueele  nieuwe  aanvragen  daarbij  aan 
den  Gouverneur  de  bevoegdheid  verleend ,  in  buitengewone 
gevallen,  den  Raad  van  Bestuur  gehoord,  op  door  hem 
te  stellen  voorwaarden,  de  vergunning  te  verleenen  ook 
voor  langeren  tijd  en  voor  grootere  oppervlakte.  Voorts 
achtte  de  Gouverneur ,  met  het  oog  op  de  omstandigheid, 
dat  het  vergunningsrecht  van  den  heer  Robertson  in 
Januari  1898  zou  komen  te  vervallen,  eene  vervroegde 
afkondiging  dezer  speciale  wijziging  gewenscht. 

Ook  hierop  volgde  eene  telegrafische  lastgeving  van 
den  Minister  om  de  afkondiging  op   te   schorten. 

Het   standpunt   van   den   Minister. 

Om  het  standpuut  door  den  Minister  ingenomen  te 
waardeeren,  was  eene  eenigszins  uitvoerige  schets  van 
hetgeen  voorafging  noodig;  immers  na  hetgeen  is  mede- 
gedeeld,  wordt  de  houding  door  den  Minister  aangeno- 


122 

men  tegenover  de  spoorweg-concessie-Duncan  alleszins 
begrijpelijk:  goede  trouw  en  staatsbelang  brachten  mede 
geene  spoorwegconcessie  aan  anderen  af  te  staan  in 
dezelfde  streek,  zonder  toestemming  der  Mij  Suriname, 
of  voor  dat  gebleken  was ,  dat  deze  daarvan  had  afgezien. 

De  aanleg  en  de  exploitatie  van  den  tramweg  maakte 
niet  alleen  een  integreerend  deel  uit  van  de  aanvrage 
der  Mij,  zij  wafe  daarbij  in  die  mate  hoofdzaak,  dat  de 
Gouverneur  zelf  aan  de  Koloniale  Staten  verklaarde, 
„dat  van  een  zelfstandig  bestaan  der  andere  concessiën 
(de  afstand  van  grond  met  recht  tot  ontginning)  daarnevens 
geen  sprake  kan  zijn,  zoodat  dan  ook  deze  noodzakelijk 
moeten  vervallen,  wanneer  de  tramweg  niet  overeen- 
komstig de  bestaande  voorwaarden  van  de  eventueel  te 
verleenen  concessie  wordt  aangelegd." 

De  verkregen  vergunning  tot  onderzoek  eischt  dus  in 
de  eerste  plaats  om  het  tracé  van  den  tramweg  te  be- 
palen; zoolang  die  richting  niet  definitief  is  vastgesteld, 
mist  het  Koloniaal  Bestuur  de  bevoegdheid  concessie  voor 
datzelfde  doel  te  verleenen  aan  anderen  in  dezelfde  streek, 
als  zijnde  in  strijd  met  de  aan  de  Mij.  verleende  rechten. 

De  bewering  dat  de  lijn-Duncan,  als  loopende  op 
grooten  afstand  van  den  tramweg  en  dan  nog  slechts 
tot  Bergendal  in  dezelfde  richting,  geen  concurrentie 
zou  veroorzaken,  is  geheel  onjuist.  Ten  eerste  is  het 
tracé  van  den  tramweg  nog  niet  vastgesteld,  en  kan 
elke  richting  door  anderen  gekozen ,  ook  die  zijn 
der  Mij.  Doch  bovendien  wordt  algemeen  gehuldigd  het 
beginsel,  dat  een  spoor-  of  tramweg  een  monopolie 
schept,  en  als  zoodanig  moet  beschikken  over  een  zone 
welke  als  de  bron  zijner  inkomsten  beschouwd  wordt. 
Hoe  schaarscher  bevolkt,  hoe  grooter  die  zone  moet 
zijn,  en  dat  dit  het  geval  is  met  de  landstreek  bezuiden 
Paramaribo  wordt  overtuigend  aangetoond  in  de  afwij- 
zende beschikking  van  den  Gouverneur  op  de  aanvrage 
Duurvoort,    waar  hij  er  op  wijst  dat  de  aanleg  van  een 


123 

tweede  tramweg  uit  dien  hoofde  reeds  behoort  te  worden 
afgewezen.  De  afstand  tusschen  beide  rivieren  bedraagt 
ongeveer  40  KM.,  de  bevolking  in  die  landstreek  plm. 
4000  en  nu  gaat  het  niet  aan  in  een  zoo  weinig  bevolkte 
streek  twee  spoorwegen  naast  elkander  te  leggen.  Het 
tracé  Duncan  is  over  de  eerste  50  KM.  op  den  grootsten 
afstand  hoogstens  2  k  3  uren  gaans  verwijderd  van  het 
voorloopig  tracé  der  Mij  en  valt  dus  wel  degelijk  binnen 
de  zone  van  die  lijn. 

Doch  ook  het  Staatsbelang  verzet  zich  tegen  het  ver- 
leenen  der  concessie- Duncan.  De  lijn  Paramaribo— Ber- 
gendal  is  een  stamlijn ,  welke  in  de  toekomst  den  spoor- 
wegbouw in  Suriname  beheerscht;  nagenoeg  alle  lijnen 
welke  eventueel  in  het  binnenland  worden  aangelegd, 
zullen  vertakkingen  zijn  van  deze  stamlijn.  Voor  de 
Regeering  is  er  dus  alles  aan  gelegen ,  dat  deze  lijn  wordt 
aangelegd  op  eene  wijze ,  zoo  dat  zij  aan  alle  technische 
vereischten  voldoet  en  bij  de  vaststelling  van  de  constructie 
van  den  bovenbouw  in  de  toekomst  tot  model  kunne  dienen. 
Slechts  de  Mij.  Suriname,  met  haar  staf  van  Ned.-Ind. 
ingenieurs,  kan  der  Regeering  de  noodige  waarborgen 
en  de  technische  gegevens  verschaffen,  welke  zij  voor 
de  toekomst  behoeft.  Werd  met  de  lijn-Duncan ,  overeen- 
komstig diens  belofte,  binnen  zes  maanden  begonnen, 
dan  zou  deze  in  de  toekomst  den  geheelen  spoorwegbouw 
in  Suriname ,  zoo  wat  spoorwijdte ,  het  gewicht  der  rails, 
het  vrije  profiel,  de  veroorloofde  snelheid  enz.  beheerschen ; 
doch  niet  dit  alleen ,  er  zou  door  deze  lijn  een  monopolie 
worden  in  het  leven  geroepen,  daar  de  Mij.  Suriname, 
voor  wie  de  tramlijn  naar  het  Lawagebied  slechts  een 
lastpost  kan  blijven ,  wanneer  haar  de  voordeelen  worden 
ontnomen,  welke  van  het  gedeelte  Paramaribo— Bergend  al 
mogen  worden  verwacht ,  —  het  eenige  gedeelte  dat  kans 
oplevert  loonend  te  zullen  zijn,  —  van  den  aanleg  zal 
moeten  afzien. 

Bovendien    bestaan   er   gronden   van   politieken   aard 


124 

welke  het  verleenen  van  concessie  voor  deze  tramlijn, 
welke  tot  een  monopolie  zoude  worden,  aan  een  vreem- 
deling minder  raadzaam  doen  zijn.  Welke  deze  gronden 
zijn,  zal  uit  het  volgende  blijken.  Het  aangevoerde  zal 
intusschen  voldoende  zijn  aan  te  toonen ,  dat  de  Minister 
met  beleid  handelde  door  maatregelen  te  nemen  om  de 
rechten  der  Mij.  Suriname  te  handhaven.  De  gelegenheid 
staat  voor  den  heer  Duncan  open  om,  afwijkende  van 
zijne  verklaring  dat  hij  niet  met  anderen  wil  samen- 
werken ,  in  overleg  te  treden  met  de  Mij. ,  en  als  uitgangs- 
punt voor  zijn  lijn  te  kiezen  Bergendal,  met  recht  van 
running-power  op  de  lijn  Bergendal — Paramaribo. 
Doch  alvorens  dergelijke  concessie  te  verleenen  zal  het 
noodig  zijn  voor  Suriname  algemeene  regelen  vast  te 
stellen  voor  den  aanleg  en  de  exploitatie  van  spoor-  en 
tramwegen,  overeenkomstig  de  daaromtrent  heerschende 
voorschriften  in  Nederl. -Indië.  Daardoor  alleen  kunnen 
moeilijkheden  in  de  toekomst  worden  voorkomen. 

Een  ander  bezwaar  betreft  de  uitgifte  van  dergelijke 
uitgestrekte  terreinen  aan  personen  of  maatschappijen; 
lste  wijl  volgens  de  verordening  de  vergunning  tot  het 
instellen  van  onderzoek  tevens  het  recht  in  zich  sluit  op 
voorkeur  om  eene  concessie  tot  ontginning  te  verkrijgen. 
Het  gevolg  is  dat  uitgestrekte  terreinen  —  in  dit  geval 
niet  minder  dan  1,400,000  H.A.  —  voor  geruimen  tijd 
worden  vastgelegd;  2de  wijl  daardoor  een  macht  in  de 
Kolonie  wordt  in  het  leven  geroepen,  welke  te  eeniger 
tijd  een  bron  van  groote  moeilijkheden  zou  kunnen  worden. 

Dit  bezwaar  geldt  gelijkelijk  voor  alle  drie  aanvragers, 
maar  het  klimt  in  beteekenis ,  waar  dergelijke  uitgestrekte 
gewesten  worden  afgestaan  aan  vreemde  vennootschappen, 
wier  zetel  buiten  de  Kolonie  is  gevestigd. 

De  oppervlakte  der  terreinen  door  den  heer  Duncan 
aangevraagd ,  bedraagt  meer  dan  die  der  provinciën  Noord- 
en Zuid-Holland  te  zamen;  de  omvang  der  concessie-Barr 


125 

Robertson  overtreft  dien  der  provincie  Overijssel,  is 
meer  dan  Zeeland  en  Utrecht  te  zamen.  Men  denke  zich 
een  gebied  grooter  dan  4  onzer  provinciën  in  handen  van 
twee  buitenlandsche  maatschappijen ,  en  dat  in  eene  kolonie  ' 

met   slechts    ruim   60,000    inwoners,   terwijl  eene   dier  ^ 

maatschappijen   bovendien   het   spoorwegverkeer    in   de  f 

kolonie  beheerscht.  Het  ware  den  weg  openen  tot  allerlei  j 

verwikkelingen   en  tot  inmenging   van  vreemden  in  het  I 

bestuur  der  kolonie. 

De  heer  Duncan  is  Amerikaan ;  de  vennootschap  waar- 
voor hij  optreedt,  of  aan  wie  hij  zijne  rechten  zal  over- 
dragen .  is  evenals  de  bestuurders ,  zuiver  Amerikaansch , 
voorts  wil  hij  den  zetel  buiten  de  kolonie  vestigen.  Wie 
nu  let  op  de  beteekenis  in  den  laatsten  tijd  aan  de 
Monroe-leer  gegeven;  aan  Amerika1  s  houding  tegenover 
de  Sandwichs- eilanden,  waar  eenige  Amerikaansche 
suikerplanters  de  voorloopers  waren  der  annexatie;  aan 
hetgeen  ten  opzichte  van  Cuba  is  voorgevallen,  die  zal 
moeten  toegeven  dat  het  verleenen  van  zoo  overheer- 
schenden  invloed  op  de  zaken  der  kolonie  in  de  toekomst 
hoogst  bedenkelijk  kan  zijn. 

De  heer  Barr  Robertson  is  Engelschman  en  de  zetel 
der  Dutch-Guiana  Concessions  Limited 
te  Londen  gevestigd.  Is  het  gevaar  dat  van  die  zijde  dreigt 
minder  groot?  Men  denke  aan  Engelands  optreden  tegen- 
over  Venezuela,  bovenal  aan  Jameson's  raid  en  de 
daarbij  aangenomen  houding  van  Engeland.  Wie  dit  alles 
overweegt  en  bovendien  hoe  gemakkelijk  het  vallen  moet 
op  dergelijke  uitgestrekte  terreinen  moeilijkheden  te  pro- 
voceeren,  zal  het  gevaar  voor  vreemde  inmenging  niet 
ligt  tellen. 

Ten  opzichte  van  de  concessie-Barr  Robertson  geldt 
bovendien  het  bezwaar,  dat  de  Gouverneur  daarbij  eene 
speciale  wijziging  der  verordening  voorstelde ,  waarbij 
de  bevoegdheid  werd  verleend  van  wettelijke  bepalingen 
af  te  wijken ,  waardoor  in  de  toekomst  de  deur  zou 


126 

kunnen  worden  geopend  voor  allerlei  willekeur,  terwijl 
eene  algemeene  wijziging  der  goudverordening  in  vele 
der  gerezen  en  in  andere  bezwaren  zou  kunnen  voorzien. 

Zoo  behoort  te  vervallen  het  verbod  van  onderzoek 
in  streken  waar  reeds  concessiën  bestaan.  Zooals  de  be- 
paling thans  luidt  kan  de  houder  eener  kleine  concessie 
van  bv.  600  HA.  andere  onderzoekers  op  30  KM.  afstand 
van  zich  verwijderd  houden,  maar  zelf  intusschen,  zon- 
der vergunning,  het  geheele  omliggende  terrein  van 
360000  HA.  onderzoeken. 

Bovendien  is  deze  noodig  om  het  instellen  van  een 
onderzoek  naar  en  de  ontginning  van  delfstoffen  in  de 
kolonie  meer  in  overeenstemming  te  brengen  met  de 
voorschriften  te  dien  opzichte  in  Nederl.-Indië  bestaande 
of  nog  te  stellen.  Allereerst  behoort  als  eisch  te  worden 
gesteld  dat  geene  concessies  en  landuitgiften  kunnen  ge- 
schieden dan  aan  Nederlanders  en  aan  ingezetenen  van 
Nederland  en  Suriname,  dan  wel  aan  vennootschappen 
in  Nederland  of  Suriname  gevestigd,  met  de  bepaling  dat 
de  concessionaris  in  elk  geval  in  de  kolonie  behoort  te 
zijn  vertegenwoordigd. 

Men  heeft  als  argument  voor  het  verleenen  der  spoorweg- 
concessie aan  den  heer.  Duncan  vooral  nadruk  gelegd 
op  diens  belofte  binnen  zes  maanden  met  den  aanleg  te 
zullen  beginnen.  Gesteld  dat  het  hiermede  ernst  is,  en 
dit  beginnen  zich  niet  bepaalt  tot  het  plaatsen  van  een 
of  andere  loods,  of  andere  schijn- werkzaamheid ,  zoo 
mag  toch  worden  betwijfeld  of  hierin  een  grond  kan 
worden  gevonden,  om  de  verkregen  rechten  der  M.ij 
Suriname  te  krenken.  Op  dien  grond  toch  zou  men  aan 
iederen  nieuwen  aanvrager,  die  belooft  nog  spoediger 
met  den  aanleg  te  beginnen,  of  een  lijn  nog  spoediger 
te  voltooien,  eveneens  concessie  moeten  verleenen. 

Het  komt  ons  voor  dat  het  standpunt  door  den  Minister 
ingenomen,  het  juiste  is,  door  de  omstandigheden  geboden,  en 
gerechtvaardigd  door  het  welbegrepen  belang  der  Kolonie. 


127 
Het  belang  der  Kolonie. 

Er  wordt,  en  terecht,  groote  waarde  gehecht  aan  de 
ontginning  der  natuurlijke  rijkdommen  van  een  land, 
welke  in  den  bodem  verborgen  zijn.  Doch  de  voordeelen 
welke  daaruit  voor  een  land  voortvloeien ,  mogen  niet  blind 
maken  voor  de  keerzijde  der  medaille ,  nl.  deze ,  dat  men 
het  kapitaal  uitput.  Zal  mijnbouw  niet  roofbouw  zijn, 
die  ten  slotte  het  land  arm  achterlaat ,  dan  dient  er  voor 
gezorgd,  dat  de  voordeelen  daaruit  verkregen  niet  enkel 
strekken  om  de  zakken  van  meestal  vreemde  aandeel- 
houders en  geldschieters  te  vullen ,  dat  niet  enkelen  zich 
verrijken,  maar  dat  het  algemeen  belang  daardoor  worde 
Bevorderd,  en  het  land  zijn  billijk  aandeel  geniet  van 
die  voordeelen. 

Een  sterk  sprekend  voorbeeld  levert  de  phosphaat- 
ontginning  op  Klein-Curagao  en  Aruba,  behoorende  tot 
de  Nederlandsche  bezittingen  in  West-Indië.  De  gelukkige 
ontdekker  dezer  phosphaat-beddingen ,  de  Engelschman 
John  Godden ,  verdiende  eenige  millioenen  met  de  exploi- 
tatie, terwijl  de  Kolonie  daarvan  niet  zoovele  tonnen 
gouds  genoot.  Zoolang  de  ontginning  voortduurde  was 
de  Kolonie  in  staat  uitgaven  en  inkomsten  in  evenwicht 
te  houden;  doch  nauwelijks  droogt  de  bron  dier  buiten- 
gewone inkomsten  op,  of  de  Kolonie  is  weer  even  arm 
als  voorheen  —  armer  zelfs ,  daar  de  uitgaven  gedurende 
de  vette  jaren  aanmerkelijk  zijn  gestegen  —  en  zonder 
phosphaat. 

Het  directe  voordeel  door  Suriname  te  trekken  uit  de 
ontginning  van  delfstoffen  door  Barr  Robertson  —  die 
door  Duncan  c.  s.  kan  geen  direct  voordeel  opleveren, 
daar  de  schenking  van  land  zou  geschieden  vrij  van 
eenige  retributie  —  bestond  uit  de  concessiegelden ,  be- 
dragende voor  ruim  300,000  HA.  de  eerste  jaren  ruim 
ƒ30,000,  daarna  ruim  ƒ  80,000  en  verder  ƒ  160,000,  en 
voorts   uit   het  goudrecht,   ten  bedrage  van  7  ets.  per 


• 


* 


128 

gram.  Zoo  betaalt  cene  goud  concessie  groot  5000  HA., 
welker  jaarlijksche  winst  geraamd  wordt  op  ƒ  1,600,000, 
aan  concessierecht  ƒ2,500,  plus  het  goudrecht;  dit  is  het 
eenige  directe  voordeel  hetwelk  de  Kolonie  van  deze 
ontginning  geniet.  Het  indirecte  voordeel  bestaat  uit  de 
stijging  van  de  opbrengst  der  invoerrechten,  —  althans 
zoo  lang  men  niet  gedwongen  wordt  deze  te  ver* 
lagen  of  af  te  schaffen,  adres  Johannesburg !  —  en  uit 
eenig  meerder  vertier.  Voor  Suriname,  dat  allereerst  be- 
hoefte heeft  aan  eigen  middelen,  zijn  deze  voordeelen 
niet  gering,  maar  wegen  zij  op  tegen  eene  overhaaste 
uitputting  van  de  minerale  rijkdommen  van  het  land  door 
vreemde  geldschieters  ?  Wij  zouden  meenen  dit  te  moeten 
betwijfelen. 

Bevat  Suriname's  bodem  schatten,  —  en  daaraan  valt 
niet  te  twijfelen,  —  dan  behoort  de  exploitatie  derwijze 
te  geschieden ,  dat  ook  de  kolonie  daarvan  billijke  vruchten 
trekt,  en  het  niet  ga  zooals  thans  het  geval  is,  dat  de 
kolonie  in  20  jaren  f  19,000,000  aan  goudwaarde  armer 
wordt,  en  daarvan  hoogstens  één  millioen  profiteert. 

Dit  kan  op  tweeërlei  wijze  geschieden:  de  staat.  d.  i. 
in  dezen  de  kolonie,  kan  een  billijk  aandeel  genieten  in 
de  door  particulieren  te  behalen  winsten  uit  ontginningen, 
of  wel  hij  kan  zelf  tot  exploitatie  besluiten  en  daarmede 
het  wegvloeien  der  winsten  voorkomen.  Aan  uitsluitend 
eigen  exploitatie  kan ,  bij  de  uitgestrektheid  van  Suriname, 
wel  nimmer  worden  gedacht,  doch  wel  zou  deze  kunnen 
samengaan  met,  en  zelfs  bevorderen  de  exploitatie  door 
particulieren.  De  bezwaren  gemeenlijk  tegen  Staats- exploi- 
tatie ingebracht,  worden  voldoende  weerlegd  door  die 
der  Staatssporen ,  en  waarom  zou  de  Staat,  die  wèl  de 
tinmijnen  van  Banka  en  de  steenkolen  van  Ombiliën  in 
eigen  beheer  weet  te  exploiteeren ,  niet  ook  in  Suriname 
met  voordeel  goud  kunnen  ontginnen? 

Dit  zou  zijn  te  handelen  in  het  tweeledig  belang  der 
Kolonie;   allereerst  wijl  de  voordeelen  geheel  ten  goede 


H 


129 

zouden  komen  aan  de  Koloniale  Kas ,  en  deze  versterking 
van  eigen  middelen  de  voorziening  in  tal  van  behoeften 
mogelijk  zou  maken  zonder  evenredige  verzwaring  van 
druk,  maar  mede  wijl  daardoor  de  particuliere  industrie 
krachtig  zou  worden  bevorderd.  Eigen  exploitatie  toch 
veronderstelt  voorafgaand  onderzoek,  en  wat  dat  onder- 
zoek van  Staatswege  beteekent,  leert  ons  het  standaard- 
werk van  de  Ned.-Ind.  Ingenieurs  Verbeek  en  Fennema 
-  de  laatste  helaas  slachtoffer  geworden  van  zijn  plicht. 
Hoe  hooge  waarde  men  ook  moge  hechten  aan  het  weten- 
schappelijk zoowel  als  practisch  onderzoek  door  de  Mij. 
Suriname  in  te  stellen ,  deze  nasporingen  bepalen  zich 
slechts  tot  een  deel ,  dat  hoe  uitgestrekt  ook ,  toch  slechts 
een  gering  gedeelte  uitmaakt  van  het  onbekende  gebied. 
Het  onderzoek  door  aanvragers  als  de  heeren  Duncan  en 
Barr  Robertson  in  te  stellen ,  uitsluitend  van  practischen 
aard,  brengt  de  wetenschappelijke  kennis  der  Kolonie 
niet  verder.  Daarentegen  zou  de  Staat,  eenmaal  zijn  onder- 
zoek aangevangen  en  daarvoor  beschikkende  over  het 
noodige  deskundige  personeel ,  daarmede  gelijdelijk  moeten 
voortgaan,  en  de  vruchten  van  dat  onderzoek,  de  daar- 
door verkregen  gegevens ,  zouden  weder  ten  goede  komen 
aan  particuliere  exploitanten. 

Op  deze  wijze  zou  Nederland  eindelijk  de  groote  schuld 
kunnen  afdoen,  welke  het  tegenover  Suriname  heeft  aan- 
gegaan, de  schuld  der  verwaarloozing ,  gedurende  een 
lange  reeks  van  jaren,  van  dat  rijke,  toch  arme  land, 
hetwelk  van  het  Moederland  iets  anders,  meer  vraagt 
dan  subsidie  als  bedeelde;  dat  thans  dankbaar  de  hand 
aanvaart,  welke  hem  wordt  toegereikt  om  het  op  te 
heffen  uit  den  tegenwoordigen  toestand  van  verval,  ook 
al  is  het  de  hand  van  een  vreemdeling,  met  zelfzuchtige 
bedoelingen  toegestoken. 

Conclusie. 
In  stede  van  de  besluiten  des  Ministers  te  betreuren, 


130 

meenen  wij  dat  er  alle  reden  is  om  te  waardeeren  de 
bezadigdheid  en  het  beleid  waarmede  hij  heeft  voorkomen , 
dat  aan  het  geloof  aan  den  goeden  trouw  van  het  Gou- 
vernement een  gevoeligen  knak  werd  gegeven ;  voorkomen 
voorts  dat  de  hulpbronnen  van  Suriname  overhaast,  ten 
bate  van  vreemden,  worden  uitgeput. 

Ten  onrechte  evenwel  zou  men  uit  de  door  Z.  E.  aan- 
genomen houding  afleiden  dat  hij  vreemdelingen  zou  willen 
uitsluiten.  Men  vergeet  daarbij  dat  de  heer  Barr  Robert- 
son  beschikt  over  eene  concessie  van  niet  minder  dan 
199,945  H.  A.  —  meer  dan  geheel  Zeeland  of  Utrecht  — 
welke  hem  niet  kan  worden  ontnomen  zoolang  hij  de 
voorwaarden  der  concessie  nakomt,  een  terrein  groot 
genoeg  voor  de  werkzaamheid  ook  van  een  machtige 
onderneming.  Vreemden  te  willen  uitsluiten  ware  even 
onmogelijk  als  onverdedigbaar.  Maar  wel  mogen  wij  aan- 
nemen dat,  nu  de  omstandigheden  den  Minister  hebben 
gedwongen  in  te  grijpen,  hij  deze  gelegenheid  zal  benut- 
tigen om  bij  het  verleenen  van  concessies  en  het  uitgeven 
van  groote  uitgestrektheden  grond  aan  vreemden,  die 
waarborgen  te  stellen  welke  door  het  algemeen  belang 
worden  geboden. 

»  >£?£.  H.  PYTTERSEN  T, 


Koloniale  aangelegenheden  in  de  Eerste  Kamer. 


In  hare  vergadering  van  31  Januari  heeft  de  Eerste 
Kamer  het  wetsontwerp  betreffende  de  opheffing  van 
Menado  als  vrijhaven  in  verband  met  de  afschaffing  der 
verplichte  koffiecultuur  in  deze  residentie  zonder  dis- 
cussie of  stemming  aangenomen. 

Evenzoo  ging  het  wetsontwerp  tot  afschaffing  van  het 
uitvoerrecht  van  suiker  in  Nederlandsch-Indië  er  zonder 
slag  of  stoot  door.  Wel  hadden  in  het  Voorloopig  Ver- 
slag „enkele  leden"  zich  tegen  den  voorgestelden  maat- 
regel verklaard,  doch  van  eene  eigenlijke  oppositie  was 
geen  sprake.  Desniettemin  hield  de  heer  Muller,  die  op 
21  Mei  1897  den  vorigen  minister  van  Koloniën  inter- 
pelleerde  om  eene  hernieuwde  schorsing  van  het  uitvoer- 
recht te  verkrijgen,  maar  daarmede  geen  succes  had, 
eene  lange  rede  tot  aanprijzing  van  het  wetsontwerp, 
waarbij  hij  minister  Cremer  hulde  bracht,  dat  deze  met 
kloeke,  forsche  hand  had  ingegrepen.  De  heer  Muller  be- 
ijverde zich ,  de  enkele  leden ,  die  in  het  V.  V.  bedenkingen 
hadden  geopperd,  te  overtuigen,  dat  de  rechtvaardigheid 
alleen  de  afschaffing  van  het  uitvoerrecht  medebrengt, 
dat  hier  geen  geschenk  wordt  voorgesteld  van  min  of 
meer  protectionnistischen  aard,  en  dat  niet  het  belang 
der  Indische  suikerfabrikanten  vooraan  staat,  doch  dat 
van  de  betreffende  bevolking  en  van  den  Staat.  Het  voor- 
naamste argument,  dat  ten  gunste  van  de  afschaffing 
pleit ,  was  z.  i.  in  de  overigens  uitnemende  Memorie  van 


132 

Toelichting  aan  de  Tweede  Kamer  over  het  hoofd  gezien. 
Dit  argument  is ,  dat  de  uitvoerrechten  ongetwijfeld  reeds 
in  1872  zouden  zijn  afgeschaft  —  dat  is  25  jaren  gele- 
den — ,  als  de  Indische  suiker-industrie  niet  het  gelag 
had  moeten  betalen  van  de  voor  de  Indische  schatkist 
zoo  kostbare  pogingen  om  onze  eigen  Hollandsche  indus- 
trie, die  voor  den  uitvoer  naar  Indië  werkte,  tot  ont- 
wikkeling te  brengen,  met  name  onze  katoen-industrie. 

Aan  het  slot  van  zijn  warm  betoog  legde  spr.  er  na- 
druk op,  hoe  goed  het  is,  dat  de  mannen,  die  Java  en 
de  Buitenbezittingen  productief  maken,  niet  méér  gehin- 
derd worden  in  hunne  industrieën,  in  hun  nuttig  streven 
voor  vaderland  en  koloniën,  aan  niet  meerdere  belastin- 
gen worden  onderworpen  dan  absoluut  noodzakelijk  is. 
Aan  die  mannen  toch  hebben  wij  het  te  danken,  dat  in  de 
laatste  30  jaren  voor  rond  530  millioen  gulden  hier  te 
lande  uit  Deli  aan  tabak  aan  de  markt  is  gebracht  en 
de  algemeene  welvaart  aanzienlijk  is  verhoogd.  Aan  hen 
hebben  wij  het  te  danken,  dat  wij  op  Java  200  bloeiende 
suikerfabrieken  hebben  gekend  en  dat  er  thans  nog  185 
van  werken ,  die  voor  den  inlander  en  het  Gouvernement , 
dat  is  voor  den  Staat  der  Nederlanden,  zoo  zegenrijk 
zijn  en  onmisbaar. 

„Ik  dank  er  dezen  Minister  voor  met  gansch  mijn 
hart,"  zoo  eindigde  de  heer  Muller,  „ook  al  heb  ik  er 
geenerlei  belang  bij,  dat  hij  den  kloeken  moed  heeft 
gehad  om  dit  wetsontwerp  in  te  dienen." 

Zijnerzijds  bracht  de  minister  Cremer  den  hem  toe- 
gezwaaiden  lof  terug  op  den  heer  Muller,  die  zoo  her- 
haaldelijk op  de  afschaffing  van  het  uitvoerrecht  heeft 
aangedrongen.  De  Minister  wees  nog  met  een  enkel  woord 
op  de  wenschelijkheid ,  de  laatste  slagboomen  voor  de 
suiker-industrie  weg  te  nemen,  die  ook  niet  weder  mo- 
gen worden  opgericht,  zelfs  wanneer  er  in  de  toekomst 
voor  dit  bedrijf  veel  gunstiger  tijden  mochten  aanbreken. 


133 

Eene  afzonderlijke  zitting  besteedde  de  Eerste  Kamer 
aan  de  behandeling  der  begrooting  voor  Suriname.  De 
heer  Van  Asch  van  Wijck,  oud-gouverneur  der  kolonie, 
hield  eene  zeer  uitvoerige  rede,  waarin  hij  heel  wat 
wijsheid  ten  beste  gaf.  Het  was  een  opeenstapeling  van 
adviezen,  waarin  echter  geen  leidende  gedachte  viel  te 
bekennen.  De  rede  getuigde  meer  van  goeden  wil  dan 
van  krachtig  vermogen  en  helder  inzicht  in  de  behoeften 
van  Suriname ;  zij  maakte  dan  ook  weinig  of  geen  indruk. 

Op  tal  van  punten  bleken  de  heer  Van  Asch  van  Wijck 
en  de  Minister  van  meening  te  verschillen,  vooral  wat 
de  financiën  betreft,  waaromtrent  de  heer  Cremer  een 
heel  wat  minder  optimistische  beschouwing  gaf  dan  de 
oud-gouverneur. 

De  Minister  meende  ernstig  op  bezuiniging  bedacht  te 
moeten  zijn ,  waar  die  zonder  de  ontwikkeling  der  kolonie 
te  schaden,  mogelijk  is.  Z.Exc.  was  o.  a.  van  oordeel, 
dat  het  geheele  bestuurspersoneel ,  rechterlijke  en  admi- 
nistratieve ambtenaren,  te  talrijk  is  voor  de  geringe  be- 
volking. Ook  op  het  gebied  van  de  krijgsmacht  scheen 
bezuiniging  mogelijk;  volgens  den  tegenwoordigen  com- 
mandant zou  er  alleen  door  beter  toezicht  op  het  hospi- 
taal 20pct.  op  de  militaire  uitgaven  kunnen  worden  bespaard. 

De  Minister  is  in  het  algemeen  voorstander  van  gelei- 
delijke ontwikkeling  en  gelooft  niet  dat  bijv.  van  krachtige 
maatregelen  op  het  gebied  der  immigratie  spoedige  resul- 
taten in  het  belang  der  kolonie  zijn  te  verwachten.  Vooral 
scheen  het  niet  raadzaam  het  immigreeren  van  Britsch- 
Indische  werkkrachten  te  bevorderen ,  omdat  deze  bij  de 
goud- industrie  niet  gebruikt  mogen  worden,  terwijl  de 
groote  landbouw  niet  bloeiend  is.  Om  die  reden  had  de 
Minister  er  ook  nogal  tegen,  de  immigratie  van  Javanen 
te  bevorderen,  die  in  hun  eigen  land  misschien  even 
goed  den  kost  kunnen  verdienen  en  niet  zelden  de  gele- 
genheid vinden  zich  aan  den  landbouw  in  tot  dusver  niet 
bebouwde  streken  te  wijden.   De  Minister  verwacht  voor 


134 

het  oogenblik  meer  van  de  ontwikkeling  van  den  kleinen 
landbouw,  en  is  ook  niet  zeer  ingenomen  met  het  denk- 
beeld om  eene  commissie  te  benoemen  die  de  middelen 
zal  beramen  om  de  kolonie  spoediger  en  krachtiger  voor- 
uit te  brengen. 

Over  de  begrooting  van  Curacao  werd  geen  debat  ge- 
voerd, evenmin  over  Hoofdstuk  X  (Koloniën)  derStaats- 
begrooting. 


EEN  PROTEST. 


Als  de  laster  aan  het  werk  is,  klutst 
zy  waar  en  valsch  zoo  fijn  dooreen,  dat 
zelfs  de  engelen  aan  het  twijfelen  zou- 
den raken. 

In  het  opstel  „Indische  omtrekken"  door  X*,  voor- 
komende in  het  Algemeen  Handelsblad  van  23  December 
jl. ,  lees  ik  onder  meer: 

„  Ik  sprak  zooeven  van  Pedir  en  Segli.  Het  is  mij  nog 
niet  duidelijk,  waarom  men  van  het  groote  succes, 
onlangs  bij  de  expeditie  naar  Segli  behaald,  niet  meer 
partij  heeft  getrokken.  Het  ontzag,  de  vrees  voor  onze 
wapens  was  op  dat  oogenblik  zeer  groot,  en  met  eene 
betrekkelijk  kleine  macht  had  men  wonderen  kunnen 
doen;  onmogelijk  was  het  wellicht  niet  geweest  dat  men 
toen  de  geheele  Pedir-quaestie  had  beëindigd. 

„ Maar  al  was  dat  niet  het  geval  —  ik  stel  mij 
voor  dat  de  Atjehers  van  den  haastigen 
terugkeer  al  even  weinig /tre  gr  epen  zul- 
len hebben  als,  tijdens  'generaal  Van 
Swieten's  bevel,  van  het  terugroepen  van 
Van  der  He  ij  den' s  colonne  na  den  val  van 
den  Krat  on."  •) 

Dat   laatste   is   een    „  Seitenhübe"   aan   het  adres  van 


°)  De  spatieering  is  van  mij. 

10 


136 


wijlen  den  generaal  Van  Swieten,  om  hem  weer  eens 
als  een  onbekwaam  krijgsoverste  te  laten  voorkomen. 
Die  handeling  is  zóó  beneden  alle  critiek,  dat  ik  mij 
verplicht  gevoel  voor  de  eer  van  dezen  grootsten  Indi- 
schen  veldheer  en  staatsman  dezer  eeuw,  het  lezend 
publiek  over  die  Atjeh-quaestie  nader  in  te  lichten. 

Blijkbaar  is  de  anonieme  schrijver  een  geestverwant 
van  den  generaal  Verspyck,  die  over  dit  onderwerp  in 
zijn  werk  Generaal  Van  Swieten  en  de  waarheid  op 
bladz.  53  het  volgende  schreef: 

„Zoodra  de  Kraton  ons  was,  ontving  ik  order  de 
kolonne-Van  der  Heijden  terug  te  roepen.  Die  kolonne 
was  reeds  in  en  achter  Longbatta  gekomen  en  stootte 
juist  op  massa's  vijanden  die,  zonder  aan  tegenweer  te 
denken,  in  alle  richtingen  een  goed  heenkomen  zochten. 
Het  gunstig  oogenblik  om  den  vijand  groote  afbreuk  te 
doen  was  eindelijk  daar,  maar  moest  ongebruikt  voorbij 
gaan,  daar  herhaalde  orders  van  generaal  Van  Swieten 
mij  dwongen  de  vervolging  te  staken.1' 

Hierop  antwoordt  de  generaal  Van  Swieten:  1) 

„Om  het  juiste  van  des  generaals  beweren  te  doen 
uitkomen  over  het  staken  der  vervolging,  geef  ik  deze 
vraag  ter  beantwoording.  Waarom  vervolgde  Van  der 
Heijden  den  vijand  niet ,  nadat  hij  in  Longbatta  getrokken 
was?  Hij  had  daarvoor  troepen  en  tijd  genoeg,  vóór  hij 
kennis  bekwam  dat  de  beweging  gestaakt  kon  worden. 

„  Ik  doe  die  vraag  slechts ,  omdat  uit  haar ,  op  besliste 
wijze ,  het  antwoord  voortvloeit ;  want  ik  spreek  Van  der 
Heijden  volkomen  vrij  van  eenige  schuld  of  verzuim  ten 
deze. 

„  Het  antwoord  kan  geen  ander  zijn :  hij  deed  het  niet, 
omdat  hij  niet  kön.   Eene  geregelde  krijgsmacht  met  ar- 


1)  De  luitenant-generaal  /.    van    Swieten   contra  den  luitenant- 
generaal  G.  M.  Verspyck,  bladz.  139. 


137 

tillerie,  aan  orde  en  tactische  vormen  gebonden,  in  een 
sterk  begroeid  terrein,  zonder  weg,  noch  een,  voor 
voertuigen  geschikt  pad ,  kan  onmogelijk  eene  vluchtende 
bevolking  achterhalen,  die  door  niets  in  hare  vlucht 
belemmerd  wordt.  Ik  heb  dit  reeds  doen  uitkomen  in 
het  Vde  hoofdstuk,  bladz.  96."  2) 

Het  fraaiste  van  de  zaak  is  echter,  dat  het  oordeel 
van  den  generaal  Verspyck  in  strijd  te  met  zijne  eigene 
handelingen  ter  westkust  van  Borneo  in  1854  3),  en  zoo 
men  aanneemt  dat  hij  in  zijne  redeneering  gelijk  heeft, 
dan  was  het  zelfs,  als  bevelhebber  belast  met  de  uitvoering 
der  omtrekkende  beweging,  zijn  plicht  geweest  te  doen 
wat  dringend  noodig  was  en  de  verantwoordelijkheid 
daarvan  op  zich  te  nemen. 

Zijn  er  nu  nog  meer  bewijzen  noodig  om  den  lezer  te 
overtuigen,  dat  de  schrijver  X»  behoort  tot  degenen  die 
uit  loutere  partijschap  steeds  blijven  ignoreeren  wat  reeds 
door  zoo  velen  overtuigend  ter  wederlegging  gezegd  is? 


2)  Op  bladz.  96  staat:  „Het  is  dan  ook  inderdaad  belachelijk  van 
een  geregeld  leger,  dat  aan  tactische  orde  gehouden  is,  dat  in 
doorsneden  en  begroeid  terrein  geen  kilometer  per  uur  kan  afleggen, 
het  vervolgen  van  een  vijand  te  vorderen,  die  niet  aan  orde  en 
tactiek  onderworpen  is,  en  in  denzelfden  tijd,  ja,  zelfs  vóór  wij 
onzen  troep  in  beweging  konden  gesteld  hebben,  een  aanzienlijk 
getal  kilometers  afstand  tusschen  hem  en  ons  gebracht  heeft.  Door 
geen  leger  ter  wereld  kan  met  goeden  uitslag  een  terugtrekkend 
leger,  zonder  cavalerie  vervolgd  worden." 

3)  Het  werk  Montrado,  geschied-  en  krijgskundige  bijdrage  be- 
treffende de  onderwerping  der  Chineezen  op  Borneo,  door  W.  A. 
van  Rees.  Daar  leest  men  op  bladz.  108  en  109:  „Hadden  wy 
(kapitein  Verspyck)  wederom  getoond  genoegzame  vaardigheid  in 
den  aanval  te  bezitten,  in  het  vervolgen  wonnen  de  Chineezen 
veld  op  ons,  want  alhoewel  in  denzelfden  aanloop  de  verjaagden 
werden  nagezeten,  zoo  moest  de  vervolging  der  vluchtenden,  die 
als  slangen  door  de  struiken  gleden  en  verdwenen,  spoedig  gestaakt 
worden." 


138 

Dat  het  ijveren  en  prediken  der  agressisten  eene  staat- 
kunde van  dwaling  is  en  voortspruit  uit  partijschap, 
blijkt  ook  uit  de  voordracht  in  het  Indisch  Genootschap, 
op  7  November  1883 ,  door  den  heer  E.  B.  Kielstra  — 
volgens  de  DeU- Courant  de  schrijver  der  vele  oorlog- 
zuchtige artikelen  in  het  Algemeen  Handelsblad  — ,  die 
daarin  verklaart:  dat  de  „afwachtende  houding" 
het  eenige  stelsel  was  dat  overeenstemde  met  onze  finan- 
cieele  en  militaire  krachten  en  dit  dus  de  grootste  lof 
bevatte,  dien  hij  aan  Van  Swieten's  stelsel  geven  kon; 
ofschoon  daarmede  al  de  andere  stelsels  veroordeeld 
werden ,  zoo  neemt  hij  toch  nog  het  stelsel  van  generaal 
Pel  en  Van  der  Heijden  in  bescherming. 

Een  tweede  bewijs  is ,  dat  thans  zelfs  niet  geschroomd 
wordt  de  leugen  tot  bondgenoot  te  nemen,  door  te  ver- 
klaren dat  al  wat  na  Oemar's  afval  verricht 
is,  niets  anders  is  dan  uitvoering  geven 
aan   Van   Swieten's   program   van  1874.  4) 

Dat  dit  echter  geheel  bezijden  de  waarheid  is,  toonde 
ik  aan  in  de  Augustus-afle vering  1897  van  dit  tijdschrift, 
maar  daar  men  dat  artikel  tot  heden  doodzweeg,  zoo 
laat  ik  hier  ten  overvloede  een  schrijven  volgen  van  den 
generaal  Van  Swieten  zelf  aan  wijlen  den  majoor  van 
het  O.-I.  leger  H.  A.  A.  Niclou: 

's  Gravenhage ,  den  5  Maart  1884. 


„Nu  men  de  noodlottige  uitkomst  van  den  verkeerd 
gevoerden  oorlog  niet  meer  rechtvaardigen  kan ,  wil  men 
dit  toeschrijven  aan  mijne  verklaring  van  de  annexatie 
van  Groot- Atjeh,  zooals  men  mijne  proclamatie  van  den 
12en  Februari  1874  gelieft  te  noemen,  ofschoon  die  an- 
nexatie,   in  den  zin  dien  men  er  aan  hecht,  in  die  pro- 


4)  Algemeen  Handelsblad  van  17  Juni  1897. 


139 


clamatic  niet  te  lezen  is.  Zij  behelst  enkel  de  verklaring , 
dat  bij  gebleken  terughouding  der  hoofden  voor  de  bevor- 
dering der  volksbelangen  en  de  onmogelijkheid  om  dien 
toestand  te  bestendigen  ik :  1  °  het  bestuur  der  drie  sagies 
heb  aanvaard;  2°  de  hoofden  die  tegen  het  einde  der 
maand  geen  blijken  van  onderwerping  zullen  hebben 
gegeven  van  hunne  waardigheid  zullen  zijn  vervallen 
verklaard ;  3°  dat  de  bevolking  in  dat  geval  andere  hoofden 
in  de  plaats  der  vroegere  zal  mogen  kiezen  en  op  mijne 
bescherming  tot  handhaving  van  de  nieuwe  hoofden  zal 
kunnen  rekenen ;  en  4°  dat  in  de  adat  geene  verandering 
zal  worden  gebracht  en  alles  op  den  vorigen  voet  zal 
blijven ,  met  dat  verschil  dat  thans  het  Nederlandsch  Gou- 
vernement souverein  is  in  plaats  van  den  Sultan. 

„  Is  dat  nu  annexatie  in  den  zin  dien  men  er  aan  gegeven 
heeft?  Impliceert  de  proclamatie  de  verplichting  om  de 
verovering  tot  aan  de  uiterste  grenzen ,  boven  onze  krach- 
ten, voort  te  zetten  zooals  de  generaal  Meijer  beweerd 
heeft,  om  de  gewaagde  operatiën  van  generaal  Pel  te 
rechtvaardigen  ? 

„  Moet  een  veroveraar,  die  bezit  heeft  genomen  van  een 
land  of  stad  of  landschap,  daarvan  het  bestuur  niet  op  zich 
nemen ,  al  ware  het  slechts  in  het  belang  der  veiligheid  ? 
Mag  hij  dat  nalaten  en  het  veroverde  onbeheerd  laten? 
„Kon  men  met  de  onderhoorigheden  tractaten  sluiten 
en  aan  derzelver  hoofden  het  behoud  van  het  zelfbestuur 
verzekeren,  zonder  zich  tevens  als  souverein  van  het 
stamland  van  Groot-  Atjeh  te  beschouwen  of  te  doen  kennen? 
„  Leg  eindelijk  art.  3  der  instructie  van  den  Regeerings- 
commissaris  (bladz.  460  van  de  „Waarheid")  en  hoofd- 
stuk VI  van  dat  boek  naast  de  redeneeringen  van  Kielstra, 
Gerlach  en  zooveel  anderen ,  blijkt  dan  niet  dat  de  heeren 
critici  kortzichtige  staatkundigen  zijn  en  zelfs  het  A.  B.  C. 
niet  kennen  van  hetgeen  in  gelijksoortige  omstandigheden 
behoort  verricht  te  worden? 

(W.  g.)  VAN  SWIETEN.M 


140 

Dat  wijlen  de  generaal  Van  Swieten  door  de  partij  van 
agressie  ten  onrechte  miskend  en  verguisd  is  en  wordt, 
kan  men  zelfs  lezen  in  de  debatten  der  Tweede  Kamer 
bij  de  begrooting  van  Nederlandsch-Indië  voor  1898, 
waar  de  Minister  zegt: 

„Wil  men  nu  geheel  Atjeh  veroveren?  vraagt  men  mij. 
Ik  antwoord  daarop  neen.  Het  binnenland  van  Atjeh 
is  onbekend.  Er  zijn  hoegenaamd  geen  bewijzen,  dat 
strijders  van  daar  zich  voegen  bij  de  Atjehsche  benden. 
Het  zal  dus  volmaakt  onnoodig  zijn  om  daarheen  te 
trekken.  Wanneer  wij  de  kust  beheerschen 
zal  vanzelf  het  achterland  onder  onzen 
invloed  kome n."  *) 

In  1874  waren  wij  meester  van  de  kust  met  eene  vol- 
doende krijgsmacht  om  die  te  blijven  beheerschen  en  was 
het  dus  niet  noodig  om  Groot-Atjeh  met  wapengeweld 
binnen  te  dringen ,  welk  binnendringen  noodwendig  moest 
leiden  tot  verwijdering  en  tot  vermeerdering  van  den 
nationalen  haat,  reeds  in  zoo  hooge  mate  aanwezig  door 
verschil  van  godsdienst,  van  zeden  en  landaard. 
'  En  dat  dit  juist  is ,  bevestigde  niet  alleen  Toekoe  Lam- 
pasei ,  het  geacht  hoofd  der  VI  Moekims ,  die  ons  bestuur 
zeer  genegen  was,  5)  maar  ook  Toekoe  Yit,  de  oom 
en  voogd  van  den  radja  van  Tenom,  tevens  zijn  raads- 
man ,  die  aan  den  Engelschen  agent  Maxwelt  zei :  „  Indien 
de  Hollanders  van  den  beginne  af  op  andere  wijze 
waren  te  werk  gegaan,  dan  zouden  zij  beter  zijn  terecht 
gekomen.  Indien  zij  een  flinke  som  gelds  aan  de  hoof- 
den hadden  uitgedeeld,  dan  zouden  zij  zijn  geslaagd. 

„Op  een  zekeren  tijd  onder  een  hunner  generaals  ging 


*)  De  spatieering  is  van  mij. 

5)  Dat  hoofd  verklaarde:  „dat  onze  grootste  fout  bestond  in  ons 
voorwaarts  dringen,  wijl,  als  wij  dat  niet  hadden  gedaan,  binnen 
een  korteren  of  langeren  tjjd,  zeer  stellig  verdeeldheid  zou  zijn 
ontstaan  tusschen  de  verschillende  hoofden  van  Atjeh."  (Indische 
Gids  1883,  bladz.  369). 


141 

het  waarlijk  goed ,  maar  later  is  het  niets  meer  geweest 
dan  aanvallen  en  branden."  (No.  95  van  de  Correspon- 
dence  respecting  the  wrack  of  the  ^Niseró",  bladz.  73). 

Op  grond  hiervan  betreur  ik  nog  altijd  ten  zeerste 
het  indertijd  aftreden  van  het  Kabinet-De  Vries  c.  s.  en 
het  optreden  van  Van  Goltstein  als  minister  van  Koloniën, 
die  hoewel  volkomen  vreemd  in  koloniale  zaken,  alles 
anders  wilde  doen  dan  zijn  voorganger  Fransen  van  de 
Putte. 

Ik  zal  het  er  thans  bij  laten,  in  de  verwachting  dat 
X9  voortaan  in  zijne  „Indische  omtrekken"  eere  zal 
geven  aan  wien  eere  toekomt 

L.  W.  A.  KESSLER, 
gep.  majoor  der  Inf.  0.-L  L. 

Breda,  9  Januari  1898. 


Hoe  Franschen  en  Duitschers  kolonlseeren. 


Het  bekende  Amerikaansche  weekblad  The  Nation  trad 
onlangs  in  eene  vergelijking  tusschen  het  kolonisatiewerk 
der  Engelschen  en  dat  der  Franschen  en  Duitschers.  De 
vergelijking  viel  niet  uit  ten  gunste  der  beide  laatstenl 
Volgens  den  schrijver  in  The  Nation  is  het  eenige  wat 
de  Duitschers  en  Franschen  van  de  Britsche  koloniale 
politiek  in  staat  zijn  na  te  bootsen:  het  maken  van  ver- 
overingen. Voor  het  in  bezit  nemen  en  regeeren  van  zeer 
dicht  bevolkte  landen  als  Britsch-Indië  en  China,  die 
alleen  orde  en  veiligheid  behoeven,  om  op  hun  eigen 
wijs  voort  te  leven ,  heeft  Frankrijk  zoowel  als  Duitschland 
de  middelen  bij  de  hand,  nl.  groote  legers  en  een  menigte 
geoefende  ambtenaren ,  maar  het  is  bijna  zeker,  dat  zulke 
koloniën  nooit  winstgevend  kunnen  worden. 

Al  wat  Engeland  uit  Indië  ontvangt  zijn  de  bezoldigingen 
van  een  groot  aantal  Engelsche  officieren  en  ambtenaren. 
Aan  vele  jongere  zoons  van  adellijke  familiën  en  voor 
goed  opgevoede  jongens  uit  den  burgerstand  heeft  Indië 
een  loopbaan  geopend.  Maar  verder  trekt  Engeland  geen 
baten.  Integendeel  is  er  grooter  kans ,  dat  Indië  voor  de 
Engelschen  kostbaar  zal  worden.  Evenmin  ontvangt  het 
eenigerlei  inkomsten  uit  zijne  andere  koloniën.  Tot  de 
invoering  van  het  vrijhandelsstelsel  heeft  Engeland  wel 
getracht   de  markten  in  die  koloniën  voor  zijn  eigen  fa- 


143 

brikanten  te  behouden,  maar  deze  tactiek  is  niet  zeer 
gelukkig  geslaagd.  In  Amerika  gaf  ze  aanleiding  tot  een 
opstand  en  aldus  tot  afscheiding  van  de  kolonie  van  het 
moederland.  Eveneens  werd  in  Canada  een  opstand  ver- 
oorzaakt, die  echter  mislukte.  Overal  elders  zijn  de 
kolonisten  tegen  deze  uitsluitingspolitiek  in  verzet  gekomen. 

Engeland  heeft  nooit  de  middelen  bezeten  om  deze  staat- 
kunde gewapenderhand  door  te  drijven  en  heeft  er  vijftig 
jaar  geleden  voorgoed  van  afgezien. 

Geheel  anders  deFranschen  en  Duitschers.  Zij  bezitten 
de  middelen  om  eene  dergelijke  tactiek  te  handhaven. 
Ongelukkig  is  die  macht  voor  hen  eer  na-  dan  voordeelig. 

„Duitschers  en  Franschen,"  schrijft  The  Nation,  „zijn 
uitmuntend  in  staat,  eene  groote ,  onbeschaafde  bevolking 
onder  tucht  te  houden  en  te  reglementeeren.  Duitschland 
zou  voor  dit  werk  vermoedelijk  een  even  sterk  korps 
van  de  beste  ambtenaren  kunnen  beschikbaar  stellen  als 
een  groot  leger.  Met  Frankrijk  is  het  eenigszins  anders 
gesteld  —  al  volgt  het  tegenwoordig  dezelfde  politiek. 
Het  heeft  geen  ambtenaren  die  graag  hun  land  verlaten. 
Wel  heeft  het  er  een  menigte  thuis,  maar  dezen  bezitten 
geen  ondernemingsgeest.  Zij  zijn  te  veel  aan  hunne  kleine 
geriefelijkheden  en  gemakken  gehecht,  om,  in  ruil  voor 
hun  beperkt  loon,  elders  fortuin  te  zoeken.  Een  weinig 
sparen . . .  een  beetje  zuinigheid  in  het  geldelijke  zoowel 
als  in  het  uitbreiden  van  het  gezin . . .  zoo  kan  er  iets 
overblijven  voor  de  kinderen  en  voor  den  ouden  dag.  In 
vier  jaren  (1889—1893)  hebben  niet  meer  dan  37,891 
personen  Frankrijk  verlaten." 

Wie  zich  herinnert  dat  vele  koloniën  in  Amerika  (Nieuw- 
Orleans  bijv.)  door  Franschen  zijn  gesticht,  bemerkt, 
dat  de  gewoonten  in  Frankrijk  sedert  de  omwenteling 
zeer  zijn  veranderd.  Toen  gingen  jonge  zee-officieren 
van  aanzienlijke  familie  op  avontuur  uit,  en  de  neder- 
zettingen   die   zij   vormden   werden   door  de  Kerk   uit 


144 

bekeerings-ijver  gesteund.  De  schrijver  in  The  Nation 
gelooft  dat  de  vermindering  van  macht  èn  bij  aanzienlijke 
geslachten  èn  bij  de  Kerk  een  groot  aandeel  heeft  aan 
deze  verandering.  Hoe  het  zij,  de  ondernemingsgeest  in 
Frankrijk  is  uitgedoofd.  Wellicht  is  dit  ook  voor  een  groot 
deel  toe  te  schrijven  aan  de  Napoleontische  oorlogen, 
die  de  krachtigsten  en  dappersten  opofferden. 

Bovendien  sterven  de  Franschen  in  hunne  koloniën 
langzaam  uit.  Jaarlijks  overtreft  het  aantal  sterfgevallen 
dat  der  geboorten.  In  Algiers  bevinden  zich  slechts  270,000 
Franschen  op  eene  bevolking  van  4,500,000  personen,  en 
de  meesten  er  van  zijn  soldaten  en  ambtenaren.  Elders 
kan  men  nauwelijks  van  eene  Fransche  bevolking  spreken, 
en  alle  pogingen  om  emigratie  aan  te  moedigen,  zijn 
tot  dusver  vruchteloos  geweest. 

Het  gevolg  daarvan  is,  dat,  ofschoon  Frankrijk  aan- 
spraak maakt  op  een  uitgestrekt  gebied  in  Afrika  en 
nederzettingen  heeft  in  het  Oosten,  er  niet  de  minste 
kans  op  is,  dat  daar  ooit  Fransche  koloniën ,  d.  w.  z.  uit 
Franschen  bestaande  gemeenten,  zullen  ontstaan;  ten 
eerste  uithoofde  van  het  klimaat ,  ten  tweede  wegens  gebrek 
aan  Franschen.  Daarom  moet  het  uitbreiden  van  het 
Fransche  gebied  grootendeels  door  veroveringen  geschie- 
den ,  waarvan  de  Staat  de  kosten  draagt  en  die  veel  jong 
bloed  kosten,  dat  het  land  slecht  missen  kan. 

De  pogingen  der  Duitschers  om  koloniën  te  stichten 
hebben  nauwelijks  een  beteren  uitslag  gehad  dan  die  der 
Franschen.  Zij  hebben  eene  groote  en  toenemende  bevolking 
en  eene  belangrijke  emigratie.  Ongelukkig  willen  de  land- 
verhuizers juist  niet  naar  de  „  koloniën "  gaan ,  die  mili- 
taire expeditiën  voor  hen  veroverd  hadden.  De  meesten 
begeven  zich  naar  de  Vereenigde  Staten  en  naar  Brazilië, 
en  slechts  een  paar  honderd  naar  streken  waar  de  Duitsche 
vlag  waait.  En  met  reden!  Zij  hebben  een  hekel  aan 
den  legerdienst  en  zijn  niet  uit  hun  vaderland  gegaan 
om  ook  elders  dodr  ambtenaren  geringeloord  te  worden 


145 

en  kans  te  loopen,  wegens  majesteitsschennis  vervolgd 
te  worden.  „Waar  een  Duitscher  zijn  vlag  vindt,  daar 
treft  hij  "  —  merkt  de  Amerikaansche  schrijver  eenigszins 
ondeugend  op  —  „ook  soldaten  en  ambtenaren  om  op 
zijn  gezondheid  en  veiligheid  te  passen.  Hij  blijft  onder 
vaderlijk  toezicht  en  moet  den  „  Hochgeboren "  naar 
de  oogen  zien.  Het  Duitsche  kolonisatiewerk  heeft  dus 
te  kampen  met  de  toenemende  neiging  der  menschenom 
hun  eigen  zaken  te  behartigen,  over  hun  eigen  belas- 
tingen te  stemmen  en  hun  leven  in  te  richten  zooals  zij 
dat  willen." 

Om  deze  reden  is  het  welslagen  aan  die  twee  volken 
welke  geen  conscriptie  en  geen  groote  legers  bezitten 
en  die  hun  eigen  regeering  benoemen  (al  is  die  slecht). 
Zij  bezetten  al  de  leege  hoekjes  der  wereld.  De  Ameri- 
kanen stichten  in  hun  werelddeel  zoo  snel  zij  kunnen 
zichzelf  besturende  koloniën,  maar  toonen  geen  neiging 
bijv.  de  Spanjaarden  te  verjagen  van  grond,  dien  zij 
nooit  zelf  zouden  kunnen  bezetten.  De  Amerikanen  gaan 
dus  juist  zoo  te  werk  als  de  Engelschen  in  Australië  en 
Afrika,  d.  w.  z.  zij  grondvesten  gemeenschappen  die  zelf 
moeten  beslissen  hoe  zij  hun  leven  willen  inrichten  en 
hoe  zij  willen  handeldrijven.  Franschen  en  Duitsohers 
echter  laten  zich  misleiden  door  de  dwaling,  dat  men 
markten  gewapenderhand  kan  veroveren. 


VARIA. 


De  gevangenneming  van   Dipa  Negara. 

Het  is  bekend ,  dat  op  den  28sten  Maart  1830  Dipa  Negara, 
de  held  van  den  Ja  va-oorlog,  te  Magelang  door  generaal 
De  Koek  bij  een  onderhoud  werd  gevangen  genomen. 
Men  heeft  er  De  Koek  een  verwijt  van  gemaakt,  dat  hij 
tot  die  daad  is  overgegaan ,  niettegenstaande  de  Javaansche 
vorst  op  goed  vertrouwen  in  de  Nederlanders  zich  naar 
Magelang  had  begeven.  Vooral  ook  generaal  Knoop  heeft 
hierover  een  hartig  woordje  meegesproken  en  van  niets 
meer  of  minder  gerept  dan  van  woordbreuk.  Van  den 
anderen  kant  werd  de  daad  van  De  Koek  zoo  al  niet 
verdedigd,  dan  toch  verklaard  en  gedeeltelijk  veront- 
schuldigd door  de  omstandigheden,  waaronder  deze  had 
te  handelen  en  dan  ook  gehandeld  heeft. 

In  het  Januari-nummer  van  De  Tijdspiegel  geeft  nu  de 
de  heer  Kielstra  eene  voorstelling  van  den  loop  van  zaken , 
waarin  het  optreden  van  De  Koek ,  op  den  merkwaardigen 
28sten  Maart  1830,  in  een  ander  licht  verschijnt;  eene 
voorstelling ,  waardoor  deze  veldheer  wordt  gezuiverd  van 
de  op  hem  in  veler  oog  rustende  blaam,  als  zoude  hij 
aan  de  goede  trouw  hebben  te  kort  gedaan ,  en  waarmede 
ook  het  raadsel  wordt  opgelost,  dat  Dipa  Negara  later 
te   Makassar,   in   hem  nog  een  vaderlijken  vriend  zag. 


147 

Deze  mededeeling  dankt  de  heer  Kielstra  aan  den  heer 
A.  J.  B.  Wattendorf,  die  van  1873  tot  1878  resident  van 
Djokjakarta  is  geweest.  In  die  jaren  was  déir  rijksbe- 
stierder  een  schoonzoon  van  Dipa  Negara ,  Bassa  Gondo 
Koesoema,  die  tot  op  het  oogenblik  van  diens  verban- 
ning den  Javaanschen  vorst  trouw  was  gebleven.  „Toen 
nu  de  heer  Wattendorf,  met  dien  rijksbestuurder  pratende 
over  toestanden  en  gebeurtenissen  van  vervlogen  dagen, 
zich  eens  uitliet ,  dat  de  gevangenneming  van  D.  N.  toch 
eigenlijk  niet  met  de  hoogste  eischen  der  rechtvaardigheid 
was  overeen  te  brengen,  toonde  de  rijksbestierder  zich 
zeer  verwonderd :  D.  N.  had  immers  vooraf  geweten ,  dat 
het  zoo  loopen  zou !  Volgens  den  rijksbestierder  had  het 
gestreden  met  den  trots  van  D.  N.,  om  eenige  andere 
oplossing  aan  te  nemen.  Hij  had  steeds  den  eisch  gesteld -, 
als  sultan  en  als  het  hoofd  van  den  Mohammedaanschen 
godsdienst  op  Java  erkend  te  worden;  hij  wist  wel,  dat 
de  generaal  De  Koek  die  eischen  niet  zoude  inwilligen; 
hij  was  maloe  (beschaamd,  verlegen),  ze  nu  te  laten 
vallen,  doch  zag  er  geene  schande  in,  te  bukken  voor 
overmacht.  Aldus  bleef  zijn  prestige  in  het  oog  des  volks 
ongerept.  De  heer  Wattendorf"  —  zegt  Kielstra  verder  — 
„is  overtuigd,  dat  de  rijksbestierder  in  zijne  voorstel- 
lingen geheel  te  goeder  trouw  was.  Er  was  bijna  een 
halve  eeuw  voorbijgegaan,  en  wat  in  1830  en  daarvóór 
was  voorgevallen  was  zuiver  geschiedenis  geworden.  De 
man,  die  zijn  schoonvader  gedurende  den  loop  van  den 
opstand  steeds  had  gevolgd ,  kon  geene  aanleiding  hebben , 
om  der  waarheid  eenig  geweld  aan  te  doen,  en  de  wijze 
waarop  hij  het  gebeurde  vertelde ,  droeg  den  stempel  der 
oprechtheid." 

De  heer  Kielstra  concludeert  dan  ook :  „  Dat  de  generaal 
De  Koek  eindelijk  den  knoop  doorhakte ,  vindt  zijne  ver- 
ontschuldiging     in   het   feit ,  dat  D.  N.  en  de  zijnen 

voldoende   waren   gewaarschuwd." 


148 


Berri-berri  in  Deli. 

In  het  Weekblad  van  het  Ned.  T.  voor  Gen.  geeft  dr. 
J.  A.  Voorthuis  eene  zeer  belangrijke  mededeeling  over 
waarnemingen,  door  hem  een  jaar  geleden  gedaan  bij 
een  berri-berri-epidemie  onder  een  300-tal  Chineesche 
koelies  op  eene  tabaksonderneming  in  Deli.  Zijne  erva- 
ring is  dat  geen  verband  met  rijstvoeding 
was  te  ontdekken,  o.  a.  omdat  de  zieken  dit  hoofd- 
voedsel  uit  een  voorraadschuur  der  onderneming  moesten 
betrekken,  terwijl  twee  andere  ondernemingen  der  zelfde 
maatschappij  geheel  van  de  ziekte  vrij  bleven  en  op 
een  vierde  slechts  één  geval  voorkwam,  ofschoon  ze 
alle  de  rijst  uit  dezelfde  voorraden  betrokken.  Op  twee 
andere  ondernemingen,  die  de  rijst  van  elders  kregen, 
vertoonde  zich  de  ziekte  als  vroeger  vrij  hevig.  Voor- 
namelijk werden  Chineezen,  en  wel  nieuwelingen,  aangetast ; 
de  Javaansche  en  Boyaneesche  bevolking  bleef  geheel 
vrij.  Aan  een  deel  der  zieken  werd  geen  rijst  meer  ver- 
strekt, maar  zij  herstelden  niet  eerder  dan  de  anderen. 

Dr.  Voorthuis  vat  zijne  waarnemingen  aldus  samen: 

De  observatie  dat  een  berri-berri-epidemie  op  slechts 
één  van  vier  ondernemingen  die  alle  haar  rijst  uit  één- 
zelfde voorraadschuur  ontvingen ,  voorkwam ;  de  graotc 
mate  van  immuniteit  van  langer  dan  een  jaar  in  Deli 
vertoevende,  dus  geacclimatiseerde,  Chineezen;  de  sterke 
praedispositie  der  Singkehs  (nieuwelingen)  voor  berri- 
berri;  het  herhaaldelijk  door  mij  opgemerkte  feit,  dat 
op  een  onderneming  en  in  één  der  afdeelingen  berri-berri 
uitbreekt  terwijl  de  andere  (2  of  3)  volkomen  vrij  blijven, 
niettegenstaande  de  rijst  uit  éénzelfde  voorraadschuur 
verstrekt  wordt; 

het  meermalen  in  Deli  geconstateerde  feit,  dat  berri- 
berri  zeer  veelvuldig  optreedt  waar  nieuwe  ondernemingen 
geopend  worden  en  maagdelijke  grond  in  bewerking  wordt 
genomen ; 


149 

het  feit  uit  hier  niet  gereproduceerde  statistieken  aan- 
toonbaar ,  dat  de  berri-berri  op  de  Oostkust  van  Sumatra 
het  hevigst  woedt  in  de  drie  eerste  en  de  drie  laatste 
maanden  van  het  jaar ;  die  zich  kenmerken  door  sterke 
regens  en  groote  vochtigheid ,  en  waarin  de  meeste  koelies 
een  zittend  leven  hebben  en  opeengehoopt  wonen ; 

het  feit  dat  in  sommige  jaren  de  berri-berri  over  de 
geheele  residentie  in  eens  verspreid  voorkomt; 

het  bijzondere,  in  Deli  meermalen  waargenomen  feit, 
dat  Europeanen  die  berri-berri  acquireeren  en  die  steeds 
met  grooten  spoed  naar  Europa  worden  gezonden,  meestal 
binnen  enkele  weken  volkomen  herstellen; 

het  ook  door  mij  waargenomen  feit,  dat  Europeanen 
die  nooit  rijst  gebruikten  door  berri-berri  werden  aan- 
getast ; 

het  feit  dat  zeer  vele  berri-berri-lijders  reeds  van  den 
beginne  af  een  zekeren  graad  van  anaemie  vertoonen  en 
dat  door  mij  bij  vele  berri-berri-lijders  miltvergrooting 
werd  gevonden; 

het  beginnen  met  lichte  koortsaanvallen; 

dit  alles  deed  mij  sinds  lang  de  berri-berri  als  e  e  n  e 
miasmatische   ziekte   opvatten". 

Dr.  V.  deelt  ook  den  uitslag  mede  zijner  bacteriologische 
onderzoekingen  van  het  bloed  van  berri-berri-lijders, 
waarin  hij  eigenaardige  vormsels  vond  die  met  malaria- 
plasmodün  overeenkwamen. 

Hij  zegt  aan  het  slot : 

„Hoewel  de  resultaten  van  diëetwijziging  bij  de  Ja- 
pansche  marine  en  in  de  gevangenissen  op  Malacca  en 
Java  wijzen  op  een  verband  tusschen  de  voeding  en  het 
optreden  der  berri-berri,  zijn  er  nog  altijd  veel  artsen, 
die  aan  miasmatische  infectie  gelooven.  Het  feit ,  dat  op 
Deli  aan  sommige  ondernemingen  de  berriberri  voor 
lange  jaren  verdwijnt  zonder  dat  wijziging  in  het  dieet 
gebracht  wordt ,  en  dat  vergiftiging  door  rijst  als  oorzaak 
der  berri-berri  nog  door  niets  is  bewezen,  geeft  ons  het 


150 

recht  ook  op  andere  wijzen  naar  de  oorzaak  der  berri- 
berri  te  blijven  zoeken;  daartoe  op  te  wekken  is  het 
doel  van  dit  opstel". 

De  schrijver  besluit  zijn  artikel  met  de  volgende  alge- 
meene  opmerking,  die  wèl  overweging  verdient: 

„Een  reusachtig  materiaal  wacht  in  Deli  op  weten- 
schappelijke bewerking,  dat  door  den  gewonen  prakti- 
zeerenden  geneesheer  uit  den  aard  van  zijn  werkkring 
slechts  met  veel  inspanning  en  dan  nog  slechts  te  hooi 
en  te  gras  kan  worden  verricht.  Met  honderdduizenden 
van  in  Deli  verdiend  geld  worden  de  ziekenhuizen  en 
andere  inrichtingen  van  openbaar  nut  in  Nederland  ge- 
steund. Zou  het  niet  wenschelijk  zijn,  naast  een  met  alle 
hulpmiddelen  voortreffelijk  ingericht  laboratorium  voor 
de  studie  der  ziekten  in  de  tabak,  dat  voor  Deli  reeds 
vele  vruchten  afwierp ,  een  inrichting  op  bescheiden  voet 
in  het  leven  te  roepen  ter  bestudeering  van  de  ziekten 
der  menschen  in  de  tropen,  op  welk  gebied  nog  zoo 
oneindig  veel  te  doen  valt?" 


Nuttige  Indische   planten. 

Het  Koloniaal  Museum  te  Haarlem  heeft  als  extra- 
bulletin uitgegeven  de  4de  aflevering  van:  Nuttige  Indi- 
sche planten,  door  dr.  M.  Greshoff,  met  inleiding  van 
dr.  J.  G.  Boerlage.  Achtereenvolgens  worden  behandeld: 
1.  Ricinus  communis,  gekweekt  om  de  olie  uit  de  zaden, 
die  door  de  Javanen  en  Maleiers  gebruikt  wordt  om  hunne 
vaartuigen,  zoo  groot  als  klein,  te  pekken,  en  die  ons 
een  krachtig  purgeermiddel  levert;  2.  Santalum  album, 
de  sandelboom,  die  het  sandelhout  geeft,  bij  uitstek  een 
oostersch  handelsartikel!  in  dien  zin,  dat  verreweg  het 
grootste  gedeelte  in  de  oostersche  landen  verbruikt  wordt 
en   slechts   een  gering  deel  naar  Europa  komt;  3.  Coix 


151 

Lachryma  Jobi,  een  gras  van  1— ljM.  hoog,  in  zuidelijke 
landen  een  van  ouds  bekend  gewas,  dat  vroeger  vooral 
in  de  kloostertuinen  als  curiositeit  werd  gekweekt ,  mede 
ter  wille  der  harde  „tranen",  die  voor  rozekransen  ge- 
schikt zijn;  ook  nu  nog  is  het  van  velerlei  beteekenis; 
4.  Acacia  farnesiana ,  de  welriekende  acacia ,  een  heester 
of  kleine  boom,  van  groote  beteekenis  als  sierplant,  en 
voor  het  gebruik  der  bloemhoofdjes  in  de  parfumerie  en 
den  bloemenhandel ;  5.  Bouea  macrophylla,  een  niet  hooge 
boom  van  15  —20  M.,  voornamelijk  om  de  vruchten  ge- 
kweekt ,  die  geel  zijn  en  op  pruimen  gelijken  en ,  ingelegd , 
een  aangenaam  ingrediënt  voor  de  rijsttafel  leveren; 
6.  Calotropis  gigantea,  een  boompje  van  6 — 10  voet,  van 
velerlei  nuttige  toepassing  als  getah  pertja  plant ,  als  vezel- 
plant  en  als  medicinale  plant;  7.  Piper  Cubeba,  een 
klimmende,  heesterachtige  plant  van  Sumatra,  Java  en 
Z.-Borneo,  ons  de  staartpeper  gevende,  van  ouds  een 
specerij  en  medicijn ;  8.  Nyctanthes  Arbor-tristis,  in  Neder- 
landsch-Indië  vooral  als  tuinplant  verspreid,  en  geliefd 
om  het  heerlijk  aroma  harer  bloemen ;  9.  Morinda  citrifolia , 
een  kleine  boom,  die  in  zijn  wortel  een  helderroode 
kleurstof,  geschikt  om  katoen  te  verven,  bevat;  10.  Gony- 
stylus  Miquelianus,  een  boom  die  het  aloë-hout  levert. 


Nederland  en   Perzië. 

In  een  schrijven  aan  de  Kamers  van  Koophandel  te 
Amsterdam  en  te  Rotterdam  heeft  de  heer  W.  L.  Bosschart , 
de  Nederlandsche  zaakgelastigde  en  consul- generaal  in 
Perzië,  eenige  maanden  geleden  de  aandacht  gevestigd 
op  de  uitbreiding  van  de  handels-  en  nijverheidsbetrek- 
kingen  tusschen  dat  land  en  het  onze. 

De  rechtstreeksche  aanvoer  van  Nederlandsche  pro- 
ducten in  Perzië ,  welke  vroeger  nagenoeg  niets  bedroeg , 
is  in  de  laatste  drie  jaren  met  ƒ  400,000  gestegen  en  is 

11 


152 

volgens  den  heer  Bosschart  voor  sterke  uitbreiding  vat- 
baar. Vooral  den  directen  aanvoer  uit  Ned.-Indië  acht  hij 
voor  reusachtige  uitbreiding  vatbaar  en  betreurt  dat  die 
—  behalve  door  enkele  op  Java  gevestigde  Armeniërs  — 
geheel  verwaarloosd  wordt.  Als  middelen  om  die  betrek- 
kingen te  bevorderen ,  welke  nu  vooral  door  de  firma's 
Hotz  en  Teheran  Toko  enz.  worden  gevoerd ,  beveelt  hij 
twee  zaken  aan :  een  maandelijksche  stoomvaart  tusschen 
Java  en  de  Perzische  Golf  en  eene  Ned.-Ind.  bank  in  Perzië. 

Wat  de  stoom  vaartlijn  betreft,  waarover  de  heer  A  Hotz 
reeds  vlugschriften  en  opstellen  in  De  Economist  heeft 
geschreven,  zegt  onze  consul-generaal: 

„Dat  de  lijn  casu  quo  „dadelijk"  winstgevend  zal  zijn, 
durf  ik  niet  verzekeren ,  en  als  men  er  even  spoedig  mede 
ophoudt  als  met  de  lijn  op  China,  is  de  zaak  spoedig 
beslist.  De  Hamburger  pogingen  en  resultaten  op  het 
gebied  van  nieuwe  lijnen  bewijzen  echter,  dat  als  men 
zich  eenig  verlies  wil  getroosten  in  de  eerste  paar  jaar , 
de  volgende  alles  goed  kunnen  maken ,  ook  al  komt  er , 
zooals  tusschen  de  Hamburger  lijnen  onderling  en  tusschen 
deze  en  de  Engelsche  lijnen  is  geschied ,  een  tariefoorlog, 
in  casu  met  de  Engelsche  golflijnen,  hetgeen  echter  nog 
te  bezien  staat.  De  groote  vraag  is  maar,  naar  mijne 
bescheiden  meening,  of  er  kans  is  dat  de  lijn  op  den 
duur  voldoende  uit-  en  thuislading  zal  hebben  en  of  zij 
werkelijk  dienstbaar  zal  wezen  aan  de  uitbreiding  van 
het  Nederlandsch-Indisch  verkeer  met  Perzië.  Ik  geloof 
stellig  van  ja,  en  ben  het  ten  deze  geheel  met  den  heer 
Hotz  eens.  Java-thee ,  suiker  (want  Java  moet  voor  Zuid- 
Perzië  stellig  kunnen  concurreeren),  koffie,  indigo,  spece- 
rijen, tin,  hout,  petroleum,  quinine,  etc.  etc.  en  voor 
Bombay  Sumatratabak ,  zouden  goede  artikelen  voor  de 
uitreis  zijn,  en  naar  Indië:  dadels,  opium,  amandelen, 
rozijnen,  zaden,  tapijten,  shriaz-wijn ,  rozenolie  en  water, 
paarden ,  muildieren  (Bombay),  tarwe ,  katoen  en  gedroogde 
vruchten  (Nederland). 


153 

Zou  een  overleg  uwer  Kamer  met  de  reederijen  en 
handels-lichamen  als  bijv.  de  Nederlandsche  Handelmaat 
schappij  ten  deze  niet  goede  resultaten  kunnen  brengen, 
die  ook  aan  de  oprichting  eener  Nederlandsch-Indische 
bank  hier  te  lande  zouden  ten  goede  komen?" 

Daarna  komt  de  heer  Bosschart  tot  de  door  hem  ge- 
wenschte  Ned.-Ind.  bank  voor  Perzië.  Haar  hoofddoel 
omschrijft  hij  aldus: 

1°.  Bevordering  van  het  handels-  en  scheepvaartverkeer 
van  Nederl.-Indië  en  Nederland  met  Perzië  en  voor  zoo- 
veel mogelijk  omliggende  landen,  door  moreelen  steun 
aan  een  geregelde  stoomvaartlijn  tusschen  Ned.-Indië  en 
de  Perzische  golf  en  bevordering  van  den  goederen-  en  pro- 
ducten-handel door  voorschotten  op  connossementen ,  enz. 

2*.  Bevordering  van  openbare  werken  in  Perzië  en 
omliggend  gebied,  door  Nederlandsche  ingenieurs  en  in- 
dustrie, en  het  in  leven  roepen  van  daartoe  noodige 
syndicaten. 

Onder  openbare  werken  versta  ik :  spoorwegen  en  tram- 
lijnen, die  men  na  afloop  der  Perzisch-Russische  conventie 
in  1900  zal  kunnen  aanleggen;  2°.  zeehaven-  en  rivier- 
werken,  en  3°.  irrigatiewerken. 

Verder  zou  de  bank  kunnen  verdienen  door  wissel- 
operaties  op  kleine  schaal  en  korten  termijn,  door  abitrage- 
zaken  in  het  algemeen,  het  disconteeren  en  verkoopen 
van  wissels,  den  handel  in  edele  metalen,  leening  op 
korten  tijd  tegen  voldoend  onderpand,  het  incasseeren 
van  wissels  en  ander  handelspapier ,  opening  van  rekening- 
couranten, het  aannemen  van  deposito's  in  zilver,  de 
bewaring  van  waarden,  verkoop  van  kredietbrieven,  het 
opnemen  van  kredieten  tegen  voldoende  zekerheid,  het 
geven  van  inlichtingen,  enz. 

De  bank  zou  te  Teheran  moeten  gevestigd  zijn  en  filialen 
moeten  hebben  in  de  hoofdplaatsen  van  Perzië,  alsmede 
een  hoofdagent  met  sub-agenten  in  Ned.-Indië ,  Nederland 
en   Londen,    en    correspondenten   te  Hamburg,  Bremen, 


154 

Triest ,    Moskou ,    Petersburg ,    Odessa ,    Constantinopel , 
Bagdad,  Bussorah,  enz. 

Hoofddoel  van  de  bank  moet  echter  zijn  de  bevordering 
van  het  Indisch  en  Nederlandsch  verkeer  met  Perzië  en 
omliggend  gebied,  en  dan  heeft  de  bank,  naar  ik  geloof, 
levensvatbaarheid  genoeg,  al  is  hier  ook  The  Imperial 
Bank  of  Persia,  die  Engelsche  belangen  steunt,  en  een 
Russische  bank,  die  natuurlijk  de  Russische  bevordert." 

Het  plan  om  zulk  een  bank  op  te  richten  is  thans  ge- 
vormd* De  heer  C.  J.  J.  van  der  Klaauw,  leerling-consul 
en  door  de  vereeniging  Het  Buitenland  naar  Perzië  ge- 
zonden, waar  hij  8  jaren  bij  The  Imperial  Bank  of  Per  sta 
is  werkzaam  geweest ,  't  laatst  als  hoofd  van  de  filiale  in 
Meshed ,  is  met  zeer  gunstige  aanbeveling  van  den  consul- 
generaal  herwaarts  gekomen  en  tracht  nu  eene  Nederlandsch- 
Perzische  bank  op  te  richten ,  met  een  kapitaal  van  6  ton. 

Onlang  heeft  daartoe  ten  kantore  der  heeren  Labouchere 
Oyens  &  Co.  te  Amsterdam  eene  conferentie  plaats  gehad, 
waaraan  ook  directeuren  der  Ned.-Ind.  Handelsbank,  van 
de  Twentsche  Bankvereeniging  en  van  de  Wissel-  en 
Effectenbank  deelnamen.  De  aanwezigen  waren  van  oor- 
deel, dat  het  voor  de  ontwikkeling  van  de  Nederlandsche 
nijverheid  en  van  den  Nederlandschen  en  den  Ned.- 
Indischen  handel  van  het  grootste  belang  is,  te  trachten 
vasten  voet  in  Perzië  en  Russisch- Azië  te  verkrijgen,  door 
oprichting  van  eene  bank  of  financieelc  instelling.  Zij 
meenden  dat,  als  industrieelen  en  handelaars  met  het 
nemen  van  2/3  der  aandeelen  voorgingen ,  het  ontbrekende 
wel  in  financieele  kringen  zou  worden  bijeengebracht. 

Dat  de  zaak  tot  stand  zal  komen,  lijdt  geen  twijfel; 
zij  is  in  uitstekende  handen.  Wij  verheugen  er  ons  bij 
voorbaat  over ,  meenende  er  een  bewijs  in  te  mogen  zien , 
dat  de  oude  energie  en  ondernemingsgeest,  die  ons  een- 
maal den  voorrang  op  handelsgebied  bezorgden ,  nog  niet 
geheel  zijn  verdwenen. 


155 


De    Nederlandsche    koloniale    afdeeling 
op  de  Wereldtentoonstelling  van  1900. 

Bij  Koninklijk  besluit  van  6  Februari  1897  werd  eene 
Centrale  Commissie  benoemd  voor  de  in  1900  te  Parijs 
te  houden  wereldtentoonstelling  en  Z.Exc.  de  minister 
van  Waterstaat,  Handel  en  Nijverheid  gemachtigd,  bij- 
zondere commissiën  te  benoemen  voor  de  verschillende 
groepen  waarin  die  tentoonstelling  zal  worden  gesplitst. 

Als  leden  voor  de  bijzondere  Commissie  voor  groep 
XVII  (Kolonisatie)  zijn  de  volgende  heeren  belast  met  het 
bijeenbrengen  van  alles  wat  met  betrekking  tot  onze 
overzeesche  gewesten  voor  de  tentoonstelling  te  Parijs 
in  aanmerking  komt: 

J.  W.  IJzerman,  voorzitter,  te  Amsterdam;  mr.  N.  P. 
van  den  Berg,  te  Amsterdam;  jhr.  mr.  W.  Elout  van 
Soeterwoude,  te  's  Gravenhage;  A.  H.  G.  Fokker,  te 
's  Gravenhage ;  G.  B.  Hooijer ,  secretaris ,  te  's  Gravenhage ; 
M.  Hijmans  van  Wadenoyen,  te  's  Gravenhage ;  prof.  dr. 
C.  M.  Kan,  te  Amsterdam;  H.  C.  van  den  Honert,  te 
Baarn ;  C.  M.  Pleijte  Wzn.,  te  Leiden ,  en  mr.  W.  Suermondt, 
te  Rotterdam. 

Terwijl  de  Nederlandsche  inzendingen  over  de  verschil- 
lende groepen  waartoe  zij  behooren  worden  verdeeld  en 
geplaatst  naast  dezelfde  soort  inzendingen  van  andere 
landen  in  daartoe  aangewezen  gebouwen,  zullen  die, 
welke  verband  houden  met  onze  koloniën,  afzonderlijk 
worden  bijeengebracht.  Zij  zullen  worden  tentoongesteld 
op  een  terrein  van  2500  Ma.  oppervlak,  gelegen  op  het 
terras  van  het  Trocadéro  in  de  onmiddellijke  nabijheid 
van  een  der  drie  hoofdtoegangen  tot  de  wereldtentoon- 
stelling. 

Om  die  reden  zal  de  groep  voor  onze  koloniën  iets 
bijzonder  aantrekkelijks  hebben  en  kunnen  rekenen  op 
een  druk  bezoek. 

De  Commissie  hoopt  door  de  wijze  van  inrichting  van 


156 


dit  terrein,  alsmede  door  den  aard  en  het  gehalte  der 
inzendingen ,  Nederland  waardig  vertegenwoordigd  te  zien, 
en,  in  aansluiting  aan  de  koloniale  tentoonstelling  te 
Amsterdam  in  1883 ,  een  zooveel  mogelijk  getrouw  beeld 
te  kunnen  geven  van  de  ontwikkeling  van  handel  en 
nijverheid  en  de  vermeerdering  der  kennis  van  onze 
overzeesche  gewesten  in  de  laatste  twintig  jaren. 

Daarom  doen  zij  een  beroep  op  de  krachtige  mede- 
werking van  allen,  die  daartoe  in  de  gelegenheid  zijn, 
bij  het  verzamelen  van  inzendingen  op  welk  gebied  ook , 
indien  zij  slechts  dienen  kunnen  om  de  wetenschappelijke 
waarde  der  koloniale  tentoonstelling  te  verhoogen. 

Berichten  en  voorstellen  dienaangaande  zullen  met  dank- 
baarheid door  den  secretaris  en  de  leden  der  Commissie 
worden  ontvangen. 

De  uitvoerige  classificatie  voor  de  Nederlandsche  Kolo- 
niale afdeeling  zal  op  aanvraag  aan  den  secretaris  der 
Centrale  Commissie  (Hofspui  6 ,  Den  Haag)  gaarne  franco 
worden  toegezonden. 


Invoering   van   de   opium-regie   op  Java 
en   Madura   alsmede   op   Lombok. 

Staatsblad  N°.  274  bevat  de  wet  van  den  30sten  De- 
cember 1897 ,  tot  verhooging  der  begrooting  van  uitgaven 
van  Nederlandsch-Indië  voor  het  dienstjaar  1898  ten  be- 
hoeve van  de  invoering  van  de  opium-regie  op  Java  en 
Madura  alsmede  op  Lombok. 

Het  eenig  artikel  luidt^ 

„  Ten  behoeve  van  de  invoering  van  de  opiumregie  op 
Java  en  Madura  alsmede  op  Lombok  wordt: 

in  het  Iste  hoofdstuk  der  begrooting  van  uitgaven  van 
Nederlandsch-Indië  voor  het  dienstjaar  1898: 

Onderafdeeling    10    (waarvan    de    omschrijving    wordt 


157 

gewijzigd  als  volgt:  Exploitatie  van  het  opiummiddel  in 
eigen  beheer)  verhoogd  met  ƒ1.047.000; 

in  het  Ilde  hoofdstuk  van  voornoemde  begrooting: 
Onderafdeeling  25.  (waarvan  de  omschrijving  wordt  ge- 
wijzigd  als  volgt:   Exploitatie   van  het  opiummiddel  in 
eigen  beheer)  verhoogd  met  ƒ  348.000." 


De   zaak   der  veroordeelde  Atjehsche 

officieren. 

Hier  volgt  de  sententie  definitief  van  het  Hoog  Militair 
Gerechtshof  in  Nederlandsch-Indië  in  zake  H.  G.  Th. 
Bosch ,  ie  luitenant  der  infanterie. 

Het  Hoog  Militair  Gerechtshof: 

Gezien  het  vonnis  van  een  daartoe  benoemden  krijgs- 
raad te  Kota-Radja  tegen  den  in  hoofde  dezer  genoemden 
beklaagde,  gewezen  op  den  8en  Januari  en  uitgesproken 
op  den  24©n  Mei  1897,  waarbij  hij  is  vrijgesproken  van 
het  hem  ten  laste  gelegde ,  met  verwijzing  van  den  Staat 
in  de  kosten  en  misen  der  Justitie,  alsmede  in  die  van 
den  processe; 

gelezen  den  namens  den  appellant  R.  O.  op  den  13 en 
Juli  1897  gedienden  eisch  in  appèl,  waarbij  wordt  ge- 
concludeerd, dat  het  Hoog  Militair  Gerechtshof  met  ont- 
vangst van  het  appèl  het  vonnis  zal  vernietigen,  den 
beklaagde  zal  schuldig  verklaren  aan :  diefstal  on- 
der verzachtende  omstandigheden,  hem 
over  zulks  zal  veroordeelen  tot  betaling  eener  geldboete 
van  ƒ  25 ,  met  vervanging ,  indien  de  opgelegde  geldboete 
niet  is  voldaan  binnen  veertien  dagen  na  de  aanzegging 
van  'sHofs  sententie,  door  militaire  detentie  van  drie 
dagen,  met  veroordeeling  nog  van  hem  in  de  kosten  der 
beide  instantiën; 

nog  gelezen  de  namens  den  geappelleerde  op  den  28<?n 


158 

Juli  1897  gediende  schriftuur  van  antwoord  in  appèl, 
waarbij  wordt  geconcludeerd  dat  het  den  Hove  moge 
behagen  den  advocaat-fiscaal  met  de  door  hem  genomen 
conclusie  van  eisch  in  appèl  de  dato  12  Juli  1897  niet 
ontvankelijk  te  verklaren  en  die  conclusie  stellen  buiten 
het  geding,  subsidiair  te  bekrachtigen  het  door  den 
krijgsraad  te  Kota-Radja  gewezen  vonnis  de  dato  8  Januari 
1897  met  veroordeeling  van  den  Lande  in  de  kosten  van 
het  hooger  beroep; 

Gezien  de  verdere  stukken  van  den  processe,  zoo  ter 
eerster  instantie,  als  in  appèl  gediend; 

Overwegende,  dat  de  appellant  R.  O.  naar  aanleiding 
van  'sHofs  resolutie  van  12  Maart  1897,  n°.  12,  waarbij 
de  advocaat-fiscaal  voor  de  land-  en  zeemacht  in  Neder- 
landsch-Indië  gemachtigd  werd  van  het  tegen  den  be- 
klaagde gewezen  vonnis  in  het  belang  van  de  hooge 
overheid  te  provoceeren  aan  den  Hove  te  bekwamer  tijd 
dit  appèl  heeft  vervolgd; 

Overwegende,  dat  namens  beklaagde,  thans  geappel- 
leerde bij  conclusie  van  antwoord  is  aangevoerd ,  dat  de 
door  den  advocaat-fiscaal,  tegen  hem,  beklaagde,  enden 
luitenant  Lutje  genomen  conclusie  van  eisch  in  appèl  als 
onwettig  buiten  het  geding  behoort  te  worden  gestelden 
het  Hof  zich  van  de  kennisneming  van  de  twee  gedingen 
zal  behooren  te  onthouden,  daar  deze  niet  op  wettige 
wijze  aan  's  Hofs  oordeel  zijn  onderworpen ,  vermits  toch 
twee  verschillende  processen,  betreflende  verschillende 
beklaagden  en  waarin  dan  ook  twee  verschillende  von- 
nissen zijn  gewezen,  in  appèl  niet  plotseling  kunnen 
worden  samengevoegd  en  gezamenlijk  behandeld; 

Overwegende,  dat  voor  deze  exceptie  geen  grond  be- 
staat, daar  bij  geen  wettelijke  bepaling  is  voorgeschreven, 
dat  in  samenhangende  zaken  als  deze,  waarin  meerdere 
beklaagden  zijn  en  welke  gelijktijdig  zijn  behandeld,  in 
appèl  tegen  ieder  der  beklaagden  een  afzonderlijke  con- 
clusie van  eisch  moet  worden  genomen ,  terwijl  bovendien 


159 

door  het  nemen  van  één,  instede  van  twee  conclusies, 
de  beklaagden  niet  in  hun  belangen  worden  geschaad; 

Dat  mitsdien  de  voorgestelde  exceptie  behoort  te  wor- 
den verworpen; 

Overwegende,  wat  de  zaak  zelf  betreft,  dat  den  be- 
klaagde ,  thans  geappelleerde  bij  klacht  de  dato  4  October 
1896  wordt  ten  laste  gelegd: 

dat  hij  op  den  14en  September  1896,  deel  uitmakende 
van  een  patrouille  in  de  kampong  Lam  Ilir,  bij  het  door- 
zoeken van  een  woning,  niettegenstaande  den  last  van 
den  colonne-commandant,  den  kapitein  der  infanterie  G. 
J.  H.  Bruynis,  om  alleen  wapens  en  munitie  mede  te 
voeren  en  niettegenstaande  zijn  bekendheid  met  de  com- 
mandementsorder  de  dato  27  Juni  1896,  n°.  101,  arg- 
listig heeft  weggenomen  en  doen  medenemen  tien  Atjehsche 
rijksdaalders  (dollars)  en  een  gouden  doos ,  welke  stukken 
bij  een  gehouden  onderzoek  in  het  bivak  te  Pasar  Sa- 
maghani,  op  den  17en  September  1896  zijn  aangetroffen 
bij  den  inlandschen  korporaal  Soprawiro ,  algemeen  stam- 
boek n°.  33208,  makende  deze  stukken  uit  een  gedeelte 
der  goederen,  welke  op  den  14en  September  1896  moe- 
ten zijn  ontvreemd  uit  de  in  de  kampong  Lam  Ilir 
doorzochte  woning  en  toebehoorende  aan  Toekoe  Radja 
Lam  Ilir. 

Overwegende  dat  de  krijgsraad  de  verklaring  van  be- 
klaagde, thans  geappelleerde,  terecht  als  een  ont- 
ken t  e  n  i  s  beschouwd ,  doch  ten  onrechte  beslist  heeft , 
dat  het  hem  ten  laste  gelegde  niet  wettig  en  overtuigend 
bewezen  is ; 

overwegende  toch,  dat  bij  het  gehouden  onderzoek, 
de  beklaagde,  thans  geappelleerde,  in  substantie  heeft 
verklaard: 

dat  hij  den  14en  September  1896  onder  kapitein  Bruynis 
als  colonne-commandant  met  een  patrouille  is  uitgerukt 
om  door  enkele  kampongs  ten  Oosten  van  Samaghanite 
marcheeren ; 


160 

dat  zij  bij  kampong  Lam  Ilir  gekomen  een  pas  opge- 
worpen benting  vonden  met  een  blokhuis  er  achter; 

dat  de  colonne-commandant  den  indruk  ontving,  dat 
deze  kampong  vijandig  gezind  was  en  wel  een 
verblijfplaats  van  deserteurs  kon  zijn ,  waarop  hij 
last  gaf  het  evengenoemd  blokhuis  te  doorzoeken; 

dat  daarop  eerst  de  korporaal  Soprawiro  met  het  ge- 
weer vaardig,  vervolgens  medebeklaagde  Lutje  en 
daarna  hij,  beklaagde,  naar  boven  zijn  gegaan,  langs  de 
ladder,  die  toegang  tot  het  blokhuis  gaf; 

dat  er  eenige  goederen  werden  gevonden,  welke  hij 
van  beklaagde  Lutje  ontving;  die  ze  van  den  korporaal 
had  aangenomen,  terwijl  hij  zelf  bij  de  ladder  stond  en 
eerst,  nadat  de  goederen  waren  afgegeven,  het  blokhuis 
is  binnengegaan; 

dat  hij  naar  het  daarin  zich  bevindend  nachtleger  is 
gegaan,  het  voeteneind  onderzocht  en  daar  o.  a.  een  tiental 
Atjeh-rijksdaalders  gevonden  heeft ,  die  hij  bij  zich  stak , 
zonder  daar  te  vermoeden,  dat  het  hem  later  kwalijk 
zou  genomen  worden,  daar  hij  opgemerkt  had,  dat  bij 
vorige  tochten,  zelfs  na  het  uitvaardigen  der  orders  van 
generaal  Vetter,  na  afloop  vee  en  goederen,  ook  uit 
goedgezinde  kampongs  afkomstig ,  openlijk  werden  mede- 
gevoerd,  zonder  dat  dit  belet  werd; 

dat  hij  aan  het  verlengde  van  het  voeteneind,  op 
een  laag  bankje,  twee  pakken  vond,  waarvan  het  een 
boeken  en  papieren,  die  door  beklaagde  Lutje  werden 
onderzocht,  en  het  andere  pak  zijden  kleedingstukken 
bevatte ; 

dat  hij  dat  pak  opende  en  den  inhoud  gedeeltelijk  zelf 
onderzocht  en  gedeeltelijk  met  dit  doel  aan  den  korporaal 
Soprawiro  overreikte; 

dat  daaronder  ook  een  doos ,  die  hij  voor  uit  gebronsd 
koper  bestaande  aanzag,  maar  die  later  van  goud  bleek 
te  zijn  en  die  in  den  broodzak  van  den  korporaal  Sopra- 
wiro werd  teruggevonden; 


161 

dat  hij  niet  weet,  wat  er  in  die  doos  zat  en  perti- 
nent ontkent  dien  korporaal  den  last  ge- 
geven te  hebben,  om  de  doos  voor  hem, 
beklaagde,   mede   te   nemen; 

dat  het  hem,  beklaagde,  begrijpelijk  voorkomt,  dat  de 
korporaal  Soprawiro  in  den  waan  verkeerde,  dat  hij  de 
meergenoemde  doos  voor  beklaagde  moest  medenemen, 
maar  dat  het  een  verkeerde  opvatting  was ,  daar  hij  niet 
met  dit  doel,  maar  wel  om  te  onderzoeken  of  er  patro- 
nen in  waren ,  de  doos  aan  Soprawiro  heeft  overgegeven ; 

dat  de  verkeerde  opvatting  van  Soprawiro  steun  zou 
vinden  in  het  meermalen  voorkomend  feit,  dat  officieren 
op  zulk  een  excursie,  gevonden  zaken  medenemende, 
die  aan  ondergeschikten  te  dragen  geven,  om  hen  later 
daarvoor  te  beloonen; 

dat  er  in  die  kampong  nog  andere  huizen  zijn  onder- 
zocht, maar  daarin  niets  is  gevonden; 

dat  hem  overigens  van  het  vermissen  van  andere  voor- 
werpen van  waarde  dan  de  genoemde  niets  bekend  is  en 
hij  dergelijke  voorwerpen  ook  niet  gezien  heeft; 

dat  hij  alleen  nog  aan  beklaagde  Lutje  heeft  overgereikt 
een  bij  het  pak  met  kleedingstukken  behoorende  vuile 
bruine  lap,  waarin  zich  rijksdaalders  bevonden; 

dat  hij  ten  sterkste  ontkent  de  tien  ringgits 
arglistig  te  hebben  medegenomen ,  daar  hij ,  toen  kapitein 
Bruynis  gelastte  niets  anders  dan  wapens  en  ammunitie 
mede  te  nemen,  wel  een  bos  met  koperen  sleutels,  die 
hij  in  handen  had,  heeft  nedergeworpen ,  maar  vergeten 
heeft  de  rijksdaalders  neder  te  leggen; 

dat  hij,  in  het  bivak  aangekomen,  zijn  ontbijt  uit  zijn 
zak  willende  halen,  de  ringgits  daarin  heeft  terugge- 
vonden; 

dat  hij  des  avonds  van  dienzelfden  dag  de  ringgits  aan 
korporaal  Soprawiro  heeft  gegeven,  omdat  hij  dezen 
daarmede  wilde  bevoordeelen ,  zooals  officieren ,  wanneer 
zij    het  een   en  ander  van  een  excursie  hadden  meege- 


162 

nomen,  wel  meer  deden  ten  opzichte  van  minderen,  die 
mede  waren  geweest; 

dat  hij ,  beklaagde  thans  geapelleerde ,  wel  bekend  was 
met  de  order  van  generaal  Vetter,  maar  hij  stellig  dacht 
in  een  vijandige  kampong  te  zijn,  te  meer  daar  hij  ver- 
nam, dat  bij  een  der  vorige  tochten  in  die  streek  in  de 
nabijheid  van  bovengenoemde  kampong  deserteurs  waren 
gezien ; 

dat  hij  in  het  houden  van  het  geld  ook  geen  kwaad 
heeft  gezien,  omdat  het  alleen  een  principe  was  van 
kapitein  Bruynis,  om  ook  daar  waar  andere  compagnies- 
commandanten het  niet  beletten  en  al  was  ook  de  order 
van  generaal  Vetter  niet  uitgegeven,  het  medenemen  van 
goederen  te  verbieden. 

Overwegende,  dat  de  korporaal  Soprawiro  als  getuige 
onder  eede  heeft  verklaard: 

dat  hij  den  14en  September  1896  de  patrouille  onder 
kapitein  Bruynis  heeft  medegemaakt; 

dat  de  troep  in  kampong  Lam  Ilir  heeft  halt  gehouden 
om  een  blokhuis,  dat  op  last  van  den  kapitein,  die  ver- 
moedde dat  daarin  deserteurs  waren,  door  een  Atjeher 
werd  geopend; 

dat  hem ,  getuige ,  daarop  door  den  kapitein  gelast  werd 
met  geladen  geweer  de  ladder  op  te  gaan  en  te  onder- 
zoeken wat  er  in  het  blokhuis  was,  daarbij  duidelijk  en 
nadrukkelijk  gelastende  alleen  onderzoek  te  doen  naar 
vuurwapens  en  ammunitie; 

dat  hij  den  last  opvolgde  en  gevolgd  werd  door  de 
luitenants  Lutje  en  Bosch; 

dat  in  dat  blokhuis  werden  gevonden  een  achterlaad- 
en  vijf  tromplaadgeweren ,  die  door  hem  naar  beneden 
werden  aangereikt,  terwijl  intusschen  de  beide  luitenants 
het  huis  verder  doorzochten; 

dat  kapitein  Bruynis,  die  midden  op  de  ladder  stond, 
niet  kon  zien,  wat  er  in  het  blokhuis  voorviel,  maar  bij 
het  weggaan  van  den  Atjeher,  dien  zij  daar  hadden  aan- 


163 

getroffen,   zei,   dat   al   het  goed,  behalve  de  geweren, 
werd  achtergelaten; 

dat  hij,  getuige,  van  beklaagde  Bosch  een  zilver  ver- 
gulde doos ,  die  van  onder  den  bultzak  van  het  bed  was 
gehaald,  ontving,  met  verbod  die  te  openen,  maar  met 
last  die  doos  voor  hem  mede  te  nemen  en  bij  terugkomst 
in  den  kraton ,  zoodra  zij  zouden  zijn  afgelost ,  aan  hem 
terug  te  geven; 

dat  hij,  getuige,  dat  eerst  weigerde,  zeggende  zulks 
niet  te  durven  doen ,  omdat  het  verboden  was  iets  anders 
mede  te  nemen  dan  wapens ,  en  hij ,  getuige,  er  dan  tegen 
aan  zou  loopen; 

dat  beklaagde  Bosch  hem  echter  daarop  zei,  dat  hij 
had  te  gehoorzamen  en  dat  hij ,  beklaagde ,  er  voor  in- 
stond, dat  hem  niets  zou  overkomen; 

dat  getuige  toen  op  last  van  den  luitenant,  beklaagde 
Bosch,  de  doos  geborgen  heeft  in  zijn  patroontasch  en  mede- 
genomen naar  het  bivak ,  dat  om  twaalf  uur  werd  bereikt ; 

dat  hij  in  het  blokhuis  nog  in  handen  van  beklaagde 
Bosch  heeft  gezien  een  blauwzijden  doek  aan  welks  vier 
punten  Atjehsche  gouden  sieraden  waren  gehecht  en  een 
bos  sleutels; 

dat  beklaagde  Bosch  daarop  de  vier  punten  bij  elkander 
genomen  in  de  rechterhand  en  de  rest  van  den  doek  in 
de  linkerhand  nam  en  hem,  getuige,  gelastte  tusschen 
beide  handen  den  doek  met  zijn  kapmes  door  te  snijden , 
wat  hij  gedaan  heeft; 

dat  hij  niet  weet,  wat  er  in  dien  doek  was,  maar  wel 
gezien  heeft  dat  beklaagde  Bosch  dien  doek  en  de  bos 
sleutels  in  zijn  zak  stak ; 

dat  beklaagde  Lutje  onderwijl  een  tasch  met  boeken 
en  papieren  onderzocht; 

dat  hij,  getuige,  's  avonds  omstreeks  elf  uur  bij  be- 
klaagde Bosch,  die  zich  tusschen  de  blokken  in  het 
bivak  bevond,  werd  geroepen  en  door  beklaagde  tot  op 
tien  pas  ongeveer  buiten  het  bivak  rechts  van  den  schild- 


164 

wacht  op  den  weg  naar  Glé  Kambing  in  de  sawah  werd 
medegenomen ; 

dat  beklaagde  daar  onder  het  overhandigen  van  tien 
Atjehsche  rijksdaalders  hem  uitdrukkelijk  opdroeg  om 
dat  geld  voor  hem ,  beklaagde ,  op  te  bergen  en  te  zorgen 
dat  niemand  het  te  weten  kwam ; 

dat  getuige  dit  niet  durfde  weigeren,  daar  beklaagde 
hem  er  voor  instond ,  dat  hem  niets  zou  overkomen ; 

dat  hij  die  doos  en  rijksdaalders  twee  k  drie  dagen 
heeft  bewaard  in  zijn  broodzak,  totdat  op  zekeren  mor- 
gen toen  hij  van  corvee  kwam,  de  kapitein  Labotz  hem 
vroeg ,  hoe  hij  aan  die  voorwerpen ,  die  in  zijn  broodzak 
waren  gevonden  ,  was  gekomen ,  waarop  hij  den  kapitein 
de  toedracht  der  zaak  heeft  medegedeeld; 

dat  hij  niet  weet,  wat  er  in  de  doos  was,  daar  hij,  den 
last  van  beklaagde  opvolgende ,  die  niet  had  geopend ; 

Overwegende  dat  de  getuige  kapitein  Labotz  onder 
eede  heeft  verklaard : 

dat  hij  den  14en  September  1896  met  zijn  compagnie 
deel  uitmaakte  van  de  colonne-Bruynis ,  die  een  patrouille 
maakte  onder  andere  door  de  kampong  Lam  Uir,  welke, 
zooals  hem  en  kapitein  Bruynis  bekend  was,  behoorde 
tot  die  kampongs,  welke  zich  hadden  onderworpen  en 
dus  bevriend  genoemd  werden ; 

dat  de  sectie  onder  bevel  van  beklaagde  Lutje  aan  het 
hoofd  der  colonne  marcheerde,  en  toen  kapitein  Bruynis 
die  kampong,  welke  hem,  naar  de  houding  der  bewo- 
ners te  oordeelen,  goed  gezind  voorkwam,  inging,  werd 
aangewezen  om  dien  officier  te  vergezellen; 

dat  kapitein  Bruynis  na  een  drie  kwartier  bij  hem 
terugkwam  en  hem  mededeelde ,  dat  er  in  een  der  huizen 
vuurwapens  waren  gevonden ,  die  hij  naar  het  bivak  deed 
medevoeren ; 

dat  getuige  die  wapens  ook  in  het  bivak  zag  inleveren 
bij  den  commandant,  majoor  Thomson,  die  hem  twee  k 
drie   dagen   later  bij  zich  heeft  ontboden  en  hem  mede- 


165 

deelde  dat  er  bij  het  doorzoeken  van  het  huis  van  den 
Iman  van  Lam  Ilir  behalve  wapens,  ook  kostbaarheden 
medegenomen  schenen  te  zijn  ,  waarna  hij  opdracht  kreeg 
een  nauwkeurige  inspectie  in  de  compagnie  te  houden; 

dat  toen  in  jien  broodzak  van  den  korporaal  Soprawiro 
een  zilveren  met  goud  gemonteerde  tabaksdoos  werd  ge- 
vonden, waarin  zich  bevonden  een  gouden  met  steentjes 
bezet  vrouwensieraad,  een  gouden  knopje  zonder  stift  en 
eenige  voorwerpen  behoorende  in  een  sirihdoos,  en  onder 
in  den  broodzak  los  tien  Atjehsche  dollars; 

dat  de  korporaal  Soprawiro ,  naar  de  herkomst  van  het 
gevondene  ondervraagd,  terstond  verklaarde,  doos  en 
dollars  van  beklaagde  Bosch  te  hebben  ontvangen; 

dat  hij  vervolgens  den  beklaagde  luitenant  Lutje  op- 
droeg ,  de  manschappen ,  die  hij  na  gehouden  corvee  onder 
zich  had,  persoonlijk  te  visiteeren,  na  welk  onderzoek 
beklaagde  Lutje  hem  rapporteerde ,  dat  er  niets  gevonden 
was  van  de  vermiste  kostbaarheden; 

dat  de  sergeant  De  Jonge  vier  Atjehsche  rijksdaalders 
heeft  ingeleverd,  bewerende  die  van  beklaagde  Lutje  te 
hebben  ontvangen  met  het  verzoek,  daarvan  een  paar 
voor  hem  te  bewaren,  die  hij  dan  tegen  ƒ  2.50  het  stuk 
zou  inruilen ; 

Overwegende  dat  kapitein  Bruynis  onder  eede  heeft 
verklaard : 

dat  hij  bij  de  excursie  op  14  September  1896  in  kam- 
pong  Lam  Ilir  een  blokhuis  heeft  doen  doorzoeken  door 
de  beklaagden  Bosch  en  Lutje  en  den  korporaal  Sopra- 
wiro, terwijl  hij  zelf  op  den  trap  bleef  staan; 

dat  hij ,  toen  behalve  geweren  en  ammunitie ,  ook  doe- 
ken, schrifturen  en  een  doos  met  een  gouden  medaille 
van  verdienste  in  de  tandoes  werden  gebracht ,  de  doeken 
uit  de  tandoes  heeft  genomen  en  ter  hand  gesteld  aan 
den  Atjeher,  die  het  blokhuis  op  zijn  last  had  geopend 
en  verder  er  voor  gewaakt  heeft  dat  er  behalve  wapens , 
ammunitie,    schrifturen   en   de  medaille  van  verdienste, 


166 

welke  te  Samaghani  aan  den  commandant,  majoor  Thomson, 
werden  afgedragen,  geen  andere  goederen  werden  mede- 
genomen ; 

dat  de  kampong  Lam  Ilir  op  hem  dadelijk  den  indruk 
heeft  gemaakt,  dat  er  kwaadwilligen  in  waren,  al  was 
de  kampong  in  het  algemeen  niet  vijandig  gezind; 

Overwegende  dat  de  majoor  Thomson  onder  eede,  als 
getuige  gehoord,  heeft  verklaard: 

dat  hij  den  14en  September  1896  uit  het  bivak  Samaghani 
een  patrouille  onder  den  kapitein  Bruynis  door  een  aantal 
kampongs  heeft  laten  marcheeren,  die 'hij  aan  dien  kapi- 
tein als  bevriend  opgaf; 

dat  kapitein  Bruynis  bij  zijn  terugkomst  rapporteerde , 
dat  hij  eenige  goederen  en  ammunitie  had  medegebracht 
uit  het  versterkte  Lam  Ilir,  waarover  getuige  hem  zijn 
ongenoegen  te  kennen  heeft  gegeven,  zeggende  dat  het 
beter  was  geweest,  die  wapens  daar  te  laten,  omdat 
Toekoe  Radja  Lam  Ilir  een  invloedrijk  hoofd  was ,  geheel 
op  onze  hand  en  zeker  toestemming  had  die  wapens  te 
bezitten;  dat  hij  eenige  dagen  later  van  den  waarnemend 
controleur  een  brief  kreeg,  waarin  hem  werd  mede- 
gedeeld ,  dat  vele  goederen  van  waarde  door  de  patrouille 
op  14  September  waren  geroofd  en  waarbij  hem  ver- 
zocht werd  de  goederen  en  ammunitie  aan  genoemd 
kamponghoofd  terug  te  geven; 

dat  hij  een  gestreng  onderzoek  heeft  gelast  en  toen 
bij  den  korporaal  Soprawiro  10  Atjehsche  dollars  en 
een  gouden  doos  werden  achterhaald,  die  hem  zouden 
zijn  in  bewaring  gegeven  door  beklaagde  Bosch ;  bij  den 
fuselier  Wonodrono  een  reistasch ,  en  bij  sergeant  De  Jonge 
vier  dollars,  die  hem  in  bewaring  waren  gegeven  door 
beklaagde  Lutje; 

dat  beklaagde  Lutje  eenige  uren  later  hem  ook  een 
gouden  ringetje  heeft  teruggebracht ,  zeggende  dat  in  zijn 
kamer  te  hebben  gevonden; 

dat  hij ,  ten  einde  alles  terecht  te  doen  komen  en  nadat 


167 

een  gedeelte  was  ingeleverd,  zich  wel  uitgelaten  heeft 
dat,  indien  al  het  gestolene  terechtkwam,  aan  de  zaak 
geen  gevolg  zou  worden  gegeven  en  anders  de  schuldigen 
streng  gestraft  zouden  worden; 

dat  hij  omtrent  een  en  ander  na  gehouden  onderzoek 
rapport  aan  den  Gouverneur  van  Atjeh  heeft  gezonden, 
die  hem  gelastte  tegen  de  beklaagden  Bosch  en  Lutje 
een  klacht  op  te  maken,  waaraan  hij  heeft  voldaan; 

Overwegende  dat  de  Atjeher  Hassan  onder  eede  heeft 
verklaard : 

dat  hij  omstreeks  September  1896  zich  in  de  nabijheid 
van  het  blokhuis  van  Toekoe  Radja  Ilir  bevond ,  waarvan 
hij  den  sleutel  bewaarde ,  daar  het  hoofd  naar  Kota-Radja 
was  gegaan,  toen  een  troep  soldaten  de  kampong  binnen- 
kwam met  twee  officieren,  die  hem  den  sleutel  van  het 
blokhuis  vroegen,  wat  hij  eerst  weigerde  maar  dat  hij  op  het 
dreigen  van  een  der  officieren  dat  men  hem  zou  tjintjangen 
de  deur  heeft  geopend ,  waarna  men  hem  heeft  weggejaagd ; 

dat  hij,  op  een  afstand  van  ongeveer  vijftien  vadem 
staande,  zag ,  dat  de  twee  officieren  en  iemand  met  strepen 
op  zijn  mouw  het  blokhuis  binnengingen ,  terwijl  een  derde 
officier  voor  het  blokhuis  bleef  staan; 

dat  hij  vervolgens  heeft  gezien,  dat  de  officieren  aan 
de  soldaten  goederen,  patroontasschen  en  een  pak  aan- 
gaven, die  in  tandoes  werden  gelegd  en  waarmede  de 
troep  is  weggegaan; 

dat  in  het  blokhuis,  onder  andere  behalve  de  wapens 
een  groot  pak  in  een  witten  doek  gewikkeld  was,  zóo 
zwaar  dat  getuige  alléén  die  niet  kon  optillen ,  welk  pak 
door  Radja  Lam  Ilir  vóór  zijn  vertrek  aan  hem ,  getuige, 
was  toevertrouwd,  met  last  om  het  pak,  als  de  djahats 
kwamen  in  veiligheid  te  brengen ,  maar  bij  de  komst  van 
troepen  te  laten  liggen; 

dat  hij  niet  weet  wat  er  in  dat  pak  was,  maar  dat 
de  Radja  hem  heeft  gezegd,  dat  er  kleeren,  gouden 
sieraden  en  dollars  in  waren; 

12 


168 

Overwegende  dat  de  getuige  Nja  Banta  onder  eede 
heeft  verklaard: 

dat  zijn  oom  Toekoe  Radja  Lam  Ilir  hem  in  September 
1896  opdroeg  om  gedurende  zijn  afwezigheid  en  verblijf 
te  Kota-Radja  op  een  blokhuis  in  Lam  Ilir  te  passen; 

dat  op  een  der  dagen,  dat  zijn  oom  afwezig  was,  een 
troep  soldaten  voor  dat  blokhuis  kwam  en  den  sleutel 
daarvan  wilde  hebben ; 

dat  hij  aan  de  soldaten  den  toegang  wilde  beletten, 
maar  dat  een  der  officieren  hem  met  de  revolver  dreigde, 
waarop  hij  weggeloopen  is  en  het  blokhuis  door  Hassan 
is  geopend  geworden; 

dat  hij  daarna  zag,  dat  die  officieren  van  uit  het 
blokhuis  aan  de  soldaten  die  vóór  het  huis  stonden  aan- 
reikten wapens  en  een  wit  pak,  die  in  tandoes  gelegd 
en  medegenomen  werden; 

dat  hij  niet  weet ,  wat  er  in  dat  pak  was  en  dat  hij 
van  het  medegenomene  niets  heeft  teruggezien; 

Overwegende  dat  Toekoe  Radja  van  Lam  Ilir  als  ge- 
tuige onder  eede  heeft  verklaard: 

dat  in  September  1896  de  troepen  in  zijn  kampong 
zijn  geweest ,  terwijl  hij  zich  te  Kota-Radja  bevond ; 

dat  hij  's  avonds  van  een  zijner  kampongbewoners  het 
bericht  kreeg ,  dat  de  troepen  alles  uit  zijn  huis  hadden 
medegenomen,  waarop  hij  van  het  gebeurde  aan  den  as- 
sistent-resident en  door  diens  tusschenkomst  aan  den 
waarnemend  controleur  van  de  XXII  Moekims  en  den 
majoor,  commandant  van  Samaghani,  heeft  kennis  ge- 
geven ; 

dat  hij,  in  zijn  blokhuis  gekomen,  bemerkte,  dat  zijn 
wapens  verdwenen  waren  en  dat  van  de  twee  pakken, 
waarin  hij  zijn  kleeren,  800  dollars  en  gouden  sieraden 
had,  alleen  de  doeken  achtergebleven  waren; 

dat  onder  die  sieraden  o.  a.  een  zilveren  vergulde  doos 
met  gouden  dekplaat,  gouden  armbanden,  ringen,  oor- 
bellen, enz.  was; 


169 

dat  de  beide  Atjehers ,  die  op  dat  huis  moesten  passen 
hem  vertelden  door  een  officier  met  zijn  sabel  te  zijn 
bedreigd  en  daarop  gevlucht  zijn,  waarna  zij  op  een 
afstand  achter  boomen  staande,  gezien  hadden,  dat  de 
goederen  uit  zijn  huis  werden  medegevoerd; 

Overwegende ,  dat  de  luitenant-adjudant  Mathijsen  onder 
eede  heeft  verklaard : 

dat  hij  den  16en  of  17en  September  1896  op  last  van 
majoor  Thomson  een  order  heeft  gegeven ,  ongeveer  van 
den  volgenden  inhoud:  „Heeren  compagniescommandan- 
ten worden  verzocht  aan  hun  onderhebbenden  bekend  te 
maken,  dat  zij  nog  heden  in  de  gelegenheid  zijn,  goede- 
ren in  te  leveren  afkomstig  uit  de  kampong  Lam  Ilir, 
zullende  zij  anders  zwaar  worden  gestraft,  wanneer  later 
goederen  bij  hen  worden  gevonden",  welke  order  door 
hem  is  gedicteerd  aan  de  dienstdoende  sergeant-majoors, 
die  de  order  in  hun  boekje  hebben  ingeschreven; 

Overwegende,  dat  sergeant  De  Haas  onder  eede  deze 
verklaring  van  getuige  Mathijsen  heeft  bevestigd; 

Overwegende ,  dat  nu  door  de  verklaring  van  beklaagde 
in  verband  met  die  van  de  getuigen  Soprawiro,  Hassan, 
Nja  Banta,  Toekoe  Radja  Lam  Ilir,  kapiteins  Bruynisen 
Labotz  wettig  en  overtuigend  is  bewezen,  dat  den 
14en  September  1896  bij  gelegenheid  dat  het  blokhuis 
in  kampong  Lam  Ilir ,  toebehoorende  aan  getuige  Toekoe 
Radja ,  door  een  patrouille  onder  kapitein  Bruynis ,  waar- 
van beklaagde  en  de  medebeklaagde  Lutje  deel  uitmaakten , 
werd  doorzocht,  uit  dat  blokhuis,  in  strijd  met  de  orders 
van  kapitein  Bruynis,  Atjehsche  dollars  en  sieraden  van 
dien  Toekoe  Radja  zijn  ontvreemd  onder  andere  door 
beklaagde  Bosch  10  Atjehsche  dollars  en  een  gouden 
doos; 

Overwegende ,  dat  beklaagde ,  thans  geappelleerde ,  wel 
ontkent  de  dollars  arglistig  te  hebben  weggenomen  en 
de  doos  aan  getuige  Soprawiro  te  hebben  gegeven  om 
die   voor   hem,   beklaagde,    te  bewaren,  doch  de  door 


170 

hem  aangevoerde  motieven  geenszins  die  kracht  hebben 
om  den  bij  de  gepleegde  feiten  in  hun  geheel  en  on- 
derling verband  beschouwd  gebleken  dolus  te  ontze- 
nuwen ; 

dat  toch  ten  dezen  aanzien  als  vaststaande  kan  worden 
aangenomen : 

ie  dat  beklaagde,  thans  geappelleerde ,  bekend  was  met 
het  feit  dat  hij ,  behalve  wapens  en  ammunitie ,  niets  mocht 
medenemen  uit  het  huis  van  Toekoe  Radja,  Imam  van 
Lam  Ilir; 

2e  dat  hij ,  aangenomen  dat  hij  de  medegenomen  voor- 
werpen als  bij  vergissing  bij  zich  gestoken  en  aan  den 
korporaal  Soprawiro  gegeven  had ,  te  goeder  trouw  zijnde , 
in  allen  gevalle,  onmiddellijk  bij  het  ontdekken  van  zijn 
misslag,  de  medegenomen  voorwerpen  aan  de  betrokken 
autoriteit  had  behooren  in  te  leveren; 

3e  dat  hij  echter ,  ook  zelfs  nadat  het  hem  bekend  was 
geworden,  dat  een  streng  onderzoek  naar  het  berooven 
van  Toekoe  Radja  van  Lam  Ilir  werd  ingesteld ,  die  inle- 
vering heeft  nagelaten  en  evenmin  getracht  heeft  zijn 
superieuren  van  zijn  handeling  in  kennis  te  stellen ,  waar- 
tegen, ware  hij  te  goeder  trouw  geweest,  geen  bezwaren 
zouden  hebben  kunnen  bestaan; 

4e  dat  hij  bekend  heeft  in  ieder  geval  over  de  tien 
dollars  als  zijn  eigendom  te  hebben  beschikt,  daar  die 
aan  korporaal  Soprawiro  ten  geschenke  zijn  gegeven, 
met  verklaring  dat  hij  misschien  een  paar  daarvan  zou 
willen  terugkoopen; 

5e  dat  hij  voor  zijn  handeling  zulke  onaannemelijke 
beweegredenen  aangeeft,  dat  mag  aangenomen  worden, 
dat  er  geen  gegronde  geoorloofde  beweegredenen  voor 
bestonden,  zooals  bijv.  zijn  beweren,  dat  hij  de  gouden 
doos  aan  den  korporaal  Soprawiro  gaf,  om  te  onder- 
zoeken of  er  ook  patronen  in  waren,  wat  hij  zelf  spoe- 
diger en  beter  had  kunnen  doen,  door  de  doos  eenvoudig 
te  openen; 


171 

6e  dat  beklaagde  op  het  feit  wijst,  dat  het  niet  zeker 
was  of  de  kampong  Lam  Ilir  als  een  vijandelijke  moest 
worden  beschouwd,  alsof  ook  zelfs  voor  het  geval,  dat 
deze  vraag  al  eens  bevestigend  moest  worden  beantwoord , 
niet  reeds  zijn  positie  van  officier,  ook  vooral  in  ver- 
band met  de  omstandigheid,  dat  hij  als  zoodanig  in  ver- 
eeniging  met  een  mindere  in  rang  een  opdracht  uitvoerde , 
hem  had  behooren  te  weerhouden,  om  anders  dan  met 
de  meeste  nauwgezetheid  en  op  onberispelijke  wijze  zich 
die  opdracht  te  kwijten; 

7e  dat  eens  aangenomen ,  dat  in  oorlogstijd  in  een  land , 
dat  met  kracht  van  wapenen  moet  worden  bedwongen  een 
minder  scherp  afgebakend  begrip  van  het  mijn  en  dijn  bij 
den  veroveraar  heerscht  ten  aanzien  van  het  eigendom 
van  den  vijand,  in  casu  het  algemeene  voorschrift  van 
generaal  Vetter  en  een  bijzondere  order  van  kapitein 
Bruynis  den  beklaagde,  thans  geappelleerde,  waarschuw- 
den ,  dat  voor  dergelijke  opvatting  thans  geen  plaats  was, 
evenmin  als  voor  het  beroep  op  onwettige  of  oneerlijke 
handelingen  van  anderen; 

Overwegende  dat  op  al  deze  gronden  het  arglistig 
wegnemen  van  de  meervermelde  voorwerpen  door  be- 
klaagde, thans  geappelleerde,  vaststaat  en  mitsdien  door 
zijn  gedeeltelijke  bekentenis  in  verband  met 
verklaringen  van  de  onder  eede  gehoorde  getuigen,  in 
het  bijzonder  van  den  korporaal  Soprawiro,  als  wettig  en 
overtuigend  bewezen  behoort  te  worden  aangenomen ,  dat 
beklaagde  zich  heeft  schuldig  gemaakt  aan  de  hem  bij 
klacht  ten  laste  gelegde  feiten ,  welke  opleveren  het 
misdrijf  van  diefstal,  omschreven  en  strafbaar  ge- 
steld bij  artikel  316  van  het  Strafwetboek  voor  Euro- 
peanen ; 

Overwegende,  dat  mitsdien  met  vernietiging  van  's  krijgs- 
raads  vonnis  alsnog  een  schuldigverklaring  en  veroor- 
deeling tot  straf  tegen  beklaagde  behoort  te  worden 
uitgesproken ; 


172 

'verwegcnde,  dat  den  Hove  geen  ter- 
n  zijn  voorgekomen,  die  aanleiding 
nnen  geven  om  de  strafwet  niet  in  al 
ar  gestrengheid  op  beklaagde  toe  te 
5  s  e  n ,  terwijl  integendeel  de  aard  van  het  gepleegde 
met  zich  brengt,  dat  beklaagde  niet  langer  kan  worden 
:houwd  waardig  te  zijn  tot  den  militairen  stand  te 
ooren ; 

elet  op  het  aangehaalde  wetsartikel,  op  artikel  twintig, 
ea  twee ,  van  het  Strafwetboek  voor  Europeanen , 
nede  op  artikel  twee,  alinea  twee  van  Staatsblad 
0,  né.  58,  en  artikel  50  t/m.  58  van  'sHofs  provi- 
leete  instructie; 

Rechtdoende 

In  naam  en  van  wege  de  Koningin ! 

Ontvangt  het  appèl ; 
'ernietigt  het  vonnis  waarvan  appèl ; 
r  e  r  k  1  a  a  r  t    den   beklaagde,    thans   geap- 
lleerde,    Bosch  schuldig  aan  het  misdrijf 
n  diefstal; 

Veroordeelt  hem    deswege   tot   de    straf 
n   een  jaar  gevangenis; 
Verklaart   hem   vervallen    van  den  mili- 
iren   stand; 

Veroordeelt  hem  nog  in  de  beide  instantiën  gevallen 
sten  en  misen  der  Justitie ,  mitsgaders  in  die  van  den 
.cessc. 

Üdus  gedaan  en  gesententicerd  op  heden  Vrijdag ,  den 
rentwintigsten    September  1800  zeven  en  negentig  bij 

hecren  mr.  J.  F.  Phitzinger,  A.  M.  van  der  Meer, 
lensionnecrd    luitenant-kolonel    der  infanterie,  mr.  J. 

J.  Schneider,  J.  B.  Mack  en  W.  A.  A.  Visser,  ge- 
isionncerde    luitenant  kolonels  der  Infanterie,  en  mr. 


173 


R.    Z.    Dannenbargh,    vice-president   en   leden   van   ge- 
meld Hof. 

iw-  g)  J-  F-  Phitzinger. 
A.  van  der  Meer. 

SCHNEIDER. 
MACK. 

w.  A.  A.  Visser. 
R.  z.  Dannenbargh. 

In  kennisse  van  mij: 
de  griffier 

{w.  g)  w.  de  Veer. 


Eene  nieuwe  expeditie  naar  de  Torres-straat. 

Alfred  C  Haddon  deelt  in  Nature  mede,  dat  hij  op- 
nieuw eene  expeditie  gaat  ondernemen  naar  de  Torres- 
straat. Er  gaan  nog  zes  Engelsche  geleerden  mede.  Het 
hoofddoel  van  den  tocht  zal  zijn:  ethnografische  en  lin- 
guïstische onderzoekingen  onder  de  inboorlingen  in  het 
noorden  van  Queensland  en  aan  de  zuidkust  van  Nieuw- 
Guinea. 

Een  deel  van  de  expeditie  zal  daarna  een  bezoek  bren- 
gen aan  Borneo,  op  uitnoodiging  van  mr.  C.  Hose, gou- 
verneur van  het  Bar am- district  in  Serawak, 

Het  plan  is,  in  het  begin  van  Maart  te  vertrekken  en 
in  den  voorzomer  van  1899  terug  te  keeren. 


NECROLOGIE. 


t  H.  J.  Bool. 

Den  22stcn  Januari  j.1.  is  te  Utrecht,  in  den  ouderdom 
van  bijna  70  jaren ,  overleden  de  heer  H.  J.  Bool ,  een 
man  die  zoowel  hier  te  lande  als  in  Indië  met  eere 
bekend  was.  De  reputatie  welke  hij  genoot  mocht  eerlijk 
verdiend  heeten.  Bool  dankte  het  succes  dat  hem  op  zijne 
lange  loopbaan  ten  deel  viel  in  de  eerste  plaats  aan  eigen 
kracht,  aan  bekwaamheid ,  aan  volhardihg ,  aan  toewijding, 
aan  karakter,  —  eigenschappen  die  in  hem  gelukkig 
vereenigd  waren. 

Hendrik  Johannes  Bool  was  27  Februari  1828  te 
Schoondijke  (Zeeland)  geboren. 

In  1849,  na  eerst  een  paar  jaren  bij  de  registratie 
werkzaam  te  zijn  geweest,  verkreeg  hij  eene  aanstelling 
als  stenograaf  bij  de  Staten-Generaal ,  hetgeen  hij  geble- 
ven is  tot  1859,  toen  hij  tot  commies  bij  het  Departement 
van  Binnenlandsche  Zaken  werd  benoemd. 

In  1863  kreeg  hij  het  aanbod  om  met  en  onder  den 
heer  IJssel  de  Schepper  naar  Ned.-Indië  te  gaan ,  teneinde 
bij  het  op  te  richten  bureau  voor  Statistiek  werkzaam 
te  zijn. 

In  1864  werd  hij,  in  Indië  aangekomen,  dan  ook  be- 
noemd tot  sous-chef  van  de  afdeeling  Statistiek  ter  Alg. 
Secretarie. 

De  tijd  daarvoor  bleek  echter  nog  niet  gekomen  te 
zijn;  de  invoering  van  het  statistiekwezen  bleef  althans 


175 

achterwege.  Klaarblijkelijk  was  er  voor  Bool  dus  weinig 
werk.  Hij  werd  dientengevolge  tevens  belast  met  de 
redactie  van  de  Javasche  Courant,  die  van  gouvernements- 
wege  wordt  uitgegeven.  Deze  redactie  is  hij  blijven  voeren 
tot  1870  (toen  hij  reeds  legouvernements-secretaris  was). 

In  November  1864  werd  hij  aangesteld  tot  referendaris 
ter  Alg.  Secretarie,  was  achtereenvolgens  gouvernements- 
secretaris (October  1867)  en  eerste  gouv.-secretaris  (De- 
cember 1869),  totdat  hij  in  April  1872  werd  benoemd  tot 
directeur  van  Financiën. 

Tegen  het  einde  van  1874  ging  hij  met  verlof  wegens 
ziekte  naar  Nederland,  en  bleef  daar  tot  begin  1877. 

Na  korten  tijd  na  zijne  terugkomst  op  wachtgeld  te  zijn 
geweest,  werd  hij  in  Juni  1877  benoemd  tot  directeur 
der  Burgerlijke  Openbare  Werken. 

In  1879  repatrieerde  hij  weer  wegens  ziekte  en  nam 
in  1882  eervol  ontslag  uit  'slands  dienst. 

Sinds  1880  woonde  Bool  te  Leiden,  waar  hij  succes- 
sievelijk lid  van  den  Gemeenteraad,  wethouder  (1882) en 
in  1888  lid  van  de  Tweede  Kamer  werd. 

Bij  de  jongste  verkiezingen,  ten  vorigenjare,  wenschte 
hij  niet  meer  in  aanmerking  te  komen. 

In  de  Kamer  nam  hij  zitting  als  koloniale  specialiteit. 
Zijne  adviezen  werden  zeer  gewaardeerd.  Hij  droeg  Indië 
een  bijzonder  warm  hart  toe ,  en  heeft  bij  voortduring  op 
tal  van  hervormingen  in  vrijzinnigen  geest  aangedrongen. 

De  Regeering  benoemde  hem  in  1889  tot  ridder  in  de 
orde  van  den  Ned.  Leeuw ;  de  Fransche  Regeering  schonk 
hem  het  commandeurskruis  der  Cambodja-orde. 

Zijne  hulpvaardigheid ,  eenvoud  en  goedhartigheid  deden 
hem  veler  vriendschap  verwerven. 


NIEUWE   UITGAVEN. 


ENGELAND. 


Crawford  (Arthur).  Our  troubles  in  Poona  and  the  Deccan .    14/ 

Arthur  (T.  C.  Arthur).  Reminiscences  of  an  Indian  police 

official.  2nd  ed -7/6 

Cobb  (8.  H.).  The  story  of  the  Palatines.  An  episode  in  colonial 
history 9/ 

Dubol8  (Abbé  J.  A.).  Hindu  manncrs,  customs  and  ceremonies. 
Trans,  from  the  author's  later  Frcnch  MS.  and  edit,  with  notes, 
corrcctions  and  biograph}r  by  Henry  K.  Beauchamp.  With  a  pre- 
fatory  note  by  the  Right  Hon.  F.  Max  Muller,  and  a  portrait. 
2  vols 21/ 

Egerton  (Hugh  Bdward).  A  short  history  of  Hritish  colonial 
policy 12/6 

Franoift  (H).  The  Rajah  of  Patamandri.  A  Hindu  romance    .      4/ 

Haverly  (Charles  E.).  Klondyke  and  fortune.  The  experiences  of 
a  miner  who  has  acquired  a  fortune  in  the  Yukon  Valley  1/ 

Ingram  (J.  Forsyth).  Xatalia:  a  condensed  history  of  the  explo- 
ration  and  colonisation  of  Natal  and  Zululand.  From  the  earliest 
times  to  the  present  dav 10,6 

Letters  received  by  the  East  India  Company  from  its  servants  in 
the  East.  Vol.  2.  1613—1615 21, 

Baymond  (Harry).  B.  I.  Barnato:  a  memoir.  With  portraits  and 
illusts 6/ 

Bitohie  (John).  List  of  the  books  in  the  English  language  on 
travel,  exploration  and  mountaineering,  published  within  the  year 
ending  August  31st,  1897 


177 

Stook  (Sarah  Geraldine).  Missionary  heroes  of  Africa.  With  75 
illusts.  and  a  map 2/6 

Sola  (A.  &  L).  Klondyke.  Truth  and  facts  of  the  new  Dorado      5/ 

Wilborforoe  (Bertrand  A.).  Dominican  missions  and  martyrs  in 
Japan.  With  a  preface  by  the  late  cardinal  Manning.  New  ed.    1/6 

Woodhouae  (Wüliam  J.).  Aetolia:  its  geography,  topography 
and  antiquities.  With  maps  and  illusts 21/ 

Younghusband  (O.  J.).  Indian  frontier  warfare.  Forming  the  third 
volume  of  the  Wolseley  Series.  Edited  by  captain  Walter  H. 
James 10/6 


DTJTCTSCHLAND. 

Ansichten  aus  den  deutschen  Koloniën M.    1.80 

Deutsohland-Uebersee.  Weltkarte  zur  Uebersicht  der  deutschen 
Gesch waderstationen  u.  des  deutschen  Kolonialbesitzes.  Nebst  Karte 
v.  Ost-China  m.  der  Kiau-Tshau-Bucht M.    1.— 

Kolonial-Handels-Adreasbuoh  1898.  Hrsg.  v.  dem  kolonial-wirt- 
schaftl.  Komitee M.    1.50 

Mittoilungen  der  deutschen  Gcsellschaft  f.  Katur-  u.  Völkerkunde 
Ostasiens.  Suppl.  II.  Thl. 

II.  Ehmann  (P.).  Die  Sprichwörter  u.  bildlichen  Ausdrücke  der 
japanischen  Sprache.  Gesammelt,  übers.  u.  erklart  II.  Thl.  (von 
Gyokuseki  bis  Ki) M.    6.— 

Riohthofen  (Von).  Karte  der  Kiau-Tshau-Bucht,  Ost-Shantung. 
Situationszeichnung  nach  den  Originalen  des  Verf.  u.  anderen 
Quellen  v.  Rich.  Kiepert,  Schrift  u.  Gebirge  vom  Verf.  (Aus: 
,R.,  China".) M.    1.— 

Wrede  (B.)  Die  Körperstrafe  bei  allen  Vülkern  von  den  altesten 
Zeiten  bis  auf  die  Gegenwart.  Kulturgeschichtliche  Studiën.  1  Lfg. 
Vollst.  in  15  Lfgn.  Pro  Lfg M.    1  50 


FRARKBIJK; 


Delmaa  (E.).  Java,  Ceylon,  les  Indes 6  fr. 

Enjoy  (G.  d9).  La  colonisation  de  la  Cochinchine     .    .    .   7  fr.  50 


[ 


178 

Gallais  (H.).  La  colonisation  dans  ses  rapports  avcc  la  production 
et  la  consommation 1  fr. 

Ganter  (D.),  Recueil  de  la  législation  en  vigueur  en  Annam  et  au 
Tonkin 30  fr. 

G-rosolaude  (Bt.).  Un  Parisien  a  Madagascar.  Aventures  et  im- 
pressions  de  voyage 10  fr. 

Guide  ofnciel  des  passagers  sur  toutes  les  mers .    .    .    .  1  fr.  30 

Mazelière  (Marquis  De  la).  Moines  et  ascètes  indiens.  Essai  sur 
les  caves  d'Ajunta  et  les  couvents  bouddhistes  des  Indes  .    4  fr. 

Recueil  général  de  la  législation  et  des  traites  concernant  la  pro- 
priété  industrielle.  Brévets  d'invention.  —  Dessins  et  modèles  de 
fabrique.  —  Marqucs  de  fabrique  et  de  commerce.  —  Nom  com- 
mercial. —  Fausses  indications  de  provenancc.  —  Concurrence 
deloyale.  —  Usurpation  de  récompcnscs  industrielles.  Publié  par 
Ie  bureau  international  de  1'Union  pour  la  protection  de  la  pro- 
priótc  industrielle  ayec  Ie  concours  de  jurisconsultes  de  divers 
pays.  Tomé  II. 

II.  Europe:  2.  partie.  Italië  —  Luxembourg  —  Ile  de  Malte  — 
Monaco  —  Montenegro  —  Norvège  —  Pays-Bas  et  colonies  — 
Portugal  —  Roumanie  —  Russie  et  Finlande  —  Saint-Marin  — 
Serbie  —  Suède  —  Suisse  —  Turquie.  Asie.  Ceylon  (He  de)  — 
Chine  —  Chypre  (He  de)  —  Établissements  détroits  (Straits  Set- 
tlements)  —  Hong-Kong  (ile  de)  —  Inde  britannique  —  Indo-Chine 
—  Japon  —  Labouan  —  Negri  Sembilan  —  Pérak.  —  Perse  — 
Selangor. 

Sorbiers  de  la  Tourasse.  La  colonisation  du  Senegal  et  du  Soudan. 

l  fr. 


GFLEGENHEID-ALBUMS. 

Het  eenigste  en 
beste  adres  voor 
artistieke  albums 
en  prachtbanden 
in  alle  stijlen  als- 
ook met  familie- 
wapens er  opge- 
werkt, is 

m.  HRKBLBAGH,  ITRFXHT  (MLUM). 

Hpjkteraneier.  Bekroond  met  Qomlen  en  Zilveren  Medaille*. 


C.  L.  STEVENS.    —    DEN  HAAG 

Elke  dag  brengt  drukte  mee, 
'k  Ben  daarover  zeer  tevreó; 
Werken  is  mün  element: 
Dat  ik  't  goed  doe,  1h  bekend. 
STEVENS  wordt  genoemd  met  eere , 
Hij  bedriegt  rijn  klanten  niet; 
Wat  men  vrage  of  begeere. 
't  Is  al  billijk  en  solied. 
Yljftfoa  s«aW«r»  koat  een  VEEB, 
Kant  en  klaar  is  uw  horloge; 
't  Kost,  (ik  zeg  het  onder  't  roosje,) 
U  bij  and'ren  heel  wat  meer.  — 
Marmeren  PFNDÜULS  en  COUPES, 
Met  Driejarige  garantie , 
Lever  ik  voor  Z«*ti«a  pop, 
Desverkiezend  op  kwitantie. 
REMONTOIRS  van  ZILVER  Zr», 
GOUDEN  DAMES  Elf  en  HEER  EN 
Arhtilea  CaMra,  heel  die  les 
Moogt  gij  wel  van  buiten  leeren. 
Zorg  dat  dit  het  eeret  geschiedt; 
Zorg  dat  ieder  menach  het  wete : 
Dat:  Wat  verder  men  vergete, 

Breedstraat  Honderd,  zeker  niet. 


ie  StóikiÉlig  „RIJSWIJK". 


Wetenschappelijk  nagewezen  volkomen  deslnfeetie. 
Geringste  mechanische  slijtage.  Geen  kunstbleekerij,  geen 
§tamp-,  Wring-  en  Borstelmachines. 

Specialiteit  m  Snelwasschen. 

TE  LEP  HOON  674. 

Telegram-Adres:  Waschinrichting    „RIJSWIJK". 


LI 


t, 


Prins  fiendrikstraat  119. 

2)e  nieuwste  romans 

in  alle  talen. 
Lezing  per  deel  en  per  abonnement. 
KANTOOR-,    SCHRIJF-    en    SCHOOL- 
BEHOEFTEN. 
BIND-  EN  DRUKWERK. 
Plaatsing   van   Advertentiën  en  Abonne- 
menten op  alle  Dagbladen. 
FINALE  UITVERKOOP  WEGENS 
VERBOUWING. 

Bij  F.  J.  VAN  PAASSCHEN,  te  's  Gra- 
venhage  is  verschenen: 


MAX  M.  SCHILTE 


Export 


NAAB 


Oost-  &  West  Indië 


ïidiog  der  Eng, 


rii 


voor  Postambtenaren, 

DOOR 

J.  F.  E.  W.  ZEIJ, 

Adjunct- Commies  bij  het  Hoofd* 

bestuur  der  Posterijen   en    Telegrafie. 

Gediplomeerd  in  Engelsen  {Midd. 

onderwijs). 

FH|ft  I  0.7ft  fp.  p.  p.  t  0.80. 


Makanan  Djawa. 

Verzending  van  alle  Ind.  gerechten. 

Bezorging  van  kleine  en  groote 

Ind.  diners.  —  Diners  k  f  1  SB  best 

uit  5  Ind.  gerechten ,  vold.  v.  2  pers. 

GROOTHANDEL 

in  SAMBALS  en  BOEMBOES. 

ECHTE  JAVA-KERRIE 

a  ƒ0.50,  ƒ1.—  en  ƒ  2—  per1/,  flescli. 

Vraag  Menu  en  Prijscourant. 

Adres :  P.  VAN  KEMPEN,  Loosduinsche 
kade  4,  b/h.  Westeinde,  Den  Haag. 


De  Nieuwe  Drogistwinkel, 
Mej.  E.  DE  LEEUW, 

Somatose,  Quina  Laroche 

en  alle  Binnen-  en  Bultenlandsohe  genees- 
middelen. 

SPECIALITEIT  IN  TANDPOEDER.  TANDWATER 
EN  TAN0B0RSTEL8. 

Eau  de  Cologne  van  Boldoot  enz, 

VERZENDING  NAAK  INDEË. 


1NBRÜKVERZEKEM 


Kederlandsche 


i> 


AMSTERDAM. 

Opgericht  1853. 

Mr.  J.  TER  HEULEN  Jp. 

Vertegenwoordlgep  t 


BB, 

Lange  Poten  21a.  —  Den  Haag. 


Bij  de  Uitgevers-Maatschappij  „PUBLICITAS"  te  Amsterdam  verschenen: 


EXXLB  ZOLA,  Voor  een  nacht  v.  liefde  f  1.50 

,  Thérèse  Raquin,  geïll.  -  2.25 

,  Madeleine  Férat,     „    -2.50 

,  Mevrouw  Neigeon   „    - 1.90 

,  Naïs  Micoulin    .      „    -1.90 

Lr.  7.  8.  ZAXP,  De  Sexucele  Voorbe- 
hoedmiddelen     -0.75 

Sr.  P.  MOULIN,  Magnetisme  en  Som- 

nambulisme -0.90 

P1EBBE  KBOPOTKINE,  De  Anarchie, 

Philosophie  en  Ideaal    ....    -  0.60 
Dr.  S.  OLEXENT,  Gezondheidsleer  v. 
het  huwelyk f  0.90 


Br.  E.  OLEXENT,  De  ziekten  van  den 

man f0.90| 

Br.   CABL  HENNIGr,  De  ziekten  van 

het  kind -  2.901 

A.  B.  WE3TEEH0ÏÏT,  Marie  Huising, 

real.  Novellen -l.< 

0HAMPA.ONE-KALENDEB  1898 1.  pers  -  O.S*| 
BOUDOIB-KALENDEB  1898  ter  perse  -  0.: 
MIOH  OOBBAY,  Kamer  No.  3    .    .    -0. 
(Onschuld,  geïll.  Aan  het  Dessert, 
advies   van  Mama ,  geïll.  Brand!  ge. 
Bonbons,  geïll.,)  Dit  deeltje  is  het  H 
van  de  Boudoir-Bibliotheek. 


Voor  franco  zending  naar  Indiö  worden  deze  prijzen  met  10  pet.  verhoogd. 


G.  STREITWOLF 

Instrumentmaker, 

Firma  Wed.  Bern.  Klaassen, 

Passage  26,     Zootmanstraat  8S, 

'S  GRAVENHAGE. 

Brillen  en  Pince-Nez, 


Artikelen  voor  Ziekenverpleging 


pEVESTIGDt 

Piet  fleinstraat  No.  21, 

Cl.  ÜÏI  Cl 


) 


Gollecteur  der  Staatsloterij. 


Heelc  en  gedeelteii  vaoi 
loten  in  de  357e  loterij  ver- 
krijgbaar. 


Mu.  HAMBURG. 

Uitzet-,  Kapitaal-  en  Rente-Verzekering-Maatsch' 

DIRECTIE  DER  AFDEELING  NEDERLAND  EN  BELGIË : 

Ansterdam ,  Rokio  117.  Brussel,  10  Boulevard  Aupaefc. 

DIVIDEND  aan  de  verzekerden  uitgekeerd  over  1896 

1&XU  °/o  der  Ja.a.rpremie. 

Nadere   inlichtingen   zijn  o.   a.   te  bekomen   bij   den   heer   G.    V. 
BLIJSWIJK  SOMBEEK,  Inspecteur  der  Maatschappij,  Taemaratraat  é 
's  Gravenhage. 


OQ 


© 


SS 
■o 

3  o 
■"•*» 

a(0 


IMEL  VAN  REE 


jjjju 


JÏOOGSTRAAT    29    EN    £>TATIONSWEG    71, 


1" 

?5  ► 


Interc.  Telephoon 

Steeds  voorradig  eene  groote  collectie 


e£aap.  SA^TAXff>JL-@X€eABB2ff> 


van   A.   J.   EEIJNVAAN,   Amsterdam. 

SPECIALE  BUKVERP:  MET  FRANSCHE  SLUITING. 

Export  door  de  geheele  Wereld. 

F.  W.  REJCK  &  ZOON. 

AJLB  UMS, 

Portretiy«ten.  Portefeuilles,  Portemoimaies,8igarenkokers,Buvards  en  andere 
artikelen,  welke  alle  onder  garantie  voor  deugdelijke  bewerking  en  soliditeit 

•orden  geleverd. 
Artikelen,  in  onze  magazijnen  gekocht,  worden  kosteloos  gerepareerd. 

Ruimste  keuze;  uiterst  billijke  prijzen. 

ALBUMS  voor  Indië,  expresse  bewerking. 
$,  Schoumburgstraat  2,  $en  Staag. 

H.  H.  KL A ASSEN,  Prinsestraat  23  en  25, 

'S  GRAVEN HA.GE 


^Ijwt  aitgebreid  M agazijn  van  Po*«-  «■  Luseaapfor , 

MMjltofc«aftea,   CoaYertea,  laktoa,  mi, 

_  verkoopt  met  succes  : 

«tten  CScraii   Postpapier.  210   yel,  ook   geschikt 
de  maü,  voor  den  spotprijs  Tan  »•  ««at, 
fa-mlopfeo.  Toor   post  in  tweeën,  blauw  gevoerd, 
•*«  per  !••.  Kleinere  formaten  Tan  af  t*ft  «••»• 

v«r««n   •*%  eeat  per  !©•. 

*•,  lste  kwaliteit,  per  gros  (144  stuks), 


Ooosa  Lase  Papier,  50  Tel  en  50  Couverten,  blauw 

r  è»fi^  P#ftlmNl"aa*  letter  H.  B.,  voor  tOentSccnt 

Verter  alle  «carljfaeaoertoa,  spotgoedkoop.  Bollen 
KpW  !•  •«■«  per  rol,  echt  Engelsen. 


Grootste  Magazijn  van 
-É3     JfciVffiKST-ARTIJKELKST      £>- 
voor    Bruiloften ,    Verjaringen ,   Kinderpartijen ,   enz 

YaortlraeBfaa,  V«r»Jes,  Aardigheden,  «as. 

FABBIBK  VAK 
JBLOEMEN-^RTIKELEN, 

yoor  sclf  Bloemea  ie   makea. 

Diverse  soorten  Bladeren,  5  et  per 
dozijn,  alle  van  linnen. 


Export  naar  Oost-  en  West-Indien 

Vraag  Monsters  en  Geïllustreerde  Prijscouranten. 


t 


grootste  en  goedkoopste  magazijn  in 
bovenstaande  artikelen  is 

Passage  33-35-37 

Jhballeert,  verhuurt  en  verzendt 
F°r  de  geheele  wereld. 

1 0.  8ÜU@18, 

■  DEN  RAAG. 


Tandheelkundige  Inrichting 

VAN 

H.  HAMBURG, 

TANDARTS, 

van  Kinsbergenstraat  80. 

DAGELIJKS  TB  COHSULTEEREH. 

Heele  Gebitten  f  35.  Tanden  per  stuk  f  2. 
Goud  plombeeren  f  5.  Cement  of  Zilver 
plombeeren  f  2.  Tandheelkundige  operatièn 
zonder  pijn  f  1. 

Zondags  van  9  tot  3  uur. 


De  Nieuwe  Drogist  winkel, 
Mej.  E.  DE  LEEUWi 

^ttvóe^tt^aat  «42.  —  SDeu,  JCa.aa. 

Somatose,  Quina  Laroche 

en  alle  Binnen-  en  Buitenlandeche  genees- 
middelen. 

SPECIALITEIT  IN  TANDPOEDER.  TANDWATER 
EN  TANDBORSTELS. 

Eau  de  Cologne  van  Boldoot  enz. 

VERZENDING  NAAR  INDEÊ. 


INBR41KVERZEKERIN6. 

Kederlandsche  Üoyd, 

AMSTERDAM. 

Opgericht  1853. 

DiP.  J.  TER  HEULEN  Jr. 

Vertegenwoordiger  t 

Lange  Poten  21a.  —  Den  Haag. 


Bij  de  Uitgever8-MaatechappiJ  „ PUBLICITAS "  te  Amsterdam  verschenen: 


EXILB  ZOLA,  Voor  een  nacht  v.  liefde  f  1.50 

,  Thérèse  Raquin,  geïll.  -  2.25 

,  Madeleine  Férat,     „    -2.50 

,  Mevrouw  Neigeon   „    - 1.90 

.Naïs  Micoulin    .      „    -1.90 

Dr.  F.  8.  KAÉP,  De  Sexueele  Voorbe- 
hoedmiddelen     -0.75 

Dr.  P.  MOULIN,  Magnetisme  en  Som- 

nambulisme -0.90 

PIEBEB  EBOPOTKINE,  De  Anarchie, 

Philosophie  en  Ideaal    ....    -  0.60 
Br.  E.  OLEMENT,  Gezondheidsleer  v. 
het  huwelyk f  0.90 


Dr.  E.  OLEMENT,  De  ziekten  van  den 

man f  0.90 ! 

Dr.   CABL  HENNIG,  De  ziekten  van 

het  kind -  2.901 

A.  E.  WESTE&HOUÏ,  Marie  Huising, 

real.  Novellen -1.90] 

OHAJCPAGNE-KALENDEB 1898 1.  pers  -  0.50 
BOUDOIE-KALENDEE  1898  ter  perse -0.25] 
MIOH  O0EDA7,  Kamer  No.  3    .    .    -0.251 
(Onschuld,  geïll.  Aan  het  Dessert,  O] 
advies  van  Mama ,  geïll.  Brand!  geül«i 
Bonbons,  geïll.,)  Dit  deeltje  is  het  1< 
van  de  Boudoir-Bibliotheek. 


Voor  franco  zending  naar  Indic  worden  deze  prijzen  met  10  pet.  verhoogd. 


G.  STREITWOLF 

Instrumentmaker, 

Firma  Wed.  Bern  Klaassen, 

Passage  26,     ZoBtmanstraat  83, 

'S  GRAVENHAGE. 

Brillen  en  Pince-Nez, 


Artikelen  voor  Ziekenverplegiag 


pEYESTIGD: 

Piet  fleiastraat  No.  21, 

a  ui  cm 


) 


Collecteur  der  Staatsloterij. 


Heele  en  gedeelten  van 
loten  in  de  357e  loterij  ver- 
krijgbaar. 


M*.  HAMBURG. 

Uitzet-,  Kapitaal-  en  Rente- Verzekering-Maatsch^ 

DIRECTIE  DER  AFDEELING  NEDERLAND  EN  BELGIË : 

Amsterdam,  Rokin  117.  Brussel,  10  Boulevard  Aispaeh. 

DIVIDEND  aan  de  verzekerden  uitgekeerd  over  1896 

■*2Vi  °/0  der  Jaarpremie. 

Nadere   inlichtingen   zijn   o.   a.   te   bekomen   bij   den   heer   G.  V, 
BLIJSWIJK  SOMBEEK,  Inspecteur  der  Maatschappij,  Tasmaratraat  4] 
's  Gravenhage. 


© 


u 
© 

ft 

O 
10 


MEL  VAN  RIN 

JÏ00GSTRAAT    29    EN    jSTATIONSWEG    71, 


«+3 

se  cd 

cbCO 


Interc.  Telephoon 

Steeds  voorradig  eene  groote  collectie 


IS 


van   A.    J.    REIJNVAAN,    Amsterdam. 

SPECIALE  BUKVERP:  MET  FRANSCHE  SLUITING. 

Export  door  de  geheele  Wereld. 

F.  W.  EINCK  &  ZOON. 

AL.B  UMS, 

FartretUjsten.  Portefeuilles,  Portemonnaies,  Sigarenkoker8,Buvards  en  andere 
artikelen,  welke  alle  onder  garantie  voor  deugdelijke  bewerking  en  soliditeit 

worden  geleverd. 
Artikelen,  in  onze  magazijnen  gekocht,  worden  kosteloos  gerepareerd. 

Ruimste  keuze;  uiterst  billijke  prijzen. 

ALBUMS  voor  Indië,  expresse  bewerking. 
£,  Schoambargsfraaf  2,  $en  Staag. 

H.  H.  KL A ASSEN,  Prinsestraat  23  en  25, 

S  GRAVEN HA.GE. 


Jüert  uitgebreid  Magaujn  Tan  Po*<-  en  Laxeaapier , 

•,   Coavertea,  lakten,  mi, 

verkoopt  met  succes  i 
Pakken  Ciernit  Postpapier.  2*0  vel,  ook  geschikt 
toot  de  mail,  Toor  den  spotprijs  Tan  *©  ««ai, 

""  Toor  post  in  tweeën,  blauw  gevoerd. 


M  «au  per   MM).  Kleinere  formaten  Tan  af  H*U  mnt 


K^MT«rtoii   it%  eeat  per 

aaaaca,  lste  kwaliteit,  per  gros  (144  stnks), 

Dooien  Las»  Papier,  50  Tel  en  50  CouTerten,  blauw 
•Woerd,  SO  ««•«, 

Prima  Pattaodea,  letter  H.  B.,  voor  SOen<5  ceat 

vader  alle  ■carijfaeaaeften,  spotgoedkoop.  Bollen 
fapier  io  eaat  per  rol,  echt  Bngelsch. 


Grootste  Magazijn  Tan 
Toor    Bruiloften,    Verjaringen,   Kinderpartijen,   enz 

Voordraektea,  Yerajee,  Aardigheden,  cm. 

fabriek  van 

Ploemen-^rtikelen, 

Toor  «elf  Bloemen  te   maken. 

Diverse  soorten  Bladeren,  5  et.  per 
dozijn,  alle  van  linnen. 

Export  naar  Oost-  en  West-Indiën 


Vraag  Monsters  en  Geïllustreerde  Prijscouranten. 


Het  grootste  en  goedkoopste  magazijn  in 
bovenstaande  artikelen  is 

fassage  33-35-37 

Embaileert,  verhuurt  en  verzendt 
door  de  geheele  wereld. 

O.  S'öXJgBB, 

DEN  HAAG. 


Tandheelkundige  Inrichting 


VAN 


H.  HAMBURG, 

TANDARTS, 

van  KïHsbergenstraat  80. 

DAGELIJKS  TE  GONSULTEEREN. 

Heele  Gebitten  f  35.  Tanden  per  stuk  f  2. 
Goud  plombeeren  f  5.  Cement  of  Zilver 
plombeeren  f  2.  Tandheelkundige  operatièn 
zonder  pijn  f  1. 

Zondags  van  9  tot  3  uur. 


DELFÏSCHB  R00MB0TKR-1NRICHT1NG 

H  * 

ë  .E  59  - 

.§f  l~ 


•I*  S  C/J 

g  si  o 

"S  's  • 

i -  =t 

E  s  g  m 

1=  f  5 


Verzending    van    Roomboter   ruim  17000  KG.  per  week, 


Z).E7  A.VONJDPOST, 

Neutraal  Nieuwsblad. 

Van  alle  in  de  Residentie  verschijnende  dagbladen  het  mees 
verspreid,  ook  buiten  's  Gravenhage;  bevat  o.  m.  uitvoerige  ver 
slagen  der  Stat  en -Generaal,  artikelen  over  actucele  onder 
werpen  en  sociale  vraagstukken,  militaire  bcschon  wingen 
Indische  schetsen,  brieven  nit  de  Oost  en  causerieën,  me 
zorg  gekozen  feuilletons,  offlcieele  berichten  en  benoem! ■■ 
gen  van  denzelfden  dag,  mailberichten,  opgaven  omtremi 
verloven  van  Indische  officieren  en  ambtenaren,  enz. 

Het  Zondagsblad  van  De  Avondpost 

is  hoofdzakelijk  aan  belletrie  gewijd. 
Abonnementsprijs  voor  Den  Haag,   Scheveningen    ( 
Loosduinen  f  1  35,  Delft  ƒ  1.40,  voor  alle  andere  plaatsen 
Nederland  fr.  p.  p.  f  1.66. 

Voor  O.  &  W.  Indië  per  jaar  bfr'  vooruitbetaling  f  IS. 

cBureaux;  Se  usacfenstraai  70,  'sWravenha^ 


Het  Zuid-Hollandsch  Venduehuis. 

Uitgebreide  lokalen:  Ingang  Prinsegr.  hoek  L  Beestenmarkt, 

DEN  HAAG. 

Is  de  beste  inrichting  tot  aan-,  en  verkoop  van 

ALLERHANDE  GOEDKRER  yoor  hen  dienaarladië  verirelckcD  of  vaadur  repatrieêren. 

Elke  dag  van  9 — 10  uur  geopend  en  dee  Zondaga  van  9^5  uur. 

VOOBDEELIGE  CONDITIEN  VOOB  PUBLIEKE  VEILINGEN 

R.  GLASTRA,  Bierstraat  5,  Den  Haag. 


Billijke 
Prijzen. 


Beste 
Bediening 


VERHUIZINGEN  en  TRANSPORTEN  door  het  geheele  Rijk. 


D.  A.  BACIOFNER, 

Tailleur  Civil  &  Militaire. 
NHCITSTMIT  56  -  'S  GUVHIBKK. 

Uitrustingen 

OOST-  &  WEST-INDIE. 
Livereien,  etc.  etc. 


EENIG 'ADRES  VOOR 

Solied  Haarwert 


Maison  T.  Harteveld, 

Coi  fleur. 

Speciaal   Silo»  toar  fiamts  n:  Htmii. 

Prins  Hendrikstraat  182, 

nabij  de  Waldeck  Pyrrnontkade. 


H.  C.  J.  VRIJTHOFF  VAN  DER  TOORN, 

Zeestraat   30   —    Den    JJaagr 

Fabrikant  van  BANDAGES  van  ORTHOP.  TOESTELLEN.  Leverancier 
aan  verschillende  Rijks-  en  Gemeente-instellingen. 
Levert  verder  en  gros  en  en  détail : 
Prima  Eng.  Rijwielen,  voor  Heeren  f  100—130—160,  voor  Dames  f  140, 
Prima  Amerikaansche  Rijwielen,  voor  Hoeren  en  Dames  f  225, 

alle  met  de  meest  omvattende  garantie  op  machines  en  banden. 
Prachtige  Zwitscrsche  Muziekdoozen,  Zelfspelende  Piano's,  Orgels,  enz. 
Etectr.  schel-  en  lichtgeleidingen,  om  zelf  aan  te  leggen,  draagbare  Electr. 
fiets-  en  hulslampan,  Telefonen,  enz.  enz.  —  Uiterst  billijk. 


•»W»\v\ 


INHOUD. 


Bladz. 


I.  Australasia 179 

II.  De  privaatrechtelijke  toestand  der  Chineezen 

in  Nederlandsch-Indië  .     .     . 210 

III.  Petroleum  in  Japan 233# 

IV.  Eene   onverdiende  beschuldiging.  Door  L.  W. 

A.  KESSLER 243 

V.  De  pest   in  Britsch-Indië 244* 

VI.  Koloniale  Litteratuur .     .  249 

De  opleiding  der  technische  ambtenaren  bij  het  bosch- 
wezen  in  Neêrlandsch-Indië  (1865—1897).  Door 
Dr.  W.  B.  J.  van  Eyk.— -Een  Japansch-Europcesch 
tijdschrift. 

VIL  Varia 253 

De  goudmijnen  van  Noord-Celebes.  —  Kunstmatig 
bereide  indigo.  —  Koffiecultuur  in  Transvaal.  — 
Surinaamsche  koffie.  —  Onder  de  Bataks. 

VIII.  Nieuwe  uitgaven 264 

Bijdragen  en  brieven,  de  Redactie  betreffende,  ge- 
lieve men  te  zenden  aan  den  Heer  H.  A.  LESTURGEON , 
villa  „Catharina  Francisca",  N.  Badhuisweg,  Scheveningen. 

Dit  Tijdschrift  verschijnt  'tusschen  den  len  en  den  15cn 
van  elke  maand. 

De  abonnementsprijs  bedraagt  voor  Nederland  ƒ  13. — 
per  jaar.  Voor  het  buitenland  wordt  dit  bedrag  met  de 
porto's  verhoogd.  Tusschentijds  aangegane  abonnementen 
worden  ad  ƒ  3.25  per  kwartaal  berekend. 

Afzonderlijke  nummers,  voor  zoover  deze  voorhan- 
den zijn,  ƒ  1.50  per  aflevering. 

Prijs  der  advertentiën  van  l/s;  l/k]  */*  en  lU  bladzijde 
per  plaatsing  ƒ  1.50;  ƒ  2.50;  ƒ  4.50;  ƒ  8.—. 

Bij  12  achtereenvolgende  plaatsingen  van  l/9;  Vi?  Va 
en  Vi  bladzijde  ƒ  12.—  ;  ƒ  20.—  ;  ƒ  35.—  en  ƒ  60.—. 


Australasia. 


No.  8  der  Consulaire  Verslagen  en  Berichten,  uitgegeven 
van  wege  het  Departement  van  Buitenlandsche  Zaken, 
bevat  een  zeer  uitvoerig  en  zorgvuldig  bewerkt  rapport 
van  den  Nederlandschen  consul-generaal  te  Melbourne, 
den  heer  J.  C.  T.  Reelfs.  Met  het  oog  op  het  groot 
belang ,  dat  de  mededeelingen  van  den  heer  Reelfs  zoowel 
voor  Nederland  als  Indië  heeft,  laten  wij  hier  een  over- 
zicht van  het  verslag  volgen. 

Met  den  naam  van  Australasia  bestempelen  de  Engel- 
schen  in  het  algemeen  het  vasteland  van  Australië,  het 
aangrenzende  eiland  Tasmania  en  de  eilanden  van  Nieuw- 
Zeeland,  welke  landen  gezamenlijk  eene  oppervlakte 
beslaan  van  3  075  474  vierkante  Engelsche  mijlen ,  en  op 
het  einde  van  1896  eene  bevolking  telden  van  4  323  204 
zielen ,  hoofdzakelijk  van  Europeeschen  oorsprong.  Staat- 
kundig is  Australasia  verdeeld  in  zeven  koloniën,  en  de 
namen  van  deze,  zoomede  de  oppervlakte  en  het  aantal 
inwoners  van  elke  kolonie,  vindt  men  in  de  volgende 
tabel  vermeld. 

13 


180 


KOLONIËN. 

Oppervlakte 
in  vierk. 

Bevolking. 

Dichtheid  der 
bevolking 
per  vierk. 

Eng.  mijlen. 

Eng.  mijl. 

Victoria     .... 

87  884 

1  174944 

13,37 

Nieuw-Zuid- Wales . 

309175 

1  297  640 

4,19 

Oueensland    .     .     . 

668  224 

472  179 

0,70 

Zuid-Australië    .     . 

903  425 

360  220 

0,40 

West-Australië  .     . 

975  920 

137  946 

0,14 

Tasmania  .... 

26  375 

166113 

6,30 

Nieuw-Zeeland  .     . 

104471 

714  162 
4  323  204 

6,83 

Totaal 

3  075  474 

1,40 

Behalve  de  hierboven  aangegeven  bevolking  van  Euro- 
peesche  afstamming,  vindt  men  nog  in  Zuid-  en  West- 
Australië  ,  alsook  in  Quecnsland ,  een  aantal  Australische 
inboorlingen ,  waarvan  het  cijfer  evenwel  slechts  bij 
gissing  is  te  bepalen  en  dat  in  1895  geschat  werd  op 
200  000,  terwijl  voorts  nog  in  Nieuw-Zeeland  39  854  Maoris 
leven,  het  overschot  van  den  volksstam,  die  eenmaal 
die  streken  bewoonde. 

Hoewel  men  met  het  oog  op  de  natuurlijke  gesteldheid 
van  den  bodem,  die  niet  alleen  zeer  rijk  is  aan  allerlei 
mineralen,  maar  bovendien  ook  bijzonder  geschikt  voor 
veeteelt  en ,  ofschoon  in  geringere  mate ,  mede  voor  land- 
bouw, zou  verwachten  dat  de  landelijke  bevolking  inde 
diverse  koloniën  een  zeer  hoog  cijfer  bereikt ,  is  dit  echter 
niet  het  geval,  en  doet  zich  integendeel  het  verschijnsel 
voor ,  dat  de  steden  in  verhouding  tot  het  platteland  veel 
te  sterk  bevolkt  zijn,  wat  er  toe  leidt  dat  in  de  eerste 
meer  en  meer  gebrek  aan  voldoenden  arbeid  ontstaat ,  en 
men  daarentegen  op  het  land  vaak  niet  over  genoegzame 
werkkrachten  beschikt. 

Volgens  den  census  van  1891  telde  Australasia  toen 
38   steden  van  meer  dan  5  000  inwoners,  en  volgende 


181 


staat  toont  aan,  hoe  groot 
voornaamste  plaatsen,  met 


de  bevolking  van  de  vijftien 
inbegrip  der  voorsteden ,  was : 


Melbourne    . 

.     .  490896 

Dunedin     .     . 

.     .  45  869 

Sydney     .     . 

.     .  383  385 

Bendigo     .     , 

.     .  37  238 

Adelaïde  .     . 

.     .  133  252 

Hobarttown    . 

.     .  33  450 

Brisbane  .     . 

.     .     93  657 

Wellington 

.     .  33  224 

Auckland .     . 

.     .     51 287 

Geelong     .     . 

.     .  24  283 

New-Castle  . 

.     .     50  705 

Port  Adelaïde 

.     .  20644 

Christchurch. 

.     .     47  846 

Launceston    . 

.     .  17  208 

Ballarat    .     . 

.     .     46  033 

Juiste  opgaven  omtrent  het  aantal  inwoners  der  ver- 
schillende steden  op  ultimo  December  1896  zijn  nog  niet 
voorhanden,  doch  op  dien  datum  werd  de  bevolking  der 
zeven  hoofdplaatsen  aldus  geschat: 
Melbourne  (Victoria)  .  .  .  451  110 
Sydney  (N.  Z.  Wales)   ..  410  000 
Adelaïde  (Zuid- Australië).  145  212 
Brisbane  (Queensland)  .  .  100  913 
Wellington  (Nw.  Zeeland).    41  758 
Hobbarttown  (Tasmania).    37  885 

Perth  (West-Australië)  .  -.  34  129  tegen  8  447  in  1891 , 
zoodat  Melbourne  de  eenige  hoofdstad  is,  die  sedert  1891 
eene  vermindering  van  bevolking  heeft  ondergaan,  een 
gevolg  van  minder  gunstige  toestanden  aldaar  in  de  laatste 
jaren. 

Uit  hetgeen  hierboven  omtrent  den  bodem  gezegd  is, 
kan  blijken  dat  mineralen,  veeteelt  en  akkerbouw  de 
voornaamste  bronnen  van  bestaan  van  dit  werelddeel 
vormen. 

Van  al  de  verschillende  metalen,  die  in  Australasia 
gevonden  worden ,  is  goud  verreweg  het  belangrijkste, 
zoowel  om  de  aanzienlijke  hoeveelheid  waarin  het  tot  nog 
voorkomt,  als  om  zijn  verspreiding  over  nagenoeg  het 
geheele  land;  ook  is  het  een  der  weinige  metalen,  die 


I 


182 
hier    reeds    sedert  jaren   stelselmatig   bewerkt  worden. 

Zilver  wordt  evenals  goud  in  alle  Australische  kolo- 
niën gevonden ,  doch  behalve  in  Nieuw-Zuid- Wales ,  overal 
elders  tot  nog  toe  slechts  In  betrekkelijk  geringe  hoe- 
veelheid. Zelden  komt  het  geheel  alleen  voor,  doch 
meestal  in  verbinding  met  andere  metalen,  vooral  als 
zilyerhoudend  looderts.  De  voornaamste  zilvermijnen  treft 
men  aan  in  Nieuw-Zuid- Wales ,  en  de  grootste  en  rijkste 
onder  deze  zijn  die  van  „Broken  Hill".  De  metaalader 
daar  is  de  aanzienlijkste  tot  nog  toe  ontdekt,  heeft  eene 
breedte  van  10  tot  200  voet  en  eene  lengte  van  verscheidene 
mijlen ;  het  geheele  terrein  te  dezer  plaatse  is  in  bewerking , 
en  verdeeld  in  talrijke  concessiën,  die  in  het  bezit  zijn 
van  mijnmaatschappijen  en  syndicaten.  De  geheele  zilver- 
productie van  Australasia  werd  tot  het  einde  van  1895 
geschat  op  eene  waarde  van  £  23  204  935. 

Ook  koper  wordt  in  alle  koloniën  aangetroffen, 
doch  in  Victoria ,  West- Australië  en  Nieuw-Zeeland  is  de 
opbrengst  tot  nog  toe  gering  en  trekt  weinig  de  aandacht. 
Het  meest  komt  het  voor  in  Zuid- Australië ,  dat  in  1895 
163  352  Cwt.  opleverde  ter  waarde  van  £  226  494. 

Tin  werd ,  naar  men  zegt ,  reeds  in  de  eerste  jaren 
der  kolonisatie  van  Australasia  in  dit  werelddeel  ontdekt , 
en  wel  op  de  Noordkust  van  Tasmania.  In  den  vorm  van 
cassitertte  (oxyde  van  tin)  wordt  het  in  alle  zeven  koloniën 
aangetroffen ,  maar  verreweg  het  meest  op  genoemd  eiland , 
zijnde  de  Mount  Bischoff  aldaar  de  beroemdste  tinmijn 
van  het  geheele  land.  Volgens  de  statistiek  bedroeg  de 
waarde  van  al  het  door  de  verschillende  tinmijnen  in  1894 
op  Tasmania  geproduceerde  tin  £  156  865,  doch  voor 
1895  wordt  die  waarde  slechts  aangegeven  op  £  67  754 , 
terwijl  zij  daarentegen  in  het  afgeloopen  jaar  opnieuw  tot 
£  159  038  steeg.  De  reden  van  dit  groot  verschil  is  het 


I 

i 

waren. 


183 

consulaat  niet  bekend,  doch  waarschijnlijk  moet  zij  ge- 
zocht worden  in  onvolledige  opgaven  over  1895  van  de 
zijde  der  mijnontginners. 

In  Victoria ,  Zuid-  en  West- Australië  is  de  tin-exploitatie 
tot  nog  toe  van  weinig  belang,  en  in  Nieuw-Zeeland 
schijnt  men  zich  vooralsnog  geheel  niet  met  deze  industrie 
bezig  te  houden.  Men  berekent  dat  gedurende  1894  onge- 
veer 4  000  personen  in  Australasiatische  tinmijnen  werkzaam 


IJ  z  e  r  is  over  het  geheele  werelddeel  verspreid ,  doch 
wegens  gebrek  aan  voldoend  kapitaal  tot  exploitatie  heeft 
de  ijzerindustrie  tot  heden  zich  weinig  ontwikkeld.  In 
Nieuw-Zuid- Wales  bevat  de  bodem,  te  zamen  met  kool 
en  kalksteen,  aanzienlijke  hoeveelheden  ijzererts,  alles- 
zins geschikt  tot  smelten,  en  voor  de  vervaardiging  van 
zeker  soort  van  staal  wordt  er  overvloed  aan  mangaan- , 
chromium-  en  zwaarsteen-ertsen  aangetroffen.  De  uitge- 
strektste  ijzervelden  vindt  men  in  de  Mittagong-,  Wallera- 
wang-  en  Rylstone-districten ,  die  geschat  worden  geza- 
menlijk 12  994  000  ton  erts  te  bevatten,  houdende  5  853  000 
ton  ijzer.  De  eenige  werken  voor  de  bereiding  daarvan 
uit  erts,  zijn  te  Eskbank  in  de  nabijheid  van  Lithgow 
gelegen,  en  het  aldaar  behandelde  metaal  bestaat  uit 
rood  kiezelachtig  erts,  bevattende  22  pCt.,  en  bruin 
bloedsteen  (hematiet),  houdende  50  pCt.  ijzer.  Overvloed 
van  kool  en  kalksteen  wordt  in  de  nabuurschap  gevonden. 
Het  etablissement,  oorspronkelijk  opgericht  tot  het  ver- 
vaardigen van  zoogenaamd  pig-iron ,  houdt  zich  nu  hoofd- 
zakelijk bezig  met  dat  van  ijzeren  staven ,  stangen,  spijkers 
en  gewoon  gietwerk. 

Magneet- ij zer,  het  rijkste  van  alle  ijzerertsen , 
komt  in  overvloed  bij  Wallerawang  in  Nieuw-Zuid- Wales 
voor,  en  de  nabijheid  van  thans  in  bewerking  zijnde 
koolbeddingen  zou   de   ontwikkeling  van  deze  delfstof, 


184 

die  41  pCt.  metaal  bevat,  moeten  bevorderen.  Magneetijzer 
wordt  ook  in  groote  hoeveelheid ,  te  zamen  met  bloedsteen , 
aangetroffen  in  West- Australië ,  en  de  bewerking  er  van 
zou  aanzienlijke  voordeelen  kunnen  opleveren,  indien 
men  over  genoegzame  goedkoope  arbeidskrachten  te  be- 
schikken had. 

Behalve  in  Nieuw-Zuid- Wales  houdt  men  zich  nergens 
elders  in  Australasia  met  de  ijzerindustrie  bezig. 

De  hierboven  besproken  metalen  zijn  die,  welke  tot 
heden  de  grootste  uitkomsten  opgeleverd  en  veel  tot  de 
welvaart  van  Australasia  bijgedragen  hebben ,  doch  er 
worden  behalve  deze  nog  tal  van  andere  aangetroffen, 
die,  ofschoon  zij  vooralsnog  weinig  de  aandacht  hebben 
getrokken ,  toch  wellicht  in  de  toekomst  van  groot  voor- 
deel voor  dit  werelddeel  kunnen  worden.  De  voornaamste 
daaronder  zijn: 

Antimonium,  dat  over  eene  aanzienlijke  oppervlakte 
van  deze  koloniën  verspreid  is  en  somtijds  gevonden 
wordt  in  verbinding  met  goud.  Uitgebreide  velden  heeft 
men  in  het  Noordelijk  tafelland  van  Nieuw-Zuid- Wales 
ontdekt,  vooral  te  Hillgrove  in  de  nabijheid  van  Uralla. 

Bismuth  is,  naar  men  beweerd  heeft,  over  alle 
koloniën  verspreid ,  doch  tot  heden  werd  het  alleen  geëx- 
ploiteerd in  Nieuw-Zuid- Wales  en  Queensland,  maar  in 
eerstgenoemde  kolonie  schijnt  de  opbrengst  tegenwoordig 
van  weinig  beteekenis  te  zijn,  daar  sedert  1892  geene 
opgaven  daaromtrent  verstrekt  werden. 

Mangaan  heeft  men  tot  nog  toe  in  Nieuw-Zeeland, 
Nieuw-Zuid- Wales ,  Victoria ,  Queensland  en  West- Australië 
ontdekt,  doch  waarschijnlijk  komt  het  ook  in  de  beide 
overige  koloniën  voor.  Men  heeft  zich  evenwel  vooralsnog 
weinig  met  dit  mineraal  bezig  gehouden,  wijl  de  vraag 
naar  bismuth  tot  heden  beperkt  is.  Eigenlijk  heeft  men 
het  alleen  in  Nieuw-Zeeland  eenige  aandacht  geschonken. 


185 

Zwavel  treft  men  in  groote  hoeveelheden  in  de  vul- 
canische  streken  van  Nieuw-Zeeland  aan  en  zal  zich  aldaar 
door  den  tijd  waarschijnlijk  tot  een  belangrijk  handelsartikel 
ontwikkelen ,  al  trekt  het  ook  voor  het  oogenblik  weinig 
de  aandacht. 

Kobalt  komt  zoowel  in  Nieuw-Zuid- Wales  als  in 
Victoria  voor,  en  in  eerstgenoemde  kolonie  heeft  men 
pogingen  aangewend  het  erts  te  exploiteeren ,  wijl  het 
metaal  eene  belangrijke  commercieele  waarde  bezit ;  daar 
evenwel  de  pogingen  tot  nog  toe  met  geen  gunstigen 
uitslag  werden  bekroond,  heeft  men  ze  voor  het  oogenblik 
gestaakt. 

Nikkel  werd  vooralsnog  enkel  in  Queensland  en 
Tasmania  gevonden,  doch  men  heeft  zich  nog  weinig 
moeite  gegeven  naar  dit  kostbaar  mineraal  stelselmatig  te 
zoeken.  In  1894  produceerde  Tasmania  136  ton  nikkelerts , 
geschat  op  £  544. 

A  r  s  e  n  i  k  wordt  in  zijne  welbekende  en  schoone 
vormen,  geel  opperment  en  rood  kattenkruid,  inNieuw- 
Zuid-Wales  en  Victoria  aangetroffen ,  gewoonlijk  in  aderen 
in  verbinding  met  andere  mineralen. 

Zinkerts  vindt  men  in  onderscheidene  variëteiten 
van  carbonaten,  silicaten  en  oxyden  in  de  meeste  kolo- 
niën, doch  tot  nu  toe  trok  het  weinig  de  aandacht. 

Chromium  schijnt  vooralsnog  alleen  in  Nieuw-Zuid- 
Wales  verwerkt  te  worden.  Evenals  ijzer  en  kolen  heeft  ook 
de  prijs  van  dit  product  in  den  laatsten  tijd  eene  aanzien- 
lijke vermindering  ondergaan. 

De  Australasiatische  bodem  bevat  nog  verschillende 
mineralen,  zooals  platina,  titatium,  wolfram, 
waterlood  en  enkele  algemeen  minder  bekende  meer , 
doch  naar  alle  deze  heeft  men  voor  het  tegenwoordige 


186 

nog  te  weinig  onderzoek  ingesteld ,  om  er  hier  iets  over 
te  kunnen  mededeclen. 

De  koloniën  van  dit  werelddeel  zijn  door  de  natuur 
overvloedig  voorzien  van  minerale  brandstof,  algemeen 
bekend  onder  den  naam  van  kool,  die  zich  evenwel  in 
drie  hoofdsoorten  laat  verdeelen,  nl.  bruinkool  of 
ligniet,  zwarte  kool  en  anthraciet. 

Bruinkool  of  ligniet  komt  hoofdzakelijk  in  Nieuw- 
Zeeland  en  Victoria  voor,  en  men  heeft  zich  herhaaldelijk 
moeite  gegeven  om  dit  mineraal  als  gewone  brandstof 
aan  te  wenden,  doch  zijne  inferieure  qualiteit  heeft  tot 
nog  toe  zijn  algemeen  gebruik  belet. 

Zwarte  kool,  d.  i.  gewone  steenkool,  vormt  een 
van  de  belangrijkste  minerale  voortbrengselen  van  Nieuw- 
Zuid- Wales  ;  de  kolenvelden  aldaar  bevinden  zich  in  drie 
bepaalde  streken,  nl.  de  Noordelijke,  Zuidelijke  en  Weste- 
lijke districten,  en  men  zegt  dat  zij  gezamenlijk  eene 
oppervlakte  beslaan  van  23  950  vierkante  Engelsche 
mijlen ,  bevattende  volgens  schatting  78  198  millioen  ton. 

Anthraciet  wordt  in  Tasmania  gevonden;  het  is 
een  hard  en  zwaar  mineraal ,  dat  moeilijk  brandt  en  weinig 
handelswaarde  bezit  in  landen  waar  gewone  kool  in  over- 
vloed voorhanden  is. 

Het  verbruik  van  Australische  kolen  voor  locale  con- 
sumtie  in  de  koloniën  is  niet  onbelangrijk  en  neemt  steeds 
toe.  Vooral  de  spoorwegen,  gas-  en  andere  fabrieken 
gebruiken  veel,  en  ook  tal  van  stoombooten  stoken 
tegenwoordig  inlandsche  kolen. 

De  kolenindustrie  verschafte  gedurende  1894  werk  aan 
ruim  13  000  arbeiders. 

Kerosine  Shale  (torbaniet)  is  eene  soort  van  mine- 
rale brandstof,  die  in  verschillende  streken  van  Nieuw- 
Zuid-Wales    wrordt   gevonden.   De  beste  soort  van  deze 


187 

stof  levert  tot  ongeveer  150  gallons  ruwe  olie  per  ton 
of  18  000  kubieke  voet  gas,  met  eene  lichtsterkte  van 
38  tot  48  spermacetiekaarsen.  De  New  South  Wales  Shale 
and  OU  Company  te  Hartley  Vale,  en  de  Australian 
Kerosene  OU  and  Mineral  Company  te  Joadja  Creek  en 
Katoomba  exporteeren  niet  alleen  kerosine  shale,  maar 
bereiden  daaruit  ook  petroleum  en  andere  producten. 

Uitgebreide  formatiën  van  oil  shale  heeft  men  te  Otago 
en  te  Orepuki  in  Nieuw-Zeeland  aangetroffen,  maar  de 
pogingen,  tot  exploitatie  aangewend,  waren  ongunstig, 
doordat  de  verkregen  olie  de  eigenschappen  mist,  die  haar 
voor  verlichting  geschikt  maakt;  zij  kan  alleen  als  machine- 
olie dienst  doen. 

Er  wordt  in  Nieuw-Zeeland ,  en  wel  alleen  in  de  provincie 
Auckland ,  nog  een  belangrijk  product  aangetroffen,  bekend 
onder  den  naam  van  kauri-gom,  en  dat  daar  te  lande 
ten  onrechte  tot  de  mineralen  wordt  gerekend,  terwijl 
het  veeleer  tot  de  plantaardige  voortbrengselen  behoort. 
Het  is  eene  harsachtige  zelfstandigheid,  uiterlijk  eenige 
overeenkomst  hebbende  met  amber.  Het  komt  in  tweeërlei 
toestand  voor,  nl.  als  een  uitvloeisel  van  nog  levende 
boomen,  en  in  den  grond  in  fossielen  staat  in  grootere 
of  kleinere  stukken.  De  laatste  soort  heeft  de  meeste 
waarde,  men  heeft  daaronder  stukken  gevonden  van  100 
Eng.  ponden ,  en  onder  deze  worden  de  geheel  of  gedeel- 
telijk doorschijnende,  die  men  als  een  substituut  voor 
amber  bezigt  bij  het  vervaardigen  van  mondstukken  voor 
sigaren-  en  andere  pijpen,  het  hoogst  geschat.  Het  meest 
evenwel  wordt  kauri-gom  gebruikt  bij  de  bereiding  van 
olie- vernissen ,  en  de  voornaamste  landen,  waarheen  het 
wordt  uitgevoerd ,  zijn  Engeland  en  de  Vereenigde  Staten 
van  Noord-Amerika. 

Zouten  treft  men  in  Australasia  veelvuldig  aan ,  o.  a. 
steenzout  in  Nieuw-Zuid- Wales  in  de  rotsspleten ,  en  voorts 


188 

natron  en  bitterzout ,  doch  tot  heden  naar  het  schijnt  niet 
in  voldoende  hoeveelheden  om  de  exploitatie  loonende 
te  maken. 

Aluin  komt  in  die  kolonie  insgelijks  voor,  en  wel 
dicht  bij  het  dorp  Buddadelah ,  30  mijlen  van  Port  Stephens 
gelegen. 

Marmer  vindt  men  in  sommige  streken  van  Nieuw- 
Zuid- Wales,  Zuid- Australië ,  Nieuw-Zeeland  enTasmania, 
en  in  eerstgenoemde  kolonie  heeft  men  in  onderscheidene 
districten  marmergroeven  geopend,  waarvan  sommige 
zeer  fraaie  qualiteit  marmer  leveren. 

Lithographische  steen  treft  men  in  Nieuw- 
Zeeland  aan,  zoomede  eene  andere  soort  van  fraaie 
kalksteen,  oamaru  stone  genaamd,  die  eene  schoone 
roomachtige  kleur  heeft  en  zeer  gezocht  is  voor  openbare 
gebouwen,  niet  alleen  in  de  kolonie,  maar  ook  in  de 
groote  steden  van  het  vasteland  van  Australië. 

Gips   wordt  in  gekristalliseerden  vorm  gevonden  in 

kleibeddingen  in  Nieuw-Zuid- Wales ,  en  in  afzonderlijke 

kristallen  in  de  zoutmeren  van  Zuid- Australië ;  voorts  in 

enkele   streken  van   Victoria.   Dit   mineraal  heeft  eene 

handelswaarde  voor  de  bereiding  van  cement  en  voor 
stukadoorwerk. 

Apatiet  (kalkzuur),  een  ander  mineraal  van  aanzien- 
lijk commercieel  belang  en  van  groote  waarde  als  mest- 
stof, vindt  men  in  onderscheidene  districten  van  Nieuw- 
Zuid-Wales. 

Kwarts  is  eene  steensoort,  die  men  in  alle  deelen 
van  Australasia  aantreft.  Bergkristal,  wit  gekleurd  en 
rookkleurig  kwarts  komen  veelvuldig  voor.  en  evenzoo 
variëteiten  van  kristalaardig  kwarts ,  als  ametist ,  Jasper 
en   agaat.    Gewone  opalen  worden  veel  gevonden  in  de 


189 

basaltische  formaticn  van  Australasia,  terwijl  men  den 
kostbaren  of  edelen  opaal ,  die  onder  de  edelgesteenten  kan 
worden  gerangschikt ,  60  mijlen  Noordwest  van  Milcannia 
gevonden  heeft,  weinige  voeten  diep,  in  lagen  tusschen 
hard  kiezelachtig  zandsteen.  Ook  in  de  noordelijke  streken 
van  Nieuw-Zuid- Wales  treft  men  opaal  aan. 

Kornalijn,  oniks  en  katoogen  komen  voor  in 
Nieuw-Zuid- Wales  en  waarschijnlijk  mede  in  Queensland 
en  andere  koloniën ,  terwijl  meerschuim,  volgens 
bericht,  ontdekt  is  geworden  in  de  nabijheid  van  Tam- 
worth  en  in  het  Richmond  Rivier-district  in  Nieuw-Zuid- 
Wales. 

Mica  (glimmer)  treft  men  in  granietachtige  streken 
aan,  hoofdzakelijk  in  de  Nieuw-Engelsche  en  Barrier- 
districten  in  Nieuw-Zuid- Wales.  In  West-Australië  komt 
eene  zeer  goede  soort  voor  te  Bindoon  en  ookteBlack- 
wood  river  bij  Kaap  Lee  win,  en  mica  van  uitmuntende 
qualiteit  heeft  men  eenigen  tijd  geleden  te  Adelaïde  aan- 
gebracht ,  afkomstig  van  de  Macdonnell  Ranges  in  Centraal- 
Australië. 

Klei.  Verschillende  soorten  van  klei ,  kaolin-  of  por- 
seleinaarde, ontbrandbare  klei  en  steenbakkersaarde  zijn 
het  gemeengoed  van  alle  koloniën  in  dit  werelddeel ,  doch 
tot  heden  trekt  dit  artikel  nog  weinig  de  opmerkzaamheid, 
ofschoon  vooral  kaolin  niet  zonder  handelswaarde  is. 

Asbest  heeft  men  in  Gundagai- ,  Bathurst-  en  Broken 
Hiil-districten  van  Nieuw-Zuid- Wales  ontdekt,  in  laatst- 
genoemd district  in  aanzienlijke  hoeveelheid.  Ook  in  West- 
Australië  heeft  men  uitstekende  qualiteit  van  dit  product 
aangetroffen. 

Verschillende  soorten  van  kostbare  stcenen  heeft  men 
op  onderscheidene  plaatsen  in  de  Australasiatische  koloniën 


190 

gevonden,  maar  het  systematisch  onderzoek  naar  deze 
heeft  zich  vooralsnog  hoofdzakelijk  tot  diamanten 
bepaald. 

Diamanten  werden  ontdekt  in  Nieuw-Zuid-Wales,  Victoria 
en  Queensland,  alleen  echter  in  eerstgenoemde  kolonie 
heeft  men  tot  heden  pogingen  aangewend  diamantmijnen 
te  bewerken.  De  voornaamste  diamantvelden  zijn  gelegen 
in  de  Bingara-  en  Inverell-districten  op  het  tafelland, 
en  te  Cudgegong,  in  het  Wellington-district.  Het  aantal 
diamanten,  tot  nog  toe  in  het  Bingara-district  gevonden, 
wordt  geschat  op  102  000,  wegende  150  000  karaat,  zijnde 
de  grootste  55/8  karaat.  De  diamanten  van  Nieuw-Zuid- 
Wales  zijn  harder  en  witter  dan  de  Zuid-Afrikaansche  en 
worden  geacht  de  beste  Braziliaansche  stcenen  te  evenaren. 

*** 

Niettegenstaande  het  feit  dat  de  bodem,  het  klimaat 
en  de  weidegronden  van  Australasia  bijzonder  voor  het 
veefokkersbedrijf  geschikt  zijn,  is  men  toch  eerst  be- 
trekkelijk laat  begonnen  zich  op  eenigszins  groote  schaal 
daarmede  bezig  te  houden,  en  niet  dan  nadat  kapitein 
Macarthur,  een  der  eerste  kolonisten ,  die  zich  met  grooten 
ijver  op  deschapenteeltin  Nieuw-Zuid-Wales  toelegde, 
door  zijn  voorbeeld  duidelijk  had  aangetoond,  dat  de 
natuur  in  dit  werelddeel  de  voortbrenging  begunstigde 
van  eene  qualiteit  wol,  die  nergens  elders  overtroffen 
wordt.  In  1795  had  genoemde  kolonist  eene  kudde  schapen 
bijeengebracht  van  1000  stuks,  die  door  de  aan  haar 
bestede  zorg  allengs  in  waarde  toenam ,  zoodat  de  markt- 
prijs van  een  vet  ram  £  5  gold ,  toen  een  vrij  hoog  cijfer. 
Niet  tevreden  evenwel  met  de  reeds  verkregen  uitkomsten , 
streefde  Macarthur  er  voortdurend  naar ,  het  gehalte  zijner 
kudde  te  verbeteren ,  met  welk  doel  hij  met  groote  moeite 
en  kosten  een  aantal  voortreflelijke  schapen  van  de  Kaap 
de  Goede  Hoop  invoerde,  terwijl  hij  er  zelfs  later  in 
slaagde  zich  het  bezit   te  verzekeren  van   eenige  van 


191 

Spaansche  afkomst,  die  in  dien  tijd  gerekend  werden  de 
fijnste  wol  op  te  leveren.  Zonder  zich  om  oogenblikkelijk 
voordeel  te  bekommeren ,  bleef  Macarthur  zich  ook  verder 
met  de  veredeling  van  schapen  bezig  houden,  en  zoo 
gelukte  het  hem  na  eenige  jaren  een  voortreffelijk  ras 
te  verkrijgen,  in  staat  een  soort  wol  te  leveren,  die  in 
qualiteit  met  de  beste  soorten  uit  andere  landen  kon 
wedijveren.  Op  het  voorbeeld  van  meergemelden  kolonist 
begonnen  zich  weldra  ook  anderen  vol  moed  en  energie 
op  de  schapenfokkerij  toe  te  leggen,  en  daardoor  ver- 
meerderde het  aantal  schapen  binnen  korten  tijd  zeer 
aanzienlijk ,  terwijl  de  hoedanigheid ,  ten  gevolge  van  ver- 
deren aanvoer  van  Spaansche  in  1823  en  1825,  nog  toenam. 

Zooals  te  verwachten  was,  heeft  het  klimaat  alhier  in 
sommige  opzichten  het  karakter  van  de  Spaansche  vacht 
gewijzigd ,  en  dat  wel  op  gunstige  wijze.  De  wol  is  allengs 
zachter  en  elastischer  geworden ,  en  schoon  zij  eenigszins 
in  dichtheid  heeft  verloren ,  heeft  zij  daarentegen  in  lengte 
gewonnen. 

Hoewel  tegenwoordig  in  alle  Australasiatische  koloniën 
schapen  worden  geteeld,  zijn  zij  daartoe  toch  niet  alle 
in  dezelfde  mate  geschikt ;  klimaat ,  bodem ,  weiden  oefenen 
ook  hier  eenen  grooten  invloed  uit,  waardoor  de  eigen- 
schappen van  het  dier,  evenals  die  van  de  verkregen 
wol,  niet  overal  in  dit  werelddeel  dezelfde  zijn  en  ook 
niet  dezelfde  waarde  hebben. 

Eene  omstandigheid,  die  somtijds  aan  de  kudden  veel 
schade  berokkent ,  is  de  nu  en  dan  voorkomende  droogte. 
Voor  meer  dan  een  derde  van  de  geheele  oppervlakte  van 
Australasia ,  nam.  1  219  600  vierkante  Engelsche  mijlen , 
bedraagt  de  jaarlijksche  regenval  nog  geen  tien  Engelsche 
duim,  850  000  mijlen  ontvangen  van  10  tot  20,  469  000 
van  20  tot  30,  252  000  van  30  tot  40  en  166  000  van 
40  tot  50  duim,  terwijl  slechts  voor  circa  118  000  mijlen 
de  regenval  een  hooger  cijfer,  zelfs  voor  eene  zeer  kleine 
oppervlakte  tot  over  70  duim,  bereikt.  Daarbij  komt  nog, 


192 

dat  dit  werelddeel  geene  zeer  belangrijke  rivieren  bezit 
en  deze  bovendien  voor  hare  voeding  van  den  regenval 
afhankelijk  zijn ,  omdat  geen  der  bergen ,  die  hier  gevonden 
worden,  de  sneeuwlinie  overschrijdt.  Wijl  nu  de  regen 
in  dit  land  gewoonlijk  zeer  onregelmatig  valt  en  somwijlen 
maanden  lang  op  zich  laat  wachten,  ontstaan  hierdoor 
van  tijd  tot  tijd  zware  droogten,  die  èn  voor  de  veeteelt 
èn  voor  den  landbouw  vaak  de  treurigste  gevolgen  hebben. 
Schapen  en  ander  vee  sterven  in  massa  door  gebrek  aan 
voldoend  voedsel  en  water ,  en  de  opbrengst  der  verschil- 
lende oogsten  ondergaat  eene  aanzienlijke  vermindering. 
Wel  poogt  men  meer  en  meer  door  een  stelsel  van  irrigatie 
en  door  het  boren  van  artesische  putten  in  dezen  toestand 
verbetering  te  brengen,  doch  dit  is  een  werk  dat  niet 
alleen  veel  tijd,  maar  ook  groote  kosten  vereischt,  en 
zoodoende  slechts  langzaam  vordert.  Toch  is  in  dit  op- 
zicht in  de  laatste  jaren  reeds  veel  gedaan,  vooral  in 
Victoria,  en  mag  men  daarom  hopen,  dat  men  aldaar 
en  ook  in  andere  streken  allengs  minder  afhankelijk  van 
eenen  geregelden  regenval  zal  worden. 

Het  hoofdvoordeel,  dat  door  de  schapenfokkerij  ver- 
kregen wordt,  bestaat  in  de  enorme  hoeveelheid  wol  die 
zij  jaarlijks  oplevert,  en  die  met  uitzondering  van  een 
betrekkelijk  gering  quantum ,  voor  locaal  gebruik  bestemd , 
uitsluitend  een  uitvoerartikel  vormt,  dat  zijn  weg  naar 
verschillende  landen  vindt. 

Behalve  in  Queensland,  komt  in  de  overige  Austral- 
asiatische  koloniën  de  teelt  van  hoorn  vee  eerst  na 
die  van  schapen  in  aanmerking,  doch  niettemin  is  zij 
ook  in  deze  van  veel  belang. 

Queensland  neemt  met  betrekking  tot  haar  van  alle 
koloniën  de  eerste  plaats  in;  sedert  1861  is  het  aantal 
hoornbeesten  aldaar  meer  dan  vertiendubbeld ,  en  waar- 
schijnlijk zou  de  vermeerdering  nog  aanzienlijker  zijn, 
indien    de    kolonie   minder   gedurende   cenige  jaren  van 


193 

droogte  had  te  lijden  gehad,  zoomede  van  besmettelijke 
veeziekten,  die  strenge  quarantaine-maatregelen  nood- 
zakelijk maakten. 

Ook  in  de  noordelijke  streken  van  andere  koloniën 
hebben  zich  de  gevreesde  ziekteverschijnselen  vertoond, 
o.  a.  in  het  „  Northern  Territory"  van  Zuid- Australië , 
weshalve  eveneens  van  daar  de  invoer  van  vee  uit 
plaatsen  ten  noorden  van  den  zes-en-twintigsten  breedte- 
graad niet  geoorloofd  is.  Dat  deze  maatregelen  de  vee- 
houders, die  bovendien  reeds  zulke  zware  verliezen 
hebben  geleden,  zeer  schaden,  behoeft  geen  betoog,  en 
herhaaldelijk  zijn  dan  ook  door  dezen  pogingen  aange- 
wend om  de  opheffing  der  verbodsbepalingen  te  verkrijgen 
of  althans  minder  drukkend  voor  hen  te  maken,  onder 
voorgeven  dat  de  ziekte  aanmerkelijk  is  afgenomen ,  doch 
al  die  pogingen  hebben  vooralsnog  tot  geen  gunstig 
resultaat  geleid. 

Daar  uit  bedoelde  streken  vroeger  meermalen  paarden 
en  hoornvee ,  dit  laatste  hoofdzakelijk  uit  het  „  Northern 
Territory "  afkomstig ,  in  Nederland sch-In ei ië, 
met  name  Java,  werden  geïmporteerd ,  heeft  het  be- 
stuur aldaar  reeds  sedert  het  vorige  jaar  voorloopig 
mede  verbodsbepalingen  tegen  dien  invoer  uitgevaardigd , 
en  ondanks  alle  pogingen  dezerzijds  om  intrekking  daar- 
van te  verkrijgen,  tot  heden  gemeend  die  te  moeten 
handhaven.  Zelfs  heeft  het  consulaat  alhier  eenigen  tijd 
geleden,  op  verzoek  van  den  resident  te  Batavia,  en  met 
het  doel  om  zoo  mogelijk  te  voorkomen  dat  wellicht 
paarden  op  clandestiene  wijze,  b.v.  door  overscheping 
te  Singapore ,  uit  de  voormelde  streken  in  Nederlandsch- 
Indië  worden  ingevoerd,  registers  overgezonden  van  al  de 
brandmerken  van  vee,  in  Queensland  en  Zuid- Australië 
geregistreerd. 

Om  een  denkbeeld  te  geven  van  de  waarde  van  het 
hoornvee  in  geheel  Australasia,  volgt  hier  eene  opgave 
van  het  aantal  beesten,  in  elke  kolonie  op  het  einde  van 


194 


1894  aanwezig,  en  van  het  geldelijk  bedrag  dat  zij  ver- 
tegenwoordigden', berekend  naar  de  gemiddelde  prijzen 
in  1895: 

Stuks  hoornvee. 


Koloniën. 
Nieuw-Zuid- Wales 
Victoria    .     . 
Queensland  . 
Zuid-Australië 
West-Australië 
Tasmania .     . 
Nieuw-Zeeland 

Totaal 


2  465  411 

1  833  900 

7  012  997 

675  284 

187  214 

177  038 

1  007  396 


Waarde  in  £  st. 

11834000 

12  241  000 

19  461000 

2  887  000 

1077  000 

1443  000 

8059  000 


13  359  240         £  57  002  000 


Australasia  is  mede  uitmuntend  geschikt  voor  de  teelt 
van  verschillende  soorten  van  paarden  en  deze  industrie 
heeft  dan  ook  reeds  sedert  lang  de  aandacht  tot  zich 
getrokken.  Reeds  gedurende  de  eerste  jaren  der  koloni- 
satie werden  eenige  uitstekende  volbloed  Arabische  paarden 
uit  Indië  in  dit  werelddeel  aangevoerd,  welke  aanvoer 
veel  heeft  bijgedragen  om  het  inlandsche  ras  te  veredelen. 
Oorspronkelijk  was  Nieuw-Zuid-Wales  verreweg  de  voor- 
naamste markt  voor  de  paardenteelt  en  bezat  bijna  zooveel 
paarden  als  al  de  overige  koloniën  tezamen,  doch  lang- 
zamerhand is  hierin  eene  groote  verandering  gekomen ,  en 
hoewel  ook  thans  genoemde  kolonie  in  deze  de  eerste 
plaats  bekleedt,  heeft  zij  toch  in  Queensland  en  Victoria 
groote  mededingsters.  De  reden  hiervan  is,  dat  toen  men 
in  Nieuw-Zuid-Wales  goud  begon  te  ontdekken ,  men  aan 
de  teelt  van  paarden  allengs  minder  aandacht  schonk, 
welke  omstandigheid  andere  koloniën,  en  daaronder  in 
het  bijzonder  Victoria,  zich  hebben  ten  nutte  gemaakt, 
om  zich  in  bedoelde  kolonie  van  een  groot  aantal  paarden 
van  waarde  meester  te  maken  en  die  weg  te  voeren  om 
haar  eigen  ras  te  verbeteren  en  uit  te  breiden. 

De  meeste  paarden,  in  Australasia  geteeld,  zijn  rijpaarden 
en  paarden  voor  licht  tuig ,  terwijl  zware  rijpaarden  veel 


195 

minder  voorkomen,  behalve  in  Nieuw-Zuid- Wales.  Over 
het  geheel  legt  men  zich  meer  toe  op  het  telen  van  paarden 
voor  de  locale  behoefte  dan  voor  den  uitvoer ,  omdat  deze 
laatste ,  vooral  waar  het  verre  afstanden  geldt ,  aan  groot 
risico  is  onderworpen.  De  beste  afnemer  van  Australische 
paarden  is  Britsch-Indië,  voor  andere  landen  is  de  vraag 
evenwel  tamelijk  beperkt;  in  1896  bedroeg  de  geheele 
uitvoer  voor  Australasia  slechts  2  365,  en  dat  aantal  was 
nog  671  meer  dan  dat  in  1895  verscheept. 

Van  groote  beteekenis  voor  Australasia  is  ook  de  handel 
in  bevroren  vleesch. 

Naar  aanleiding  van  de  groote  vermeerdering  van  den 
veestapel,  door  eene  opvolging  van  gunstige  seizoenen 
in  het  leven  geroepen,  deed  zich  reeds  gerüimen  tijd 
geleden  de  vraag  voor,  wat  te  beginnen  met  de  vele 
karkassen,  waarvoor  men  in  de  koloniën  zelven  geen 
afzet  kon  vinden.  In  Nieuw-Zuid-Wales  trachtte  men  de 
quaestie  op  te  lossen  door  zijne  toevlucht  te  nemen  tot 
de  oude  wijze  van  het  tot  talk  koken  der  doode  dieren,  en 
zoolang  de  prijzen  van  talk  zoodanig  waren  dat  zij  den 
veehouder  een  redelijk  voordeel  afwierpen ,  bestond  daar- 
tegen geen  bezwaar ;  doch  toen  in  latere  jaren  de  prijzen 
terugliepen ,  moest  men  op  andere  middelen  bedacht  zijn, 
om  zich  van  het  overvloedige  te  ontdoen.  In  Nieuw-Zeeland, 
waar  zich  dezelfde  quaestie  indertijd  had  voorgedaan, 
was  men  spoedig  tot  eene  betere  oplossing  gekomen, 
daarin  bestaande,  dat  men  reeds  in  1882  pogingen  aan- 
wendde om  schape-  en  ook  ander  vleesch ,  hoofdzakelijk 
in  bevroren  toestand,  doch  voor  een  deel  ook  geconser- 
veerd in  blikken ,  naar  Engeland  te  verschepen.  Deze 
pogingen  hadden  zulk  een  gunstig  gevolg,  dat  er  weldra 
een  levendige  handel  tusschen  genoemde  kolonie  en  het 
moederland  in  die  artikelen  ontstond,  en  dat  de  New- 
Zealand  Land  Cotnpany ,  die  het  eerst  met  de  zaak  be- 
gonnen was,  binnenkort  nog  een  aantal  andere  met  haar 

14 


196 

verbonden  maatschappijen  vormde ,  die  op  het  einde  van 
1894  een  en  twintig  fabrieken  bezaten,  in  staat  jaarlijks 
het  vleesch  van  4  000  000  schapen  te  doen  bevriezen.  De 
schapen  worden  gewoonlijk  op  het  land  geslacht  en  per 
spoor  naar  de  fabrieken  vervoerd.  Een  aantal  stoom- 
schepen,  daartoe  bijzonder  ingericht,  houden  zich  met 
het  transport  van  het  vleesch  bezig,  dat  bijna  uitsluitend 
zijnen  weg  naar  het  Vereenigd  Koninkrijk  vindt. 

In  1894  en  1895  heeft  men  verscheidene  pogingen  in 
de  koloniën  aangewend  om  zich  van  het  overtollige  vee 
te  ontdoen,  door  levende  runderen  en  schapen  op  de 
Engelsche  markt  te  brengen,  doch  meestal  zonder  goed 
gevolg.  In  den  regel  toch  schijnt  het  Australische  vee 
minder  handelbaar  dan  het  Engelsche  of  Amerikaansche, 
ietwat  wild  van*  natuur,  waardoor  vaak  gedurende  de 
reis  vele  sterfgevallen  voorkomen,  die  niét  alleen  de 
voordeelen  voor  de  exporteurs  belangrijk  verminderen, 
maar  bovendien  somtijds  eene  scherpe  critiek  in  Engeland 
in  het  leven  hebben  geroepen ,  als  zoude  die  sterfte  hoofd- 
zakelijk aan  slechte  en  wreede  behandeling  aan  boord  te 
wijten  zijn. 

Het  kweeken  van  varkens  vormt  in  Australasia  meestal 
een  onderdeel  van  het  boerenbedrijf,  doch  geschiedt  over 
het  geheel  niet  op  zeer  uitgebreide  schaal,  wat  daaruit 
blijkt ,  dat  alle  koloniën ,  met  uitzondering  van  Victoria  en 
Nieuw-Zeeland ,  meer  spek ,  ham ,  varkensvleesch  en  reuzel 
in-  dan  uitvoeren.  Toch  is  de  teelt  van  varkens  sedert 
1861  tot  en  met  1894  zeer  toegenomen. 

De  productie  van  boter  en  kaas,  vooral  van  de 
eerste,  heeft  in  de  latere  jaren  groote  vorderingen  in 
Australië  gemaakt ,  en  er  bestaat  alle  vooruitzicht  dat  zij 
zich  nog  voortdurend  meer  uitbreiden  en  allengs  tot  eene 
zeer  belangrijke  industrie  ontwikkelen  zal.  Veel  heeft 
hiertoe  het  zoogenaamde  factorijsysteem  bijgedragen,  zijnde 


197. 

fabrieken  voor  de  bereiding  van  zuivelproducten  in  ver- 
schillende geschikte  centra,  en  voorts  de  meer  weten- 
schappelijke methode  van  behandeling  en  verbeterde  werk- 
tuigen, gelijk  bijv.  de  cream  seperator. 

Een  groot  deel  koloniale  boter  en  kaas  wordt  in  het 
land  zelf  verbruikt,  doch  ook  eene  aanzienlijke  hoeveel- 
heid uitgevoerd  naar  Europa,  en  wel  hoofzakelijk  naar 
Engeland. 

Door  de  besturen  der  verschillende  koloniën  wordt 
steeds  direct  en  indirect  veel  gedaan  om  de  zuivelindustrie 
te  bevorderen. 

Zoo  vindt  men  in  Nieuw-Zeeland  o.  a.  scholen ,  waarin 
van  tijd  tot  tijd  aan  directeuren  en  geëmployeerden  van 
kaas-  en  boterfactorijen  onderricht  wordt  gegeven  in  de 
bereiding  van  producten.  Deze  scholen  zijn  in  vier  af  dee- 
lingen gesplitst,  nl.  een  voor  het  maken  van  boter,  een 
voor  dat  van  kaas,  een  voor  het  onderzoek  van  melk 
en  een  voor  het  behandelen  van  separators,  terwijl  aan 
het  hoofd  van  elke  afdeeling  een  ervaren  deskundige 
staat.  Dagelijks  houdt  men  zich  met  practisch  werk  bezig, 
terwijl  de  studenten,  in  vier  groepen  verdeeld,  om  de 
twee  dagen  van  het  eene  departement  naar  het  andere 
overgegaan.  Er  worden  voortdurend  in  deze  scholen 
lezingen  gehouden  over  onderwerpen ,  die  met  de  industrie 
in  betrekking  staan ,  zooals  b.v.  „  De  verhouding  tusschen 
den  directeur  eener  fabriek  en  de  melkleveranciers ", 
„De  verantwoordelijkheid  van  den  directeur",  „De  sa- 
menstelling van  melk  en  zuivelproducten",  „De  behan- 
deling van  melk  voor  het  maken  van  boter  en  kaas", 
„  De  practijk  en  de  gronden  der  boter-  en  kaasbereiding  ", 
„Het  betalen  van  melk  volgens  de  qualiteit",  „Zuivel- 
bacteriologie ",  „Het  werken  van  separators",  „Zuivel  - 
machineriën  en  afkoeling",  „Schatten  en  onderzoeken 
van  boter  en  kaas",  etc. 


198 

Over  het  geheel  neemt  de  landbouw  in  Australasia 
niet  zulk  eene  belangrijke  plaats  in  als  de  veeteelt,  wat 
wel  daaraan  moet  worden  toegeschreven,  dat  deze  laatste 
grootere  voordeelen  oplevert  en  een  aanzienlijk  deel  van 
den  bodem  voor  haar  beter  geschikt  is  dan  voor  akker- 
bouw. Ook  is  het  gebrek  aan  voldoende  bewatering,  de 
in  vele  streken  geringe  regenval  en  voorts  de  onregel- 
matigheid in  de  seizoenen  niet  bevorderlijk  aan  het  be- 
bouwen van  den  grond,  waarvan  bovendien  eene  groote 
uitgestrektheid  door  de  veeteelt  wordt  in  beslag  genomen. 
Ondanks  al  deze  nadeelen,  breidt  zich  niettemin  toch 
ook  de  landbouw  in  de  verschillende  koloniën  voort- 
durend uit. 

Onder  de  Australische  landbouwproducten  staat  tarwe 
bovenaan,  maar  toch  zijn  er  van  de  zeven  koloniën 
slechts  drie,  nl.:  Victoria,  Zuid- Australië  en  Nieuw- 
Zeeland,  die  genoeg  tarwe  produceeren,  om  niet  alleen 
in  eigen  behoeften  te  voorzien  en  het  tekort  der  andere 
koloniën  te  dekken,  doch  tevens  ook  nog  eene  betrek- 
kelijk aanzienlijke  hoeveelheid  voor  den  uitvoer  naar 
vreemde  landen  beschikbaar  te  kunnen  stellen. 

Na  tarwe  is  haver  het  voornaamste  landbouwproduct, 
en  zoowel  de  oppervlakte,  daarmede  bebouwd,  alsook 
de  opbrengst  is  in  alle  koloniën  sedert  1861  belangrijk 
toegenomen. 

Maïs  bekleed  in  Queensland  onder  de  granen  de  eerste 
plaats  en  is  mede  van  zeer  groote  beteekenis  voor  Nieuw- 
Zuid- Wales,  zijnde  de  opbrengst  van  dit  product  aldaar 
de  aanzienlijkste  van  al  de  7  koloniën. 

De  cultuur  van  gerst  is  in  de  koloniën  niet  zoo  uit- 
gebreid als  wel  wenschelijk  wordt  geacht;  bij  gunstige 
seizoenen  produceert  Australasia  evenwel  genoeg  voor 
locale  behoefte,  met  uitzondering  van  hetgeen  noodig  is 


199 

voor  mout,  en  voert  zelfs  eene  geringe  boeveelheid  uit; 
doch  wanneer  men  den  handel  in  gerst  en  mout  als  een 
geheel  beschouwt,  zijn  alle  koloniën,  met  uitzondering 
van  Victoria,  Tasmania  en  Nieuw-Zeeland,  afhankelijk 
van  buitenlandschen  aanvoer.  De  hooge  rechten,  in 
Victoria  op  beide  artikelen  bij  invoer  geheven,  beletten 
feitelijk  alle  importatie  aldaar. 

De  cultuur  van  aardappelen  strekt  zich  in  meerdere 
of  mindere  mate  over  alle  koloniën  uit,  doch  is  in  den 
laatsten  tijd  overal,  behalve  in  Nieuw-Zeeland,  min  of 
meer  teruggegaan. 

Eene  groote  oppervlakte  wordt  jaarlijks  in  alle  koloniën 
met  tarwe,  haver  en  gerst  bebouwd,  alleen  met  het  doel 
om  eene  voldoende  hoeveelheid  hooi  voor  veevoeder 
te  verkrijgen ,  wordende  hiertoe  het  gewas  afgesneden  vóór 
het  tot  rijpheid  komt.  Met  uitzondering  van  Nieuw-Zuid- 
Wales ,  dat  hooi  importeert ,  is  de  opbrengst  in  de  overige 
koloniën  steeds  voldoende  om  de  locale  behoefte  te  dekken. 

De  aanplant  van  suikerriet  en  de  bereiding  van 
suiker  vormen  belangrijke  industrieën  èn  in  Queensland 
èn  in  Nieuw-Zuid-Wales ,  doch  vooral  in  eerstgenoemde 
kolonie.  Eenige  jaren  geleden  was  de  suikercultuur  aldaar 
zeer  kwijnende,  ten  gevolge  van  het  verbod  tot  invoer 
van  gekleurde  arbeiders,  en  de  moeielijkheid  om  zonder 
de  hulp  van  dezen  de  gronden  te  bebouwen.  Het  klimaat 
van  Queensland  toch  is  niet  geschikt  om  veldarbeid  door 
blanken  te  doen  verichten,  en  dientengevolge  was  men 
er  reeds  voor  vele  jaren  toe  overgegaan  op  de  suiker- 
plantages Zuidzee-eilanders  en  ook  Javanen  aan  te  voeren, 
totdat  daaraan  eensklaps  door  de  wet  van  1891,  onder 
pressie  van  de  arbeiderspartij  in  het  leven  geroepen,  een 
einde  werd  gemaakt  en  vele  planters  tot  ondergang  werden 
gedoemd.  Wel  deden  velen  hunner  pogingen  om  in  het 
door  de  wet  veroorzaakte  gebrek  aan  handen  door  het 


200 

te  werk  stellen  van  blanke  landbouwers  te  voorzien,  en 
engageerde  men  o.  a.  Italiaansche  boerenarbeiders,  doch 
behalve  dat  deze  veel  hooger  loon  vorderden,  bleek  het 
ook  spoedig  dat  zij  niet  in  staat  waren  de  taak  naar 
eisch  te  vervullen,  en  zoo  ging  de  suikerindustrie  met 
rassche  schreden  hare  algemeene  vernietiging  te  gemoet. 
Gelukkig  zag  men  nog  te  elfder  ure  in ,  aan  welk  gevaar 
de  bovenbedoelde  wet  de  kolonie  blootstelde  en  besloot 
men  tot  hare  intrekking,  en  sedert  is  het  aanvoeren  van 
gekleurde  arbeiders,  onder  zekere  voorwaarden,  in  Queens- 
land  opnieuw  toegestaan.  Dit  had  ten  gevolge,  dat  de 
industrie  zich  allengs  weer  uit  haar  verval  begon  op  te 
heffen  en  dat  zij  zelfs  in  den  laatsten  tijd  snel  vooruit- 
gaat, zijnde  een  groot  deel  van  den  bodem  bijzonder 
geschikt  voor  de  suikercultuur.  In  1894  waren  niet  minder 
dan  71818  akkers  in  Queensland  met  riet  beplant,  die 
757  000  ton  riet  opleverden,  waaruit  91712  ton  suiker 
werd  verkregen,  terwijl  het  aantal  akkers  voor  het  sei- 
zoen 1896 — 97  onder  aanplant  83  093  bedroeg,  waarvan 
men  de  opbrengst  op  832  000  ton  riet  schatte.  In  Queens- 
land ,  waar  de  plantages  tamelijk  uitgestrekt  zijn ,  zijn  de 
planters  te  gelijk  landbouwer  en  fabrikant ,  maar  in  Nieuw- 
Zuid- Wales  zijn  die  beide  functiën  in  verschillende  handen. 
De  suikergronden  omvatten  daar  in  den  regel  veel  minder 
terrein  en  de  planters  houden  zich  hoofdzakelijk  slechts 
met  den  aanplant  van  riet  bezig,  cultiveeren  daarbij  vaak 
nog  andere  producten  en  verkoopen  het  riet  na  kapping 
aan  de  eigenlijke  suikerfabrieken ,  waaronder  de  Colonial 
Sugar  Refining  Company  de  eerste  plaats  inneemt.  De 
verschillende  suikermolens  en  de  raffinaderij  dezer  com- 
pagnie zijn  voorzien  van  de  nieuwste  en  beste  machinerieën, 
de  bereiding  geschiedt  met  de  grootste  zorgvuldigheid, 
en  de  suiker,  die  zij  aflevert,  wordt  gezegd  de  beste 
Mauritius-  en  West-Indische  soorten  te  evenaren. 

De  hoeveelheid  suiker,  per  ton  riet  verkregen,  is  ver- 
schillend naar  mate  van  het  sapgehalte,  doch  in  gewone 


201 

seizoenen  berekent  men  dat  een  ton  riet  circa  9°/0  suiker 
bevat.  De  totale  waarde  van  den  suikerrietoogst  in  de 
beide  koloniën  en  de  gemiddelde  geldelijke  opbrengst  per 
akker  voor  1894  was  aldus : 

Totale  waarde        Gemiddeld  pr.  akker 
Nieuw-Zuid- Wales     £  158  552  £  4.16.4 

Queensland      „611415  „6.13.4 

Alleen  de  laatstgenoemde  kolonie  produceert  niet  alleen 
voldoende  suiker  voor  eigen  behoefte ,  doch  heeft  boven- 
dien steeds  een  aanzienlijk  quantum  beschikbaar  voor  den 
uitvoer.  In  1894  bedroeg  dat  quantum  64  860  ton,  ter  waarde 
van  £  885  733 ,  en  vond  zijnen  weg  nagenoeg  uitsluitend 
naar  de  andere  koloniën,  alleen  520  ton  ging  naar  buiten- 
landsche  markten.  De  andere  koloniën,  ook Nieuw-Zuid- 
Wales,  voeren  suiker  in,  en  behalve  uit  Queensland 
ontvingen  deze  in  1894  nog  91  394  ton  uit  andere  landen, 
ter  waarde  van  circa  £  1  200  000 ,  daaronder  uit  Java 
32  470  ton ,  waard  £  445  855. 

De  quaestie  omtrent  het  planten  van  beetwortel 
voor  de  bereiding  van  suiker,  die  tegenwoordig  vooral 
in  Victoria  de  aandacht  trekt,  is  evenwel  niet  van  jonge 
dagteekening ,  daar  reeds  een  dertigtal  jaren  geleden  in 
die  richting  proefnemingen  werden  gedaan,  zoowel  op 
gouvernementsgronden  als  op  die  van  particuliere  per- 
sonen, en  wel  met  zulk  een  gunstig  gevolg,  dat  men  de 
hoop  koesterde  dat  bedoelde  industrie  zich  hier  spoedig 
op  een  hechten  grondslag  zou  vestigen.  Men  bemerkte 
echter  dra,  dat  men  zich  te  gunstige  voorstellingen  van 
de  zaak  had  gemaakt  en  zich  in  zijne  berekeningen  ver- 
gist; in  1874  berichtte  de  secretaris  van  landbouw,  dat 
de  beetwortel,  waarmede  men  proeven  had  genomen, 
slechts  7,09  percent  suiker  opleverde ,  eene  uitkomst 
volgens  hem  onvoldoende  om  de  industrie  loonende  te 
maken.  Te  gelijker  tijd  wees  genoemde  secretaris  er  in 
zijn   verslag   op,   dat  hiermede  de  zaak  geenszins  voor 


IV 


202 

goed  was  afgedaan,  en  dat,  zoo  men  er  in  kon  slagen 
om ,  evenals  zulks  in  Duitschland  en  elders  was  geschied , 
het  suikergehalte  der  bieten  ook  in  Australië  te  doen 
toenemen,  er  alleszins  hoop  bestond  dat  men  langzamer- 
hand gunstige  uitkomsten  zou  verkrijgen.  De  pogingen 
werden  derhalve  door  het  Departement  voortgezet,  en 
door  het  gebruik  van  betere  machinerieën ,  zoomede  door 
het  op  meer  wetenschappelijke  wijze  telen  van  den  beet- 
wortel, slaagde  men  er  allengs  in  op  de  gou vernements- 
gronden  het  suikergehalte  der  bieten  tot  18,10  percent 
te  verhoogen ,  terwijl  enkele  particulieren  zelfs  een  gewas 
verkregen,  dat  22*/i  °/o  suiker  bevatte. 

Deze  gunstige  uitkomsten  deden  de  overtuiging  ontstaan, 
dat  Australië  als  door  de  natuur  bestemd  was  voor  de 
beetwortelsuiker-industrie.  Ook  in  Nieuw-Zuid-Wales  had 
men  proeven  met  den  aanplant  van  beetwortel  genomen, 
en  wel  met  even  gunstig  gevolg ,  daar  volgens  de  analyse 
van  den  chemist  der  Colonial  Sugar  Refitting  Contpany  het 
verkregen  product  van  15,66  tot  24,75  percent  suiker 
opleverde.  Er  bestaat  dientengevolge,  naar  het  schijnt, 
geen  twijfel  meer  dat,  wanneer  men  zich  hier  en  in 
N.-Z.- Wales,  en  wellicht  ook  nog  elders  in  Australië, 
met  zorg  en  ijver  op  de  bereiding  van  beetwortelsuiker 
toelegt,  deze  nijverheid  voor  het  land  eene  bron  van 
belangrijke  inkomsten  kan  worden.  Vóór  alles  is  daartoe 
evenwel  het  oprichten  van  groote  fabrieken  noodig,  voor- 
zien van  de  nieuwste  machinerieën  en  door  bekwame 
personen  bestuurd.  Te  trachten  de  zaak  op  eene  kleine 
schaal  te  beginnen,  kan  volgens  deskundigen  tot  geen 
goed  resultaat  voeren,  wijl  de  productiekosten  in  dat 
geval  te  aanzienlijk  zijn.  Daar  het  tot  stand  komen  van 
bedoelde  industrie  vooral  voor  Victoria,  dat  tegenwoordig 
alle  suiker  die  daar  noodig  is  uit  den  vreemde  importeert, 
van  bijzonder  belang  is,  heeft  het  Parlement  aldaar  den 
6den  Maart  1896  eene  wet  in  het  leven  geroepen ,  met  het 
doel  die  industrie  zooveel  mogelijk  te  bevorderen,  door 


J 


203 

de  Regeering  toe  te  staan  aan  behoorlijk  geregistreerde 
maatschappijen ,  die  zich  tot  het  oprichten  van  beetwortel- 
suikerfabrieken mochten  vormen,  onder  zekere  voor- 
waarden, geldelijke  voorschotten  te  doen. 

De  aanplant  van  tabak  beperkt  zich  tot  nog  toe  hoofd- 
zakelijk tot  de  drie  oostelijke  koloniën :  Nieuw-Zuid  Wales, 
Victoria  en  Queensland. 

Ten  gevolge  van  overproductie  en  gebrek  aan  eene 
buitenlandsche  markt,  is  de  bebouwde  oppervlakte  sedert 
1888-89  zeer  afgenomen,  doch  in  de  laatste  jaren  heeft 
zij  wederom  eenige  uitbreiding  ondergaan.  Tot  nog  toe 
wordt  het  Australische  tabaksblad  niet  op  zoodanige  wijze 
bewerkt,  om  het  op  de  buitenlandsche  markten  afzet  te 
verschaffen,  en  zoolang  in  de  bewerking  geene  verande- 
ring wordt  gebracht,  kan  men  niet  verwachten  dat  de 
tabakscultuur  hier  te  lande  groote  vorderingen  zal  maken. 

De  totale  waarde  van  den  tabaksoogst  in  de  drie  koloniën 
bedroeg  voor  1894-95  *  40  915.  De  invoer  van  buiten- 
landsche tabak ,  daaronder  sigaren  en  sigaretten ,  bereikte 
in  hetzelfde  jaar  het  cijfer  van  7  045  228  Eng.  pond  voor 
geheel  Australasia. 

Het  begin  van  den  wijnbouw  dagteekent  van  onge- 
veer 1828 ,  toen  men  stekken  van  den  wijnstok ,  afkomstig 
uit  Frankrijk ,  Spanje  en  de  Rijnstreken ,  naar  Nieuw-Zuid- 
Wales  overbracht  en  daar  in  het  Hunter-rivierdistrict 
plantte.  Eenige  jaren  later  geschiedde  hetzelfde  in  het 
Murray-rivierdistrict  en  andere  deelen  van  genoemde 
kolonie ,  terwijl  men  zich  vervolgens  ook  op  den  wijnbouw 
in  Victoria  en  Zuid-Australië  begon  toe  te  leggen. 

Klimaat  en  bodem  in  Australië  zijn  bijzonder  voorde 
cultuur  geschikt ,  en  bij  eene  toenemende  vraag  voor  locaal 
verbruik  en  grooteren  afzet  op  de  buitenlandsche  markten, 
is  de  wijnindustrie  voor  groote  uitbreiding  vatbaar. 

De  cultuur  van  vruchten  in  Australasia  trekt  over 


L 


204 

het  algemeen  geenszins  de  aandacht,  die  zij  verdient, 
ofschoon  bodem  en  klimaat  in  vele  streken  van  de  ver- 
schillende koloniën  bijzonder  voor  de  teelt  geschikt  zijn. 
Op  het  oogenblik  nemen  oranjes,  citroenen,  appelen, 
peren,  druiven  en  perziken  de  eerste  plaatsen  onder  de 
vruchten,  in  Australië  gekweekt,  in,  doch  ook  andere, 
zooals  kersen  en  aardbezicn,  groeien  hier  zeer  goed, 
terwijl  bovendien  bij  den  overvloed  van  voor  de  vruchten- 
teelt  geschikt  land,  en  de  groote  verscheidenheid  van 
klimaat,  b.v.  van  betrekkelijk  koud  in  Nieuw-Zeeland 
en  in  de  hooggelegen  streken  van  Victoria  en  Nieuw- 
Zuid-Wales  tot  tropische  hitte  in  Quecnsland,  insgelijks 
vele  andere  thans  nog  niet  inheemsche  vruchten  met 
voordcel  konden  worden  gekweekt. 

Ongelukkig  echter  verkeert  ook  deze  industrie  in  eencn 
eenigszins  kwijnenden  toestand,  gedeeltelijk  ten  gevolge 
van  gebrek  aan  voldoende  kennis  en  zorg  bij  den  land- 
bouwer, gedeeltelijk  wegens  de  moeielijkheid  om  de 
vruchten  spoedig  en  tegen  billijke  vrachten  op  de  markt 
te  brengen. 

Wat  betreft  de  talrijke  bosschen,  die  men  bijna 
overal  in  Australasia  aantreft  en  die  door  hunnen  rijk- 
dom aan  geschikt  timmerhout  zulk  eene  aanzienlijke 
waarde  vertegenwoordigen,  staat  West- Australië  boven- 
aan. De  oppervlakte,  die  aldaar  door  bosschen  wordt 
ingenomen ,  is  gelijk  aan  die  van  geheel  Groot-Brittannië, 
terwijl  de  waarde  op  niet  minder  dan  124  millioen  pond 
sterling  wordt  geschat,  d.  i.  de  handelswaarde  van  het 
hout,  dat  de  bosschen  in  staat  zijn  op  te  leveren. 
De  boomen  behooren  voor  het  meerendeel  tot  de  ver- 
schillende soorten  van  Eucalyptus ,  en  de  daaronder  veel- 
vuldig voorkomende  Eucalyptus  marginata  levert  een  hout 
op,  bekend  onder  den  naam  van  farra/i,  dat  volgens 
deskundigen  door  geene  enkele  houtsoort  in  de  geheele 
wrereld,    wat   duurzaamheid   betreft,    wordt   overtroffen. 


205 

Ook   andere  houtsoorten  van  waarde  treft  men  in  West- 

Australië  aan. 

#    # 

Evenzeer  als  veeteelt,  mijnwezen  en  landbouw7  sedert 
het  ontstaan  der  Australische  koloniën  aldaar  met  rassche 
schreden  zijn  vooruitgegaan,  heeft  zich  ook  allengs  de 
handel  in  dit  werelddeel ,  zoowel  tusschen  de  verschil- 
lende koloniën  onderling  als  tusschen  deze  en  het  buiten- 
land, mcei  en  meer  ontwikkeld,  en  wanneer  men  zijn 
tegenwoordigen  toestand  vergelijkt  met  dien  van  1825, 
het  eerste  jaar  waaromtrent  bepaalde  inlichtingen  te  ver- 
krijgen zijn,  dan  blijkt  duidelijk  hoe  aanzienlijk  die  ont- 
wikkeling is. 

De  eerste  plaats  in  den  handel  met  Australasia ,  zoowel 
wat  in-  als  uitvoer  betreft,  nam  en  neemt  ook  nu  nog 
Groot-Brittannië  in,  maar  ook  andere  landen  doen  met 
de  koloniën  niet  onbelangrijke  zaken,  vooral  Amerika, 
Frankrijk ,  Duitschland  en  België ,  welke  zaken  nog  steeds 
in  omvang  toenemen. 

Omtrent  den  handel  tusschen  Australasia 
en  Nederland  met  zijne  koloniën  is  het  on- 
mogelijk vertrouwbare  inlichtingen  te  verstrekken ,  schrijft 
de  heer  Reelfs ,  omdat  in  den  regel  zoowel  de  invoeren 
uit,  als  de  uitvoeren  van  hier  naar  ons  land,  niet  recht- 
streeks maar  over  vreemde  havens  geschieden,  gelijk 
Antwerpen,  Londen  etc.  De  hier  uit  Nederland  aange- 
brachte goederen  komen  dientengevolge  in  de  verschillende 
statistieken  voor  als  producten,  afkomstig  uit  het  land 
van  wraar  de  verscheping  plaats  vond,  terwijl  de  uitge- 
voerde daarin  worden  vermeld  als  bestemd  voor  het  land 
waarheen  het  schip  wordt  uitgeklaard.  Een  overzicht  over 
den  gezamenlijken  handel  van  Nederland  met  Australië 
kan  men  zoodoende  niet  verkrijgen,  doch  men  mag  ge- 
rustelijk  aannemen  dat  die  handel  van  meer  beteekenis 
is  dan  uit  de  officieele  statistieken  blijkt,  wijl  deze  alleen 


206 

gewag  maken  van  de  rechtstreeksche  in-  en  uitvoeren. 
Om  eenigszins,  hoe  onvolledig  dan  ook,  een  denkbeeld 
te  geven  van  de  handelsbetrekkingen  die  tusschen  dit 
werelddeel  en  Nederland  en  Java  bestaan ,  geeft  de  consul- 
generaal  een  paar  tabellen  van  in-  en  uitvoer ,  betrekking 
hebbende  op  de  vier  voornaamste  Australasiatische  ko- 
loniën: N.-Z.-Wales,  Victoria,  Nieuw-Zeeland  en  Queens- 
land,  en  loopende  over  het  jaar  1896. 

Volgens  die  tabellen  was  het  totale  bedrag  van  den 
handel  tusschen  Nederland  en  de  vier  genoemde  koloniën 
in  1896  £  25  229 ,  en  van  dien  tusschen  Java  en  dezelfde 
koloniën  £  223  253. 

Nederland  en  Java  onderhouden  echter  ook  een  recht- 
streeksch  verkeer  met  Zuid-Australië. 

In  1895  werd  door  Nederland  in  Zuid-Australië  inge- 
voerd voor  eene  gezamenlijke  waarde  van  £  1 876 , 
terwijl  niets  rechtstreeks  werd  uitgevoerd. 

Java  exporteerde  in  dat  zelfde  jaar  meel,  drogerijen 
en  chemicaliën ,  versch  vleesch ,  zemelen ,  tarwe ,  paarden , 
geconserveerd  vleesch,  zadels,  talk  en  wijn  voor  een 
bedrag  van  £  13  358,  terwijl  de  invoer  bestond  uit  209 138 
Cwt.  suiker,  ter  waarde  van  £  148  485,  en  £  171  aan 
diverse  niet  nader  genoemde  artikelen,  te  zamen  dus 
£  148  656. 

Bovendien  importeerde  Java  nog  in  Port  Darwin ,  gelegen 
in  het  Northern  Territory,  voor  een  bedrag  van  £  177 
aan  diverse  goederen ,  waaronder  £  80  aan  petroleum , 
en  voerde  van  daar  uit  aan  hoornvee  voor  eene  waarde 
van  £  12  840,  zijnde  2  376  stuks,  een  uitvoer  die  even- 
wel in  den  laatsten  tijd  geheel  heeft  opgehouden ,  omdat , 
ten  gevolge  van  de  in  het  noorden  van  Zuid-Australië 
heerschende  tickpest,  de  invoer  van  vee  uit  die  landstreek 
afkomstig,  in  Nederlandsch-Indië  verboden  is. 

Wat  nu  ten  slotte  onze  directe  handelsbetrekkingen  met 
West- Australië  en  Tasmania  betreft ,  zoo  zijn  die  van  niet 
de  geringste  beteekenis.  Volgens  de  statistieken  importeerde 


207 

Nederland  in  genoemde  kolonie  gedurende  1895  voor  eene 
waarde  van  £  9,  en  exporteerde  van  daar  niets,  terwijl 
Java  noch  in-  noch  uitvoer  had  aan  te  wijzen.  Ook  in  de 
statistieken  van  Tasmania  worden  ons  land  en  Java  niet 
genoemd;  trouwens  met  uitzondering  van  het  Vereenigd 
Koninkrijk,  heeft  Tasmania  bijna  geen  directen  handel 
met  eenig  ander  land.  Al  wat  aldaar  wordt  ingevoerd 
komt  direct  of  indirect  uit  Engeland  of  de  Australasiatische 
of  andere  Engelsche  koloniën  en  alle  uitvoer  gaat  daar- 
heen. Niettemin  worden  Nederlandsche  artikelen  in  Tas- 
mania geïmporteerd,  o.  a.  jenever. 

Onze  handel  met  Australië  staat  niet  slechts  zeer  ten 
achteren  bij  die  van  grootere  landen,  met  nameDuitsch- 
land,  maar  ook  tegenover  België  b.  v.  neemt  hij  eene 
zeer  bescheiden  plaats  in. 

Dit  is  niet  enkel  daaraan  te  wijten,  dat  Nederland  in 
veel  geringere  mate  dan  België  of  het  Duitsche  Rijk  een' 
industrieelen  Staat  vormt,  doch  ook  andere  oorzaken 
dragen  daartoe  bij,  zooals  het  ontbreken  van  Ne- 
derlandsche handelshuizen  in  deze  gewesten, 
van  rechtstreeksche  stoomvaartverbin- 
ding,  en  vooral  ook  de  omstandigheid  dat  onze  fabri- 
kanten en  kooplieden  zich  tot  nog  toe  niet  die  moeite  en 
nog  minder  die  kosten  en  opofferingen  willen  getroosten 
als  de  Duitschers  en  Belgen,  om  hunne  artikelen  hierin 
te  voeren.  Behalve  dat  deze  streken  vaak  bezocht  worden 
door  reizigers  en  agenten  uit  de  meergemelde  landen, 
met  het  doel  van  nabij  de  behoeften  en  eischen  der  Austra- 
lische markten  te  leeren  kennen ,  maken  de  vreemde  koop- 
lieden en  fabrikanten  bovendien  ruim  gebruik  van  het 
groote  reclamemiddel  alhier,  het  adverteeren.  Australië 
toch  is  evenals  Amerika  bij  uitnemendheid  het  land  van 
reclame;  alles  wordt  hier  geadverteerd,  en  dat  niet  enkel 
in  de  couranten,  doch  overal  waar  zich  daartoe  slechts 
eene  gelegenheid  aanbiedt.  In  de  voornaamste  straten  der 
stad  en  voorsteden  vindt  men  somtijds ,  tusschen  een  paar 


208 

aanzienlijke  huizen,  eene  open  ruimte  door  eene  houten 
schutting  afgesloten  en  met  reusachtige  illustratiën  en 
annonces  bedekt ,  als  reclame  voor  allerlei  artikelen. 
Langs  de  sporen,  in  de  stations,  in  de  trams,  op  de  muren 
der  huizen  en  zelfs  op  de  latten  die  de  omheiningen 
vormen  van  braak  liggende  gronden,  komen advertentiën 
voor,  en  artikelen  die  hier  reeds  sedert  jaren  lang  zijn 
ingevoerd  en  hunnen  weg  bij  het  groote  publiek  hebben 
gevonden,  worden  nog  voortdurend  geadverteerd,  uit 
vrees  dat  zij  anders  door  vreemde  zullen  worden  ver- 
drongen. En  dit  is  zoowel  met  Australische  en  Engelsche 
goederen  het  geval  als  met  die  uit  andere  landen,  en 
voor  deze  laatste  nog  veel  meer  noodzakelijk  dan  voor 
de  eerste,  omdat  zij  steeds  te  kampen  hebben  met  het 
in  Engelsche  plaatsen  heerschend  vooroordeel,  dat  vreemde 
artikelen,  wat  qualiteit  en  duurzaamheid  betreft ,  niet  met 
Engelsche  fabrikaten  kunnen  wedijveren. 

Daarbij  komt  dat  de  niet-Engelsche  goederen  hier  te 
lande  nog  eenen  anderen  gevaarlijken  vijand  moeten  be- 
strijden, n.1.  den  geest  van  protectionisme ,  waardoor  zich 
bijna  al  de  koloniën  kenmerken,  en  die  zoo  veel  mogelijk 
alles  aanwendt  om  de  vreemde  concurrentie  te  belem- 
meren en  te  weren ,  zoodat  dan  ook  indertijd ,  gelijk  reeds 
vermeld,  de  opzegging  door  Engeland  van  het  Duitsche 
en  van  het  Belgische  handelstractaat  hier  overal  met 
vreugde  werd  begroet.  Zoo  ondanks  dit  alles  Duitschland 
en  België  er  niettemin  in  geslaagd  zijn  hunne  artikelen 
in  Australië  allengs  meer  en  meer  ingang  te  doen  vinden , 
hebben  zij  dit  voornamelijk  aan  hunne  onvermoeide  po- 
gingen te  danken  om  hunne  fabrikaten  bij  het  publiek 
door  adverteercn  en  op  andere  wijze  bekend  te  maken, 
en  zich  voorts  geheel  naar  de  cischen  der  markt  alhier 
te  schikken. 

In  Nederland  schijnt  men  tot  nog  toe  niet  genoeg  van 
de  noodzakelijkheid  overtuigd  om  in  denzelfden  geest  te 
handelen,   en   vooral  ziet  men  nog  te  veel  op  tegen  de 


209 

kosten  aan  adverteeren  en  reizen  verbonden,  al  blijken 
deze  ook  de  meest  werkzame  middelen  te  zijn.  Het  con- 
signeeren van  goederen  alléén  zal  in  het  algemeen  weinig 
resultaat  opleveren,  zoo  men  niet  te  gelijker  tijd  tracht 
die  goederen  bekendheid  te  verschaffen ;  meer  dan  elders 
geld  hier  het  spreekwoord :  „onbekend  maakt  onbemind", 
en  de  detaillisten  toonen  zich  in  den  regel  ongeneigd  een 
artikel  te  koopen ,  en  vaak  zelfs  het  in  depot  te  ontvan- 
gen ,  dat  niet  door  voldoende  reclame  onder  de  aandacht 
van  het  publiek  wordt  gebracht,  wijl  het  bij  dit  geen 
afzet  vindt.  Naar  het  consulaat  alhier  vernomen  heeft, 
zijn  de  gunstige  uitkomsten,  die  sommige  Nederlandsche 
fabrikaten  in  deze  gewesten  hebben  verkregen ,  zooals 
o.  a.  cacao  en  enkele  merken  jenever,  mede  daaraan  te 
danken  dat  men  geene  kosten  heeft  gespaard  en  nog 
spaart  om  ze  bekend  te  maken,  doch  over  het  geheel 
wordt  dit  middel  nog  te  weinig  door  onzen  handel  hier 
in  practijk  gebracht.  Velen  onzer  fabrikanten  en  kooplieden 
schijnen  te  gelooven ,  dat  consigneeren  alleen  voldoende 
is  om  hun  eenen  goeden  afzet  voor  hunne  goederen  te 
bezorgen,  terwijl  anderen  zelfs  daartoe  niet  bereid  zijn, 
maar  enkel  op  een  prijscourant,  soms  niet  eens  in  het 
Engelsch,  of  op  een  paar  kleine  monsters  met  prijsop- 
gave ,  hopen  van  hier  orders  te  bekomen ,  eene  verwach- 
ting waarin  men  steeds  zal  worden  teleurgesteld,  omdat 
geene  firma  van  eenigen  naam  te  dezer  stede  of  elders 
in  de  koloniën  bereid  is  op  dergelijke  gegevens  een  order 
te  zenden  aan  een  haar  onbekend  huis. 

Wanneer  onze  fabrikanten  en  kooplieden  verlangen  in 
Australië  vasten  voet  te  krijgen,  zal  het  noodig  zijn  dat 
zij  zooveel  mogelijk  trachten  het  voorbeeld  der  Duitschers 
en  Belgen  te  volgen,  en  gelijk  dezen  zich  volkomen  op 
de  hoogte  stellen  van  de  behoeften  en  eischen  der  markt. 


De  privaatrechtelijke  toestand  der  Chineezen  in 

Nederlandsch-Indië. 


Van  de  hand  van  den  heer  mr.  A.  Paets  tot  Gansoyen 
te  Soerabaja  is  bij  E.  Fuhri  &  Co.  aldaar  een  vlugschrift 
verschenen,  houdende  „Eenige  opmerkingen  over  het 
ontwerp  eener  nieuwe  regeling  van  den  privaatrechtelij- 
ken  toestand  der  Chineezen  in  Nederlandsch-Indië".  De 
bespreking  draagt  een  zeer  welwillend,  opbouwend 
karakter. 

De  schrijver  begint  met  er  op  te  wijzen,  dat  het  ont- 
werp met  ingenomenheid  zal  zijn  begroet  door  allen  die  in 
hun  dagelijksch  leven  met  deze  materie  te  maken  hebben , 
die  tot  nog  toe  gezwoegd  hebben  onder  de  taak  om 
quaesties ,  betrekking  hebbende  op  den  privaatrechtelijken 
toestand  der  Chineezen,  op  te  lossen  en  hebben  moeten 
trachten  te  ontdekken  wat  tot  nu  toe  eigenlijk  het  recht 
van  den  Chinees  was ,  zonder  of  bijna  zonder  over  voor 
hem  toegankelijke  bronnen  te  kunnen  beschikken  en  der- 
halve niet  veel  anders  kunnende  volgen  dan  niet  altijd 
juiste  en  niet  altijd  betrouwbare  adviezen  van  Chineesche 
hoofden. 

Ook  door  de  Chineezen  zelven  zal  het  streven  der 
Regeering,  om,  gelijk  de  considerans  der  on twerp-ordon- 
nantie  zegt,  de  bestaande  onzekerheid  op  privaatrechte- 
lijk gebied  op  te  heffen ,  ten  zeerste  worden  gewaardeerd. 


211 

En  niet  minder  zal  de  handel  gebaat  zijn,  die  maar  al 
te  dikwijls  de  minder  goede  praktijken  heeft  moeten  onder- 
vinden waartoe  de  oude  regeling  mogelijkheid  liet. 

Vooral  zal  het  van  Chineesche  zijde  dankbaarheid  ver- 
wekken dat  de  nieuwe  regeling  ontworpen  is  door  een 
jurist  wiens  kennis  van  Chineesche  instellingen  door 
bekende  Europeesche  Sinologen  wordt  geroemd  en  wien 
het  meer  dan  ieder  ander  mogelijk  was  eene  regeling 
samen  te  stellen  die  aan  de  tegenwoordige  eischen  van 
wetgeving  voldoet  niet  alleen,  maar  die  tevens  zooveel 
mogelijk  blijft  in  het  kader  van  specifiek  Chineesche 
gewoonten  en  instellingen,  iets  wat  van  vorige  regelingen 
en  ontwerpen  niet  altijd  kan  gezegd  worden. 

Een  goed  denkbeeld  der  Regeering  was  het,  merkt  de 
schrijver  op,  dit  ontwerp  toe  te  zenden  aan  velen  die 
door  hun  ambt  of  werkkring  met  Chineezen  en  hun 
privaatrecht  in  aanraking  kwamen,  ten  einde  hen  in  de 
gelegenheid  te  stellen  tijdig  hunne  opmerkingen,  zoo 
daartoe  aanleiding  bestaat,  kenbaar  te  maken,  en  onge- 
twijfeld zal  het  in  den  geest  der  Regeering  gehandeld 
zijn,  wanneer  ieder,  gevraagd  of  ongevraagd,  zoover  in 
zijn  vermogen  is,  medewerkt  om  de  te  maken  regeling 
zoo  volledig  mogelijk  te  doen  zijn  en  zoo  veel  mogelijk 
te  doen  beantwoorden  aan  de  eischen  der  practijk,  en 
daarom,  na  haar  getoetst  te  hebben  aan  hem  bekende 
quaesties  die  zich  voordeden  of  voordoen  kunnen,  ter 
zake  zijne  meening  mededeelt. 

De  heer  Paets  verklaart  met  zijne  brochure  dan  ook 
geen  ander  doel  te  hebben  dan  om  zijnerzijds  eenigszins 
daartoe  mede  te  werken* 

Het  ontwerp  bestaat  uit  twee  hoofdstukken ,  waarvan  het 
eerste  die  gedeelten  der  Europeesche  wetgeving  betref- 
fende burgerlijk-  en  handelsrecht ,  aanwijst,  welke  gewij- 
zigd of  ongewijzigd  op  Chineezen  toepasselijk  zijn  ver- 
klaard, terwijl  het  tweede  hoofdstuk  bepalingen  bevat, 

15 


212 

die  hetzij  met  die  toepasselijkverklaring  in  verband  staan , 
hetzij  van  bizonderen  aard  zijn. 

Deze  verdeeling  was  ook  gevolgd  bij  de  weer  inge- 
trokken regeling  vervat  in  StbL  1892  no.  238,  doch 
terwijl  hier  in  het  eerste  hoofdstuk  slechts  de  onderwerpen 
werden  genoemd,  ten  aanzien  waarvan  de  Europeesche 
wetgeving  zou  worden  toepasselijk  verklaard,  noemt  het 
nieuwe  ontwerp  bepaaldelijk  de  artikelen  op,  die  voor 
Chineezen  zullen  gelden. 

Voorzeker  zal  twijfel  of  eenige  bepaling  al  dan  niet 
toepasselijk  is  onder  de  werking  van  StbL  1855  No.  79 
zoo  veelvuldig  voorkomend  en  door  StbL  1892  No.  238 
niet  voorkomen,  door  deze  methode  buitengesloten  zijn 
en  is  deze  dus  verre  te  prefereeren  boven  de  oude.  Het 
eenige  bezwaar  dat  hiertegen  zou  pleiten,  nl.  dat  bij  deze 
methode  gevaar  kan  bestaan  dat  artikelen  in  de  toepas- 
selijkverklaring binnensluipen ,  die  het  beter  ware  geweest 
niet  toepasselijk  te  verklaren,  en  dat  het  onderling  ver- 
band tusschen  de  verschillende  bepalingen  gevaar  loopt 
verbroken  te  worden,  mag  echter  tegen  het  voordeel 
verkregen  door  meerdere  zekerheid,  niet  zwaar  wegen 
en  is  bovendien  door  eene  accurate  bewerking  gemakke- 
lijk te  voorkomen  en,  voorzoover  is  kunnen  nagegaan 
worden,  in  deze  geheel  ontweken. 

Wat  echter  minder  instemming  kan  verwerven  is  de 
van  vroeger  overgenomen  splitsing  in  twee  hoofdstukken. 

Het  nut  dezer  splitsing  heb  ik  nog  niet  kunnen  inzien , 
zegt  de  schrijver  der  brochure,  terwijl  daaraan  groote 
bezwaren  verbonden  zijn,  want  ze  is  oorzaak  dat  de 
nieuwe  regeling  geen  afgerond  en  gesloten  geheel 
wordt. 

Weliswaar  zou  voor  het  systeem  om  éérst  toepasselijk 
te  verklaren  wat  toepasselijk  kan  verklaard  worden,  en 
daarna  nieuwe  bepalingen  te  doen  volgen  omtrent  onder- 
werpen ,  waar  deze  noodig  waren  en  aan  eene  toepasselijk- 
verklaring van  het  bestaande  niet  kon  gedacht  worden, 


213 

iets  te  zeggen  zijn ,  maar  dit  zou  gaan  als  de  toepasselijk 
verklaarde  artikelen  één  geheel  vormden  en  de  nieuwe 
bepalingen  ook  één  geheel  omtrent  een  zelfstandig  onder- 
werp. Dan  zou  éénheid,  zoo  noodig  tot  goed  verstand 
der  zaak  en  zoo  gemakkelijk  bij  het  naslaan,  zonder 
moeite  verkregen  zijn.  Maar  het  ontwerp  verdeelt ,  althans 
ten  aanzien  van  het  personenrecht ,  de  materie  in  tweeën , 
zoodat  men  om  te  ontdekken  wat  ten  aanzien  van  eenig 
onderwerp  bepaald  is ,  eerst  in  het  eerste  hoofdstuk  moet 
nazien  welke  bepalingen  van  de  Europeesche  wet  toe- 
passelijk zijn  verklaard,  dikwijls  met  de  noodige  wijzi- 
gingen, en  dan  in  het  tweede  hoofdstuk  welke  nieuwe 
bepalingen  daar  nog  zijn  gemaakt. 

Deze  grief  tegen  de  splitsing  geldt  echter  alleen  het 
eerste  Boek  Burgerlijk  Wetboek.  Ten  aanzien  van  de 
overige  deelen  van  het  privaatrecht,  waar  geen  zoocar- 
dinale  afwijkingen  en  veranderingen  noodig  waren ,  is  het 
gevolgd  systeem  uitstekend  en  kan  met  jtoepasselijkver- 
klaring  van  het  bestaande  —  behoudens  de  te  maken 
wijzigingen  —  worden  volstaan. 

Eene  tweede  algemeene  opmerking ,  door  schr.  gemaakt , 
betreft  den  omvang  van  de  werking  der  voorgestelde 
ordonnantie. 

Terwijl  de  ordonnanties  van  StbL  1855  No.  79  en  1892 
No.  238  alleen  voor  Java  en  Madura  golden,  bevat  het 
ontwerp  geen  bepalingen  welke  eene  toepasselijkverklaring 
daarvan  ook  op  gewesten  buiten  Java  en  Madura  inden 
weg  staan  en  noemt  de  slotbepaling  de  gewesten,  waar 
voorgesteld  wordt  de  ordonnantie  in  te  voeren. 

Mr.  Paets  wijst  er  op ,  dat  er  geen  overwegende  redenen 
kunnen  bestaan  om  sommige  gewesten  uit  te  sluiten, 
terwijl  hij  de  eenige  reden,  die  aannemelijk  zoude  zijn, 
nl.  eene  mindere  ontwikkeling  der  Chineezen  in  die  ge- 
westen, niet  gegrond  acht. 

Ook  in  de  niet  uitgesloten  gewesten  zijn  niet-ontwik- 
kelde  en  in  de  uitgesloten   gewesten  zijn  ontwikkelde 


214 


Chineezen,  en  de  graad  dier  ontwikkeling  zal  over  het 
algemeen  wel  niet  zooveel  verschillen  dat  daardoor  het 
handhaven  van  een  geheel  verschillenden  rechtstoestand 
voldoende  wordt  gemotiveerd. 

Het  verschil  in  rechtstoestand  tusschen  Java  en  Madura 
eenerzijds,  en  de  overige  eilanden  anderzijds  leverde 
onder  de  ordonnantie  van  Stbl.  1855  No.  79  vele  bezwa- 
ren op.  De  handel  tusschen  Java  en  de  buitenbezittingen 
is  levendig ,  en  vele  zijn  de  rechtsbetrekkingen  die  bestaan 
tusschen  de  ingezetenen  van  beide  streken,  doch  de 
beperkte  werking  van  Stbl.  1855  No.  79  was  voor  het 
verkeer  dikwijls  een  ernstige  hinderpaal. 

Handelaren  op  Java  waren  huiverig  zaken  te  doen  met 
Chineezen  te  Bandjermasin  of  Boeleleng  gevestigd ,  omdat 
zij  bij  eventueele  moeilijkheden  tegenover  zulke  lieden 
zoo  goed  als  machteloos  waren. 

De  Chineezen  wisten  of  vermoedden  ook  op  andere 
plaatsen  maar  al  te  goed  dat  Stbl.  1855  No.  79  slechts 
op  Java  en  Madura  gold ,  en  meer  dan  eens  is  het  gebeurd 
dat  iemand,  vervolging  vreezend,  Java  met  der  woon 
verliet  om  op  een  der  buitenbezittingen  zijne  woonplaats 
te  vestigen  en  zich  daar  vrij  veilig  te  voelen.  Zoo  drijven 
groote  Chineezen  op  de  hoofdplaatsen  van  Java  handel 
onder  den  een  of  anderen  kongsienaam,  doch  vertoeven 
zelf  op  zekeren  afstand,  liefst  van  Java  door  de  zee 
gescheiden. 

Het  zou  met  het  oog  op  die  bezwaren  te  betreuren  zijn, 
als  het  verschil  in  rechtstoestand  werd  gehandhaafd  door 
Chineezen  op  Java  en  enkele  buitenbezittingen  tot  halve 
Europeanen  te  verheffen,  doch  ze  op  vele  andere  plaatsen 
te  laten  wat  ze  zijn. 

De  Memorie  van  Toelichting  bevat  geen  nadere  moti- 
veering voor  de  opnoeming  der  aangewezen,  en  uitslui- 
ting derhalve  der  overige  gewesten. 

Overgaande  tot  eene  bespreking  van  de  afzonderlijke 


215 

declen  van  het  personenrecht,  betreurt  schr.  het,  dat 
niet  is  besloten  tot  invoering  van  een  burgerlijken 
stand  voor  Chineezen.  Dit  zou  zeker  voor  de  bevorde- 
ring der  rechtszekerheid  van  niet  weinig  nut  zijn. 

Het  zou  misschien  de  vraag  zijn,  of  vooral  in  de  binnen- 
landen Chineezen  wel  rijp  voor  een  burgerlijken  stand 
zouden  zijn  en  of  daar  het  groote  publiek  er  de  werking 
van  zou  begrijpen ,  doch  ook  al  ware  dit  het  geval  niet , 
dan  zou  dit  eene  invoering  niet  in  den  weg  mogen  staan , 
terwijl  in  ieder  geval  zelfs  op  de  kleinste  plaatsen  de 
Chineesche  hoofden  stellig  voldoende  ontwikkeling  be- 
zitten —  althans  in  Java's  Oosthoek  —  om  dergelijke 
registers  behoorlijk  te  houden.  Deze  zouden  immers  zoo 
eenvoudig  mogelijk  ingericht  kunnen  zijn  en  niet  dan  het 
hoognoodige  behoeven  te  bevatten. 

Bovendien  zou  de  bevolking  zelve  ongetwijfeld  spoedig 
genoeg  er  aan  gewend  zijn  en  zou  het  anders  voor  de  hoof- 
den, die  toch  bij  het  verleenen  van  passen  als  anderszins 
dagelijks  met  hunne  rasgenooten  in  aanraking  komen, 
geen  bezwaar  zijn,  hen  met  de  instelling  bekend  te 
maken  en  aan  de  verplichting  tot  aangifte  te  herinneren. 

Ook  in  Europa  zal  in  de  eerste  tijden  de  burgerlijke 
stand  wel  niet  volmaakt  zijn  geweest.  En  de  Oosterling 
went  zooveel  eerder  aan  bevelen  van  hooger  hand  dan 
de  Europeaan.  Al  moge  dan  ook  in  het  begin  verzuimen 
en  fouten  niet  kunnen  voorkomen  worden,  mag  dit  dan 
eene  invoering  in  den  weg  staan? 

Werd  een  burgerlijke  stand  ingevoerd,  dan  zou  toch 
in  de  meeste  gevallen  zekerheid  verkregen  zijn,  waar 
die  nu  ten  eenenmale  ontbreekt.  Eens  moet  tóch  tot  de 
invoering  worden  overgegaan.  Waarom  dan  er  mede 
gewacht ! 

Reeds  nu  bestaan  te  Batavia  en  elders  bevolkings- 
registers en  wordt  aanteekening  gehouden  van  de  ver- 
anderingen in  den  staat  der  bevolking,  en  blijkens  de 
Memorie  van  Toelichting  zijn  te  Batavia  reeds  meer  dan 


216 

twee  honderd  jaren  lang  huwelijksregisters  aangehouden. 
Zou  het  nu  niet  een  betrekkelijk  kleine  moeite  zijneene 
schrede  verder  te  gaan  en  overal  —  desnoods  voorloopig 
op  de  afdeelingshoofdplaatsen  op  Java  en  Madura  — 
huwelijks-,  geboorte-,  en  overlijdensregisters  in  te  voeren? 

Ten  aanzien  van  het  huwelijk  zijn  slechts  een  tiental 
artikelen  van  het  Burgerlijk  Wetboek  toepasselijk  verklaard, 
terwijl  verder  de  artikelen  2  tot  en  met  12  der  ordonnantie 
afzonderlijke  bepalingen  bevatten. 

Gelijk  reeds  opgemerkt,  zou  samenvoeging  van  alle 
artikelen.de  voorkeur  verdienen. 

De  ontworpen  regeling  ten  aanzien  van  dit  onderwerp 
zelve  nagaande,  verdient  in  de  eerste  plaats  vermelding 
dat  deze  zich  bepaalt  tot  eene  regeling  van  het  huwelijk , 
voor  zooverre  derden  daarmede  te  maken  kunnen  hebben, 
terwijl  de  wijze  waarop  een  Chineesch  huwelijk  wordt 
voorbereid  en  voltrokken,  geregeld  blijft  door  de  daar- 
omtrent bestaande  gebruiken. 

Deze  uitspraak  wordt  gevonden  in  een  der  bij  de 
Memorie  van  Toelichting  als  bijlagen  gevoegde  monogra- 
phiën.  Maar  ware  het  niet  logischer  geweest  met  eene 
bepaling  in  dezen  zin  de  regeling  van  het  huwelijk  aan 
te  vangen? 

Weliswaar  kan  misschien  gezegd  worden,  dat  bij 
gebreke  van  toepasselijkverklaring  van  desbetreffende 
artikelen  van  het  Burgerlijk  Wetboek  en  bij  gebreke  van 
afzonderlijke  bepalingen,  dit  voortvloeit  uit  de  Algemeene 
Bepalingen  van  Wetgeving  en  het  Regeeringsreglement , 
doch  evenals  voor  Europeanen  alles  wat  het  huwelijk 
betreft  bijeen  wordt  gevonden,  zoude  dit  ook  voor  Chi- 
neezen  kunnen  geschieden  en  zou  het  in  ieder  geval  een 
logischer  geheel  vormen  indien  het  samenstel  der  bepalin- 
gen aanving  met ,  of  althans  bevatte  een  artikel ,  krachtens 
hetwelk  de  wijze  van  voorbereiding ,  voltrekking  en  ont- 
binding van  het  huwelijk  bij  de  Chineezen  blijf t  geregeld 


217 


door  de  daaromtrent  bestaande  gebruiken,  terwijl  dan 
tevens  bepaald  zou  kunnen  worden  dat  ook  daaromtrent 
gerezen  geschillen  onderworpen  blijven  aan  de  beslissing 
hunner  hoofden. 

Met  het  principe  om  alleen  te  regelen  het  huwelijk 
voorzoover  derden  daarmede  in  aanraking  komen,  zal 
zeker  ieder  zich  kunnen  vereenigen.  Het  huwelijk  op  zich 
zelf  is  van  te  specifiek  Chineeschen  aard  dan  dat  de 
Europeesche  wetgever  zich  daarmede  zoude  kunnen  be- 
moeien ,  tenzij  hij  wilde  overgaan  tot  eene  codificatie  van 
wat  onder  de  Chineezen  te  dien  opzichte  als  adat  geldt. 

Maar  dit  neemt  niet  weg  dat  eene  uitdrukkelijke  ver- 
kondiging dat  dit  het  geval  is  en  dat  ten  aanzien  van  het 
wezen  van  het  huwelijk  de  Chineesche  adat  blijft  gelden, 
verre  van  overbodig  is. 

En  zou  dan  ook  overbodig  zijn  te  verkondigen  wat 
de  wet  als  huwelijk  beschouwt! 

Het  Burgerlijk  Wetboek  zegt  dit  implicite  in  artikel  27 : 
de  man  kan  tegelijkertijd  slechts  met  ééne  vrouw,  de 
vrouw  slechts  met  één  man  door  het  huwelijk  verbonden 
zijn,  waarin  eene  definitie  ligt  opgesloten. 

Maar  nu  de  Chineesche  adat.  Een  man  kan  leven  met 
verschillende  vrouwen,  met  wie  alle  hij  wettig  gehuwd 
is.  Wel  is  eene,  de  eerst  gehuwde,  de  hoofdvrouw  en 
heeft  deze  zekere  rechten,  maar  men  kan  niet  zeggen 
dat  de  zoogenaamde  bijvrouwen  niet  wettig  gehuwd  zijn. 
Zij  zijn  gehuwd ,  zij  het  ook  met  minder  ceremonieel.  En 
dan  kan  de  man  nog  leven  met  bijzitten  of  maitresses, 
over  welke  ten  deze  evenwel  niet  behoeft  gesproken  te 
worden. 

Welke  vereeniging  erkent  nu  het  ontwerp  als  huwelijk , 
de  vereeniging  met  de  hoofdvrouw  of  ook  die  met  de 
bijvrouwen?  Blijkbaar,  gelijk  volgt  uit  de  toelichting  en 
uit  de  bijgevoegde  monographiën ,  alleen  het  huwelijk 
met  de  hoofdvrouw ,  het  huwelijk  met  de  voorgeschreven 
ceremoniën  voltrokken.  De  vereeniging  met  alle  andere 


218 

vrouwen  wordt  blijkbaar  door  het  ontwerp  als  onwettig 
beschouwd.  Dit  volgt  dan  uit  den  geest  van  het  ontwerp 
en  blijkt  o.  a.  uit  het  feit  dat  kinderen  der  hoofdvrouw 
als  wettig,  kinderen  uit  bij  vrouwen  geboren  als  onwettig 
en  natuurlijk  worden  beschouwd. 

Dergelijke  regeling  is  volkomen  te  verdedigen,  en  in 
het  belang  der  rechtszekerheid  is  het  natuurlijk  wensche- 
lijk  slechts  ééne  vereeniging,  nl.  die  met  de  hoofdvrouw, 
als  wettig  te  beschouwen.  Mr.  Paets  kan  zich  dan  ook 
volkomen  hiermede  vereenigen ,  hij  merkt  echter  op ,  dat 
een  dergelijk  principe  niet  volkomen  Chineesch  is,  al 
moge  dit  dan  ook  in  overeenstemming  zijn  met  de  toe- 
standen die  onder  Europeeschen  invloed  langzamerhand 
bij  de  Chineezen  in  Indië  zijn  ontstaan. 

Het  doet  echter  tot  de  zaak  niets  af,  of  eene  in  een 
Europeesche  maatschappij  te  maken  regeling  volkomen 
en  in  alle  nuances  met  de  Chineesche  begrippen  over- 
eenstemt, maar  wat  er  wèl  toe  doet  is,  dat  indien  maar 
in  het  minste  van  de  oude  Chineesche  begrippen  wordt 
afgeweken,  dus  de  bestaande  adat  niet  geheel  gevolgd 
wórdt  en  de  te  maken  bepalingen  op  een  eenigszms  ge* 
wijzigd  principe  berusten,  alsdan  formuleering  van  dat 
principe  noodzakelijk  is.  En  dan  is  het  geenszins  vol- 
doende in  de  Memorie  van  Toelichting  slechts  daarover 
te  spreken  en  in  de  ordonnantie  zelve  daarover  te 
zwijgen. 

Daarom  had  het  ontwerp  eene  bepaling  moeten  bevatten , 
waarbij  werd  verkondigd  wat  als  huwelijk  wordt  aange- 
merkt en  dat  alleen  de  verbintenis  met  de  op  gebruike- 
lijke wijze  als  hoofdvrouw  gehuwde  als  zoodanig  zal 
worden  beschouwd ,  terwijl  de  verbintenis  met  alle  andere 
vrouwen  dan  de  zoodanig  gehuwde  hoofdvrouw,  geen 
huwelijk  is. 

De  Nederlandsche  wet  vangt  de  bepalingen  over  het 
huwelijk  ook  aan  met  eenige  artikelen  hoofdzakelijk  van 
moreele  strekking.  Waarom  zou  de  voor  Chineezen  voor- 


219 

gestelde  regeling  ook  niet  kunnen  beginnen  met  dien- 
aangaande het  hoogst  nood i ge  te  verkondigen? 

De  bepalingen  die  volgens  het  ontwerp  voor  Chineezen 
zullen  gelden  strekken  zich,  gelijk  boven  gezegd,  niet  verder 
uit  dan  tot  de  verhouding  tegenover  derden,  en  bepalen 
zich  tot  het  bewijs  van  het  huwelijk,  het  huwelijks- 
goederenrecht  en  de  rechtsbevoegdheid  der  gehuwde  vrouw. 

Het  bewijs  van  het  bestaan  van  een  huwelijk  zal  alleen 
kunnen  bewezen  worden  door  de  zoogenaamde  „trouw- 
bewijzen,"  certificaten  door  de  Weeskamer  af  te  geven, 
nadat  het  hoofd  der  Chineezen  schriftelijk  heeft  verklaard 
dat  bedoeld  huwelijk  werkelijk  is  voltrokken. 

Hierdoor  wordt  dus  vervangen  en  afgeschaft  het  oude 
„consent"  van  boedelmeesteren,  hetwelk  eene  bloote 
vergunning  was  om  te  trouwen.  De  bestaande  „trouw- 
belasting"  wordt  gehandhaafd.  Werd  die  vroeger  voor 
het  consent  betaald,  dan  zal  deze  thans  voor  hettrouw- 
bewijs  verschuldigd  zijn. 

Het  eigenaardige  van  deze  beide  documenten,  èn  van 
het  consent  èn  van  het  trouwbewijs,  is  dat  ze  het  eigen- 
lijke huwelijk  zelf  niet  raken  doch  op  zekeren  afstand' 
daarvan  blijven.  Ze  verraden  een  soort  vrees  om  zich 
met  het  huwelijk  zelf  te  bemoeien.  Het  consent  was  een 
vergunning  om  te  trouwen ,  werd  vóór  het  huwelijk  afge- 
geven ,  althans  dit  was  de  bedoeling  en  de  regel ,  en  kon 
dus  alleen  het  voornemen  om  te  trouwen  bewijzen,  nooit 
dat  in  werkelijkheid  een  huwelijk  voltrokken  wès. 

Het  trouwbewijs  komt  daarentegen  na  het  huwelijk ,  en 
wordt  niets  dan  de  verklaring  van  eene  autoriteit ,  vermel- 
dende dat  deze  eene  verklaring  van  eene  andere  autoriteit 
heeft  gezien,  houdende  mededeeling  dat  inderdaad  het 
huwelijk  van  dengene  die  het  bewijs  aanvraagt  is  vol- 
trokken. 

Mr.  Paets  vindt  deze  inrichting  niet  ten  onrechte  wel 
wat  omslachtig  en  betwijfelt  of  ze  aan  het  doel  zal  be- 
antwoorden» 


220 

Ten  aanzien  van  het  huwelijksgoederenrecht  en  de 
rechtsbevoegdheid  der  gehuwde  vrouw  is  in  hoofdzaak 
het  bestaande  gehandhaafd:  derhalve  geen  gemeenschap 
van  goederen,  een  regel  waarvan  op  geenerlei  wijze  kan 
worden  afgeweken.  Echter  zijn  eenige  verbeteringen 
gemaakt  in  de  bepalingen  die  de  wijze  regelen  om  ieders 
aandeel  vast  te  stellen  Getuigenbewijs  te  dien  aanzien 
is  uitgesloten.  Alles  in  het  belang  van  derden  volkomen 
gewenscht  en  voor  de  betrokkenen  zelf  volkomen  ratio- 
neel en  billijk,  immers  bepalingen  die  misbruiken  voor- 
komen kunnen  nooit  onbillijk  genoemd  worden. 

Eene  goede  bepaling  is ,  dat  de  man  aansprakelijk  is  voor 
de  schulden  zijner  vrouw  als  deze  openbare  koop  vrouw  is. 

Nauw  met  het  huwelijk  hangen  samen  de  bepalingen 
over  het  vaderschap  en  de  afstamming  der  kinderen ,  en 
de  verheffing  van  de  vereeniging  met  de  hoofdvrouw  tot 
het  alleen  wettig  huwelijk  heeft  onvermijdelijk  tot  gevolg 
dat  ook  alleen  de  kinderen  uit  de  hoofdvrouw  als  wettig,  die 
uit  alle  andere  combinaties  als  onwettig  worden  beschouwd. 

Hieruit  blijkt  dat  het  aannemen  van  een  regel  die 
eenigszins  van  het  Chineesche  recht  afwijkt  tot  conse- 
quenties moet  lijden,  die  zeer  groote  verschillen  gaan 
opleveren.  Immers  toen  de  ontwerper  de  vereeniging  met 
eene  bijvrouw  onwettig  noemde,  werd  daardoor  deze  ver- 
eeniging gequaliflceerd  onder  een  Europeeschen  naam 
als  een  toestand,  die  niet  geheel  in  overeenstemming 
was  met  de  werkelijkheid.  Maar  nu  hij ,  als  consequentie 
daarvan,  niet  anders  kan  doen,  dan  ook  de  uit  eene 
dergelijke  vereeniging  geboren  kinderen  als  onwettig  te 
doodverven,  wijkt  hij  niet  alleen  af  van,  maar  komt  hij 
zelfs  in  strijd  met  de  adat. 

Moge  er  misschien  nog  iets  voor  te  zeggen  zijn  om 
de  vereeniging  met  de  bijvrouw  naar  Chineesche  begrippen 
als  niet  volkomen  wettig  te  beschouwen,  al  is  zij  dan 
ook  niet  onwettig,  maar  een  soort  toestand  sui  generis, 


221 

waarvoor  geen  Europeesch  equivalent  bestaat ,  dit  is  zeker 
niet  het  geval  met  de  kinderen  uit  zoo'n  vereeniging  ge- 
boren, en  het  zou  zeker  onjuist  zijn  te  zeggen ,  dat  deze 
onwettig  zijn. 

Volgens  het  ontwerp,  door  een  onderscheid  te  maken 
tusschen  kinderen  geboren  in  en  buiten  dat  wat  volgens 
het  ontwerp  een  wettig  huwelijk  is,  zijn  kinderen  uit  de 
boofdvrouw  wettig,  kinderen  uit  de  bijvrouwen  en  andere 
onwettig.  Volgens  Chineesche  begrippen  daarentegen  zijn 
kinderen  uit  de  hoofdvrouw  en  ook  uit  de  bijvrouwen 
wettig  en  maakt  het  verschil  in  geboorte  alleen  verschil 
ten  aanzien  van  de  stamvoortzetting. 

Eene  vrij  belangrijke  afwijking  is  hierdoor  in  het  leven 
geroepen. 

Zoo  zullen  dus  kinderen  uit  bijvrouwen ,  die  naar  Chi- 
neesche begrippen  geheel  gelijk  staan  met  kinderen  der 
hoofdvrouw,  nu  onwettig  zijn.  Het  zal  den  Chineezen 
zeker  wel  eenige  moeite  kosten  om  aan  dit  denkbeeld 
te  wennen  en  in  te  zien,  dat,  zonder  erkenning  door  den 
vader,  hunne  op  zoodanige  wijze  geboren  kinderen  in 
een  geheel  anderen  rechtstoestand  komen  dan  vroeger  het 
geval  was ,  en  ook  in  een  geheel  anderen  rechtstoestand 
dan  de  kinderen  eener  hoofdvrouw.  Zullen  ze  dat  ooit 
leeren  inzien?  Het  is  te  hopen. 

Om  aan  dat  verschil  in  rechtstoestand  desverlangd  een 
einde  te  kunnen  maken  is  erkenning  noodig.  Mr.  Paets 
geeft  toe  dat  dit  niet  anders  kon  en  het  eene  uit  het  andere 
volgt.  Door  kinderen  uit  bijvrouwen  tot  onwettig  te 
degradeeren ,  is  weer  een  middel  noodig  om  de  daardoor 
ontstane  onbillijkheid  op  te  heffen. 

Het  ontwerp  eischt  voor  de  erkenning  eene  authentieke 
acte,  die  echter  niet  uitsluitend  tot  dat  doel  behoeft  te 
worden  opgemaakt. 

Het  ontwerp  kent  geen  burgerlijken  stand ,  dus  zal  een 
notarieele  acte  wel  het  aangewezen  middel  voor  eene 
erkenning  worden. 


222 

Maar  hoe  lang  zal  het  nu  duren  eer  een  Chinees ,  zon- 
der invoering  van  den  burgerlijken  stand,  weet,  dat  een 
kind  van  eene  bijvrouw  onwettig  is  en  dat  hij  om  dit  kind 
eenige  rechten  te  geven,  eene  notarieel  e  acte  van  erken- 
ning moet  opmaken? 

Ten  aanzien  van  de  vaderlijke  macht  breekt  het  ontwerp 
met  zooveel  wat  in  vorige  regelingen  zoo  ontzettend 
on-Chineesch  was  en  in  de  practijk  tot  veel  moeilijkheden 
aanleiding  gaf. 

Voortaan  zal  ieder  minderjarig  kind  (behalve  de  natuur- 
lijke) steeds  onder  de  macht  van  den  vader  staan,  zoo- 
lang deze  in  staat  is  die  uit  te  oefenen,  ook  na  over- 
lijden der  moeder.  Van  voogdij  wordt  eerst  sprake  na 
overlijden  van  den  vader.  De  zoo  gehate  ingrijping  der 
Boedelkamers  en  bemoeiing  met  de  zaken  des  vaders, 
waartoe  de  Kamers  wel  moesten  overgaan,  hoezeer  dit 
ook  tot  onbillijkheden  aanleiding  kon  geven,  zal  zoo- 
doende tot  het  verleden  behooren. 

Verder  heeft  de  vader  het  bewind  over  de  goederen 
van  den  minderjarige  en  het  vruchtgenot  daarvan.  Na  den 
dood  des  vaders  heeft  de  moeder  vruchtgenot  van  de 
goederen  harer  wettige  kinderen.  Ontneming  van  het 
beheer  bij  onbekwaamheid  of  ontrouw  en  eene  hoogst 
eenvoudige  procedure  daartoe. 

Dit  systeem  verdient  volkomen  instemming.  Slechts 
enkele  vragen  stelt  schrijver  naar  aanleiding  daarvan ;  en 
wel  in  de  eerste  plaats :  onder  welke  macht  staan  natuurlijke 
niet-erkende  kinderen? 

De  toelichting  op  artikel  22  zegt  dat  onder  vaderlijke 
macht  staan  wettige,  geadopteerde  en  natuurlijke  erkende 
kinderen.  Een  kind  van  eene  bijvrouw,  dat  de  vader  ver- 
zuimd heeft  te  erkennen  [daargelaten  voor  het  oogenblik 
of  het  onder  voogdij  staat  en  van  wien],  staat  dus  per  se 
niet  onder  vaderlijke  macht.  En  dat  terwijl  de  Chinees 
tusschen  zoo'n  kind  en  een  kind  uit  de  hoofdvrouw  nage- 


223 

noeg  geen  verschil  ziet!  De  vader  zou  dan  over  zoo'n 
kind  niets  te  zeggen  hebben,  van  zijne  goederen,  zoo 
het  die  heeft,  geen  beheer  en  geen  vruchtgenot  hebben! 
Dit  lijkt  hoogst  on-Chineesch ,  doch  misschien  zijn  juist 
deze  argumenten  en  de  bezwaren  die  daartegen  kunnen 
opgeworpen  worden,  gewenscht  om  de  erkenning  te  be- 
vorderen, daar  de  vader  het  kind  zal  moeten  erkennen 
om  er  vaderlijke  macht  over  te  verkrijgen. 

Doch  daarin  ligt  weer  een  motief  te  meer,  waarom, 
zooals  boven  gezegd,  erkenning  zoo  gemakkelijk  mogelijk 
moet  worden  gemaakt. 

Aan  de  wijze  waarop  de  voogdij  is  geregeld,  brengt 
Mr.  Paets  alle  hulde.  Zijn  de  bepalingen  aangaande  het 
beheer  van  den  voogd  grootendeels  in  overeenstemming 
met  het  Nederlandsche  recht ,  die  over  den  aard  der  voogdij 
en  behelzende  de  aanwijzing  der  personen  die  de  voogdij 
kunnen  waarnemen ,  breken  daarmede  geheel  en  zijn  vol- 
komen in  overeenstemming  met  de  Chineesche  begrippen. 

Op  den  voorgrond  is  zeer  terecht  gesteld  het  principe 
dat  de  vader  zoolang  hij  leeft  heer  en  meester  is  en  de 
vaderlijke  macht  uitoefent,  ook  na  overlijden  der  moeder. 

Na  het  overlijden  des  vaders  treedt  in  de  eerste  plaats 
op  hij  die  door  den  vader  als  voogd  is  benoemd.  Ook 
de  moeder,  als  zij  voogdesse  is,  mag  een  voogd  benoe- 
men, die  na  haar  dood  optreedt. 

De  testamentaire  voogdij  praedomineert  dus,  geheel 
overeenkomstig  Chineesche  begrippen  en  het  gebruik  om 
de  laatste  beschikkingen  van  den  overledene  te  respec- 
teeren. 

Bij  gebreke  van  testamentaire  voogdij  kan  de  Wees- 
kamer een  der  bloedverwanten  van  den  overledene  als 
voogd  benoemen ,  terwijl  vijf  categoriën  van  personen  zijn 
genoemd  die  daarvoor  in  aanmerking  komen,  waarbij 
opmerking  verdient,  dat  ook  de  Weeskamer  de  moeder 
kan  benoemen  als  de  vader  dit  niet  gedaan  heeft 


224 

Eerst  als  de  Weeskamer  geen  voogd  kan  benoemen, 
treedt  zij  zelve  op.  Terecht  is  de  Weeskamer  dus  terug- 
gedrongen van  de  plaats  die  zij  vroeger  innam  en  zullen 
de  gevallen  waarin  zij  zelve  definitief  als  voogdesse  zal 
optreden  belangrijk  verminderen. 

Het  bovengezegde  geldt  wettige  kinderen.  Ook  over 
zijne  natuurlijke  erkende  kinderen  kan  de  vader  echter 
een  voogd  benoemen.  Heeft  hij  dit  niet  gedaan ,  dan  is  de 
over  de  wettige  kinderen ,  hetzij  door  den  vader ,  hetzij 
door  de  Weeskamer  benoemde  voogd,  van  rechtswege 
tevens  voogd  over  de  natuurlijke  erkende  kinderen. 

Zoo  er  geen  voogd  is  benoemd  of  van  rechtswege  op- 
treedt, is  de  Weeskamer  zelve  voogdesse. 

Over  niet-erkende  kinderen  is  zij  dit  steeds. 

De  vader  kan  dus  een  ieder  benoemen;  ook  de  moeder; 
ook  niet-Chineezen.  De  bijvrouw  is  echter  uitgesloten  en 
kan  niet  tot  voogdesse  over  hare  eigen  kinderen  worden 
benoemd. 

Een  der  belangrijkste  verbeteringen  van  het  ontwerp 
is  de  invoering  van  een  maatregel  eenigszins  op  den  voet 
van  artikel  408  Burgerlijk  Wetboek. 

Onder  vigueur  van  het  Boedelkamerreglement  werden 
niet  zelden  goede  zaken  of  ondernemingen  vernietigd 
doordat  geen  mogelijkheid  bestond  het  bedrijf  na  over- 
lijden van  den  vader  of  de  moeder  voort  te  zetten.  Hoe 
dikwijls  Chineezen  bij  hunne  advocaten  geweest  zijn  om 
te  trachten  daartoe  middelen  te  vinden ,  is  niet  te  zeggen. 
Gedwongen  realisatie  van  den  boedel  was  niet  te  voor- 
komen ,  al  was  deze  ook  nog  zoo  in  het  nadeel  der  min- 
derjarigen of  van  de  crediteuren  der  boedels. 

Het  gevolg  daarvan  was  dat  gewoonlijk  de  crediteuren 
niet  veel  kregen  van  hunne  vorderingen  en  er  voor  de 
minderjarigen  totaal  niets  overbleef. 

Het  ontwerp  maakt  aan  dezen  onhoudbaren  toestand 
een  einde. 


225 

In  de  eerste  plaats  heeft  bij  overlijden  van  de  moeder 
de  Weeskamer  met  den  boedel  geen  bemoeienis.  De  vader 
zet  de  door  hem  gedreven  zaken  kalm  voort  alsof  er 
niets  gebeurd  was.  Wel  zal  het  kunnen  voorkomen  dat 
vermogen  der  minderjarigen  in  die  zaken  betrokken  is,  maar 
dit  belet  het  doorgaan  niet.  De  vader  beheert  alleen  het 
vermogen  zijner  kinderen  en  eerst  bij  hunne  meerder- 
jarigheid is  hij  daarvan  verantwoording  schuldig. 

In  de  tweede  plaats  na  overlijden  van  den  vader, 
bestaat  krachtens  het  nieuwe'  artikel  408  gelegenheid  de 
zaken  voort  te  zetten. 

De  Raad  van  Justitie  verleent  het  verlof  daartoe,  na 
verhoor  of  oproeping  van  bloedverwanten  en  na  raad- 
pleging met  de  Weeskamer,  tenzij  natuurlijk  deze  zelve 
als  voogdesse  de  vergunning  vraagt. 

De  voogd  moet  bij  het  einde  van  zijn  beheer  rekening 
en  verantwoording  afleggen,  krachtens  artikel  409  Bur- 
gerlijk Wetboek  aan  den  meerderjarig  geworden  pupil  of 
aan  diens  erfgenamen  bij  eerder  overlijden,  terwijl  hij 
verder  krachtens  artikel  372  Burgerlijk  Wetboek  jaarlijks 
aan  de  Weeskamer  als  toeziende  voogdesse  summiere 
rekening  en  verantwoording  moet  doen  onder  vertoon 
van  bescheiden. 

Dè  daarvoor  geldende  bepalingen  zijn  toepasselijk  ver- 
klaard en  zoo  ook  artikel  412  Burgerlijk  Wetboek. 

Uitvoerig  staat  de  schrijver  stil  bij  de  bepalingen  in 
het  ontwerp  handelende  over  adoptie. 

Eindelijk  zal  de  wetgever  dan  ook  deze  materie  behan- 
delen en  bevat  het  ontwerp  eene  behoorlijke  regeling 
daarvan,  nadat  men  zich  lange  jaren  had  beholpen  met 
niets  anders  dan  de  resolutie  van  9  Mei  1769,  die  niet 
gezegd  kan  worden  al  te  uitvoerig  te  zijn. 

Het  ontwerp  stelt  zich  in  hoofdzaak  zooveel  mogelijk 
op    het    standpunt    der    Chineesche  adat,    doch  wijkt 


226 

in  een  enkel  opzicht  af  zoowel  van  wat  in  China  als 
recht  geldt,  als  van  wat  in  Nederlandsch-Indië  ge- 
woonte is. 

#~* 

9 

Zonder  wijziging  zijn  in  het  ontwerp  de  eerste  elf  titels 
van  het  tweede  boek  Burgerlijk  Wetboek  toepasselijk 
verklaard. 

Daarop  volgt  het  erfrecht.  Ten  aanzien  van  geen  enkel 
onderwerp  was  regeling  zóo  zeer  eene  dringende  behoefte 
als  voor  het  erfrecht  bij  versterf. 

Vroeger  steeds  buiten  iedere  speciale  regeling  gehouden, 
bestond  hier  de  grootste  onzekerheid.  De  eerste  bijlage 
der  Memorie  van  Toelichting  geeft  een  duidelijk  over- 
zicht van  de  moeilijkheden,  waartoe  de  onthouding  van 
regeling  aanleiding  gaf,  en  van  de  quaesties  die  zich 
omtrent  dit  onderwerp  hebben  voorgedaan. 

Moeilijk  was  het  voor  den  ontwerper,  nu  tot  eene 
regeling  van  het  erfrecht  bij  versterf  besloten  was,  eene 
keuze  te  doen  tusschen  de  verschillende  wijzen  waarop 
hij  aan  de  opdracht  kon  gevolg  geven.  Hij  had  te  kiezen 
tusschen  zuiver  Chineesch  en  zuiver  Nederlandsch,  ge- 
wijzigd Chineesch  en  gewijzigd  Nederlandsch  recht. 

Dat  hij  tegen  invoering  en  codificeering  van  zuiver 
Chineesch  recht  heeft  opgezien ,  laat  zich  met  het  oog  op 
de  belangrijke  wijzigingen  die  het  Chineesche  volksleven 
gedurende  eeuwenlange  aanraking  met  Nederlanders  en 
die  het  Chineesche  rechtsbewustzijn  onder  den  invloed 
van  Nederlandsche  en  Nederlandsch-Indische  verordenin- 
gen hebben  ondergaan,  volkomen  verklaren.  De  Chinee- 
zen  in  Nederlandsch-Indië  zijn  in  vele  opzichten  geen 
eigenlijke  Chineezen  meer,  en  al  mogen  hunne  godsdien- 
stige begrippen  geen  verandering  hebben  ondergaan, 
omdat  nooit  iemand  zich  daarmede  bemoeid  heeft,  hun 
begrip  van  rechtstoestanden  en  hun  rechtsbewustzijn, 
gedurende  eeuwen  grootendeels  door  Europeesche  wetten 


227 

beheerscht,  heeft  langzamerhand  dientengevolge  andere 
vormen  aangenomen  en  de  origineel  Chineesche  begrippen 
zijn  gewijzigd  of  geheel  door  Nederlandsche  verdrongen. 
Onder  zulke  omstandigheden  terug  te  keeren  tot  het  zui- 
ver Chineesche  recht,  dat  op  Chineesche  toestanden  in 
China  moge  passen,  maar  voor  de  toestanden  in  Neder- 
landsch-Indië  niet  meer  geheel  bevredigen  kan ,  zou  zeker 
een  groot  waagstuk  zijn. 

Dat  ook  eene  wijziging  van  dat  Chineesche  recht  met 
het  oog  op  Indische  toestanden  niet  zou  helpen,  waar 
dit  zou  moeten  geschieden  voor  toestanden  die  geheel 
on-Chineesch  zijn  geworden,  spreekt  van  zelf. 

Het  ligt  dus  voor  de  hand  dat  de  ontwerper  geneigd 
was  in  principe  op  Chineezen  het  geheele  Europeesche 
erfrecht  eveneens  toepasselijk  te  verklaren,  terwijl  het 
voor  de  hand  ligt  dat  hij  dit  recht  moest  wijzigen  en 
passend  maken  ten  aanzien  van  die  onderwerpen,  waar 
de  niet  weg  te  cijferen  begrippen  en  denkbeelden  der 
Chineezen  —  ook  in  Indië  —  te  veel  met  Nederlandsche 
toestanden  in  strijd  kwamen  en  moeilijk  onder  de  Neder- 
landsche wet  te  brengen  zouden  zijn.  Hiertegen  bestaat 
geen  enkel  bezwaar ,  want  al  verklaart  men  in  hoofdzaak 
Europeesche  bepalingen  toepasselijk,  dan  wil  dit  nog  niet 
zeggen  dat  deze  den  Chineezen  in  ieder  geval  moeten 
opgedrongen  worden ,  ook  daar  waar  deze  op  Chineesche 
toestanden  niet  zouden  passen. 

De  voornaamste  punten  waarop  het  erfrecht  van  Chi- 
neezen in  Nederlandsch-Indië  zal  verschillen  van  dat  voor 
Europeanen  zijn: 

1.  dat  bij  Chineezen  de  langstlevende  man  universeel 
erfgenaam  is  van  zijne  vrouw ,  die  zonder  nakomelingen 
is  overleden ,  en  zulks  met  uitsluiting  van  al  hare  bloed- 
verwanten, terwijl  bij  Europeanen  de  man  eerst  erft  na 
en  bij  gebreke  van  bloedverwanten. 

2.  dat  bij  Chineezen  natuurlijke  erkende  kinderen  van 

16 


228 

vader  en  moeder  die  hen  erkenden,  gelijk  deel  als  wet- 
tige kinderen  erven,  terwijl  bij  Europeanen  natuurlijke 
erkende  kinderen  een  veel  geringer  deel  erven,  en  zij 
eerst  hetzelfde  erven  als  wanneer  zij  wettig  waren 
geweest,  indien  de  overledene  geene  bloedverwanten  in 
den  erfelijken  graad  naliet. 

3.  dat  bij  Chineezen  de  legitieme  portie  is  beperkt  tot 
de  nederdalende  linie,  terwijl  bij  Europeanen  ook  in  de 
opgaande  linie  eene  legitieme  portie  bestaat 

Ten  aanzien  van  de  volgende  hoofdbeginselen  wijkt 
het  ontwerp  daarbij  van  het  Chineesche  recht  af: 

1.  Het  Chineesche  recht  erkent  uitsluitend  een  erfrecht 
van  mannelijke  nakomelingen,  terwijl  eerst  bij  gebreke 
daarvan  de  naaste  vrouwelijke  betrekkingen  (natuurlijk 
ook  nakomelingen)  erven,  terwijl  het  ontwerp  mannelijke 
en  vrouwelijke  descendenten  geheel  gelijk  stelt. 

2.  Het  Chineesche  recht  erkent  geen  andere  bloedver- 
wanten als  erfgenamen  dan  nakomelingen,  terwijl  het 
ontwerp  een  erfrecht  schept  van  bloedverwanten  tot  den 
twaalfden  graad  ingesloten. 

3.  Het  Chineesche  recht  kent  geen  erfrecht  van  den 
langstlevenden  echtgenoot,  zooals  het  ontwerp. 

Mr.  Paets  acht  deze  afwijkingen  niet  zonder  bedenking. 

Tot  nu  toe  bestonden  grieven,  maar  zijn  veiligheids- 
kleppen ontdekt  waardoor  het  mogelijk  was  niet  gewilde 
bepalingen  te  ontduiken. 

Nu  zullen  grieven  blijven  bestaan,  maar  de  vroegere 
uitwegen  worden  gesloten.  Ontevredenheid  daarover  zal 
niet  uitblijven. 

Invoering  der  Nederlandsche  wet  in  hoofdzaak  is  goed , 
maar  waar  de  Chineezen  andere  begrippen  hebben ,  moet 
de  wet  daarnaar  gewijzigd  worden. 

# 
Bestond  ten  aanzien  van  huwelijks- en  erfrecht  behoefte 
aan  voorziening  omdat  tot  nog  toe  wettelijke  regeling 


229 

ontbrak ,  ten  aanzien  van  het  faillissement  bestaat  daaraan 
behoefte  omdat  de  wettelijke  regeling  niet  voldoet  en 
aan  den  handel  geen  voldoende  waarborgen  verschaft 
tegen  misbruiken  en  kwade  praktijken  hunner  Chineesche 
debiteuren. 

Reeds  van  den  aanvang  af  zijn  door  den  handel  pogin- 
gen in  het  werk  gesteld  om  daarin  voorziening  te  krijgen 
en  is  op  wijziging  aangedrongen,  en  deze  pogingen  zijn 
met  groote  volharding  van  jaar  tot  jaar  voortgezet  en 
hernieuwd. 

De  grootste  grief  is  wel  de  wijze  van  boekhouding  van 
vreemde  oosterlingen.  Tal  van  malen  is  er  op  aange- 
drongen, dat  vreemde  oosterlingen  verplicht  zullen  wor- 
den hunne  handelsboeken  te  houden  in  een  der  Europeesche 
talen  of  het  Maleisch  met  Latijnsche  karakters. 

En  thans  na  zoovele  jaren  van  ongeduldig  wachten, 
van  hopeloos  smeeken ,  zal  dan  eindelijk  het  privaatrecht 
voor  Chineezen  worden  herzien  en  een  behoorlijk  faillieten- 
recht  worden  ingevoerd?  Zullen  dan  eindelijk  de  lang 
verzochte  hervormingen  worden  ingevoerd  en  de  nood- 
kreten gehoord  zijn?  De  opdracht  der  herziening  aan 
een  man  als  mr.  Fromberg  deed  alles  verwachten.  Met 
verlangen  zag  ieder  het  resultaat  van  zijn  arbeid  te 
gemoet  En  wat  is  nu  het  resultaat?  Dat  van  het  derde 
boek  van  het  Wetboek  van  Koophandel  twee  artikelen 
worden  gewijzigd  (866  en  869)  en  twee  artikelen  van  de 
toepasselijkverklaring  zijn  uitgesloten  (876  en  877) !  Voor 
bet  overige  is  het  Wetboek  van  Koophandel  onveranderd 
toepasselijk  verklaard.  Na  een  ruim  veertig  jarig  requestree- 
ren  wordt  een  oud  wetboek  van  1838  nog  goed  genoeg 
geacht  voor  de  koloniën ,  en  slechts  eene  enkele  wijziging 
ingevoerd,  en  dat  terwijl  dat  wetboek  wat  het  faillisse- 
ment betreft  in  het  moederland  reeds  heeft  uitgediend. 
Terwijl  in  het  moederland  reeds  een  jaar  lang  eene  nieuwe 
wet  (die  van  30  September  1893  Stbl.  No.  140  op  het 
faillissement  en  de  surséance  van  betaling)  in  werking 


230 

is,  moeten  de  koloniën  zich  met  de  oude  in  het  moeder- 
land afgeschafte  wet  behelpen  en  worden  zelfs  daarin 
nog  wijzigingen  gebracht,  alsof  men  er  de  eerste  jaren 
nog  niet  over  zal  denken  ook  daar  de  nieuwe  wet  in  te 
voeren. 

En  dat  niettegenstaande  van  zoo  verschillende  kanten 
met  den  meesten  klem  is  betoogd  dat  de  oude  wet  niet 
aan  de  eischen  eener  goede  wetgeving  voldoet,  nadat  in 
Holland  hemel  en  aarde  is  bewogen  om  die  oude  wet 
afgeschaft  te  krijgen  omdat  ze  daar  niet  deugde,  en  het 
in  Indië  ook  waarlijk  niet  ontbroken  heeft  aan  pogingen 
om  aan  te  toonen  dat,  voldoet  de  oude  regeling  van  het 
faillissement  niet  in  Holland,  dit  in  Indië  nog  veel  minder 
het  geval  is. 

Niet  te  verwonderen  is  het ,  zegt  mr.  Paets ,  dat  velen 
teleurgesteld  zullen  zijn,  velen  die  gehoopt  hadden  dat 
het  ontwerp  aan  alle  bestaande  grieven  een  einde  zou 
maken.  De  vraag  is  echter  of  dit  mogelijk  was  geweest ! 
En  deze  vraag  zal  bij  eenig  nadenken  ontkennend  moeten 
worden  beantwoord.  Op  Chineezen  kunnen  de  Europeesche 
bepalingen  worden  toepasselijk  verklaard.  Maar  blijft  de 
Europeesche  wet  gebrekkig  en  wordt  die  niet  vervangen 
door  eene  nieuwe ,  dan  kan  niets  gedaan  worden ,  als  die 
oude  wet  toepasselijk  te  verklaren  Mr.  Fromberg  was 
dus  bij  zijne  opdracht  aan  de  wet  van  1838  gebonden  en 
kon  niet  anders  doen  dan  te  trachten  deze  zoo  bruikbaar 
mogelijk  te  maken,  al  worden  hierdoor  geen  radicale 
hervormingen  ingevoerd.  Dat  dus  ook  de  nieuwe  regeling 
gebrekkig  zal  blijven,  is  niet  zijn  schuld,  doch  die  van 
het  opperbestuur  in  Nederland ,  dat  er  nog  niet  toe  over- 
gegaan is  de  zoo  geroemde  nieuwe  faillissementswet  ook 
in  de  koloniën  in  te  voeren. 

De  schrijver  gaat  daarop  nog  eens  in  het  kort  na, 
welke  de  bestaande  gebreken  zijn. 

Het  eenig  bezwaar  tegen  het  verplichtend  stellen  van 
het  gebruik  eener  verstaanbare  taal  dat  werkelijk  over- 


231 

wegend  zou  zijn,  is  het  bezwaar  der  Regeering:  geen 
voldoende  taalkennis.  Was  het  waar,  dat  de  Chinees  geen 
voldoende  Maleisch  verstaat  om  daarin  te  kunnen  boek- 
houden, dan  zou  het  een  immoreele  dwang  zijn  hem  toch 
daartoe  te  dwingen. 

Doch  dat  bezwaar  moge  in  vroeger  jaren  gegolden 
hebben ,  thans  bestaat  dit  niet  meer.  De  ontwikkeling  der 
Chineezen  in  de  laatste  jaren  is  zoo  ontzettend  vooruit- 
gegaan ,  dat  Chineezen  die  niet  behoorlijk  Maleisch  spre- 
ken en  schrijven  en  daarin  kunnen  boekhouden,  lang- 
zamerhand tot  de  zeldzaamheden  beginnen  te  behooren, 
—  wel  te  verstaan  onder  de  gevestigde  handelaren. 

De  meer  gegoeden  doen  het  tegenwoordig  zelfs  niet 
buiten  meerdere  moderne  talen. 

En  wat  sterker  is:  mr.  Paets  vindt  thans  niet  alleen 
geen  bezwaar  tegen  de  invoering  omdat  de  Chineezen 
geen  Maleisch  zouden  kennen,  doch  hij  vindt  invoering 
urgent  noodig  omdat  de  Chineezen  geen  Chineesch  meer 
kennen!  Het  moge  vreemd  schijnen,  doch  een  feit  is 
het  —  schrijft  hij  —  dat  het  getal  der  baba's  dat  Chi- 
neesch kan  schrijven  belangrijk  vermindert,  en  dat  er 
zelfs  velen  zijn  die  het  niet  meer  verstaan. 

Ook  de  overige  geopperde  bezwaren  acht  de  schrijver 
niet  steekhoudend. 

Hij  betreurt  het,  dat  het  ontwerp  geen  afdoende  be- 
paling bevat  omtrent  den  lijfsdwang  in  geval  van  faillis- 
sement. Waarom  —  zoo  vraagt  schr.  —  vergenoegt  de 
ontwerper  er  zich  mede  de  beide  artikelen  die  ontslag 
uit  de  gijzeling  ingeval  van  faillissement  toestaan  niet 
toepasselijk  te  verklaren?  Waarom  geeft  hij  geen  ver- 
beterde redactie  van  het  zoo  veel  besproken  artikel  874 
Wetboek  van  Koophandel  ?  En  dat  terwijl  hij  zoo'n  groot 
voorstander  van  lijfsdwang  toont  te  zijn  en  het  blijkbaar 
zijne  bedoeling  is  om  niettegenstaande  faillissement  toch 
lijfsdwang  toe  te  laten. 

Eenmaal  vaststaande  dat  lijfsdwang  het  eenige  middel 


232 

is  dat  vrees  inboezemt,  en  de  eenige  wijze  is  om  het 
noodige  van  den  debiteur  los  te  krijgen,  dan  moet  ook 
alle  twijfel  worden  opgeheven.  En  dit  kan  alleen  door 
een  uitdrukkelijk  wetsvoorschrift. 

De  handel  is  den  ontwerper  dank  verschuldigd  voor 
het  feit  dat  hij  ontslag  uit  de  gijzeling  tijdens  faillisse- 
ment onmogelijk  heeft  gemaakt.  Grooter  zou  deze  dank 
zijn,  meent  mr.  Paets,  indien  buiten  eenige  twijfel  vast- 
stond dat  steeds  na  insolventie  gijzeling  mogelijk  zal  zijn 
ter  zake  van  schulden  vóór  het  faillissement  gemaakt. 

De  schrijver  eindigt  zijne  belangrijke  beschouwingen 
met  den  wensch  uit  te  spreken,  die  ongetwijfeld  door 
velen  in  Indië  zal  worden  gedeeld,  dat  tot  spoedige 
invoering  van  de  nieuwe  ordonnantie  zal  worden  over- 
gegaan. 


Petroleum  in  Japan.  *) 


Nederland  of  liever  Nederlandsch-Indië  begint  op  de 
Oost-Aziatische  markt  langzamerhand  een  importeur  van 
petroleum  te  worden  van  belang.  De  eerste  aanvoeren 
van  Langkat-olie  hadden  in  Japan  in  1896  plaats ,  vielen 
echter  zeer  tegen  door  slechte  rafflnage  en  verpakking. 
Zij  werd  dan  ook  door  Amerikaansche  en  Russische  pro- 
ducenten als  geene  belangrijke  concurrente  beschouwd,  maar 
gelukkig  is  sedert  de  toestand  veranderd  door  de  betere 
zorg,  die  in  Sumatra  aan  de  rafflnage  besteed  wordt,  al 
laat  de  verpakking  ook  soms  nog  wat  te  wenschen  over. 

Sedert  den  loop  van  1897  vinden  de  aanvoeren  van 
Langkat-olie  zoowel  te  Yokohama  als  te  Kobe  gere- 
geld plaats  en  wordt  de  waar  flink  van  de  hand  gedaan , 
al  is  het  ook  tegen  iets  geringere  prijzen  dan  de  Ameri- 
sche  en  de  Russische.  De  Koninklijke  Maatschappij  kan 
echter  haren  afzet  nog  enorm  uitbreiden,  ja  er  is  meer 
plaats  dan  voor  haar  alleen,  en  indien  slechts  \  der  in 
dit  jaar  in  Nederland  opgerichte  maatschappijen  tot  exploi- 
tatie van  petroleumterreinen  in  Nederlandsch-Indië  blijkt 


°)  Mededeeling  van  den  Nederlandschen  vice-consul  te  Yokohama , 
den  heer  J.  H.  de  Reus,  in  no.  9  der  Consulaire  Verslagen  en  Be- 
richten. 


234 

onder  gunstige  voorwaarden  te  kunnen  produceeren  tegen 
ooncurreerende  prijzen,  dan  zal  het  dubbel  noodig  worden 
een  veld  van  afzet  te  vinden  buiten  ons  Indië,  en  wel 
voornamelijk  in  de  niet  veraf  gelegen  landen  China ,  Japan 
en  de  Philippijnen ,  daar  dan  onze  koloniën  onmogelijk 
in  staat  zullen  zijn  alle  geproduceerde  petroleum  te  ge- 
bruiken. Het  is  dus  misschien  niet  van  belang  ontbloot 
na  te  gaan ,  in  hoeverre  Japan  in  de  toekomst  een  groot 
veld  van  afzet  zal  kunnen  blijven  van  dit  voor  onze 
koloniën  zoo  belangrijk  product. 

Het  is  reeds  sedert  lang  bekend,  dat  er  niet  onbelang- 
rijke petroleum  houdende  gronden  in  Japan  waren,  en 
wel  in  de  provincie  Echigo,  ten  noordwesten  van  Tokio 
gelegen.  Het  was  echter  eerst  in  1877,  dat  men  er  aan 
begon  te  denken  deze  bronnen  eenigermate  te  gaan  exploi- 
teeren. 

In  de  provincie  Echigo  is  in  vier  districten  door  de 
Japansche  Regeering  concessie  gegeven  voor  het  exploi- 
teeren  van  petroleumbronnen. 

Het  eerste  district,  tevens  een  der  belangrijkste,  is 
ongeveer  5  mijlen  gelegen  van  de  stad  Nagaoka.  De  meeste 
bronnen  bevinden  zich  daar  op  de  steile  heuvelhellingen 
en  meestal  zeer  dicht  bij  elkaar  (tusschen  sommige  bron- 
nen bedraagt  de  afstand  slechts  50  yards).  In  dit  petro- 
leumveld  worden  een  60-tal  bronnen  geëxploiteerd. 

In  1894  en  1895  was  de  productie  ongeveer  30,000 
gallons  per  dag ,  maar  sedert  is  deze  teruggegaan  tot  9,000, 
en  alle  kenteekenen  moeten  voorhanden  zijn,  die  er  op 
wijzen j  dat. nog  grootere  vermindering  zal  volgen. 

De  bronnen  zijn  van  600  tot  1,400  voeten  diep,  en  uit 
ieder  van  deze  moet  de  petroleum  opgepompt  worden. 
De  toevloeiing  is  in  sommige  bronnen  zóo  gering,  dat 
het  pompen  alleen  om  het  uur  kan  geschieden ,  opdat  in 
dien  tusschentijd  de  olie  op  den  bodem  van  den  put  ge- 
legenheid hebben  samen  te  vloeien. 

Slechts    drie    nieuwe    bronnen  worden  tegenwoordig 


235 

aldaar  aangeboord,  in  een  van  welke  men  op  660  voet 
diepte  was  gekomen  zonder  eenige  teekenen  van  olie  te 
ontdekken. 

Eenige  mijlen  van  dit  oude  oliehoudende  terrein  is 
ongeveer  20  maanden  geleden  een  ander  ontdekt,  waar- 
van de  eigenaars  groote  verwachtingen  hadden  en  dat 
reeds  als  eene  goudmijn  werd  beschouwd ,  wijl  de  eerste 
tot  400  en  600  voet  aangeboorde  bronnen  een  overvloe- 
digen  stroom  olie  gaven  zonder  pompen,  maar  dit  was 
slechts  van  korten  duur;  de  productie  verminderde  toch 
na  een  paar  maanden  belangrijk  en  er  moest  tot  oppompen 
worden  overgegaan.  Meer  bronnen  moeten  sedert  met  een 
redelijk  resultaat  zijn  aangeboord,  maar  het  blijkt,  dat  de 
stroom  bij  geen  van  alle  een  voortdurende  is. 

De  hoedanigheid  der  olie  is  zeer  goed ,  sommige  geven 
na  raffinage  70,  andere  75  pCt.  lichtolie,  terwijl  de 
olie  der  eerstgenoemde  velden  slechts  gemiddeld  van  50 
pCt.  tot  53  pCt.  lichtolie  gaf. 

De  olie  van  dit  district  wordt  meestal  te  Nagaoka  of  in  de 
omstreken  dier  stad  geraffineerd,  op  ongeveer  5  mijlen 
afstand  van  het  olieveld,  in  kleine  distiUeerderijen  van 
200  tot  400  gallons  capaciteit  per  dag.  De  raffinage  is 
zeer  ongelijk  en  verschilt  bijzonder  in  „  test ",  zoodat  het 
geraffineerd  product  zeer  gewantrouwd  wordt.  De  helft 
is  dan  ook  minstens  ongeschikt  voor  verlichtingsdoelein- 
den ,  tenzij  vermengd  met  ten  minste  50  pCt.  Amerikaan- 
sche  olie. 

Op  het  oogenblik  is  echter  bij  Nagaoka  eene  raffina- 
derij volgens  delaatste  methoden  bijna  gereed  gekomen  met 
eene  capaciteit  van  bijna  8000  gallons  ruwe  olie  per  dag. 
Alle  machinerieën  hiervoor  zijn  vervaardigd  te  Tokio,  en 
de  petroleum  zal  in  deze  raffinaderij  gezuiverd  worden 
tot  Amerikaanschen  standaard. 

Een  gedeelte  van  de  ruwe  olie  wordt  „in  bulk"  per 
boot  langs  de  Shimano-rivier  naar  Niigata  gebracht ,  waar 
eene  raffinaderij  reeds  gedurende  een  tweetal  jaren  wer- 


236 

kende  is ;  hare  capaciteit  bedraagt  4000  gallons  per  dag, 
en  de  door  haar  geraffineerde  olie  vindt  goeden  afzet. 

Van  de  olievelden  tot  aan  de  raffinaderij  bij  Nagaok 
is  een  „pipe  line"  gelegd. 

Meer  dan  een  jaar  geleden  maakten  eenige  Japansche 
couranten,  zonder  twijfel  hiertoe  overgehaald  door  specu- 
lanten, zulk  enorm  geschreeuw  over  den  rijkdom  van 
deze  nieuwe  petroleumterreinen ,  dat  het  zelfs  de  aan- 
dacht in  de  Vereenigde  Staten  trok  en  twee  Amerikanen , 
ter  dege  met  het  verkennen  van  petroleumhoudende  ter- 
reinen en  het  boren  van  bronnen  bekend,  naar  Japan 
kwamen.  Deze  deskundigen  bezochten  gedurende  een 
zestal  maanden  de  verschillende  oliehoudende  terreinen, 
maar  vertrokken  sedert  weder,  daar  het  hun  voorkwam 
dat  de  olie  in  niet  voldoende  mate  aanwezig  was  om  de 
tegenwoordig  zoo  kostbare  machinerieën  uit  Amerika  te 
laten  uitkomen. 

Het  tweede  district  bevindt  zich  te  Amasemachi  en 
Idzumosaki.  In  1877  werd  ontdekt,  dat  petroleum  zich 
in  overvloed  bevond  aan  het  strand  van  een  gedeelte  der 
Echigo-provincie  en  zelfs  aldaar  uit  zee  opborrelde.  Eene 
maatschappij  werd  opgericht  en  eene  groote  uitgestrekt- 
heid grond  langs  het  strand  verkregen,  waarin  met  goed 
resultaat  bronnen  werden  geboord  en  waarmede  groote 
winsten  werden  verkregen.  Totaal  werden  er  50  bronnen 
geboord.  Maar  sedert  1895  nam  de  productie  langzamer- 
hand en  geregeld  af,  en  de  meeste  bronnen  loonen  de 
arbeidskosten  niet  meer.  Nieuwe  boringen  hebben  onlangs 
plaats  gevonden,  maar  bleken  droge  putten  te  zijn.  De 
totale  productie  van  dit  veld  gaat  5,000  gallons  per  dag 
niet  te  boven.  De  diepte  der  bronnen  varieert  van  400 
tot  1,800  voet;  éene  bron  heeft  zelfs  eene  diepte  van 
2,400  voet  en  produceert  nog  de  beste  olie. 

De  hoedanigheid  van  de  olie  uit  dit  district  varieert 
zeer,  sommige  geven  45  pCt,  andere  zelfs  75  pCt. 
lichtolie. 


237 

Het  is  zeer  waarschijnlijk,  dat  dit  veld  zal  verlaten 
worden  binnen  niet  al  te  langen  tijd;  sommige  bronnen- 
eigenaars  hebben  hunne  inrichtingen  reeds  naar  het  eerste 
district  overgebracht.  Zonder  twijfel  zal  dit  tweede  district 
wel  spoedig  ophouden  te  zijn  een  belangrijke  factor  in 
de  Japansche  petroleumindustrie. 

Dicht  bij  de  plaats  van  productie  is  eene  goede, maar 
kleine  raffinaderij. 

Het  derde  district  ligt  ongeveer  10  mijlen  van  het  eerste. 
Al  het  terrein  aldaar  behoort  aan  de  Japansche  Mineraal- 
olie-maatschappij. Tot  nu  toe  zijn  slechts  vijf  bronnen 
werkend,  met  niet  meer  productie  dan  1500  gallons  dage- 
lijks. De  ruwe  olie  in  dit  district  is  van  minder  hoeda- 
nigheid dan  die  van  het  eerste  en  tweede  district.  Tenzij 
dus  beter  rendeerende  bronnen  aangeboord  worden,  die 
ook  beter  qualiteit  olie  leveren ,  zal  dit  veld  wel  als  niet 
genoeg  winstbrengend  moeten  verlaten  worden. 

Het  vierde  district  ligt  40  mijlen  van  het  eerste  ver- 
wijderd. Hier  vloeien  de  bronnen  beter  dan  in  alle  andere 
districten,  zij  worden  echter  op  zeer  primitieve  wijze 
bewerkt.  De  hoedanigheid  der  olie  is  zeer  slecht ,  gevende 
25  pCt.  lichtolie,  40  k  60  pCt.  lubricating  oil  en  het 
overige  residu. 

De  Japanners  zijn  er  nu  nog  niet  in  geslaagd  de  lubri- 
cating oil  zóo  te  raffineeren ,  dat  ze  te  gebruiken  is ,  en 
daarom  is  ze  zeer  moeilijk  verkoopbaar. 

De  katoenfabrieken  en  andere  groote  industrie-inrich- 
tingen met  gecompliceerde  machinerie  gebruiken  alleen 
het  Amerikaansche  artikel,  daar  het  Japansche  hard 
wordt  en  als  klonten  aan  de  machine  gaat  zitten.  De 
Japansche  lubricating  oil  wordt  dan  ook  alleen  voor 
gewone  machines  gebruikt  en  dan  nog  slechts  vermengd 
met  Amerikaansche.  Dientengevolge  haalt  ze  dan  ook 
slechts  den  halven  prijs  van  het  Amerikaansche  product. 

De  prijs  van  de  ruwe  olie  varieert  zeer,  al  naar  gelang 
van  het  percentage  lichtolie ,  dat  ze  bezit.  Sommige  soorten 


238 

worden  aan  de  bronnen  tot  zelfs  voor  2,50  yen  per  koku  *) 
verkocht,  terwijl  de  beste  qualiteit  6,15  yen  haalt. 

De  prijs  der  geraffineerde  olie  was  ongeveer  8  maanden 
geleden  in  de  provincie  Echigo  en  de  omliggende  pro- 
vinciën 2  k  2,50  yen  per  kist  van  2  blikken  voor 
locaal  verbruik ,  maar  voor  export,  bv.  naar  Osaka,  moet 
de  prijs  veel  lager  zijn.  Zoo  werd  ze  in  de  laatstgenoemde 
plaats  in  het  klein  voor  1,85  k  1,90  yen  verkocht.  Hierbij 
moet  echt  vermeld  worden,  dat  vracht,  assurantie  en 
lekkage  van  Niigata  af,  de  eenige  yerschepingsplaats , 
op  15  sen  per  kist  komen.  De  handelaars  vermengden 
het  dikwijls  met  Amerikaansche  olie,  maar  sedert  de 
Langkat-petroleum  „Crown  Oil"  vasten  voeten  in  Japan 
en  vooral  te  Osaka  heeft  verkregen,  kan  de  Echigo- olie 
niet  meer  concurreeren  en  heeft  het  verbruik  ervan  in 
Osaka  bijna  geheel  opgehouden. 

De  geheele  productie  der  Echigo-olievelden  wordt  op 
650,000  k  700,000  kisten  geraffineerd  jaarlijks  geschat. 
Van  deze  hoeveelheid  wordt  vermoed ,  dat  80  pCt.  wordt 
geconsumeerd  in  Echigo  en  de  omliggende  provinciën, 
en  dit  alleen  zal  dus  die  nijverheid  wel  gaande  houden. 
Voor  export  naar  de  meer  bevolkte  zuidelijke  en  oostelijke 
provinciën  is  de  ligging  van  deze  ten  opzichte  der  petro- 
leumbronnen  zeer  ongunstig. 

Niigata  is,  zooals  reeds  vermeld,  de  eenige  versche- 
pingsplaats  van  petroleum  en  is  ongeveer  60  mijlen  van 
de  bronnen  gelegen.  Er  is  aldaar,  om  zoo  te  zeggen, 
geen  haven,  en  tengevolge  van  het  ondiepe  water  langs 
de  kust  moeten  schepen  van  eenigen  tonneninhoud  eenige 
mijlen  ver  in  zee  liggen  te  laden  en  zoodra  er  eene  zuid- 
westen ,  westen-  of  noordwesten-bries  opkomt ,  het  anker 
lichten  en  beschutting  zoeken  onder  het  eiland  Sado, 
35  mijlen  verwijderd.  In  de  wintermaanden  is  er  van  het 
laden  van  schepen  te  Niigata  geen  sprake. 


°)  Een  yen  is   ongeveer  f  1.24  en  een  koku  50  Amerikaansche 
gallons. 


239 

De  productie  van  Echigo-petroleum  dus  stellende  op 
650,000  k  700,000  kisten ,  blijkt  daaruit,  dat  dit  slechts  | 
gedeelte  is  van  den  geheelen  invoer  van  vreemde  petroleum 
in  Japan,  welke  in  1896  bedroeg  5,462,000  kisten  en  in  1897 
wel   een   totaal  van  6,000,000  kisten  zal  hebben  bereikt. 

Ofschoon  de  productie  in  Japan  dit  jaar  nog  wel  niet 
geringer  zal  zijn ,  ligt  dit  toch  mogelijkerwijze  wel  eeniger- 
mate  in  de  toekomst,  daar  de  lagere  prijs,  dien  deze  oliesoort 
verkrijgt,  wel  niet  langer  het  exploiteeren  der  armere 
bronnen  zal  veroorloven. 

De  positie  van  de  Japansche  petroleum  zou  eene  ver- 
andering ten  opzichte  van  het  vreemde  artikel  dan  slechts 
ondergaan ,  indien  rijkere  en  meer  winstgevende  bronnen 
gevonden  werden,  maar  oogenblikkelijk  zijn  de  vooruitzich- 
ten nietgunstig ,  want  ofschoon  er  voortdurend  nieuwe 
onderzoekingen  en  boringen  in  verschillende  streken  plaats 
hebben,  blijkt  het  nog  nergens  bijzonder  gunstig  te  zijn 
geweest. 

Nog  op  te  merken  valt,  dat  de  Echigo-olie  zóo  varieert , 
zelfs  geraffineerd,  dat  de  Niigata-Petroleumbeurs  heeft 
meenen  te  moeten  vaststellen  een  zekeren  standaard  van 
„tests",  zoodat  alleen  olie,  aan  die  eischen  voldoende, 
nu  op  die  beurs  mag  verhandeld  worden.  Deze  maatregel 
zal  een  heele  slag  blijken  te  zijn  voor  de  kleine  raffi- 
nadcurs. 

De  grootere  maatschappijen,  die  zich  met  de  petroleum- 
industrie  in  Japan  bezig  houden,  zijn  de  volgende: 

Nippon  Petroleum  Co.  te  Amasemachi,  Mishima-gun. 
Kapitaal  yen  600,000,  hiervan  gestort  y.  240,000,  reserve 
y.  74.277.  Directeur  K.  Naito. 

Hokuyehe  Petroleum  Co.  te  Kusowdsu-machi,  Koshigun. 
Kapitaal  y.  600,000,  waarvan  gestort  y.  150,000.  Geene 
reserve.  Directeuren  J.  Mumcura,  K.  Okura  enj.  Asano. 
Adres  te  Tokio:  Tsukiji,  Nichome. 

Zo-o  Petroleum  Co.  te  Nakajima,  Nagaoka-machi , 
Koshi-gun.  Kapitaal  y.  350,000,  waarvan  gestort  y.  157,500, 


240 

reserve  y.  1,458.  Directeuren  M.  Morioka,  I.  Iwata  en 
G.  Ikuta. 

Ohira  Petroleum  Co.  te  Shin-machi,  Koshi-gun.  Kapi- 
taal y.  300,000,  waarvan  gestort  y.  112,500,  reserve 
y.  8,708.  Directeuren  S.  Shimpo  en  Z.  Isuboi. 

Kashi  Hoden  Petroleum  Co.,  te  Omote  Niocho ,  Nagaoka- 
machi,  Koshi-gun.  Kapitaal  y.  102,000,  geheel  gestort, 
geene  reserve.  Directur  I.  Matsuda. 

Nadachidani  Petroleum  Co.,  te  Kaminadachi-mura,  Nishi- 
Kubiki-gun.  Kapitaal  y.  100,000,  waarvan  gestort  y.  76,000, 
reserve  y.  2,100.  Directeur  J.  Jakaguchi. 

Joyo  Petroleum  Co.,  te  Amase-machi,  Mishima-gun. 
Kapitaal  y.  500,000,  waarvan  gestort  y.  125,000,  geene 
reserve.  Directeuren  J.  Manaka  en  J.  Katow.  Kantoor  te 
Tokio:  Nakamachi,  Ichichlome,  Kanda. 

Nippon  Refined  Petroleum  Co.,  te  Nagoaka-machi,  Koshi- 
gun.  Kapitaal  y.  500,000,  gestort  y.  125,000,  geene  reserve. 
Directeuren  S.  Nagoa  en  J.  Kokura.  Kantoor  te  Tokio: 
Koami-cho  Nichome. 

Nippon  Mineral-Oil  Co.  te  Nütsu-maehi,  Nakakambara- 
gun.  Kapitaal  y.  300,000,  waarvan  gestort  y.  150,000, 
reserve  y.  4190.  Directeur  U.  Hirotsuka.  Kantoor  te  Osaka : 
Nishinarigori,  Namba-mura. 

Osaka  Petroleum  Co.,  te  Amase-machi,  Mishima-gun. 
Kapitaal  y.  100,000,  gestort  y.  58,875,  reserve  y.  1000. 
Directeur  K.  Miyadsu.  Kantoor  te  Osaka:  Koraibashi, 
Shichome. 

In  het  geheel  bedroeg  dus  het  kapitaal ,  in  de  grootere 
Japansche  petroleum-maatschappijen  gestoken,  y.  3,452,000, 
waarvan  gestort  y.  1,226,875  en  eene  reserve  bezittende 
van  y.  91,733. 

Wat  de  aanvoeren  van  Sumatra-petroleum  in  Japan 
betreft,  valt  het  volgende  te  vermelden. 

De  import  te  Yokohama  van  1  Jan.— 15  Dec.  1897  be- 
droeg 49,082  kisten,  alles  ingevoerd  in  het  laatste  kwar- 
taal. In  Kobe  was  de  invoer  veel  belangrijker  en  bedroeg 


241 

deze  van  1  Jan.— 15  Dec.  1897  163,030  kisten,  als  volgt 
over  de  verschillende  maanden  verdeeld: 


1  Maart  1897,  per  Kongsee  .    . 

24,698  kisten. 

11  Mei  1897,  per  Zweena  .    .     . 

00,T^rO          y. 

22  Juni  1897,     „         „         ... 

34,710       „ 

26  September  1897,  per  Nord     . 

34,774      „ 

17  November  1897,  per  Picciola  . 

32,405       „ 

Totaal    . 

163,030  kisten. 

Vóór  het  einde  van  1897  werden  bovendien  te  Kobe 
nog  35,000  kisten  verwacht. 

De  voorraad  te  Yokohama  voorhanden  is  zoo  goed  als 
nihil,  terwijl  die  op  15  December  te  Kobe  ca.  3000 
kisten  bedroeg.  Het  jaar  1897  begon  in  laatstgenoemde 
plaats  met  een  voorraad  van  22,021  kisten,  zoodat  in 
het  geheel  in  Kobe  van  1  Jan.— 15  Dec.  1897  182,314 
kisten  zijn  afgeleverd  geworden. 

De  importeurs  van  Sumatra-petroleum  zijn  over  den 
loop  van  zaken  zeer  tevreden  en  verklaarden  aan  dit 
consulaat ,  in  staat  te  zijn  veel  meer  te  kunnen  afleveren, 
indien  slechts  voortdurend  hierheen  verscheept  werd.  Zoo 
werd  te  Kobe  den  16den  December  de  laatste  voorhan- 
den zijnde  hoeveelheid  petroleum  door  hen  afgeleverd, 
zoodat  men  feitelijk  tot  aan  24  d.  o.  v.,  den  dag  waarop 
de  lading  van  35,000  kisten  verwacht  werd ,  zonder  olie  zat. 

Aan  de  plaatsen  van  productie  wordt  al  het  mogelijke 
gedaan  om  de  productie  op  te  voeren,  maar  de  enorme 
afzet,  dien  men,  sedert  de  indienststelling  der  tank-in- 
richtingen  te  Hongkong  en  te  Shanghai,  in  China  heeft 
gevonden,  maakt  het  oogenblikkelijk  onmogelijk  aan 
alle  vraag  te  voldoen.  Als  voorbeeld  daarvoor  kan  die- 
nen ,  dat  alleen  in  de  maand  October  door  de  tank-  inrich- 
tingen te  Hongkong  173,000  kisten  afgeleverd  werden. 
Binnen  niet  al  te  langen  tijd  denkt  men  ook  aan  de 
werkzaamheden  tot  het  oprichten  der  nieuwe  tank-eta- 
blissementen  te  Kobe  te  beginnen. 


242 


Hieronder  volgt  een  overzicht  der  prijzen  van  Sumatra- 
petroleum  zooals  die  in  1897  geweest  zijn,  vergeleken 
met  de  marktprijzen  van  andere  hier  te  lande  ingevoerd 
wordende  petroleumsoorten : 

Russische 
tankolie. 


Sumatra.  Atlantic.  Chester. 


Prijs  van 

Per 

kist  van 

2  blikkc 

;n. 

1897                Yen. 

Yen. 

Yen. 

Yen. 

Januari 2,021 

2,25 

2,17 

2,04 

Februari   .    . 

•       1,971 

2,18 

2,08 

2,001 

Maart  .    .    . 

1,90/91 

2,17 

2,02 

1,95 

April    .    . 

1,88 

2,16 

2- 

1,921 

Mei  .    .    . 

1,88 

2,16 

2,03 

1,90 

Juni .    .    . 

1,88 

2.16 

2- 

1,90 

Juli .     .     . 

1,88 

2,13 

2,03 

1,95 

Augustus  .     . 

1,88 

2,23 

2,05 

1,96 

September 

.       1,91 

2,40 

2,15 

1,95 

October    .    . 

1,90 

2,22     . 

2,071 

1,90 

November.    . 

1,89 

2,11 

2,- 

1,90 

December .    . 

1,90 

2,10 

1,98 

1,93 

Uit  al  het  voorafgaande  blijkt  wel,  dat  de  Nederlandsch- 
Indische  petroleum  hier  flink  vasten  voet  heeft  verkregen, 
dat  ook  voor  andere  petroleumondernemingen ,  die  in  onze 
koloniën  zullen  ontgonnen  worden,  bij  concurreerende 
prijzen  een  groot  veld  van  afzet,  ook  hier  in  Japan  nog 
open  is,  en  dat  de  berichten  over  de  in  dit  land  ont- 
gonnen wordende  bronnen,  om  een  of  andere  reden, 
grootelijks  overdreven  worden  voorgesteld. 


Eene  onverdiende  beschuldiging. 


Van  zeer  bevoegde  en  hooggeachte  zijde  maakt  men 
mij  opmerkzaam ,  dat  wat  de  generaal  Van  Swieten  in  het 
gedeelte  van  zijn  door  mij  medegedeelden  brief,  dd.  5  Maart 
1884  *) ,  van  wijlen  den  generaal  Meijer  zegt ,  eene 
geheel  onverdiende  beschuldiging  is. 
Want  uit  niets  blijkt  dat  M.  zou  hebben  beweerd,  dat 
generaal  Van  Swieten's  proclamatie  van 
12  Februari  187  4,  Nederland  de  verplich- 
ting oplegde  om  de  verovering  van  Atjeh 
tot  aan  de  uiterste  grenzen  voort  te  zetten. 

Was  de  generaal  Meijer  een  voorstander  van  agressie 
geweest,  dan  zou  hij  zeker  niet  het  bekende  request, 
tijdens  het  ministerschap  van  den  heer  Keuchenius ,  mede 
onderteekend  hebben. 

Ik  haast  mij  het  bovenstaande  ten  volle  te  beamen,  er 
bijvoegende,  dat  ook  uit  de  nagelaten  papieren  van  den 
generaal  Meijer  duidelijk  is  gebleken ,  dat  hij  geen 
voorstander  der  agressie  was. 

Breda,  L.  W.  A.  KESSLER, 

25  Februari  1898.  Gep.  Majoor  O.-I,  Leger. 


*)  Aan  wijlen  den  majoor  van  het  O.-I.  Leger  H.  A.  A.  Niclou. 
Zie  het  artikel  „ProtevSt"  in  de  Februari-aflevering  van  dit 
tijdschrift. 


17 


De  pest  in  Britsch-Indië. 


De  toestand  te  Bombay  verbetert  niet.  Het  aantal  sterf- 
gevallen in  de  week ,  eindigende  10  Februari  11.,  bedroeg 
2067 ,  wat  gelijk  staat  met  een  sterftecijfer  van  120.21  per 
1000  inwoners.  Aan  pest  alleen  stierven  dagelijks  omstreeks 
200  personen. 

Te  Poona  is  de  sterfte  aan  pest  in  de  laatste  weken 
verminderd  van  80  tot  15  per  dag.  Grootendeels  is  dit 
aan  de  houding  der  inwoners  te  danken.  In  't  begin  heb- 
ben zij  zich  hevig  verzet  tegen  de  maatregelen,  die  de 
overheid  nam,  maar  nu  is  hun  stemming  zoodanig  ver- 
anderd, dat  onlangs  den  geneeskundigen,  die  met  het 
werk  belast  zijn,  een  eerbiedig  adres  van  hulde  en  dank , 
alsmede  geschenken  werden  aangeboden. 

Minder  goede  berichten  komen  uit  den  Punjab.  In  de 
districten  van  Jalandhar  en  Hoshiapore  breidt  de  pest 
zich  onrustbarend  uit.  Echter  liggen  deze  districten  in  de 
onmiddellijke  nabijheid  van  de  bergprovinciën  Kumaon 
en  Gurwhal ,  waar  de  pest  reeds  vele  jaren  lang  voort- 
durend voorkomt,  zoodat  dit  geen  nieuw  verschijnsel  is. 

Ook  in  het  Nizam-district  van  Hyderabod  is  de  ziekte 
verschenen ,  iets  wat  onvermijdelijk  was ,  daar  dit  district 
aan  het  presidentschap  Bombay  grenst.  Dat  enkele  geval- 
len over  de  grens  zouden  worden  gebracht  kon  men  dus 
verwachten.  Tot  dusver  blijft  het  aantal  zieken  echter 
beperkt. 

Een  correspondent  van  het  British  Medical  Journal  deelt 


245 

het  volgende  mede  omtrent  het  werk  der  pest-commissie 
te  Bombay. 

Zeer  uitvoerig  is  de  arbeid  geregeld  en  verdeeld.  De 
stad  is  in  wijken  ingedeeld,  die  elk  haar  kantoor  hebben , 
waar  een  Europeesch  geneesheer ,  die  een  of  meer  andere 
geneeskundigen,  meestal  inlandsche,  onder  zich  heeft, 
gezag  voert.  Een  wacht  van  twintig  tot  dertig  Sepoy- 
soldaten  moet  dezen  post  zoo  noodig  beschermen. 

De  taak  dezer  geneeskundigen  bestaat  in  het  opsporen 
van  gevallen  van  pest  en  het  verwijzen  van  de  zieken 
naar  het  hospitaal.  Zij  moeten  de  personen ,  die  met  pest- 
lijders in  aanraking  kwamen,  in  observation  camps  in 
afzondering  brengen  en  hunne  woningen  ontsmetten.  Zij 
hebben  bevoegdheid,  de  ongezondste  woningen  te  doen 
ontruimen  of  afbreken. 

De  inlanders  zijn  zóo  bevreesd,  naar  het  hospitaal  of 
het  kamp  te  worden  gezonden,  dat  zij  al  het  mogelijke 
bedenken,  om  hun  zieken  en  dooden  te  verbergen.  De 
grootste  moeite  hebben  dientengevolge  de  geneesheeren , 
om  gevallen  van  pest  te  ontdekken.  Een  goed  ingerichte 
spionnendienst  is  gebleken  daarvoor  noodzakelijk  te  zijn. 
Men  betaalt  een  ropij  voor  ieder  geval  van  pest  dat  aan- 
gegeven wordt  door  lieden  die  in  de  verschillende  distric- 
ten bekend  zijn  en  daar  altijd  het  eerst  de  nieuwtjes 
hooren.  Men  maakt  gebruik  van  de  opgaven  der  zieken- 
huizen en  kerkhoven  van  gevallen,  die  niet  dadelijk  ont- 
dekt waren,  om  andere  op  te  sporen.  Geregeld  worden 
ook  de  woningen  nagegaan,  maar  dit  levert  weinig  op, 
daar  de  inlanders  eene  buitengewone  behendigheid  hebben 
verkregen  in  het  misleiden  der  bezoekers.  Huizen ,  waar 
gevallen  zijn  voorgekomen,  worden  herhaaldelijk  onder- 
zocht, en  dagelijks  gaan  in  verschillende  deelen  der  stad 
groote  troepen  uit  om  een  geheel  blok  woningen  te  gelijk 
te  onderzoeken.  Soldaten  waken  daarbij  tegen  overlast. 

Ondanks  al  deze  maatregelen  wordt  nauwelijks  de 
helft  van  alle  gevallen  van  pest  ontdekt,  vóór  de  lijders 


248 

één.  Te  Lanouli  herstelden  12  van  de  16  behandelde  lijders. 
De  correspondent  erkent  „dat  deze  getallen  te  klein  zijn 
om  er  eenige  gevolgtrekkingen  uit  te  maken." 

Het  serum  van  dr.  Yersin  is,  gelijk  men  weet,  geble- 
ken zonder  baat  te  zijn. 

Dr.  Haffkine  had  sinds  eenigen  tijd  opgehouden,  een 
genezend  serum  te  zoeken.  Hoewel  The  Lancet  verklaart 
dat  de  nu  door  hem  bereide  voorbehoed-entstof  haar  doel- 
treffendheid bewezen  heeft,  geeft  het  blad  toch  toe,  dat 
het  gemeentebestuur  tegenover  de  kleine  hoeveelheid 
gegevens,  die  het  alsnog  bezit,  een  stap  in  't  duister 
heeft  gedaan,  toen  het  de  inentingen  aanmoedigde.  Het 
is  niet  te  ontkennen,  dat  de  correspondent  van  dit  blad 
hier  zichzelf  eenigszins  tegenspreekt.  Het  British  Medical 
Journal ',  welks  berichten  een  maand  jonger  zijn ,  schrijft 
over  deze  zaak  als  volgt: 

„Het  meest  ontmoedigende  nieuws  met  betrekking  tot 
de  pest  is,  dat  Half  kine's  entstof  niet  langer  als  pro- 
phylactisch  (voorbehoedmiddel)  wordt  beschouwd.  De 
bladen  berichten  dat  hij  openlijk  verklaard  heeft ,  dat  zijn 
serum  niet  de  gehoopte  uitwerking  heeft.  Dit  is  de  eerste 
maal  dat  wij  dit  vernemen,  daar  dr.  Haffkine  tot  kort 
geleden  steeds  het  welslagen  zijner  methode  verkondigd 
heeft.  Maar  dr.  Khaja  Abdulla  heeft  onlangs  de  ervaring 
gehad,  dat  zes  ingeente  personen  aan  de  pest  overleden." 

Het  Medical  Journal  acht  die  omstandigheid  geen  reden 
voor  dr.  Haffkine  om  met  het  bereiden  zijner  entstof  op 
te  houden,  zooals  hij  schijnt  te  willen  doen. 

Geneeskundigen  en  leeken  houden  zich  op  het  oogen- 
blik  met  het  vraagstuk  der  inenting  bezig.  Volgens  het 
Med.  Journal  komt  die  quaestie  neer,  niet  op  de  vraag  of 
het  serum  beschermt,  maar  hoe  lang  het  beschermt?  Het 
schijnt  thans  duidelijk  te  zijn,  dat  het  zwakkere  serum 
niet  langer  dan  enkele  maanden  vrijwaart,  zoodat  rcvac- 
cinatie  iedere  drie  maanden  noodzakelijk  is. 


r 


Koloniale  Litteratuur. 


Van  den  heer  dr.  W.  B.  J.  van  Eyk,  inspecteur  van 
het  middelbaar  onderwijs ,  ontvingen  wij  een  belangrijk 
geschrift  over :  De  opleiding  der  technische  ambtenaren  bij 
het  boschwezen  in  Neerlandsch-IndÜ  (1865—1897). 

De  schrijver  heeft  hier  te  boek  gesteld  al  wat  betrek- 
king heeft  op  de  wordingsgeschiedenis  van  den  voorbe- 
reidenden  cursus  ter  opleiding  van  technische  ambtenaren 
bij  het  boschwezen  in  N.-L,  welke  gedurende  1891 — 97 
een  niet  onbelangrijk  deel  van  de  Rijkslandbouwschool 
te  Wageningen  heeft  uitgemaakt.  Aan  den  toekomstigen 
kroniekschrijver  heeft  dr.  Van  Eyk  daarmede  een  uitste- 
kenden dienst  bewezen.  De  „Mededeelingen",  in  1891  van 
wege  het  Ministerie  van  Koloniën  uitgegeven ,  verschaffen 
in  dit  opzicht  slechts  weinig  stof.  Zij  dienen  trouwens 
uitsluitend  om  belanghebbenden  in  te  lichten  omtrent  de 
nieuwe  regeling  van  de  opleiding  der  hier  bedoelde  amb- 
tenaren. Als  zoodanig  beantwoord  dat  boekje  volkomen 
aan  zijn  doel,  doch  het  ontstaan  van  den  cursus  en  het- 
geen er  aan  voorafging  verhaalt  het  niet.  Dank  zij  der 
welwillendheid  van  den  betrokken  Minister,  was  het 
dr.  Van  Eyk  vergund  voor  de  samenstelling  van  zijn 
historisch  overzicht  gebruik  te  maken  van  bescheiden, 
die  een  helder  licht  werpen  op  de  bedoelingen  en  het 
streven  der  Regeering  in  deze. 

Doch  zijne  taak  heeft  zich  niet  bepaald  tot  een  terug- 


250 

blik  zonder  méér,  —  hij  heeft  ook  het  oog  gericht  op 
de  naaste  toekomst ,  op  de  regeling  die  eerst  in  September 
1898  haar  beslag  krijgt. 

Bij  de  reorganisatie  van  de  Rijkslandbouwschool ,  met 
den  cursus  1896 — 97  in  werking  getreden ,  behoorde,  naar 
men  weet,  de  oprichting  van  de  „hoogere  land- en  bosch- 
bouwschool",  gesplitst  in  twee  atdeelingen:  éene  voor 
den  Nederlandschen  en  éene  voor  den  Indischen  land- en 
boschbouw.  Bij  deze  laatste  zal  zich  voortaan  aansluiten 
een  cursus  ter  opleiding  van  technische  ambtenaren  bij 
het  boschwezen  in  Ned.-Indië.  Aangezien  nu  de  Indische 
afdeeling  een  tweejarig  tijdvak  omvat  en  in  September 
1896  werd  geopend,  kan  eerst  met  het  einde  van  het 
schooljaar  1897 — 1898  aan  hen,  die  haar  hebben  ten  einde 
gebracht,  gelegenheid  gegeven  worden,  aan  dien  in  uit- 
zicht gestelden  boschbouwcursus  deel  te  nemen.  Deze 
gelegenheid  zal  slechts  voor  hen  bestaan,  die  na  een 
vergelijkend  examen  als  rijksalumni  in  opleiding  worden 
genomen.  Uit  den  aard  der  zaak  is  dit  getal  uiterst  be- 
perkt. Het  kan  óók  gebeuren,  dat  er  geene  enkele  plaats 
te  vervullen  valt.  Doch  hoe  dit  ook  zij,  daar  die  cursus 
eerst  in  September  1898  behoeft  geopend  te  worden,  is 
nog  niet  bepaald,  over  welke  vakken  het  onderwijs  loopen 
en  hoe  de  leerstof  verdeeld  worden  zal.  Een  en  ander 
moet  nog  worden  geregeld. 

Met  de  uitkomsten  van  de  regeling,  in  1891  tot  stand 
gebracht,  is  dr.  Van  Eyk  zeer  ingenomen.  Hij  laat  er 
zich  in  bijkans  geestdriftige  bewoordingen  over  uit: 

„Kort  is  de  levensduur  geweest,  welke  voor  dit  op- 
leidingsstelsel weggelegd  was.  Ternauwernood  zes  jaren 
heeft  dit  gewerkt,  doch  steeds  vooruitgaande  in  bloei, 
toenemende  in  de  sympathie  van  leermeester  en  leerling, 
nog  méér  belovende  voor  de  toekomst.  De  aristocratie 
van  den  geest  was  dier  aan  het  woord  en  het  werk. 

Kort,  —  doch  niet  altijd  hebben  menschen  en  dingen, 
die  lang  leefden,  het  meeste  nut  gesticht.  Door  hen,  die 


251 

jong  stierven ,  werden  menigwerf  daden  verricht  en  zaden 
uitgestrooid,  waarvan  het  late  nageslacht  de  heilzame 
gevolgen  genieten  en  de  heerlijke  vruchten  plukken  mocht. 
Zoo  ook  hier.  Een  kort  bestaan  —  een  rijk  bestaan.  Slechts 
zes  jaren !  Maar  binnen  die  enge  grenzen  is  niet  te  ver- 
geefs gearbeid.  Over  dien  arbeid  werpen  de  feiten  hun 
helder  licht  Die  feiten  zijn,  behalve  de  verkregen  uit- 
komsten, dat  deze  boschbouwcursus ,  gedachtig  aan  de 
spreuk  van  Nisard:  „il  sied  même  au  progrès  de  res- 
pecter  ce  qu'il  remplace",  van  het  oude  heeft  overgenomen 
wat  in  beginsel  goed  was,  —  dat  hij  den  eersten  stoot 
heeft  gegeven  tot  eene  algeheele  hervorming  ook  buiten 
zijn  eigen  klein  gebied ,  en  dat  hij  duidelijk  en  aanschou- 
welijk in  't  licht  heeft  gesteld,  in  welke  richting  die 
hervorming  moest  geschieden. 

Zoo  is  hij  de  bron  en  oorzaak,  de  stuw- en  drijf  kracht 
geworden  tot  vooruitgang  ook  in  w  ij  d  e  r  kring.  Hij  heeft 
met  vaste  hand  naar  de  toekomst  gewezen  en  in  zijn  eigen 
voorbeeld  getoond,  dat  het  geen  waagstuk  meer  was, 
uitvoering  te  geven  aan  hetgeen  men  wilde,  wenschte, 
verlangde,  doch  sedert  lang  vruchteloos  gevraagd  had: 
de  Rijkslandbouwschool  meer  geschikt  te  maken  voor  de 
opleiding  van  toekomstige  beheerders  van  landelijke 
ondernemingen  in  Ned.-Indië.  Hij  heeft  dit  gedaan , 
met  onwraakbare  juistheid  en  met  onwrikbare  standvastig- 
heid ,  trots  twijfel  en  tegenspraak.  Zelf  is  hij  er  bij  onder- 
gegaan. Zijn  levensdraad  is  afgesneden,  terwijl  hij  zijne 
krachten  nog  pas  had  ontplooid  en  toen  hij  nog  lang  niet 
tot  volle  ontwikkeling  was  gekomen.  Maar  van  hem  is  de 
stoot  uitgegaan  tot  eene  herschepping  van  verouderde 
toestanden  om  hem  heen." 

In  eene  bijlage  geeft  de  schrijver  een  overzicht  der  uit- 
komsten ,  verkregen  tengevolge  van  het  kon.  besluit  van 
9  Januari  1891  n°.  10  {Indisch  Staatsblad  n°.  104). 

Het  geschrift  is  niet  in  den  handel. 


252 

De  heer  Kisak  Tamai  kwam  vier  jaar  geleden  uit  Japan, 
zijn  vaderland,  over  Siberië  en  Rusland  naar  Berlijn, 
waar  hij  zich  als  medewerker  aan  Duitsche  en  andere 
tijdschriften  weldra  eenigen  naam  maakte.  Spoedig  werd 
hij ,  bij  de  toenemende  belangstelling  van  Duitschland  in 
Oost-Azië,  voor  velen  eene  vraagbaak.  De  wederzijdsche 
handelsbetrekkingen  tusschen  Duitschland  en  Oost-Azië, 
die  voortdurend  zich  vermeerderen,  deden  bij  den  heer 
Kisak  Tamai  het  plan  ontstaan  een  maandschrift  uit  te 
geven ,  dat  eene  verbinding  zou  kunnen  zijn  tusschen  Oost- 
Azië  en  Europa.  Tot  nu  toe  moesten,  daar  het  lezen  van 
Japansche  en  Chineescbe  couranten  Europeërs  zelfs  na 
lange  studie  zeer  moeilijk  valt,  Duitsche  kooplieden  en 
industrieelen  zich  voornamelijk  met  Engelsche  couranten 
en  periodieken  tevreden  stellen. 

Het  eerste  nummer  van  dit  in  het  Duitsch  geschreven 
maandschrift :  Ost-Asiën  is  dezer  dagen  verschenen.  (Uitg. 
S.  Calvary  en  Co.,  Berlijn,  Zimmerstr.  11).  Het  is  een 
proefnummer  en  bevat  proeven  van  artikelen,  in  dier 
voege ,  dat  van  enkelen  alleen  den  opzet  wordt  gegeven. 

Men  vindt  er  o.  a  in  een  artikel  over  het  voordeel  van 
eene  directe  verbinding  tusschen  Japan  en  Duitschland; 
het  handel-  en  scheepvaartverdrag  tusschen  Duitschland 
en  Japan;  een  verzendingsbericht  over  Japan  en  eene 
novelle,  uit  het  Koreaansch  vertaald:  De  w onder  se  hoone 
zangeres  Rokwa. 


VARIA. 


De   goudmijnen   van   Noord-Celebes. 

In  het  Handelsblad van  16  Februari  j.1.  komt  onder  boven- 
staanden  titel  een  belangwekkend  geschiedkundig  over- 
zicht voor  van  de  opsporingen  van  goud  op  Noord- 
Celebes. 

Dat  er  goud  in  de  bergen  van  Noord-Celebes  aanwezig 
was  en  in  vele  rivieren  stofgoud  gewasschen  kon  worden , 
wisten  onze  voorouders  reeds,  en  zij  toonden  het,  door 
eene  belasting  in  stofgoud  te  heffen ,  die  tot  in  onzen  tijd 
voortduurde. 

Vele  bijzonderheden  over  het  voorkomen  en  het  winnen 
van  het  edel  metaal  vinden  we  echter  in  de  oude  ge- 
schriften niet. 

Zoo  spreekt  Padtbrugge  —  de  krachtige  gouverneur, 
wiens  naam  in  Noord-Celebes  bij  de  inlanders  nog  niet 
in  vergetelheid  is  geraakt  en  die  in  1677  eene  reis  van 
Kaidipan  naar  Limbotto  en  Gorontalo  maakte  —  in  zijn 
reisjournaal  wel  over  de  schatting  in  goud  en  slaven ,  die 
de  Gorontalers  beweerden  aan  de  Macassaren  en  Terna- 
tanen  te  moeten  opbrengen,  maar  verder  laat  hij  er  zich 
niet  over  uit. 

Later  krijgen  wij  echter  meer  nauwkeurige  berichten 
en  worden  ook  de  mijnen  met  name  genoemd. 


254 

Zoo  schrijft  G.  F.  Duhr,  die  in  1824  de  goudmijnen 
bezocht,  o.  a. :  „Hoewel  er  tusschen  die  beide  voormelde 
streken  —  Kotaboenan  en  Tomini  —  reeds  ontallig  vele 
goudmijnen  ontdekt  zijn ,  geloof  ik  echter  dat  er  nog  vele 
rijke  goudmijnen  zijn,  die  tot  hiertoe  nimmer  ontdekt  zijn 
geworden." 

A.  J.  Bik,  die  in  1845  eenige  aanteekeningen  over  de 
goudmijnen  van  Gorontalo  publiceert,  noemt  in  het  land- 
schap Pagoeat  de  mijnen  van  Batoedoelan ,  Taloedoejoen, 
Ongkahoeloe,  Molisipat  en  verder  langs  de  bocht  van 
Tomini  de  mijnen  van  Moeton  Toeladingke,  Tomini  en 
Anpibaboe. 

Van  de  overige  goudvindplaatsen  noemt  hij  den  berg 
Totok,  die  in  1843  500  realen  aan  het  gouvernement 
geleverd  zou  hebben,  de  Kotaboenan,  die  van  Gorontalo, 
Limbotto,  Kadipan,  Bintaoena,  Ardagile  en  Bwool. 

G.  A.  de  Lange ,  die  eenige  jaren  later  een  uitstapje 
naar  de  mijnen  van  Kotaboenan  maakte,  vermeldt  dat  hem 
in  het  Rijk  Mongondo  nog  de  mijnen  van  Dou ,  Tapabibing , 
Lama  en  Mintoe  genoemd  werden. 

Aan  de  mijnen  van  Totok  werkten  volgens  hem  van 
zestig  tot  honderd  man. 

In  1848  diende  P.  baron  Melvill  van  Carnbée  aan  den 
minister  van  Koloniën  een  request  in  voor  uitsluitend 
octrooi  voor  30  jaar  voor  exploitatie  van  de  goudmijnen 
in  de  residentie  Menado. 

De  Minister  verklaarde  in  zijn  antwoord  dd.  19  Sep- 
tember 1848  „zich  gunstig  gestemd  met  betrekking  tot 
de  door  hem  beoogde  onderneming,"  maar  wilde  eerst 
het  advies  van  den  Gouverneur-Generaal  inwinnen. 

Hoe  dat  luidde  weten  wij  niet ,  doch  tot  exploitatie  der 
mijnen  heeft  het  blijkbaar  niet  geleid. 

J.  G.  F.  Riedel,  die  in  1857  eene  reis  door  Bolang 
Mongondo  maakte ,  noemt  de  mijnen  van  Dolangon ,  Mintoe 
en  Kotaboenan. 

Von  Rozenberg,  in  1863  de  afdeeling  Gorontalo  door- 


255 

trekkende  en  ook  te  Soemalata  zijnde  om  de  goudmijnen 
aldaar  te  zien,  noemt  26  mijnputten,  bij  die  plaats  ge- 
graven. 

Zoo  blijkt  uit  deze  verhandelingen ,  dat  men  zich  meer 
en  meer  rekenschap  ging  geven  van  het  bestaan  der  goud- 
mijnen ,  en  ongetwijfeld  is  het  jammer ,  dat  Melvill's  request 
niet  geleid  heeft  tot  het  instellen  van  een  deugdelijk 
onderzoek. 

In  latere  jaren  blijft  het  onderwerp  in  de  literatuur  en 
in  den  ondernemingsgeest  rusten  —  misschien  eensdeels 
het  gevolg  van  den  Atjeh-oorlog ,  die  allen  residenten 
der  buitenbezittingen  de  verplichting  oplegde  om  vóór 
alles  de  rust  te  bewaren  en  niets  nieuws  aan  te  vangen. 

Met  het  contract  dat  dr.  Siber ,  namens  de  firma  Land- 
berg  &  Zoon  te  Batavia,  sloot  met  het  Rijksbestuur  van 
Bwool,  in  1891,  waarvan  de  goedkeuring  door  onze 
Regeering  in  Aug.  1891  werd  geweigerd ,  doch  in  October 
1892  werd  verleend,  begint  een  nieuw,  actief  tijdperk, 
waarin  de  oprichting  der  Ned.-Ind.  Mijnbouw  Mpij.,  den 
14  Jan.  1893,  het  eerste  feit  is. 

De  aandacht  van  het  Nederlandsche  kapitaal  is ,  zooals 
bekend  is,  sedert  dien  op  buitengewone  wijze  in  beslag 
genomen  door  de  oprichting  van  goud-  exploratie-,  respectie- 
velijk exploitatie-maatschappijen  op  Noord-Celebes. 

In  N°.  8  van  dezen  jaargang  geeft  het  weekblad 
Insulinde  de  volgende  aanvulling  van  bovenstaand  histo- 
risch overzicht: 

Dr.  J.  G.  F.  Riedel  deelde  in  zijn  Geografische ,  statis- 
tische, historische  en  ethnografische  beschrijving  van  de 
landschappen  Gorontalo,  Lembotto,  Bone,  Baolimo  en  At- 
tinggola ,  in  1870  gepubliceerd  in  het  Tijdschrift  van  Land-, 
Taal-  en  Volkenkunde  van  N.-L ,  deel  XIX,  zesde  serie, 
deel  I,  pag.  46  en  v.,  in  1866  reeds  mede: 

„  De  minerale  rijkdom  der  Gorontalosche  landschappen 
is  nog  hoogst  gebrekkig  bekend.  Schier  over  de  gansche 
uitgestrektheid  wordt  ijzer  en  goud  verspreid  aangetroffen. 


256 

De  landschappen  ten  westen  gelegen  bevatten  tevens  veel 
koper  en  bismuth." 

Verder : 

„In  eenige  mijnen  ten  noordoosten  van  het  meer  van 
Limbotto  en  ten  westen  van  het  Kabila-gebergte  komt  het 
goud  in  kwartsgangen  langs  den  oever  van  de  rivier 
Lonoeo  stuksgewijze  nu  en  dan  ter  grootte  van  een  dui- 
venei  voor.  Op  de  vlakte  van  Molomboelahe  en  in  het 
Nagoeatsche  verkrijgt  men  het  stofgoud  in  den  vorm  van 
korrels  en  schilfers  in  rivierbeddingen  en  in  de  voor  het 
doel  gemaakte  mijnen  en  putten  vermengd  met  zand ,  ter- 
wijl in  het  Soemalatasche  het  goud  hoofdzakelijk  in  een 
ertssoort,  bestaande  uit  gangaard  en  zwavelijzer  kristallen 
en  nesten  van  kwarts ,  wordt  gevonden.  Deze  ertssoort 
wordt  tusschen  twee  steenen  gestampt  en  vervolgens  be- 
handeld als  de  goudhoudende  zandgronden  der  Nagoeat- 
sche groeven." 

En  elders: 

„Het  resultaat  van  een  oppervlakkig  ingesteld  onder- 
zoek betreffende  de  geologische  gesteldheid  der  Goron- 
talosche  landschappen,  in  verband  met  de mededeelingen 
der  inlanders ,  welke  van  de  goudgronden  kennis  hebben , 
geeft  in  alle  opzichten  de  overtuiging,  dat  de  hoeveel- 
heid goud  welke  thans  in  den  schoot  der  aarde  bedolven 
ligt  en  slechts  op  den  nij veren,  met  wetenschappelijke 
kennis  toegerusten  arbeider  wacht,  aanzienlijk  is." 

Vreemd  voorzeker ,  merkt  Insulinde  op,  dat  deze  mede- 
deeling  langer  dan  een  kwart  eeuw  gebleven  is :  de  stem 
eens  roependen  in  de  woestijn! 

In  No.  10  van  Insulinde  teekent  mr.  A.  J.  E.  A.  Bik 
te  's  Gravenhage  hierbij  nog  aan ,  dat  prof.  Reinwardt  in 
zijn  „Reis  naar  het  Oostelijk  gedeelte  van  denlndischen 
Archipel  in  het  jaar  1821",  de  goudmijnen  van  Pagowat 
en  van  Kotaboena  beschrijft,  en  deze  reeds  verklaarde 
—  zie  t.  a.  p.  bladzijde  533  —  dat  „  eene  zoo  groote  ver- 


257 


„  scheidenheid  van  goud  uit  nagenoeg  hetzelfde  gebergte  en 
„  van  nabij  gelegen  gewesten  alleszins  opmerking  verdient/' 

Aanteekening  verdient  ook,  dat  Francis,  in  zijn  „  Levens- 
loop van  een  Indisch  Ambtenaar",  deel  3,  bladzijde  337 
(1856),  83  goudmijnen  in  de  residentie  Menado  vermeldt. 

Ook  Reinwardt's  stem  is  dus  langen  tijd  gebleven  die 
eens  roependen  in  de  woestijn ! 

„Ik  heb  voor  mij  liggen",  schrijft  de  heer  Bik,  „een 
prospectus,  gedateerd  9sGravenhage  1  Maart  1866,  betref- 
fende de  oprichting  van  een  „Maatschappij  tot  ontginning 
van  petroleumbronnen  in  Ned.-Indië",  welk  prospectus, 
dat  zoetjes  aan  een  zekere  historische  beteekenis  verkrijgt, 
behalve  door  mijn  grootvader  A.  J.  Bik ,  onderteekend 
was  door  de  heeren  dr.  W.  R.  van  Hoövell,  dr.  P.  Bleeker, 
J.  Millard,  Arnold  en  Zoonen,  D.  van  Aalst  en  S.  C.  J. 
van  Aalst. 

Het  bezadigd  gestelde  prospectus ,  dat  tot  strekking 
had  de  exploratie  van  petroleumhoudende  terreinen,  had 
zijn  ontstaan  te  danken  aan  het  kort  te  voren  verschenen 
Koninklijk  besluit  van  26  Januari  1866  (Stil.  no.  4),  sedert 
vervallen ,  zie  besluit  van  2  September  1873  (StbL  no.  126) , 
welk  besluit  inhield  „  bepalingen  ter  bevordering  der  ont- 
„  ginning  op  Java  en  Madura  van  bronnen ,  welke  aardolie , 
„petroleum  enz.  opleveren/' 

In  dat  prospectus  leest  men  o.  a. : 

„  De  petroleum  vervult  in  de  hedendaagsche  maatschappe- 
„  lijke  ontwikkeling  een  belangrijke  rol,  zoodat  de  onder- 
„geteekenden  het  plan  hebben  ontworpen  om  ook  op  Java 
„  dit  onschatbaar  product  aan  den  bodem  te  ontwoekeren. 
„Het   Koninklijk    besluit  van  26  Januari  11.  (1866)  biedt 

„  daartoe  de  gelegenheid  aan Verschillende  opgaven 

„bij  de  Regeering  ingekomen,  leeren ,  dat  er  inden 
„Indischen  Archipel  belangrijke  hoeveelheden  aardolie 
„  door  de  natuur  worden  aan  den  dag  gebragt." 

Volgt  een  berekening  van  kosten,  en  daarna:  „Uit het 
n  midden  der  oprigters  worden  gekozen  twee  directeuren 


258 

„  en  vijf  commissarissen  De  Directeuren  genieten ,  zoolang 
rgeene  winsten  worden  verkregen,  als  honorarium,  ge- 
zamenlijk niet  meer  dan  ƒ  1200.—  'sjaars  De  Commis- 
sarissen erlangen  geen  vast  honorarium." 

En  nu  de  roepstem :  „  De  oprigters  hebben  het  voorne- 
men om  zoodra  er  voor  een  kapitaal  van/ 100.000.—  zal 
„zijn  deelgenomen,  de  noodige  vergunning  aandeRegee- 
„ring  te  verzoeken  om  een  boring  aan  te  vangen.19 

Voor  zoover  mij  bekend ,  zijn  die  ƒ  100.000. —  niet 
bijeengebracht,  en  de  roepstem  der  oprichters  is  gebleven, 
die ,  van  roependen  in  de  woestijn  ! " 


Kunstmatig   bereide   indigo. 

De  tropische  planters  en  de  Engelsche  en  Nederland- 
sche  tusschenhandelaars  werden  in  1880  minder  aange- 
naam verrast  door  de  tijding,  dat  het  aan  een  Duitsch 
scheikundige ,  Baeyer ,  van  Munchen ,  zou  gelukt  zijn  langs 
kunstmatigen  weg  indigo  te  bereiden.  Het  alarm  kwam 
echter  spoedig  tot  bedaren.  Wel  werd  het  bericht  be- 
vestigd, maar  Baeyer's  bereiding  van  indigo  uit  kaneel- 
zuur,  ofschoon  deze  materie  in  willekeurige  hoeveelheden 
uit  teerproducten  gewonnen  kan  worden ,  bleek  toch  voor 
de  industrie  voorshands  zonder  beteekenis,  daar  het  pro- 
duct, vooral  wegens  de  groote  hoeveelheden  onbruikbare 
nevenproducten ,  te  hoog  in  prijs  was  om  met  de  natuur- 
lijke indigo  op  de  markt  te  kunnen  concurreeren.  Thans 
deelt  prof.  dr.  Otto  N.  Witt  in  de  Chem.  Industrie  no.  20 
en  in  Protnetheus  nos.  420  en  421  mede,  dat  het  aan  de 
Badische  Aniline-  en  Sodafabriek,  tegenwoordig  wel  de 
voornaamste  van  alle  chemische  fabrieken,  gelukt  is 
zuivere,  langs  kunstmatigen  weg  bereide  indigo  in  den 
handel  te  brengen,  tot  een  prijs  die  kan  concurreeren 
met  dien  van  natuurlijke  indigo. 

In  het  Tijdschrift  van  de  Nederl.  Maatsch.  ter  bev.  van 


259 

Nijverheid  wordt  gewezen  op  de  ernstige  gevolgen,  die 
deze  uitvinding  in  oeconomisch  opzicht  kan  hebben.  Hoe 
groot  de  totaal-productie  der  tropen  aan  indigo  is,  laat 
zich  niet  zeer  gemakkelijk  bepalen ,  daar  groote  hoeveel- 
heden in  de  landen  van  productie  zelven  worden  ver- 
bruikt en  van  het  overige  een  deel  aan  de  consumptie 
wordt  afgeleverd  vóór  het  de  hoofdmarkten  van  Londen 
en  Amsterdam  bereikt.  Men  kan  zich  intusschen  weleen 
denkbeeld  vormen  van  den  omzet,  wetende  dat  alleen  in 
1894  900,600  KG.  indigo  en  in  1895  1,392,500  KG.  ver- 
bruikt werden.  Daar  voor  het  kilo  gemiddeld  10  Mk. 
wordt  betaald,  maakt  dit  voor  1894  een  bedrag  van  10^ , 
voor  1895  van  14f  millioen  Mk. 

„Hoe  ver  de  prijzen  van  de  plantage-indigo  voor  ver- 
mindering vatbaar  zijn,  laat  zich  nog  niet  beoordeelen, 
daar  de  producenten  natuurlijk  geen  reden  hadden  om  de 
prijzen  van  hun  veclbegeerd  product  te  verlagen,  zoo 
lang  eene  concurrentie  nog  slechts  dreigde.  De  verschijning 
op  de  markt  van  de  concurreerende  synthetische  indigo 
heeft  hen  nu  echter  voor  een  feit  geplaatst.  Het  slimste 
is  echter,  dat  het  hier  niet  slechts  een  strijd  om  de  prij- 
zen geldt,  want  nu  reeds  kan  met  zekerheid  gezegd 
worden,  dat  de  kunstmatige  indigo  niet  weder  van  de 
markt  verdwijnen  zal,  zelfs  in  het  geval  dat  de  prijs  op 
den  duur  toch  iets  hooger  dan  die  der  plantage-indigo 
mocht  blijken.  Deze  laatste  is  namelijk  geen  onvermengde 
chemische  zelfstandigheid.  Terwijl  bij  de  beste  Java-soor- 
ten  het  gehalte  aan  werkelijke  indigo  tot  80  pCt.  stijgt, 
schommelt  de  percentage  bij  de  producten  uit  de  overige 
tropen  van  30—60,  en  menige  soort  Manillo-indigo  haalt 
zelfs  geen  15  pCt.  Ook  de  geraffineerde  indigo  is  niet 
volmaakt  zuiver,  maar  bevat  nog  bijmengsels,  ofschoon 
in  geringe  hoeveelheid.  Deze  bijmengsels  zijn  echter  niet 
werkloos  bij  de  ververij ,  want  zelfs  wanneer  zij  chemisch 
van  indifferenten  aard  zijn  en  in  de  kuip  de  vezels  niet 
aantasten,   verontreinigen  zij  toch  door  hare  ophooping 

18 


260 

de  kuip.  Naast  die  indifferente  bijmengsels  bevat  de  plant- 
aardige indigo  echter  ook  kleurende  bestanddeelen  in 
wisselende  hoeveelheden,  en  deze  dragen  schuld,  dat 
verscheidene  soorten  indigo  kleuren  van  zeer  verschil- 
lende nuances  leveren.  Derhalve  is  de  verver  bij  het 
gebruik  van  plantaardige  indigo  aan  bepaalde  merken 
gebonden  en  moet  deze  bovendien  nog  sorteeren,  wat 
lang  geen  gemakkelijke  taak  is.  Daarbij  komt  dan  nog 
het  lastige  fijnmalen  van  de  plantage-indigo  vóór  het 
gebruik.  De  eigenaardig  taaie  natuur  van  de  indigo  maakt 
het  vermalen  dezer  stof  tot  een  moeielijken  en  langduri- 
gen  arbeid,  die  met  bijzondere  zorg  moet  verricht  worden. 

„Al  deze  bezwaren  verdwijnen  nu  als  met  tooverslag 
met  de  invoering  van  synthetische  indigo ,  die  als  een  zeer 
zuiver  preparaat  in  den  vorm  van  een  fijn  poeder  of  paat 
wordt  afgeleverd.  De  arbeid  van  het  malen  vervalt,  de 
nauwkeurige  bepaling  van  de  te  mengen  hoeveelheden 
wordt  zeer  vereenvoudigd,  de  analyse  bepaalt  zich  tot 
eene  eenvoudig  een  gemakkelijk  uitvoerbare  controle  en 
de  verkregen  kleuren  onderscheiden  zich  door  eene  groote 
gelijkmatigheid  en  vastheid  in  de  nuances. 

„Onder  die  gunstige  omstandigheden  kan  de  kunst- 
matig bereide  indigo  desnoods  iets  duurder  dan  de 
natuurlijke  blijven." 


Koffiecultuur    in   Transvaal. 

Het  Landbouwkundig  Genootschap  te  Pretoria  heeft 
informaties  ingewonnen  naar  den  omvang  der  -  koffie- 
cultuur in  de  Zuid-Afrikaansche  Republiek,  met  het  oog 
op  eene  bevordering  dier  cultuur  voor  consumtie  des  lands. 
De  invoer  per  jaar  bedroeg  in  1896  3,573,709  Eng.  ponden, 
ter  waarde  van  £  121,873,  terwijl  in  1897  werd  ingevoerd 
voor  eene  waarde  van  £  3,946,385.  Daar  verschillende  stre- 
ken van  Transvaal  uitnemend  voor  de  koffiecultuur  geschikt 


261 

zijn  gebleken,  meent  men  dat,  al  zou  de  Republiek  geen 
mededingster  op  de  wereldmarkt  worden,  het  toch  zeer 
goed  mogelijk  zou  zijn  in  eigen  behoefte  te  voorzien  door 
aanplant. 

Voor  dezen  aanplant  zouden  in  hoofdzaak  in  aanmer- 
king komen  streken  in  het  oostelijk  gedeelte  van  Trans- 
vaal. Men  verzekert,  dat  de  Liberia-koffieplant  de  ge- 
schiktste soort  zou  zijn  voor  den  grond,  daar  zij  weer- 
stand biedt  aan  roest  en  schimmel  en  een  sterken  groei 
heeft.  Op  verschillende  plaatsen  wordt  reeds  met  goeden 
uitslag  koffie  gekweekt. 

Een  uitvoerig  rapport  is  aan  den  Staatssecretaris,  dr. 
Leyds,  opgezonden 


Surinaamsche   koffie. 

In  Onze  West  wordt  medegedeeld ,  dat  het  sinds  eenigen 
tijd  op  placer  Jachtlust  den  heer  Swaigert  gelukt  is,  de 
Surinaamsche  koffie  op  Liberia-koffieboomen  te  oculeeren. 
Na  tal  van  mislukte  pogingen  heeft  hij  eindelijk  eene 
wijze  van  behandelen  gevonden,  waarbij  geene  oculatie 
meer  mislukt.  Twee  boomen  staan  reeds  in  bloesems  en 
met  vruchten.  Er  zal  nu  eene  proef  in  het  groot  worden 
genomen. 

De  uitvinding  is  voor  de  koffiecultuur  van  groot  belang, 
omdat  de  oogst  van  Surinaamsche  koffie  op  den  in  draag- 
kracht sterken  Liberiastam  overvloediger  zal  zijn. 


Onder   de   Ba  taks. 

In  het  Maandbericht  van  het  Neder landsch  Zendelinggenoot- 
scliap  voor  Maart  komt  het  eerste  stuk  voor  van  het  verslag , 
dat  Br.  A.  Kruyt  geeft  van  een  bezoek  aan  de  Deli  zending. 
Boeloeh  Hawar  is  daarvan  de  hoofdvestiging  Daar  wonen 


262 

de  zendeling  en  de  jongste  der  Minahassische  goeroes. 
Met  oordeel  is  deze  plaats  gekozen.  Het  is  een  groote 
kampong,  gelegen  aan  den  weg,  die  de  vlakte  met  de 
hoogvlakte  verbindt.  De  aanraking  is  dus  gemakkelijk, 
zoowel  met  de  Bataks,  die  boven  wonen,  als  met  die 
welke  zich  in  de  vlakte  hebben  neergezet.  Behalve  deze 
hoofdvestiging  heeft  men  nog  in  vier  kampongs  een 
goeroe  geplaatst. 

Op  den  weg  van  Petani  naar  Boeloe  Hawai  maakte 
Br.  Kruyt  met  de  eerste  Bataksche  kampong  kennis.  Die 
kampongs  zijn  meestal  klein  en  onaanzienlijk.  De  huizen 
hebben  er  met  hun  spitse  daken  schilderachtiger  aanzien 
dan  die  in  de  kampongs  op  Java ,  maar  het  is  er  veel  vuiler. 

Wat  de  Bataks  zelf  betreft,  zegt  Br.  Kruyt: 

„  Uit  den  aard  der  zaak  leerde  ik  het  volk  slechts  opper- 
vlakkig kennen.  De  indruk  nu,  dien  ik  van  den  Batak 
ontving,  is  niet  onverdeeld  gunstig.  In  het  algemeen 
maken  de  vrouwen  een  beteren  indruk  dan  de  mannen. 
De  laatsten  toch  beschouwen  zich  verheven  boven  zwaren 
arbeid.  Dat  laten  zij  aan  de  vrouwen  over.  Een  man  koopt 
één  of  meer  vrouwen  k  80  dollar  of  meer  het  stuk,  en 
laat  ze  veldarbeid  verrichten ,  rijststampen ,  koken ,  water 

halen ,  enz.  Intusschen  doet  hij  niets niets,  of  zoo  hij 

iets  doet ,  dan  is  het  op  den  kleine  passen ,  en  dergelijke 
gemakkelijk  te  vervullen  plichtjes.  Het  is  om  kribbelig  te 
worden  zoo'n  troep  droomerige,  beuzelende  mannen,  som- 
migen met  open  mond ,  in  de  djamboer  aan  te  treffen. 
Dan,  ook  hier  is  luiheid  des  duivels  oorkussen.  Al  zou 
het  alleen  uit  verveling  zijn,  de  Batak  gaat  djoediën 
(dobbelen)  of  opiumschuiven.  En  overal  vindt  hij  gelegen- 
heid om  aan  zijn  hartstocht  te  voldoen,  zelfs  in  het  bosch 
onder  een  in  der  haast  opgeslagen  afdakje. 

Waarom,  zoo  vraagt  een  Batak,  zal  ik  mij  inspannen ? 
Hij  heeft  immers  genoeg  te  eten,  en  de  vrouwen  zijn  nog 
niet  geëmancipeerd  genoeg ,  om  dienst  te  weigeren.  Eens 
in  de  twee  jaren  zal  er  wat  bosch  te  kappen  vallen  voor 


263 

nieuwe  tuinen,  maar  dat  is  ook  al.  Alleen  wanneer  de 
behoefte  aan  opium  werkt,  of  wanneer  de  speelschuld 
drukt  zal  de  Batak  aan  het  werk  gaan  —  liefst  liehte 
arbeid  natuurlijk  —  om  wat  te  verdienen.  Waarlijk ,  het 
zou  hoogst  wenschelijk  zijn,  wanneer  de  bevoegde  macht 
middelen  vinden  kon,  om  dit  volk  aan  het  werk  te  zetten, 
aan  het  wegen  maken  b.v.  Dat  zou  voor  de  Bataks  een 
zegen  zijn ,  ook  moraliter ! 

„Zoo  lui  als  hij  is,  zoo  goed  is  hij  ter  tale;  men  zou 
kunnen  zeggen,  dat  welbespraaktheid  hem  is  aangeboren. 
Hun  tong  staat  nooit  stil,  zelfs  bij  de  steilste  hellingen 
zijn  ze  vol  kwinkslagen  en  aardigheden  .  .  ." 


t 


NIEUWE   UITGAVEN. 


NEDERLAND. 


Arohiv    (Internationales)    für    Ethnographic.    Hcrausgcgebcn   von 

D.  Anutschin,  F.  Boas,  G.  J.  Dozy,  E.  H.  Giglioli,  E.  T.  Hamy, 
\V.  Hein,  H.  Kern,  J.  J.  Meyer,  F.  Ratzcl,  G.  Schlegel,  J.  D.  E. 
Schraeltz,  Hjalmar  Stolpe,  E.  B.  Taylor.  Red. :  Dr.  J.  D.  E.  Schmeltz. 
Bd.  XI.  Heft  1.  Leiden,  E.  J.  Brill.  Per  dl.  (6  afl.,  m.  in  kleuren 
gedr.  platen) f  12.— 

Boekoe  bergoena  boe  wat  anak-anak-ketjil  njang  baroe  maoe  beladjar 
perkataan  olanda  serta  artinja  didalem  bahasa  mclajoe.  Batavia, 
G.  Kolff  &  Co f  —.50 

Haap  (Dr.  F.  de).  Uit  Oud-Batavia.  De  Portugeeschc  buitenkerk. 
Haarlem,  de  Erven  F.  Bohn.  Batavia,  G.  Kolff  &  Co.     .    /    2.50 

Uitgave   ten  bate  van  een  fonds   tot  het  restaurcercn  der 
Portug.  buitenkerk. 

Leer  (De)  van  Boeddha,  naar  de  heilige  boeken  van  het  zuidelijk 
Boeddhisme  voor  Europeanen  bewerkt,  en  met  aanteekeningen 
voorzien  door  Subhadra  Bhikschoe.  Uit  het  Duitsch  vertaald  door, 
en  met  voorwoord  van  mr.  S.  van  Houten.  2de,  veel  vermeerderde 
uitgaaf.  Arnhem— Nijmegen,  Gebrs.  E.  &  M.  Cohen    .    .    ƒ1.— 

T'onng  pao.  Archives  pour  servir  a  1'étude  de  Fhistoire,  des  langues, 
de  la  géographie  et  de  l'ethnographie  de  1'Asie  oriëntale,  Chine, 
Japon,  Corée,  Indo-Chine,  Asie  centrale  et  Malaisie,rcdigéespar 
Gustave  Schlegel  et  Henri  Cordier.  Vol.  IX.  1898.  No,  1.  Leiden, 

E.  J.  Brill.  Per  jaarg.  (6  afl.) f  12.— 

Vorderman  (A.   Q ).  Onderzoek  naar  het  verband  tusschen  den 

aard  der  rijstvoeding  in  de  gevangenissen  op  Java  en  Medoera, 

en  het  voorkomen  van  beri-beri  onder  de  geïnterneerden.  (Uit- 

'  gegeven  door  de  Vereeniging  tot  bevordering  der  geneeskundige 


265 

wetenschappen  in  Nederlandsch-Indië).  Batavia,  Jav.  Boekhandel 
en  Drukkerij.  ['sGravenhage,  Martinus  NijhofF] .  .  .  .  ƒ  5.— 
Wakker  (W.  H.)  en  F.  A.  T.  O.  Went.  De  ziekten  van  het 
suikerriet  op  Java,  die  niet  door  dieren  veroorzaakt  worden.  Met 
25  platen.  (Uitgegeven  voor  rekening  van  het  proefstation  Oost- 
Java  te  Pasoeroean  en  van  het  proefstation  voor  suikerriet  in 
West-Java  teKagok-Tegal).Leiden,E.  J.Brill.  f  IV— ,geb.  /  12.— 


ENGELAND. 

Allan  (James).  L'nder  the  Dragon  flag:  my  expcriences  in  the 
Chino-Japanese  war 3/6 

Andersen  (Dines).  Index  to  the  Jataka  and  its  commentary.  Vol.  7.  28/ 

Bishop  (Mrs.).  Korea  and  her  neighbours :  a  narrative  of  travel. 
With  an  account  of  the  recent  vicissitudes  and  present  position 
of  the  country.  With  a  preface  by  Sir  Walter  C.  Hillier.  2  vols.    24/ 

Oarus  (Paul).  Karma:  a  story  of  early  Buddhism 3/6 

Nivana:  a  story  of  Buddhist  philosophy 4/6 

Hogan  (James  Franeis).  The  Gladstone  Colony:  an  unwritten 
chapter  of  Australian  history 7/6 

Japanese  self-taught:  being  colloquial  phrases  and  extensive 
vocabularies  in  English-Japanese.  By  the  author  of  u  Kelly  and 
Walsh's  Handbook  of  Japanese  language." 7/ 

Johnston  (Jas.).  China  and  Formosa :  the  story  of  a  successful 
mission.  New  ed 4/6 

Orleans  (Prince  Henri  of).  From  Tonkin  to  India,  by  the  sources 
of  the  Irawadi,  January  '95  to  January  '96.  Trans,  by  Hamley 
Bent 25/ 

OsmanU  proverbs  and  quaint  sayings.  4.300  sentences  in  Turkish, 
with  English  translations,  by  rev.  E.  J.  Davis     .....  12/6 

Report  regarding  the  possibility  of  introducing  land  and  agricultural 
banks  into  the  Madras  Presidency.  Vol.  2 4/ 

fiosen  (Dr.  Irrite).  Modern  Persian  colloquial  grammar.  Containing 
a  short  grammar,  dialogues  and  extracts  from  Nasir-Eddin  Shah's 
diarles,  tales,  &c,  and  a  vocabulary 10/6 

Bubaliyat  of  Omar  Khayyam  (The) :  being  a  facsimile  of  the  MS. 
in  the  Bodleian  Library,  Oxford.  With  a  transcript  into  modern 
Persian  characters.  Trans,  with  an  introduction  and  notes,  and 
a  biography,  by  Edward  Heron  Allen 10/6 


266 

DTTITSCHLAND. 

Bote  (Der)  aus  Alaska  u.   vom  Jukon.  Hrsg.  Joach.  von  Möller. 

2.  Jahrg.  1898  12  Nrn  Vierteljahrlich  M.  3.— ;  einzclne  Nrn.  M.  1.— 
Bosley  (Geh   Reg.-R.  O.).  Der  Kampf  um  den  ostasiatischen  Handel. 

Vortrag.  2.   Aufl.  Mit  1  Karte:  Eisenbahn-  u.  Post-Dampfschiffs- 

Linien  nach  Ostasien.  Zuglich  Uebersicht  der  gesamten  deutschen 

Post-Dampfschiffs-Linien ,   des   Kolonialbesitzes ,  der  konsular.  u. 

diplomat  Vertretgn.  des  Deutschen  Reiches.  Hrsg.  v.  der  deutschen 

Kolonial-Gescllschaft.  Abteilg.:  Berlin-Charlottenburg  .  M.  1.20 
Jahresberioht  üb    die  Entwickelung  der  deutschen  Schutzgebiete 

im  J.  1896/97.  Beilage  zum  deutschen  Kolonialblatt  1898  M.  2  50 
Naohriehten  über  Kaiser-Wilhelms-Land  u.  den  Bismarck-Archipel. 

Hrsg.  v.  der  Neu-Guinea-Compagnie  zu  Berlin .  .  .  .  M.  1.50 
Voeltzkow  (Dr.   Alfr.).  Wlssenschaftliche  Ergebnisse  der  Reisen 

in    Madagasear  u.   Ostafrika   in  d.  J.   1889-1895.   Einleitung  v. 

Alfr.  Voeltzkow M.  10.— 

Zimmermann  (Dr.  Alfr).  Die  europiüschert  Koloniën.  Schilderung 

ihrer  Entstehg,   Entwickelg.,  Erfolge  u.  Aussichten.  2.  Bd.  A.  u. 

d.    T.:    Die    Kolonialpolitik    Groszbritanniens.   1   ThL   Von   den 

Anfangen  bis  zum  Abfall  der  Vereinigten  Staaten  .    M.  10. — ; 

geb.  M.  11.50 

FRANKBIJK. 

Brunei  (L.).  L'Etat  et  1'Individu  dans  la  colonisation  francaise 

.  moderne 4  fr. 

Guzman  (E.  de).  Encore  1'armée  coloniale 0  fr.  50 

Hautfort  (F.).  Biskra,  au  pays  des  Palmes 3  fr. 

Hourst  (Lieut.).  Sur  Ie  Niger  et  au  pays  des  Touaregs.  La  mis- 

sion  Hourst 10  fr. 

Laoroix  (A.).  Mineralogie  de  la  France  et  de  ses  colonies,  tome 

II,  2.  partie 15  fr. 

Lagrillière-Beauolero.  Mission  au  Senegal  et  au  Soudan;  voyage 

de  M.  André  Lebon  (oct.-nov.  1897) 5  f r. 

La  Mazelière  (Marquis  de).  Moines  et  ascètes  indiens  .  .  4  fr. 
Lebon  (Colonel).  Les  origines  de  1'armée  japonaise  (Extrait  de  la 

Revue  d'artülerie) 1  f r. 

Leoleroq  (J.).   Un   séjour  dans  111e  de  Java.  Le  pays.  Les  habi- 

tants,  etc.,  avec  carte 4  f r. 

Memoires  (Les)  historiques  de  Se-Ma  Ts'ien,  traduits  du  chinois 

et  annotés  par  E.  Chavannes.  T.  III,  lre.  partie  ....  10  fr. 
Thirion   (Commandant).  L'Expédition  de  Formose.  Souvenirs  d'un 

soldat .    .    . 2  fr.  50 


GELEGENHEID-ALBUMS. 

Heteenigsteen 
beste  adres  voor 
arti8tique  albums 
en  prachtbanden 
in  alle  stijlen  als- 
ook met  familie- 
wapens er  op  ge- 
werkt, is 

JftS.  1KRKKLB1GII,  I1TRMIT  (HOLLAND). 

Hofleverancier.  Bekroond  met  Gouden  en  Zilveren  Medailles- 


C.  L.  STEVENS    —    DEN  HAAG. 

Elke  dag  brengt  drukt©  mee, 
'k  Ben  daarorer  xeer  teVreê 
Werken  ia  mtin  element  i 
Dat  fk  't  goea  doe.  is  bekend. 
STEVEN 8  wordt  genoemd  met  eere,     . 
Hij  bedriegt  zijn  klanten  niet; 
Wat  men  Tracé  of  begeer©, 
't  Is  altijd  billijk  en  solied. 
YijftU«  Si»!™»  ko«it  een  VEEK, 
Kant  en  klaar  is  uw  horloge ; 
't  Kost,  (ik  zeg  het  onder  *t  roosje,) 
Ü  bij  ancTren  keel  wat  meer.  — 
Marmeren  PENDÜUL8  en  GODFES. 
Met  Driejarige  garantie , 
Lever  ik  voor  Ze*ti«a  p«», 
Desyerkieaeud  op  kwitantie, 
REMONT01R6  van  ZILVER  Z*«, 
GOUDEN  DAMES  Kir  en  HEBREN 
Achttien  «2nl«i*a,  heel  die  les 
Moogt  gij  wel  ran  buiten  leeren. 
Zorg  dat  dit  het  eeret  geschiedt; 
Zorg  dat  ieder  menech  net  wet© : 
Dat :  Wat  verder  men  vergete, 

Breedstraat  Honderd,  zeker  niet. 


L 


drisè  Strijkinrichting  „1SW1". 


Wetenschappelijk  nagewezen  volkomen  desinfectie. 
Geringste  mechanische  slijtage.  Geen  knnstbleekerlj,  geen 
Stamp-,  Wring-  en  Borstelmachines. 

Specialiteit  in  Snelwas&chen. 

TELEPHOOIV  674 

Telegram-Adres:  Waschinrichting    „RIJSWIJK". 


Prins  Hendrikstraat  119. 

3)e  nieuwste  romans 

in  alle  talen. 

Lezing  per  deel  en  per  abonnement 

KANTOOR-,    SCHRIJF-    en    SCHOOL- 

BEHOEFTEN. 

BIND-  BH  DBTOWBBX. 
Plaatsing  van  Advertentiën  en  Abonne- 
menten op  alle  Dagbladen. 
FINALE  UITVERKOOP  WEGENS 
VERBOUWING. 


Bij  F.  J.  VAN  PAASSCHEN,  te  's  Gra- 
venhage  is  verschenen: 

Praeüsehe  Heiig  te  Fng.  Taal, 

voor  Postambtenaren, 

DOOR 

J.  F.  E.  W.  ZEIJ, 

Adjunct-Commies  bij  het  Hoofd* 
bestuur  der  Posterijen   en    Telegrafie. 
Gediplomeerd  in  Engelsen  (Midd. 
onderwijs). 

\m  f  0.75  Ir.  p.  p.  f  0.80. 


Makanan  Djawa. 

Verzending  van  alle  Ind.  gerechten. 

Bezorging  van  kleine  en  groote 

Ind.  diners.  —  Diners  a,  f  1  86  best 

uit  5  lil  d.  gerechten ,  vold.  v.  a  pers. 

GROOTHANDEL 

in  SAMBALS  en  BOEMBOES. 

ECHTE   JAVA-KERRIE 

4  /0.50,  ƒ1.—  en  ƒ  2.— per  Vi  flesch. 

Vraag  Menu  en  Prijmcourant. 

Adres :  P.  VAN  KEMPEN,  Loosduinsche 
kade  4,  b/h.  Westeinde,  Den  Haag. 


De  Nieuwe  Drogietmnkel, 
Mej.  E.  DE  LEEUW. 

<£x,\nse-stx-a.a,ï  42.  —  £Den>  cHCootö, 


Somatose.  Quina  Laroche 


Eau  de  Cologne  van  Botdoot  enz. 

VEHZEHDING  NAAB  UTDIÈ. 


Kederfandsche  Üoyd,  I 


BIJ  de  Uitgevers-Maatschappij  „PUBUCITAS"  te  A 

KK1E30LA,  Voor  een  nacht  v.  liefde  f  1.50 
,  Thérèse  Raquin.geïll. -2.25 

,  Madeleine  Férat,     „    -  2.S0 


__ _ nus  mituujiii     .        „      -  i.yv 

Sr.  T.  8.  KAXP,  De  Senueele  Voorbe- 
hoedmiddelen     -0.75 

Sr.  P.  KOÏÏLIS,  Magnetisme  en  Som- 
nambulisme    . -0.90 

FIZBBS  XBOPOIKXNE,  De  Anarchie, 
Philosophie en  Ideaal    ....    -0.60 

Sr.  E.  OLEKEHT,  Gezondheidsleer  v. 

het  huwelijk f  0.90 


van  de  Boud' 
Voor  franco  zending  naar  Indlë  worden  deze  prftz 


Sr.  E.  i 

man  .    .    . 
Sr.   OABL  ESI 

het  kind    . 

A.  1.  WE8TBB] 
real.  Novelle 

CHAXPASHE-E. 

BQTOOIS-KALB 

HK1H001SAT, 
(Onschuld,  g 
advies  van  J 
Bonbons     gei 


g.  stre:itwolf 

Instrumentmaker, 

Firma  Wed  Bern  Klaassen. 
'Passage  26,     Zontmaustraat  83, 

'S  GRAVENHAGE. 


Brillen  en  Pince-Nez, 

ïkctrisi!licMeto,taillBiiiil»Bsek 

Artikelen  voor  Ziekenverpleging. 


pEVEST 

Piet  He 


Collactm 


M".  HAMBTJ 

Uitzet-,  Kapitaal-  en  Rente- Verzet 

DIRECTIE  DER  AFDEELING  NEDERLAN 

Amsterdam,  Kokin  117.  Brosse),  10  I 

DIVIDEND  aan  de  verzekerden  ultgekee 
13ljt  °/»  der  J&Arprem 

Nadere    inlichtingen    zijn    o.    a.    te    bekomen   t 
BLIJSWIJK  SOMBEEK,  Inspecteur  der  Maatscha_ 
's  Gravenhage. 


O 

O 
10 


•4* 


0 


MEt  VAN  RING 


mn 


11U  1U 


i 


IN, 


j^OOGSTHAAT    29    EN    jSTATIONSWEG    71. 


Interc.  Telephoon 

Steeds  voorradig  eene  groote  collectie 


van   A.    J.    REIJNVAAN,   Amsterdam. 

SPECIALE  BLIKVERP:  MET  FRANSCHE  SLUITING.  , 

Export  door  de  geheele  "Wereld. 


F.  W.  BINCK  &  ZOOK 


laten.  Portefeuilles,  Portemonnaies,  Sigarenkokers,  Buvarda  en  radere 
,  welke  alle  onder  garantie  voor  deugdelijke  bewerking  en  soiiditeit 

len  geleverd. 
Artikelen,  in  onze  magazijnen  gekocht,  worden  kosteloos  gerepareerd. 

Ruimste  keuze;  uiterst  blllUke  prijzen. 

LBUMS  voor  lmlië,   expresse  bewerking. 
g,  Schaambargsfraat  2,  $en  Staag. 

H    H.  KL A ASSEN,  Prinsestraat  23   en  25, 

'S  GRAVENMAGE 

Qrootste  MaffaiUn  van 
-f3    Ü'ÉBöT-ARXIKBJr.BN      Er- 
voor   Bruiloften,    Verjaringen,  Kinderpartijen ,    emi 

FABRIEK  VAN 

j3loemen-/Vrtike  L  E  N  , 

Diverse  soorten  Bladeren,  5  et.  per 
dozijn,  alle  van  linnen. 

Export  naar  Oost-  en  West-Indiën 


Maart  uitgebreid  Magarijn  van  r^*>«iLn 

s.   C*av«r«ea(  I»kiM,  «aa, 

v  erkoopt  met  succes  i 

-wit    raataapiar.   210    fel.    OOk    geechikt 

▼oor  den  spotprijs  Tan  99  «•■«, 

Toor  poet  in  tweeen,  blauw  gevoerd. 
Kleinere  formaten  tmh  af  «■%  «vat 


_  wrt  per  •••>. 

•a,  lste  kwaliteit,  per  groe  (144  stuk»), 

v  50  Tel  en  50  Couverten,  blauw 

,  letter  H.  B.,  voor  *•  en  *tt  cmi 

Verder  alle  Sckrijft  ■»■«!<■■.  spotgoedkoop.  Bollen 
s*>  fM<  per  rol,  echt  Engelsen. 


Vraag  Monsters  en  Geültcstreerde  Prijscouranten.  . 


Glas,  Porde  m  Arinmt 

grootste  en  goedkoopste  magazijn  in 
bovenstaande  artikelen  is 

'assage  33-35-3? 

Emballeert,  verhuurt  en  verzendt 
or  de  gebeele  wereld. 

O.  Bl7Zi7@BHP 

HEN  HAAG. 


TaadlieelkflBdige  Inrichting 


VAN 


H.  HAMBURG, 

TANDARTS, 

van  Kinsbargenstraat  80. 

DAGELIJKS  TE  COHSULTEEREH. 

Heele  Gebitten  f  35.  Tanden  per  stuk  f  2. 
Goud  plombeeren  f  5.  Cement  of  Zilver 
plombeeren  f  2.  Tandheelkundige  operatiën 
zonder  pijn  f  1. 

Zondags  van  9  tot  3  uur. 


Het  Ziiid-ïïollandsch  Venduehuis. 

Uitgebreide  lokalen:  Ingang  Prinsegr.  hoek  L Beestenmarkt, 

DEN   HAAG. 

Is  de  beste  inrichting  tot  aan-  en  verkoop  van 

iLLERHANDE  GOEDEREN  voor  ben  die  naar  Indië  vcrlrekkea  of  vandaar  Fepatriecren. 

Elke  dag  van  9—10  uur  geopend  en  des  Zondags  van  9—5  uur. 

VOOaDKELlDE  COWDITIEN  VOOR  njBLIEKJfi   VEILINUEN. 

R.  GLASTRA,  Bierstraat  5,  Oen  Haag. 


Billijke 


Beste 


Prijzen. 


Bediening 


VERHUIZINGEN  en  TRANSPORTEN  door  het  geheele  Rijk. 


D.A.  BACHOFNEK, 

Tailleur  Civil  &  Militaire. 
IBUCBTSTMAT  56  -  'MMÏIMiHltl. 

Uitrustingen 

OOST-   &  WEST-1NDIE. 
Livereien,  etc.  etc. 


EENIG  ADRES  VOOR 

Solied  Haarwerk- 

Haarverf  e  enig  scheel  onscha- 
delijk en  vlekt  niet  de  huid. 

Maison  T.  Harteveld, 

Coiffeur. 

Speciaal  S:ilon  voor  Dames  eu  Htereo. 

Prins  Hendrikstraat  182, 

>}    nabij  de  Waldeck  Pyrmontkade. 


H.  C.  J.  VRUTHOFF  VAN  DER  TOORN, 

Zeestraat   30    —    Den   Haag. 

Fabrikant  van  BANDAGES  van  ORTHOP.  TOESTELLEN.  Leverancier 

aan  verschillende  Rijks-  en  Gemeente-instellingen. 
'  Levert  verder  en  gros  en  en  détail : 

rima  Eng.  Rijwielen,  voor  Heeren  f  100—130—160,  voor  Dames  f  140, 
rlma  Amerikaanse!. e  Rijwielen,  voor  Heeren  en  Dames  f  225, 

alle  met  de  meest  omvattende  garantie  op  machines  en  banden. 
tochtige  Zwitsersche  Muziekdoozen,  Zelfspelende  Piano's,  Orgels,  enz. 
lectr.  schel-  en,  lichtgeleidingen,  om  zelf  aan  te  leggen,  draagbare  Electr. 
fiets-  en  huislampen,  Telefonen,  enz.  enz.  —  Uiterst  billijk. 


l  MAILBAKKEN  en  STOELEN 
|        Bamboes,  Theehout 

g  ROTTING  MEUBELEH 
\     voor  Serres      y^^C 

WARANDA'S         ^ 
Tuinen. 

ZiekeostoeleD  en  Baoh 

in  ruime  keuze  voorhanden  ft 

^/      24,  Groenmarkt  24. 

Specialiteit  van  fijn  Mandenwerk 


Volières 


JAC.  M0UL1JN. 

lüaffenstraat  95. 

Eenig   vertegenwoordiger  voor    den 
Haag  en  Omstreken  der 

PHOENIX  Rij  wieten. 

Prima  Hollandsch  fabrikaat. 
IBILLIJKE  PRIJZEN.  & 
Repareeren,  Emailleeren, 

Vernikkelen  en  Ruilen.     , 


LOUIS  KUIPERS, 

v/h  b/d  firma  LEIJOENROTH  &  Zn., 

PASSAGE  50-52 

5  DEN  HAAG.  B> 


Fabriek  tan 


MILITAIRE  IIOOFDTOOISELS 

en  Équipementen. 


tMMNMNHNW 


M^yy 


x-i 


„%  «STOM  flw 

^    ,    Kapelsbrag  2t  3  en  4     ^ 


't  Beste  adres  voor 

Sport-  en  Reis-ftrtikefen. 


-JiHCSV 


H.  J.  T.  MATVELD, 

WAGENSTRAAT  127  —  DEN  HAAG. 


Teekenbehoeften. 

SCHILDER-ARTHELEN. 

Grootste  keuze. 

Billjjkste  prijzen. 

PRIJSCOURANTEN   en   MONSTER- 
BOEKJES op  aanvraag  franco. 


GOOSEN   en   R  O  Z  A 

PIANO'S   en   ORGELS. 


i 


■OEkMOBSTRTBAAT     149a 
VRAAG     DE    ZKEK     BILLIJKE 


Restaurant   Burgemeister, 

BUITENHOF  39, 

vis-è.*vis  de  hoofdwacht. 


e 


7aa  7iasa, 

Plaats  33, 

DEN  HAAG. 


{] 


Diners  quotidien. 

jSalons  a  reseryer. 


Japansohe  en  Ohineesche 
Kunstvoorwerpen. 


>n 


'•""f» 


JAN  i3 J919 


TIJDSCHRIFT 


t 


VOOR 


NEDEBLANDSCH-INDIË 


[• 


VAN 


wijlen  dr.  W.  R.  baron  van  HOËVELL. 


(Opgericht  in  1838.) 


TWEEDE  NIEUWE  SERIE. 

2e  JAARGANG. 


APRIL    1898. 


>;*:o« — 


'S  GRAVENHAGE.  —  F.  J.  VAN  PAASSCHEN. 

Mede  verkrijgbaar  te 

BATAVIA  bij  G.  KOLFF  &  Co. 

en  bij  alle  Boekhandelaren  in  Ned.-Indië. 


•'•'■m^vtjacn* 


INHOUD. 

Bladz. 

L  De  betrekkingen  der  Oost-Indische  Compagnie 

tot  Japan.  Door  Prof.  Dr.  G.  SCHLEGEL  .     .    267 
II.  Concubinaat  bij  de  ambtenaren  van  het  Binnen- 
landsch  Bestuur  in  Nederlandsch-Indië.  Door 

ADELANTE 304 

III.  De  installatie  van  sultan  Amangkoe  Bowono  EL 
van   Djokjakarta.  Schets  uit  den  Java-oorlog. 

Door  J.  P.  SCHOEMAKER 315 

•  IV.  Varia .    ....    334 

Generaal  Vetter's  telegram.  —  De  zending  in  de 
Bataklanden.  —  Een  bezoek  aan  de  Deli-zending. 
—  De  quarantaine  in  het  Oosten.  —  De  ver- 
eeniging  Het  Buitenland.  —  Britsch-Guyana. 

V.  Nieuwe  uitgaven  • .    352 

Bijdragen   en   brieven,   de  Redactie   betreffende ,  ge- 
lieve men  te  zenden  aan  den  Heer  H.  A.LESTURGEON, 
■  villa  „Catharina  Francisca",  N.  Badhuisweg,  Scheveningen. 

Dit  Tijdschrift  verschijnt  tusschen  den  lcn  en  den  15cn 
van  elke  maand. 

De  abonnementsprijs  bedraagt  voor  Nederland  ƒ  13. — 
per  jaar.  Voor  het  buitenland  wordt  dit  bedrag  met  de 
porto's  verhoogd.  Tusschentijds  aangegane  abonnementen 
worden  ad  ƒ  3.25  per  kwartaal  berekend. 

Afzonderlijke  nummers,  voor  zoover  deze  voorhan- 
den zijn,  ƒ  1.50  per  aflevering. 

Prijs  der  advertentiën  van  1/s ;  */% ;  7*  en  lU  bladzijde 
per  plaatsing  ƒ  1.50;  ƒ  2.50;  ƒ  4.50;  ƒ  8.—. 

Bij  12  achtereenvolgende  plaatsingen  van  i/9;  7*?  7i 
en  Vi  bladzijde  ƒ  12.—  ;  ƒ  20.—  ;  ƒ  35.—  en  ƒ  60.—. 


De  betrekkingen  der  Oost-Indische  Compagnie 

tot  Japan. 

Die  Bestuhungcn  der  Wieder  liïndisc  hen  Ost-Indischen 
Kompagnie  zu  Japan ,  im  siebzehnten  Jahrhundert, 
von  Oskar  Nachod,  Leipzig,  Rob.  Friese,  1897. 


Slechts  weinige  dagen  voor  het  verschijnen  van  het 
door  mij  in  dit  Tijdschrift  besproken  werk  van  den  heer 
Groeneveldt  „De  Nederlanders  in  China",  werd  ons  door 
den  schrijver  het  in  hoofde  dezes  genoemde  belangrijke 
boekwerk  toegezonden ,  en  het  is  met  genoegen ,  dat  wij 
hiervan  eene  nadere  bespreking  mogen  geven. 

Verblijdend  toch  mag  het  heeten,  dat  ook  de  buiten- 
landers eens  grondig  kennis  nemen  van  hetgeen  ons  volk 
gedaan  heeft  om  het  afgesloten  Japan  voor  den  wereld- 
handel te  openen,  vooral  na  de  dikwerf  zoo  lasterlijke 
aantijgingen  van  vreemdelingen ,  dat  wij  dien  handel  voor 
ons  zelven  wilden  reserveeren;  aantijgingen  waartegen 
indertijd  mr.  J.  A.  van  der  Chijs  een  verweerschrift, 
onder  den  titel  „Nêerlands  streven  tot  openstelling  van 
Japan  voor  den  wereldhandel"  (Amsterdam,  1867),  uitgaf, 
welk  werk  echter  niet  onder  het  oog  van  den  heer  Nachod 
schijnt  gekomen  te  zijn,  daar  hij  het  in  zijn  Literatur- 
Verzeichniss  niet  vermeldt. 

De  heer  Nachod  werd  tot  zijn  onderzoek  der  betrek- 
kingen der  Nederlanders  tot  Japan  in  de  17e  eeuw  aan- 
gespoord door  den  heer  dr.  Heinrich  Bokemeyer ,  vroeger 

19 


268 

algemeen  secretaris  van  de  Duitsche  koloniale  maatschappij, 
die  bij  de  bewerking  van  zijn  boek  over  de  Molukken 
(Leipzig  1880) ,  de  in  het  Rijksarchief  in  Den  Haag  aan- 
wezige historische  documenten  geraadpleegd  had. 

De  heer  Nachod  besloot  dan  ook  eveneens  naar  Neder- 
land te  gaan  om  de  documenten  betrekkelijk  Japan  in 
genoemd  Archief  te  gaan  bestudeeren,  waarvoor  hem 
met  de  bekende  welwillendheid  van  de  bestuurders  dezer 
inrichting  alle  faciliteiten  werden  verleend.  Dankbaar  laat 
hij  zich  daarover  in  zijn  voorwoord,  p.  V,  uit. 

De  op  Japan  betrekking  hebbende  oorkonden  zijn  in  't 
Rijksarchief  overvloedig  voorhanden ,  en  sinds  1868  vindt 
men  er  ook  het  vroeger  in  Decima  bewaarde  Archief  der 
Nederl.  Factorij  in  Japan,  waarin  voornamelijk  van  ge- 
wicht zijn  de  tamelijk  volledige  Grootboeken  en  Journalen 
van  bijkans  geheel  de  17e  en  18e  eeuw,  eene  verzame- 
ling van  te  grooter  waarde ,  omdat  de  meeste  boeken  der 
compagnie  niet  meer  aanwezig  zijn. 

Veel  gebruik  heeft  de  schrijver  ook  gemaakt  van  het 
nog  ongepubliceerde  handschrift  van  mr.  Pieter  van 
Dam,  advokaat  der  Ned.  O.-I.  Compagnie,  op  last  der 
Directeuren  door  hem  in  1693  begonnen  en  in  1701 ,  in 
zijn  tachtigste  jaar,  voltooid.  Het  behelst  in  8  kwarto 
declen  eene  uitvoerige  geschiedenis  der  O.-I.  Compagnie, 
die  wel  is  waar  den  schrijver  met  een  honorarium  van 
fl.  8000  daarvoor  beloonde ,  maar  het  kostbare  handschrift 
in  haar  vergaderingszaal  opsloot ,  waaruit  het  nooit  of  te 
nimmer  mocht  verwijderd  worden. 

Gelukkig  is  aan  het  H.S.  een  zeer  uitvoerig  inhouds- 
en  zaakregister  toegevoegd,  wat  het  zoeken  in  het  werk 
zelf  zeer  vergemakkelijkt. 

Het  aan  Japan  gewijde  hoofdstuk  behelst  bijna  woor- 
delijk de  Generale  Missives  door  de  Indische  regeering 
aan  de  Directeuren  in  Amsterdam  geschreven,  waarvan 
de  schrijver  getuigt,  dat  zij  juist  door  hare  onopgesmuktheid 
eene  betrouwbare  bron  voor  zijn  onderzoek  geweest  zijn. 


269 


Een  groot  gedeelte  der  door  den  schrijver  geraadpleegde 
oorkonden  heeft  hij  onder  de  Bijlagen ,  in  't  Duitsch  ver- 
taald, opgenomen.  Zij  beslaan  niet  minder  dan  CCX  blad- 
zijden ,  en  daar  vele  daarvan  nog  nooit  uitgegeven  zijn, 
kunnen  zij  ook  dienstig  zijn  voor  den  Nederlandschen 
historicus,  die  wellicht  niet  in  de  gelegenheid  is  de  origi- 
neelen  in  Den  Haag  te  gaan  bestudeeren. 

Onder  deze  Bijlagen  (N°.  62)  vinden  wij  ook  eene 
nauwkeurige  en  verbeterde  lijst  der  Nederl.  opperhoofden 
van  de  Hollandsche  Factorij  in  Japan.  De  fout  in|de 
jaartallen  in  de  lijsten  van  Valentijn ,  Levyssohn  en  Stokvis 
ligt  hierin,  dat  zij  er  niet  op  gelet  hebben,  dat  na  de 
jaarlijksche  aflossing  dezer  opperhoofden  in  1641 ,  hun 
dienstjaar  over  twee  kalenderjaren  liep,  omdat  het  in  den 
herfst  van  het  eene  jaar  begon  en  in  den  herfst  van  het 
volgende  eindigde. 

In  het  eerste  hoofdstuk  geeft  de  schrijver  ons  eene 
schets  van  de  historische  ontwikkeling  van  Japan  vanaf 
de  oudste  tijden  tot  1600  onzer  jaartelling ,  hoofdzakelijk 
naar  de  vertalingen  van  de  Kojiki  en  Nihongi  samen- 
gesteld. Beide  boeken  zijn  geheel  onbetrouwbaar,  daar 
het  eerste  eerst  in  681  en  het  tweede  in  712  zoude  ge- 
schreven zijn  en  de  regeeringsduur  der  Japansche  vorsten 
veel  te  hoog  opgegeven  is. 

Zoo  zouden  b.v.  in  de  eerste  vier  eeuwen  onzer  tijd- 
rekening in  Japan  slechts  7  Mikados  geregeerd  hebben, 
terwijl  tegelijkertijd  in  de  Koreesche  Staten  16  tot  Hen 
in  China  38  troonsverwisselingen  plaats  hadden. 

Wij  slaan  dus  deze  periode  over  en  verwijzen  naar  de 
werken  van  Chamberlain  1),  Florenz  2)  en  Aston  3). 


1)  Transactions  of  the  Asiatic  Society  of  Japan,  Supplement  of 
Vol.  X,  Yokohama  1883. 

2)  Deutsche  Gesellschaft  für  Natur-  und  Völkerkunde  Ostasiens, 
1892,  u.  f.  Jahrgange. 

3)  Nihongi,  by  W.  G.  Aston.  Transactions  and  Proceedings  of 
«The  Japan  Society,  Londen»,  Supplement  1896—97. 


270 

Ik  mag  hierbij  nog  aanteekenen,  dat  de  Kojiki  eerst 
in  1644  en  de  Nihongi  eerst  tegen  het  einde  der  16e  eeuw 
werd  gedrukt.  Het  grootste  gedeelte  in  beide  werken  is 
overgenomen  uit  de  Chineesche  Annalen,  de  eenige  die 
ons  betrouwbare  mededeelingen  omtrent  Oud- Japan  ver- 
schaffen. 

Eerst  met  de  7e  eeuw  onzer  jaartelling  verkrijgen  wij 
meer  betrouwbare  bronnen,  hoewel  ze  tamelijk  opge- 
schroefd zijn,  zooals  van  een  zoo  ijdel  en  zich  zelf 
verheerlijkend  volk  als  het  Japansche  te  verwachten  is. 

Marco  Polo  is  de  eerste  Europeaan,  die  van  Japan 
gewag  maakt,  hoewel  hij  er  zelf  nooit  kwam. 

Hij  roemt  den  ontzettenden  rijkdom  aan  goud  in  dit 
land,  vertelt  dat  het  paleis  des  keizers  met  fijn  goud 
gedekt  was,  even  zooals  ten  onzent  de  huizen  en  kerken 
met  lood;  ook  dat  de  vloeren  in  't  paleis  met  goud  van 
meer  dan  twee  vingers  dikte  belegd  waren.  Verder  dat 
er  prachtige  parelen ,  roodachtig ,  rond  en  dik ,  even  zoo 
kostbaar  als  de  witte  parelen  te  vinden  waren,  als  ook 
andere  edelgesteenten.  Kortom  de  rijkdom  van  dat  eiland 
was  onuitputtelijk  1). 

Ook  van  de  mislukte  Mongoolsche  expeditie  onder 
Abakan  of  Abachan  [de  heer  Nachod  noemt  hem  p.  23 
terecht  Alahan\  zijn  naam  wordt  door  de  Chineesche 
geschiedschrijvers  Atschikan  en  door  de  Japanners  Asikan 
genoemd;  maar  deze  lezing  berust  op  eene  verwarring 
der  teekens  voor  lak  en  tschi,  terwijl  het  Chineesche  Aan 
moet  uitgesproken  worden  als  khan ,  in  oudere  schrijvers 
CAaan],  spreekt  Marco  Polo. 

Onmiddelbaar  hebben  deze  geruchten  twee  eeuwen  later 
tot  de  ontdekking  van  Amerika  bijgedragen ,  daar  Columbus 
niet  vermoedde,  dat  er  tusschen  het  goudrijke  Japan  en 
de  westkust  van  Europa  nog  een  groot  vastland  lag.  Zijne 


1)  Le  Livre  de  Marco  Polo  par  M.  G.  Panthicr.  Paris,  Didot  frères, 
1865,  p.  537—39. 


271 

ontdekking  van  Amerika  was  dus  een  puur 'toeval ,  hoewel 
de  goudrijkdom  in  dit  land  verre  dien  van  Japan  overtrof. 

Onderwijl  hadden  de  Portugeezen  den  lndischen  Oceaan 
door  de  vaart  om  de  Kaap  de  Goede  Hoop  voor  de  scheep- 
vaart ontsloten  en  dreven  een  voordeeligen  handel  met 
de  oostelijke  eilanden.  Aan  Japan  dacht  men  niet  meer, 
en  zijne  ontdekking  was  eene  toevallige,  door  drie  uit 
Siam  gevluchte  Portugeezen,  die  door  storm  naar  dit 
eiland  verslagen  werden.  Andere  schrijvers  kennen  de 
eer  der  ontdekking  toe  aan  een  avontuurlijk  matroos 
Fernando  Mendez  Pinto  met  zijne  makkers  Diego  Zeimoto 
en  Christoval  Borallo.  Pinto  zelf  schreef  na  zijne  terug- 
komst in  Lissabon  een  eenigszins  romantisch  verhaal 
zijner  reizen.  Hij  was  de  eerste  die  een  vuurwapen  in 
Japan  invoerde,  en  de  Japanners  waren  slim  genoeg, 
onmiddellijk  soortgelijke  donderbussen  alsook  buskruit 
te  vervaardigen  (p.  33).  De  Japansche  berichten  stemmen 
hiermede  overeen  en  geven  zelfs  het  nauwkeurige  datum 
(October  1543)  op.  Von  Siebold ,  I ,  p.  3—4).  In  de  kro- 
niek van  Nagasaki  wordt  1530  als  het  jaar  aangegeven. 

De  officieele  Japansche  geschiedenis  vermeldt  het  jaar 
1541  als  dat  in  't  welk  voor  't  eerst  Portugeesche  koop- 
lieden naar  Tanegashima  kwamen.  Ik  vermoed  echter  dat 
dit  laatste  bericht  aan  het  reisverhaal  van  Pinto  zelf 
ontleend  is.  De  verwaten  officieele  Japansche  geschie- 
denis zal  van  zulk  een  voor  Japan  onbeduidend  feit  als  de 
schipbreuk  van  een  paar  Portugeezen  geene  notitie  ge- 
nomen hebben. 

De  verleidelijke'  berichten  echter  van  Pinto  lokten  vele 
Portugeezen  naar  Japan,  waar  zij  te  Bungo  een  voor- 
deeligen handel  dreven. 

Op  zekeren  dag  in  het  jaar  1547  nam  een  25-jarig 
Japanner ,  die  een  zijner  landslieden  gedood  had ,  de  wijk 
op  een  der  Portugeesche  schepen,  dat  naar  Goa  weg- 
zeilde.  Daar  aangekomen  en  door  gewetenswroeging  ge- 
kweld, viel  hij   gemakkelijk  ten  prooi  aan  den  heiligen 


272 

Xaverius ,  die  hem  overtuigde ,  dat  hij  slechts  bij  de  alleen- 
zaligmakende kerk  genade  kon  vinden.  Hij  kreeg  bij  den 
doop  den  naam  van  Paul  de  Santa-Fe  en  in  1549  nam 
Xaverius  hem  mede  naar  Japan,  waar  hij  den  15  Augustus 
aankwam  en  zijn  bekeeringswerk  begon  met  toestemming 
van  den  landsheer,  den  Daimyo  van  Satsuma,  die  hier- 
van een  voordeeligen  handel  met  de  Portugeezen  ver- 
wachte. Toen  hij  echter  merkte ,  dat  deze  ook  op  andere 
havens  handelden,  verbood  hij  zijn  onderdanen  zich  tot 
het  Christendom  te  bekeeren.  Xaverius  behaalde  dus 
slechts  een  gering  succes  en  verliet  in  November  1551 
Japan.  Onder  zijn  opvolger ,  den  Jezuïet  de  Torrez ,  vor- 
derde het  bekeeringswerk  echter  beter,  tuk  als  de  Japan- 
ners altijd  op  een  „nieuwtje"  geweest  zijn. 

Natuurlijk  wekte  dit  den  naijver  der  inlandsche  geeste- 
lijkheid op,  die  hare  rijke  stipendiën  bedreigd  zag 
en  niet  schroomde  deshalve  een  burgeroorlog  aan  te 
hitsen,  die  in  1565  tot  den  dood  van  den  tot  het  Chris- 
tendom bekeerden  Sjogoen  Minamotono  Jositeru  leidde. 
Zijn  broeder  vluchtte  naar  den  landheer  Vatadono,  die 
met  behulp  van  den  machtigen  Daimyo  Oda  Nobunaga 
de  oproerlingen  versloeg,  en  Minamotono's  broeder  tot 
Sjogoen,  onder  den  titel  Josi  Aki,  in  1865  uitriep  {bldz. 
36—37). 

De  heer  Nachod  hangt  ons  in  de  nu  volgende  bladzijden 
een  weinig  verkwikkelijk  tafereel  op  van  de  voortdurende 
bloedige  woelingen  en  beroeringen  in  Japan.  Deze  hadden 
tot  cene  algemeene  verarming  van  het  eens  zoo  rijke  land 
geleid,  zoodat  de  Japanners  nu  een  voordeeligen  handel 
van  Macao  uit,  'twelk  de  Portugeezen  in  1557  bezet 
hadden,  met  de  Portugeezen  dreven,  waarvan  velen 
zelfs  met  japansche  vrouwen  trouwden  en  zoo  het 
Christendom  bevorderden  (bldz.  40—41). 

Om  der  wille  van  de  smeer 
Likt  de  kat  de  kandeleet 
was   volkomen   op  die  Japansche  Christen-daimyos  van 


273 

toepassing.    De  religie  kon  hun  niet  schelen,  maar  wel 
het  voordeel  van  den  handel  met  de  Christenen  (bldz.  45). 

Het  mindere  volk ,  door  de  aanhoudende  burgeroorlogen 
verarmd,  werd  door  aalmoezen  gepaaid.  Lazareten  voor 
leprozen  werden  door  de  Jezuïetenpaters  opgericht  en  de 
arme  zieken  daarin  gratis  verpleegd,  hetgeen  natuurlijk 
bewerkte  dat  deze  armen  goed  of  kwaadschiks  het  geloof 
hunner  weldoeners  aannamen.  De  andere  bekende  hulp- 
middeltjes der  Katholieke  kerk,  kaarslicht,  koorgezang 
en  prachtige  kleed  ij  werden  eveneens  kwistig  gebruikt, 
en  de  iets  betere  wetenschappelijke  kennis  der  paters  stak 
gunstig  af  bij  de  verregaande  onwetendheid  der  boeddhis- 
tische priesters.  Hoofdzaak  was  echter,  dat  er  tusschen 
de  boeddhistische  en  roomsche  plechtigheden  al  zeer 
weinig  uiterlijk  verschil  was. 

Bij  beide  bestond  de  tonsuur,  de  mis  en  de  biecht, 
zoodat  ook  in  China  het  Katholicisme  altijd  meer  aan- 
hangers gevonden  heeft  dan  het  Protestantisme  met  zijnen 
nuchteren  en  soberen  eeredienst. 

Maar  de  onverdraagzaamheid  der  roomsche  leer,  eene 
onverdraagzaamheid  allen  monotheïstischen  godsdiensten 
eigen,  veroorzaakte  ook  in  Japan  den  hevigsten  gods- 
dienststrijd. 

Het  gevolg  daarvan .  was  dat  Hideyoshi  in  1587  alle 
Jezuïeten  uit  Japan  verbande ,  hoofdzakelijk  omdat  hij  in 
dezen  de  werktuigen  vermoedde .  die  de  feudale  Daimyos 
tegen  de  nationale  centraalregeering  opzetten,  en  deze 
de  voordeden  van  den  handel  met  Portugal  onttrok  om 
die  in  handen  van  genoemde  Daimyos  te  spelen. 

Dit  bewijst  o.  a.  de  gunstige  uitzondering  ten  behoeve 
der  Portugeesche  kooplieden  in  het  verbanningsdecreet. 
Hun  werd  veroorloofd  alle  Japansche  havens  aan  te  doen 
en  handel  te  drijven,  maar,  op  poena  van  verbeurdver- 
klaring van  schip  en  lading,  verboden  vreemde  geeste- 
lijken mede  te  brengen  (bldz.  54). 

Aan  het  verbanningsdecreet,  dat  binnen  20  dagen  moest 


*.-•  •* 


274 

ten  uitvoer  gelegd  worden,  is  echter  nooit  de  hand  ge- 
houden, want  de  Jezuïeten-Provinciaal  Japar  Cuello  stierf 
nog  in  1590  in  Japan  (p.  54).  Hideyoshi  had  andere  en 
gewichtiger  zaken  te  doen,  daar  hij  zich  van  de  opper- 
heerschappij wilde  meester  maken. 

Reeds  in  1586  had  hij  den  koning  van  Corea  Li-yen 
trachten  over  te  halen  gemeenschappelijk  China  te  ver- 
overen. Toen  deze  dit  weigerde,  deed  hij  Corea  den 
oorlog  aan  en  veroverde  het.  Tot  verheerlijking  dezer 
expeditie  liet  hij  in  Miako  eene  „Oorentombe "  bouwen 
waarin  de  ooren  van  15000  gedoode  vijanden  werden 
begraven. 

De  wereldgeschiedenis  herhaalt  zich  steeds,  en  na  Corea 
veroverd  te  hebben,  sloeg  thans  Taikosama een begeerig 
oog  op  de  Philippijnen ,  vanwaar  een  voordeelige  handel 
in  oude  Chineesche  martevanen  {boionit)  gedreven  werd , 
die  in  de  Philippijnen  geene  waarde  hadden,  maar  in  Japan 
als  hooge  zeldzaamheid  beschouwd  werden.  Hideyoshi 
had  zich  het  monopolie  van  dit  handelsartikel  aangematigd 
en  aan  anderen  den  handel  daarin  bij  doodstraf  verboden 
(p.  52).  Onze  Indische  lezers  weten ,  dat  ook  bij  de  inland- 
sche  vorsten  op  Borneo's  westkust  zulke  martevanen  nog 
heden  als  de  grootste  kostbaarheden  beschouwd  worden , 
en  onze  regeering  weerspannige  vorstjes  aldaar  niet  ge- 
voeliger straffen  kan ,  dan  zulke  martevanen  van  hen  als 
boete  te  eischen. 

Tusschen  de  jaren  1564—1571  waren  de  Philippijnsche 
eilanden,  die  tot  nog  toe  onder  de  nominale  souvereiniteit 
van  China  gestaan  hadden ,  door  de  Spanjaarden  veroverd. 

In  1592  richte  hij  nu  aan  den  Spaanschen  gouverneur 
dezer  eilanden  den  volgenden  brief: 

„  Japan ,  zoo  lang  door  binnenlandsche  oorlogen  beroerd, 
heeft  nu  eindelijk  vrede.  Maar  de  oneenigheden  hielden 
niet  op  voordat  de  Hemel  mij  op  den  Keizerlijken  troon 
plaatste.  Dit  zwaarwichtige  werk  is  binnen  tien  jaren 
voltooid  geworden.  Nu  ik  de  handen  vrij  heb,  zal  ik  de 


r 


275 

Chineezen  aanvallen.  Wanneer  gij  uwen  verschuldigden 
plicht  nakomt  mij  als  uwen  oppergebieder  in  allen  oot- 
moed te  erkennen,  zult  gij  van  de  Japansche  wapenen 
geen  overlast  hebben,  maar  in  het  tegenovergestelde 
geval  zal  ik  deze  naar  de  Philippijnen  overbrengen  om 
ze  tot  het  uiterste  toe  te  verwoesten"  (p.  58). 

De  gouverneur  der  Philippijnen  zond  in  den  grootsten 
angst  een  gezantschap  naar  Japan  om  zijne  ootmoedige 
hulde   te   brengen  en  het  dreigende  gevaar  te  bezweren. 

In  1593  werd  een,  eerst  in  1595  door  den  koningvan 
Spanje  bekrachtigd ,  vriendschaps-  en  handelsverdrag  tus- 
schen  Japan  en  de  Philippijnen  gesloten  (p.  60). 

In  1596  gebeurde  er  iets  dat  aanleiding  gaf  tot  de  ge- 
heele  verdelging  der  Christenen  in  Japan.  Op  het  Z.-O. 
eiland  Shikoku  was  nl.  een  voor  West-Indië  bestemd 
Spaansch  schip  uit  Manila  met  rijke  lading,  soldaten  en 
priesters  gestrand.  Gedurende  de  onderhandelingen  wegens 
de  reparatie  van  het  schip,  waarop  de  Jap.  regeering 
eigenlijk  strandrecht  had  kunnen  doen  gelden,  liet  zich 
de  stuurman,  prat  op  zijne  vaderlandsche  macht,  ver- 
leiden den  jap.  ambtenaren  op  de  landkaart  te  laten  zien 
hoe  zich  het  Spaansche  rijk  over  de  geheele  wereld  uit- 
strekte. Op  de  vraag,  hoe  of  de  koning  van  Spanje 
zooveel  machtige  rijken  had  kunnen  vermeesteren,  ant- 
woordde de  stuurman  heel  naïef  dat  de  koning  er  eerst 
monniken  heenzond,  die  later  door  soldaten  gevolgd 
werden,  die  dan  met  hulp  der  bekeerde  ingezetenen  het 
land  onderwierpen  (bldz.  61). 

Dit  bericht,  getrouwelijk  door  de  jap.  ambtenaren  aan 
Taikosama  overgebracht,  wekte  in  heftige  mate  diens 
achterdocht,  te  meer  daar  de  Spaansche  franciskaansche 
monniken  de  Portugeesche  jezuïeten  bij  den  Sjogoen  in 
miskrediet  hadden  trachten  te  brengen. 

De  Sjogoen  liet  onmiddellijk  6  der  met  het  Spaansche 
gezantschap  medegekomen  Franciskanen ,  alsook  17 
bij   hen   inwonende   Japansche   leekebroeders ,  benevens 


L 


276 

drie  inlandsche  jezuiten  gevangen  nemen,  hen  den  neus 
en  de  ooren  afsnijden  en  ze  in  de  bitterste  koude  naar 
Nagasaki  transporteeren,  waar  zij  in  Februari  1597  ge- 
kruisigd werden.  De  Spanjaarden  kregen,  na  verbeurd- 
verklaring van  schip  en  lading ,  verlof  met  andere  schepen 
naar  Manila  terug  te  keeren.  (p.  62).  Taikosama  stierf 
den  16  Sept.  1598 ,  64  jaren  oud  en  na  zijn  dood  braken 
de  oude  twisten  om  de  hegemonie  weder  tusschen  den 
japanschen  adel  uit.  Iyeyasu,  die  tot  voogd  over  den 
minderjarigen  zoon  van  Taikosama  Hideyori  was  benoemd, 
zag  zich  gedwongen  tegen  de  rijksgrooten  op  te  treden, 
die  hem  van  de  voogdij  ontzet  hadden. 

In  het  jaar  1600  had  de  beslissende  veldslag  bij  Seki- 
gahara,  oostelijk  van  het  Biwa-meer  gelegen,  plaats. 
Meer  dan  200  000  man  stonden  daar  tegenover  elkander, 
maar  Iyeyasu  behaalde  de  overwinning  en  verhief  Hide- 
yori tot  Sjogoen  1). 

Hiermede  besluit  het  eerste  hoofdstuk. 


In  het  tweede  hoofdstuk  beschrijft  de  heer  Nachodhet 
ontstaan  der  O.-I.  Compagnie,  dat  uit  het  werk  van  onzen 
landgenoot  J.  A.  van  der  Chijs,  „De  stichting  der  Ver- 
eenigde  O.-I.  Compagnie",  genoegzaam  bekend  is. 

Lissabon  was  destijds  de  eenige  en  grootste  stapelplaats 
voor  Indische  waren,  want  de  „groote  vaart"  om  de 
Kaap  was  alleen  aan  Spaansche  en  Portugeesche  schepen 


1)  Men  zie  mijne  Alphabetical  List  of  the  Mikados  and  Shoguns 
of  Japan  in  het  3e  Deel  van  de  Toung-pao  (1892,  p.  396),  waarin 
men  meer  betrouwbare  uit  Jap.  bronnen  geputte  cijfers  vindt,  dan 
in  de  lijsten  van  De  Guignes,  Kaempfer,  Siebold,  Hervey  de  St.  Denys 
en  andere  schrijvers.  Volgens  de  Sin  sen  nen  hyau  of  Nieuwe 
chronol.  Tabellen,  had  de  beslissende  slag  in  hetzelfde  jaar  1600 
plaats. 


277 

veroorloofd.  Daarentegen  mochten  die  waren  bij  voorkeur 
door  vreemde  schepen  uit  Lissabon  geëxporteerd  worden, 
waarbij  de  Nederlanders  de  hoofdrol  speelden. 

Zij  genoten  dan  ook  in  Lissabon  zekerheid  van  lijf  en 
goed ,  vrije  godsdienstoefening  in  hunne  woningen ,  eigen 
rechtsmacht  bij  onderlinge  twisten  en  het  voorrecht  van 
koninklijke  rechters  bij  differenties  met  de  Portugeezen. 
Daarentegen  was  het  hun  bij  doodstraf  verboden ,  zonder 
verlof  des  konings,  dat  echter  nooit  aan  vreemden  ver- 
leend werd,  naar  Indië  te  varen.  Trouwens  zij  zouden 
daartoe  niet  in  staat  geweest  zijn.  Hunne  schepen  waren 
niet  gebouwd  voor  den  indischen  oceaan  en  de  door  de 
Portugeezen  en  Spanjaarden  angstvallig  geheim  gehouden 
zeerouten  bleven  hun  onbekend. 

De  Nederlanders  geraakten  in  1568  in  verzet  tegen  den 
koning  van  Spanje,  en  toen  in  1580  koning  Philip  II, 
na  het  uitsterven  van  het  Portugeesche  koningshuis ,  zich 
ook  van  Portugal  had  meester  gemaakt ,  werd  den  Neder- 
landers de  vaart  op  Lissabon  verboden,  hoewel  die  in 
zekeren  zin  toch  oogluikend  werd  toegelaten,  daar  de 
Spanjaarden  behoefte  hadden  aan  touw,  hout,  pek,  teer 
en  ander  scheepsmateriaal ,  die  zij  alleen  uit  Holland 
krijgen  konden  en  die  zij  noodig  hadden  om  o.  a.  de 
Armada  van  1588  uit  te  rusten  (De  Jonge  I,  p.  5 — 6, 
noot  4).  Dit  bracht  de  Nederlanders  er  toe  eene  noorde- 
lijke vaart  naar  Indië  te  zoeken,  welke  tochten  echter 
alle  jammerlijk  mislukten  (bldz.  70  en  92. 

Onderwijl  was  de  predikant  Peter  Plancius  eene  collectie 
van  25  zeekaarten  plus  tekst  van  den  kosmograaf  en  scheeps- 
meester  des  konings  van  Spanje,  Bartholomeo  de  Lasso, 
machtig  geworden,  die  op  last  der  Staten-generaal  van 
17  April  1592  door  een  Amsterdamschen  Boekdrukker 
gedrukt  werden.  Een  half  jaar  later  keerde  Jan  Huijgen 
van  Linschoten,  die  op  Portugeesche  schepen  tot  het  uiterste 
Oosten  was  gevaren,  naar  zijn  vaderland  terug,  zoodat 
allengs  het  geheim  der  „  groote  vaart  "•  bekend  werd. 


278 

In  1594  werd  te  Amsterdam  door  negen  aanzienlijke 
kooplieden  en  reeders  eene  maatschappij  voor  de  vaart 
om  de  Kaap  de  Goede  Hoop,  onder  de  benaming  van 
„Compagnie  van  Verre"  opgericht.  De  eerste  vloot  van 
4  schepen  zeilde  in  April  1595,  onder  bevel  van  admiraal 
Houtman,  die  in  Portugal  geweest  was,  en  ook  waar- 
schijnlijk gebruik  maakte  van  de  hierboven  genoemde 
zeekaarten  van  Plancius,  uit  Nederland  weg,  kwam  ge- 
lukkig naar  Indië  en  keerde  eerst  na  eene  afwezigheid 
van  21/*  jaar  terug. 

In  1597  werd  de  „Nieuwe  Compagnie"  voor  de  vaart 
op  Oost-Indië  opgericht,  die  16  Januari  1598  gelijke 
privileges  bekwam  als  de  oude  compagnie.  Beide  com- 
pagniën  echter  vereenigden  fcich,  die  voor  hare  voor- 
genomen reis  in  1598  te  samen  reeds  7  684  66  gulden 
hadden  bijeengebracht. 

De  in  1598  of  1599  opgerichte  Brabantsche  Compagnie 
werd  door  de  bemoeiing  van  den  burgemeester  van  Am- 
sterdam met  de  Compagnie  van  Verre  samengesmolten, 
zoodat  de  eerste  gemeenschappelijke  expeditie  in  1601, 
onder  bevel  van  den  beroemden  admiraal  Heemskerk, 
plaats  had. 

Verscheidene  andere  kleine  compagniën  te  Alkmaar, 
Hoorn  en  Enkhuizen  werden  successievelijk  met  de  oude 
compagnie  samengesmolten  (p.  71). 

Eindelijk  werd  bij  Octrooi  van  20  Maart  1602  de  Generale 
Nederlandsche  Geoctroyeerde  Oost-Indische  Compagnie 
gesticht,  die  alle  kleinere  compagniën  verslond  of  onmo- 
gelijk maakte  (p.  73). 

Wij  slaan  nu  als  welbekend  de  verrichtingen  der  Neder- 
landers in  de  Oost  over  en  gaan  tot  het  derde  hoofdstuk 
over,  hetwelk  over  de  Nederlanders  in  Japan  handelt, 
het  eigenlijk  doel  van  dit  omvangrijk  werk. 

Twee  burgers  van  Enkhuizen,  Jan  Huijgen  van  Lin- 
schoten  en  Dirk  Gerritszoon  worden  als  de  eerste  Hol- 
landers genoemd,   die   op   portugeesche   schepen  of  in 


279 

portugeeschen  dienst,  Japan  bezochten.  Eerstgenoemde 
kwam  in  1583  of  84  naar  dit  land  en  de  tweede  vertoefde 
daar  van  31  Juli  1585  tot  1  Maart  1586.  Beide  verlieten 
Azië  in  1589  en  in  1590  was  Gerritsz.  weder  thuis ,  waar 
hij  den  spotnaam  China  kreeg  1). 

Linschoten,  die  in  1592  naar  Enkhuizen  teruggekeerd 
was,  publiceerde  in  1595  zijn  „  Reys-Geschrift  van  de 
Navigatiën  der  Portugaloysers  in  Oriënten",  een  werk, 
dat  de  tot  nog  toe  geheim  bewaarde  kennis  der  portu- 
geesche  zeelieden  voor  iedereen  toegankelijk  maakte. 

Door  den  financieelen  steun  van  Van  der  Hagen  (op- 
zichter der  naar  hem  genoemde  Rotterdamsche  Compagnie) 
en  van  Johan  van  der  Veken,  werd  eene  expeditie  uit- 
gerust, die  ten  doel  had  Japan  door  de  Staat  van  Ma- 
gelhaen  te  bereiken. 

De  kosten  der  uitrusting  dezer  expeditie  bedroegen  niet 
minder  dan  vijf  ton. 

Dirk  Gerritsz.  nam  zelf  aan  de  expeditie  deel,  en  de 
vijf  schepen  verlieten  den  27  Juni  1598  het  vaderland. 
Na  eene  ellendige  reis,  vol  ontberingen  en  gebrek,  be- 
reikte van  die  vijf  schepen  slechts  één,  Het  Geloof,  den 
14en  juli  den  Maasmond.  Van  de  500  man  die  den  tocht 
medegemaakt  hadden,  kwamen  niet  meer  dan  36  terug, 
zoodat  Van  der  Hagen  totaal  geruineerd  werd,  en  slechts 
Van  der  Veken  zich  door  zijn  ontzaglijk  vermogen  nog 
staande  houden  kon  (p.  96).  Twee  der  overgebleven 
schepen  De  Hoop  en  De  Liefde  konden  zich,  na  duizend 
gevaren  getrotseerd  en  ondenkbare  ellende  geleden  te 
hebben,  in  't  begin  van  November  1599  op  de  Chileensche 
kust  vereenigen.  Aan  boord  bevond  zich  een  Engelschman 
Williams  Adams,  wien  wij  een  omstandig  verhaal  zijner 


1)  Toen  ik  als  elfjarige  knaap  het  stedelijk  Gymnasium  te  Leiden 
bezocht,  in  een  tijd,  dat  ik  reeds  bij  professor  Hoffmann  Chineesch 
leerde,  noemden  nujne  schoolmakkers  mij  nooit  anders  dan  „de 
Chinees",  't  Schijnt,  dat  China  altijd  den  lachlust  der  Nederlanders 
opgewekt  heeft. 


280 

avonturen  te  danken  hebben.  Maar  de  schepen  werden 
den  22  en  23  Februari  van  het  jaar  1600  door  een  ver- 
schrikkelijken  storm  overvallen,  die  ze  scheidde.  Van 
het  admiraalschip  De  Hoop  werd  nooit  meer  iets  verno- 
men, maar  het  schip  De  Liefde,  aan  boord  van  'twelk 
zich  Adams  bevond,  bereikte  eindelijk  tegen  medio  April 
de  kust  van  Japan  (p.  99). 

Van  de  geheele  equipage  waren  nog  slechts  24  man, 
gezonde  en  zieke,  overgebleven,  waarvan  slechts  5  in 
staat  waren  te  loopen.  Drie  van  dit  getal  stierven  reeds 
den  volgenden  dag  na  hunne  aankomst ,  maar  de  overige 
zieken  genazen  op  drie  na.  Volgens  de  jap.  wetten  moest 
het  schip  als  strandgoed  beschouwd  worden,  maar  men 
liet  de  equipage  in  't  leven  en  beroofde  hen  slechts  van 
verscheidene  artikelen. 

De  landheer  van  Bungo  verschafte,  in  afwachting  van 
nadere  bevelen  van  het  Hof ,  aan  de  zieke  equipage  huis- 
vesting aan  wal. 

Het  schip  zelf  werd  nu  onder  bevel  van  Adams  (de 
admiraal  Quaeckernaeck  bevond  zich  onder  de  zieken), 
naar  een  goede  haven,  waarschijnlijk  Funai,  gebracht 
Daar  beijverden  zich  de  Portugeezen  de  Nederlanders 
bij  de  jap.  overheden  zwart  te  maken  door  ze  te  beschul- 
digen zeeroovers  te  zijn.  Iyeyasu  liet  derhalve  genoemden 
Adams  tot  zich  roepen,  en  uit  een  langdurig  verhoor 
verkreeg  hij  de  overtuiging,  dat  de  beschuldigingen  der 
Portugeezen  voortsproten  uit  politieken  en  godsdienstigen 
haat  jegens  de  Nederlanders  en  uit  vrees  voor  handels- 
concurrentie. 

Adams  werd  nu  na  41  dagen  weder  vrijgelaten  en  op 
bevel  van  Iyeyasu  het  schip  naar  Yedo  gebracht.  Voor 
de  den  Hollanders  ontnomen  koopwaren  en  werktuigen, 
liet  hij  eene  schadeloosstelling  van  50  000  realen  betalen. 

Het  schip  leed  echter  bij  Uraya  schipbreuk,  zoodat  de 
equipage  hare  reis  naar  Yedo  over  land  moest  voort- 
zetten (p.  101). 


281 

Melchior  van  Santvoort,  de  koopman  van  De  Liefde, 
hield  zich  met  de  handelstransacties  bezig ,  terwijl  Adams 
zich  in  de  hooge  gunst  \an  Iyeyasu  mocht  verheugen 
wegens  zijne  kennis  vangeschutkunst ,  mathesis  en  scheeps- 
bouw. Hij  bouwde  voor  Iyeyasu  verscheidene  schepen, 
en  ontving  tot  dank  daarvoor  een  stuk  land  met  de  be- 
volking, dat  hem  een  jaarlijks  inkomen  van  250koku  1) 
rijst  inbracht ,  vertegenwoordigende  eene  som  gelijkstaande 
aan  bijkans  fl.  4500.  Te  vergeefs  echter  smeekte  Adams 
om  naar  zijne  vrouw  en  kinderen  te  mogen  terugkeeren. 
Iyeyasu  had  zijne  diensten  te  veel  noodig  (p.  102).  Den 
anderen  Hollanders  verleende  hij  evenwel  verlof  naar  hun 
vaderland  terug  te  keeren,  zoodra  zich  eene  gelegenheid 
|  daartoe  aanbood. 

Eerst  in  1603  werd  die  gelegenheid  hun  door  Foye 
Sanma,  landheer  van  Hirado  (Firando),  verschaft.  Hij 
rustte  op  eigen  kosten  (+  fl.  5000)  een  schip  uit  om  ze 
naar  de  nederl.  nederzetting  in  Patani,  op  de  oostkust 
van  het  maleische  schiereiland ,  te  brengen.  Niet  zoo  zeer 
uit  menschlievendheid ,  maar  om  den  handel  der  Neder- 
landers met  Japan  naar  zijn  land  te  leiden;  want  de 
portugeesche  schepen  voeren  nu  alle  naar  Nagasaki.  Het 
schip  kwam  2  December  1605  in  Patani  aan.  Aan  Adam's 
voorspraak  hadden  zij  het  te  danken,  dat  hun  passen 
van  vrijhandel  verleend  werden. 

Van  Santvoort  begon  in  Patani  voor  eigen  rekening 
handel  te  drijven  en  ging  herhaalde  malen  naar  Japan 
terug  om  in  peper,  zijde,  visch,  huiden  en  Japansche 
granen  te  handelen  (p.  104). 

Vrij   spoedig   na   hnnne   aankomst  in  Patani  vernam 

!  Van   Santvoort   dat   eene,   door  de  V.  O.-I.  Compagnie 

den   12  Mei  1605  uitgezonden  groote  vloot,  onder  bevel 


1)  In  China  en  Japan  werden  oudtijds  de  ambtenaren  in  natura, 
d.  w.  z.  rijst,  betaald.  Men  zie  mijn  Nederl.-Chineesch  woordenboek 
s.  v.  natuur  4,  Deel  II,  p.  1062.  De  koku  of  hectoliter  rijst  was 
destijds  +  fl.  18  waard. 


282 

van  zijn  neef  Cornelis  Matelief,  in  de  indische  wateren 
was  aangekomen. 

Santvoort  reisde  dus  naar  Jbhore ,  aan  de  zuidkust  van 
't  maleische  schiereiland ,  om  zijn  neef  te  ontmoeten ,  die 
last  had  de  portugeesche  vesting  Malakka  te  belegeren. 
Hij  bereikte  de  hollandsche  vloot  den  19  Augustus  1606 
en  overhandigde  aan  zijnen  neef  den  japanschen  vrijbrief 
en  de  brieven  van  Iyeyasu  aan  de  hollandsche  regeering. 
Niet  zonder  grooten  tegenstand  van  den  scheepsraad  werd 
Santvoort  tot  kapitein  van  de  Erasmus  benoemd  daar 
hij  gaarne  zag,  dat  deze  ook  een  penningske  zou  ver- 
dienen. Onderwijl  echter  kwam  eene  sterke  portugeesche 
vloot  van  36  schepen  met  6000  koppen  bemand  om  Ma- 
lakka te  ontzetten,  zoodat  de  nederl.  vloot,  die  reeds 
3 '/i  maand  deze  vesting  tevergeefs  belegerd  had,  zich 
tegen  de  portug.  vloot  moest  keeren.  In  October  1606 
werd  een  verschrikkelijke  zeeslag  geleverd,  waarbij  de 
Portugeezen  23  schepen  en  4000  man,  de  Hollanders  slechts 
2  schepen  en  700  man  verloren.  Bij  die.  gelegenheid  werd 
de  arme  Quaeckernaeck  door  een  musketkogel  gedood. 
Het  beleg  van  Malakka  moest  echter  opgeheven  worden , 
hetgeen  de  overwinning  der  Nederlanders  wel  eenigszins 
twijfelachtig  maakt. 

Den  12  Juni  1607  vertrok  Matelief  nu  met  drie  schepen, 
de  Oranje ,  Mauritius  en  Erastnus,  van  Ternate ,  waarheen 
hij  de  wijk  genomen  had,  naar  China;  hij  kwam  echter 
niet  verder  dan  Canton  en  werd  door  storm  gedwongen 
weder  naar  Patani  terug  te  keeren  (p.  106—106),  van 
waar  de  opperkoopman  Victor  Sprinckel  een  schrijven 
aan  Iyeyasu  richtte  (14  Febr.  1608),  ten  einde  weder 
handelsrelaties  met  Japan  aan  te  knoopen  (p.  107 — 108). 

Onderwijl  hadden  de  heeren  Zeventienen  Japan  niet 
uit  het  oog  verloren,  en  in  hunne  vergadering  van  Fe- 
bruari 1606  werd  besloten  den  Stadhouder  Prins  Maurits 
van  Oranje  te  verzoeken  een  brief  aan  den  Sjogoen  van 
Japan   te   richten  en  aan  de  Amsterdamsche  Kamer  last 


r 


283 

te  geven  „een  klein  presentje  "  voor  hem  gereed  te  maken. 
De  admiraal  Pauwels  van  Caerden  werd  met  de  overbrenging 
van  dien  brief  en  die  geschenken  belast  en  zeilde  20  April 
1606  naar  Indië,  zonder  evenwel  zijn  last  betrekkelijk  Japan 
te  hebben  kunnen  uitrichten,  daar  hij  opgehouden  werd 
door  de  krijgsoperatiën  in  de  Molukken ,  gedurende  welke 
hij  twee  maal  in  Spaansche  gevangenschap  geraakte. 

Den  22  Dec.  1607  werd  wederom  eene  vloot  van  13 
schepen,  waarvan  de  uitrusting  2,796.233  gulden  gekost 
had ,  onder  bevel  van  Pieter  Willemsz.  Verhoef,  naar  Indië 
gezonden.  Twee  van  deze  schepen  waren  op  kosten  der 
Staten-Generaal  uitgerust  en  met  geschut  en  ammunitie 
voorzien  (p.  109). 

In  Bantam  vernam  Verhoef,  dat  een  groot  portug. 
handelsvaartuig  tegen  het  einde  van  1608  van  Macao 
naar  Japan  zoude  vertrekken ,  en  zond  derhalve  met  eene 
sloep  last  aan  de  beide  schepen  De  Vereenigde  Leeuw  met 
Pijlen  en  het  jacht  De  Griffioen,  zoo  doenlijk  dit  kost- 
bare portugeesche  schip  te  vermeesteren  1). 

De  Portugeezen  hadden  onderwijl  lont  geroken  en  hun 
schip  reeds  den  10  Mei  uit  Macao  doen  wegzeilen. 

Men  besloot  dus  direct  naar  Japan  te  varen ,  waar  men 
1  Juli  aankwam  en  vernam,  dat  de  rijke  portugeesche 
Karak  twee  dagen  vroeger  in  Nagasaki  was  aangekomen 

(p.  Hl). 

De  vorst  van  Hirado  ontving  de  Nederlanders  vrien- 
delijk en  kocht  hun  hunne  lading,  met  een  verlies  voor 
hem  van  fl.  1200,  af,  uit  vrees  dat  anders  de  gouverneur 
van  Nagasaki  dat  slaatje  zoude  genieten. 

Deze  gouverneur  verschafte  echter  toch  den  Nederlanders 
de  gelegenheid  naar  het  Jap.  hof  te  reizen,  ten  einde  den  brief 
van  prins  Maurits  te  kunnen  overhandigen  en  een  vriend- 
schaps-  en  handelsverdrag  met  Japan  te  sluiten  (p.  112). 


1)  De  waarde  der  lading  van  dit  schip  werd  door  Specx  op  8 
millioen  ducaten  geschat. 

20 


284 

Gedeeltelijk  werd  dit  doel  bereikt ,  en  na  hunne  terug- 
komst in  Hirado  besloot  de  Groote  Scheepsraad  den  20 
Sept.  1609  een  brandvrij  gebouw  in  Hirado  te  huren, 
en  tot  opperkoopman  der  factorij  Jacques  Specx  te  be- 
noemen. DgzQj  die  reeds  als  knaap  de  gedenkwaardige 
driejarige  belegering  van  Ostende  (1601 — 4)  mede  gemaakt 
had,  telde  toen  niet  meer  dan  21  —22  jaren. 

Weldra  echter  had  hij  zich  door  zijn  ernstig  wezen  en 
diplomatischen  tact  eene  geachte  positie  bij  de  wantrou- 
wende Japanners  verworven  (p.  115). 

Den  2  Oct.  1609  verlieten  beide  bovengenoemde  schepen 
Japan  en  kwamen  30  October  te  Patani  aan.  Van  daar 
vertrok  De  Leeuw  met  Pijlen  naar  Nederland,  waar  het 
den  20  Juli  1610  te  Texel  landde  en  o.  a.  9  kisten  Japansch 
lakwerk  en  9227  stuk  porcelein  medebracht. 

Hiermede  was  dus  het  vaste  kantoor  voor  den  Nederl. 
handel  in  Japan  gevestigd,  dat  tot  onze  eeuw  toe  heeft 
geduurd  en  waardoor  Japan ,  dat  later  zijn  land  voor  alle 
vreemdelingen  afsloot ,  voeling  hield  met  de  Europeesche 
wereld. 


In  het  4e  Hoofdstuk  geeft  de  heer  Nachod  ons  nu  eene 
schets  van  den  toestand  van  Japan  ten  tijde  der  eerste 
betrekkingen  met  Nederland  en  de  hervormingen  door 
Iyeyasu ,  een  der  grootste  staatsmannen  die  Japan  ooit 
bezeten  heeft,  ingevoerd. 

De  buitenlandsche  handel  leverde  vele  voordeden  voor 
Japan  op,  en  Iyeyasu  was  er  steeds  op  bedacht  die 
handelsbetrekkingen  zooveel  doenlijk  te  begunstigen ; 
want  niet  alleen  dat  hij  met  de  Portugeezen  en  Hollanders 
handelsverkeer  had,  hij  liet  ook  in  1608,  toen  het  Spaansche 
schip  waarop  de  gouverneur  der  Philippijnen  Rodrigode 
Vivero  y  Velasco  naar  Acapulco  zeilen  wilde,  op  de  Ja- 
pansche  kust  schipbreuk  geleden  had,  een  ander  schip 


285 

voor  hem  door  Adams  bouwen,  ten  einde  handelsbetrek- 
kingen met  Mexico  aan  te  knoopen,  vooral  om  geschikte 
spaansche  bergwerkers  uit  de  mijnen  van  daar  te  krijgen, 
ten  einde  de  Japansche  bergwerken  te  kunnen  exploiteeren. 
Maar  hoewel  de  door  Iyeyasu  medegezonden  Japanners 
in  Mexico  schitterend  ontvangen  werden ,  kwam  toch  deze 
overeenkomst  niet  tot  stand  (p.  131 —132). 

De  Japansche  scheepvaart  bepaalde  zich  tot  kust-  en 
riviervaart ,  met  uitzondering  van  verscheidene  zeeroovers- 
tochten  op  de  Chineesche  kust  en  de  Philippijnen. 

De  groote  wegen  werden  met  zorg  onderhouden  en 
altijd  vol  volks. 

De  verhouding  van  goud  tot  zilver  was  als  1 :  12  ge- 
stegen tegen  vroeger  1 :  9|,  waarschijnlijk  ten  gevolge  van 
den  uitvoer  van  goud  door  de  Portugeezen  (p.  133).  De 
heer  Nachod  schijnt  Klaproth's  Fransche  vertaling  van 
het  vertoog  over  den  Rijkdom  van  Japan,  in  1708  door 
Arrai,  vorst  van  Tsikoego,  geschreven  (Journal  asiatique 
Juillet,  1828),  door  Prof.  Hoffmann  uit  het  Fransch 
vertaald  1),  niet  gekend  te  hebben.  De  4  §§,  die  over 
den  uitvoer  der  edele  metalen  ten  gevolge  van  het  verkeer 
met  vreemde  natiën  van  1601  tot  1708  handelt,  zijn  vooral 
lezenswaardig. 

Het  verbod  tegen  den  Christelijken  godsdienst  en  den 
vreemden  handel  vloeide  hoofdzakelijk  daaruit  voort  dat 
de  bekeerde  Japansche  Christenen  alle  jaren  verbazende 
sommen  buitenslands  zonden  om  van  de  monniken  de  rust 
hunner  zielen  te  koopen.  (Sic!) 

Van  het  3e  jaar  der  periode  Sjó-to  (lees  Syau-hau)  1646, 
tot  het  5e  jaar  der  periode  Foyei  (lees  Hau-yet)  1708, 
dus  in  een  tijdruimte  van  61  jaren,  waren  2,397,600  gouden 
Kobans  en  37,420,600  Kronen  zilver  uitgevoerd,  en  van 
1663  tot  1708,  of  in  36  jaren,  1,114,498,700  ponden  aan 
koper  in  staven. 

1)  Tijdschrift  voor  Staathuishoudkunde  en  Statistiek,  lle  dl., 
6e  stuk. 


286 

Van  1611  tot  1706  werd  alleen  uit  Nagasaki  6,192,800 
Kobans  goud  en  112,268,700  Kronen  zilver  uitgevoerd, 
benevens  2,228,997,500  pond  koper  in  staven. 

De  gouddorst  der  europeesche  kooplieden  en  monniken 
sleepte  die  rijkdommen  naar  Europa ,  waar  zij  de  waarde 
van  het  goud  belangrijk  deden  dalen. 

Een  groot  gedeelte  daarvan  vloeide  3  eeuwen  later  naar 
China  terug ,  waar  de  europeesche  koopman  zijne  thee  en 
zijde  met  geld  moest  betalen,  totdat  de  christelijk-vrome 
Engelschen  op  het  snuggere  idéé  kwamen  de  Chineezen  met 
opium  te  vergiftigen  in  plaats  van  ze  met  zilver  en  goud 
te  betalen. 

Waarlijk ,  in  alle  betrekkingen  der  Europeanen  met  het 
Oosten ,  stuit  men  op  laagheid ,  gemeenheid  en  hebzucht. 

Moet  men  zich  dan  nog  daarover  verwonderen,  dat 
geciviliseerde  volken,  zooals  de  Japanners  en  Chineezen 
waren,  ons  als  verachtelijke  barbaren  beschouwden,  die 
men   zich  zooveel  mogelijk  van  het  lijf  moest  houden? 

De  schrijver  gaat  nu  voort  met  de  beschrijving  der 
toenmalige  in  omloop  zijnde  Japansche  munten  (p.  134 — 
135),  verklaart  den  oorsprong  der  nederlandsche  uitdruk- 
king „eene  ton  gouds",  die  niet  een  vat  met  goud  be- 
teekent,  maar  eene  som  van  honderdduizend  gulden, 
evenzooals  in  Japan  eene  kist  zilver  beduidde  1000  tahil  = 
fl.  3125  (p.  136).  De  Hollandsche  gulden  was  tot  1681 
slechts  eene  rekenmunt  Als  geld  diende  sinds  1542  de 
Carolus-gulden  van  20  stuivers  of  40  grooten.  Zij  waren 
van  19,06  gram  fijn  zilver  en  dus  bijkans  zooveel  waard 
als  fl.  2,02  van  den  hedendaagschen  gulden. 

Maar  de  waarde  ervan  daalde  spoedig ,  zoodat  de  Carolus 
in  1610  nog  nog  slechts  fl.  1,15  gold.  Den  25  Sept.  1681 
lieten  de  Staten  guldens  slaan  van  9,61  gram  fijn  zilver, 
die  tot  1839  koers  hadden  en  toen  tot  9,45  gram  verlaagd 
werden. 

Veel  werd  door  de  Nederlanders  in  de  Oost  gebruik 
gemaakt   van    de   Spaansche  reaal,   die  van  fl.  2,35  tot 


287 

2,50   gerekend   werd,    dus   ongeveer   gelijk   aan   onzen 
rijksdaalder  (p.  138). 

In  't  algemeen  gaf  dus  de  toestand  van  Japan ,  ten  tijde 
dat  de  Hollanders  daar  kwamen,  een  beeld  van  eenwel- 
geordenden ,  welvarenden  en  bloeienden  staat ,  daar  er  eene 
levendige  navraag  bestond  naar  de  voortbrengselen  der 
europeesche  kuituur  en  de  waren  van  Indië  en  China, 
die  hun  door  de  Portugeesche  schepen  gebracht  werden. 


Het  5e  Hoofdstuk  geeft  ons  een  overzicht  der  betrek- 
kingen der  Compagnie  met  Japan  gedurende  den  duur 
der  factorij  in  Hirado,  die  sinds  2  October  1609  onder 
beheer  stond  van  Specx,  waar  hij  bij  gebrek  aan  koop- 
waar zoo  goed  als  niets  uitrichten  kon. 

Het  verlies  van  het  rijk  geladen  portugeesche  schip 
met  eene  waarde  van  8  millioen  ducaten,  bracht  onzen 
mededingers,  den  Portugeezen,  een  gevoeligen  slag  toe. 
De  Japanners  nl.,  woedend  over  de  doodstraf  aan  eenige 
Japanners  te  Macao  voltrokken ,  eischten  dat  de  kapitein 
van  genoemd  schip  daarvoor  voor  eene  Japansche  recht- 
bank zoude  terechtstaan.  Op  de  weigering  des  kapiteins, 
vielen  nu  de  Japanners  in  de  baai  van  Nagasaki  zijn  schip 
aan,  en,  na  een  verwoed  gevecht,  zag  zich  de  kapitein 
genoodzaakt  zijn  schip  in  de  lucht  te  doen  vliegen.  Aan 
boord  bevonden  zich  2600  pikol  ruwe  zijde  en  150—160 
kisten  zilver,  waarvan  7  jaren  later  nog  70  door  een 
koopman  uit  Miaco  werden  opgevischft 

Specx,  die  tevergeefs  op  het  beloofde  hollandsche  schip 
wachte,  zond  in  November  1610  zijne  kameraden  Hans 
Verstreepen  en  Nicolaas  Pietersz.  met  eenig  Japansch 
zilver  en  lakwerk  naar  den  hollandschen  opperkoopman 
Heijn  in  Siam  met  eene  dringende  bede  den  Japanschen 
handel   te  ondersteunen.   Gelijk  verzoek  richtte  hij  ook 


288 

bij  brief  van  3  November  aan  de  Heeren  Zeventienen  1). 

Laken,  stoffen,  glas,  spiegels,  geweren,  lood,  ijzer, 
leder,  tapijten  en  kleederen,  dekens,  kannen,  noemt  hij 
als  de  meest  gewilde  nederl.  artikelen.  Voor  alle  Chineesche 
waren,  schreef  hij,  voornamelijk  ruwe  zijde,  waren  de 
prijzen  hooger  dan  ooit  in  Japan,  waarschijnlijk  wel  ten 
gevolge  van  den  ondergang  van  het  rijkgeladen  schip, 
waarvan  wij  zooeven  spraken. 

Het  schijnt  dat,  kort  daarop,  Specx  zelf  naar  Patani 
ging  om  van  daar  koopwaren  te  halen,  en  in  het  begin 
van  1611  met  de  jacht  de  Broek  weder  naar  Hirado 
terugkwam. 

Specx  was  nu  in  staat  gesteld  de  reis  naar  het  hof  te 
aanvaarden,  om  zich  bij  den  Sjogoen  over  het  uitblijven 
van  de  Hollandsche  schepen  te  verontschuldigen  en  een 
nader  verkeer  te  verkrijgen.  Hij  verliet  Hirado  den  16 
Juni  1611  en  kwam  medio  Augustus  te  Soeroega,  waar 
Iyeyasu  verblijf  hield,  aan. 

Daar  hoorde  hij  dat  de  Sjogoen  een  Portugeesch  ge- 
zantschap zonder  antwoord  had  teruggezonden  en  een 
spaansch  gezantschap  zeer  ongunstig  ontvangen  had 
(p.  144). 

Specx  werd  echter ,  dank  zij  de  voorspraak  van  Adams, 
zoowel  bij  Iyeyasu,  als  later  aan  het  hof  te  Yedo  wel- 
willend ontvangen,  niettegenstaande  hij  slechts  geschenken 
van  geringe  waarde  kon  aanbieden  (p.  146 — 147). 

Het  tegengeschenk  van  den  Sjogoen  bestond  uit  2 
japansche  wapenrustingen,  2  japansche  staatsierokken 
(Kasane  2)  of  Kimono),  door  Montanus  „hemden19  genoemd, 
<ai  een  Cattava  (?)  voor  Specx,  en  in  een  wapenrusting, 
tien  rokken  en  een  Cattava  aan  Segerszoon.  Nachod  houdt 
Cattava   voor  een  soort  zwaard.  In  dit  geval  moet  men 


1)  Beide  origineelen  zijn  in  het  Rijks  Archief  in  Den  Haag  aan- 
wezig. 

2)  De  Kasane  was  eenc  lange  tuniek  door  de  Keizers  van  Japan 
en  de  Kuge  of  hofadel  gedragen. 


289 

Katana  lezen,  dat  inderdaad  in  't  Japansch  een  zwaard 
beteekend.  In  handschriften  zijn  de  n  en  de  v  dikwijls 
niet  van  elkander  te  onderscheiden ,  en  de  v  in  Montanus 
is  wellicht  eene  drukfout  voor  n. 

In  Augustus  1612  kwam  eindelijk  het  lang  verwachte 
schip  uit  Nederland  de  Leeuw  met  Pijlen  in  Hirado  aan. 

Hendrik  Brouwer ,  bestemd  om  opvolger  te  worden  van 
Specx ,  had  zich  te  Batavia  in  dit  schip  ingescheept ,  die  dan 
ook  de  gebruikelijke  hofreis  naar  den  Sjogoen  ondernam, 
waar  de  gebruikelijke  geschenken  van  weerskanten  werden 
aangeboden. 

De  Sjogoen  wenscht  echter  ernstig  dat  de  Hollandsche 
schepen  voortaan  in  de  aan  den  ingang  der  bocht  van 
Yedo  gelegen  haven  Uragu  zouden  binnenloopen.  Brouwer 
echter  weigerde  aan  dezen  wensch  gehoor  te  geven,  en 
Iyeyasu  schijnt  daarop  ook  later  niet  te  zijn  teruggekomen. 

De  weigering  was  zeer  dwaas,  want,  zooals  de  heer 
Nachod  meent,  zouden  de  Hollanders  in  dit  geval  niet 
zooveel  overlast  gehad  hebben  van  de  roofzucht  der  plaat- 
selijke gouverneurs,   zooals  later  in  Nagasaki  (p.  151). 

De  Leeuw  bracht  ook  het  antwoord  van  Prins  Maurits 
aan  den  Sjogoen  mede,  waarin  hij  hem  hoofdzakelijk 
tegen  de  intrigues  der  Portugeezen  waarschuwde ;  maar  de 
Japanners  hadden  de  laatsten  te  veel  noodig,  daar  zij 
hen  van  Chineesche  zijde  voorzagen ,  die  de  Hollanders , 
bij  gebrek  van  directen  handel  met  China,  slechts  uit  de 
tweede  hand,  dus  duurder,  konden  leveren. 

De  onderlinge  naijver  dezer  beide  handeldrijvende  natiën 
die  hen  tot  de  belachelijkste  verdachtmakingen  voerde, 
is  voor  beide  later  zeer  noodlottig  geworden. 

Een  geduchte  concurrent  voor  den  handel  naar  Japan 
waren  echter  de  Chineezen ,  die  eveneens  zijde  naar  Japan 
brachten.  In  1610  waren  de  prijzen  daarvan  nog  zeer  hoog, 
maar  thans  klaagde  Specx  in  een  brief  van  2  November 
1612,  in  's  Rijks  Archief  te  Den  Haag  bewaard,  dat  de 
Chineezen  met  30  jonken  verschenen  waren  waardoor  de 


290 

prijs  van  de  ruwe  en  bewerkte  zijde  zeer  gedaald  was 
(p.  155). 

Brouwer  was  er  dus  op  bedacht  een  directen  handel 
met  China  te  verkrijgen  en  sloeg  derhalve  den  Gouverneur- 
Generaal  in  een,  eveneens  in  't  Rijks- Archief  bewaard 
gebleven  brief  van  13  Febr.  1613,  voor  eene  factorij  op 
Formosa  te  vestigen,  daar  onze  scheepsmacht  te  zwak 
was  om  het  met  de  Portugeezen  op  te  nemen. 

Aan  dit  zeer  verstandige  voorstel  werd  echter  eerst 
tien  jaren  later  gevolg  gegeven  (p.  156). 

De  concurrentie  voor  de  Nederlanders  werd  nog  scherper 
doordat  de  Engelsche  O.-I.  Compagnie  nu  ook  directen 
handel  op  Japan  ging  ondernemen.  John  Saris,  bevel- 
hebber van  het  engelsch  schip  Clove^  verkreeg  door  tus- 
schenkomst  van  zijn  aan  het  japansche  hof  zoo  invloed- 
rijken landsman  Adams,  de  meest  gunstige  voorwaarden : 
onbelemmerd  verkeer  en  handel  in  't  geheele  rijk ;  eeuwigen 
vrijdom  van  in-  en  uitgaande  rechten;  verlof  tot  onmid- 
dellijken  verkoop  hunner  waren,  zonder  eerst  verplicht 
te  zijn  geweest  de  hofreis  te  ondernemen;  stipte  en 
prompte  betaling  voor  de  gekochte  goederen;  bescher- 
ming hunner  schepen ,  lading  en  bemanning;  eigen  rechts- 
pleging (and  all  offences  committed  by  them,  shall  be 
at  the  said  merchants  (het  opperhoofd  der  factorij)  dis- 
cretion  to  punish;  and  our  laws  to  take  no  hold,  either 
of  their  persons,  or  goods  1). 

Ook  mochten  zij  in  het  geheele  rijk  ontdekkingstochten 
ondernemen.  Als  eerste  opperhoofd  der  eng.  factorij  liet 
Saris  Richard  Cook  achter  (p.  159). 

In   Augustus   1614  kwam  eindelijk  Specx  weder  naar 


1)  Sic!  thans  laten  niet  alleen  de  Engelschen,  maar  ook  alle 
andere  in  Japan  vertoevende  of  handeldryvcnde  Europeanen,  zich 
voor  Japansche  rechtbanken  terechtstellen.  Japan  heeft  de  exterri- 
torialiteit die  de  Europeanen  in  alle  Oostersche  landen  genoten ,  hun 
met  geweld  ontnomen.  Om  dit  te  kunnen  beseffen  moet  men  weten 
wat  Oostersche  rechters  zyn. 


291 

Japan  terug,  ten  einde  Brouwer  af  te  lossen,  die  in 
1617  tot  directeur  der  Amsterdamsche  Kamer  benoemd 
werd  en  in  1632  als  G.-G.  naar  Batavia  gezonden  werd , 
vanwaar  hij  in  1636  terugkeerde.  In  1641  werd  hij  tot 
Gouverneur  onzer  West-Indische  bezittingen  benoemd , 
maar  stierf  reeds  onderweg  in  1642.  Zijn  portret  kan 
men  nog  in  's  Rijks  Museum  te  Amsterdam  zien. 

Op  bldz.  161  verhaald  ons  de  heer  Nachod  nu  de  be- 
ruchte Christenvervolgingen,  die  in  Japan  in  1614 plaats 
grepen.  Die  vervolging  was  hoofdzakelijk  tegen  de  Ka- 
tholieke geestelijkheid  gericht,  daar  den  Hollanders  en 
Engelschen  geen  overlast  werd  aangedaan,  en  zelfs  de 
handel  met  Spanjaarden  en  Portugeezen  ongehinderd 
werd  voortgezet  (p.  160—161).  Trouwens  de  vervolging, 
die  alleen  in  verbanning  bestond,  was  niet  algemeen, 
maar  beperkte  zich  tot  de  roomsche  geestelijkheid  en 
bevolking  van  sommige  groote  steden.  Met  den  besten 
wil  der  wereld  zegt  Nachod  (p.  163),  had  de  Keizer  de 
l3/4  millioen  japansche  christenen  die  het  land  reeds  in 
1605  telde,  niet  kunnen  treffen. 

Trouwens  de  vervolging  had  geen  godsdiensthaat  (daar- 
voor is  de  Japanner  te  eclectisch),  maar  de  politiek  ten 
grondslag. 

Iyeyasu  had  den  zoon  van  Hideyoshi,  Hideyori, 
uit  het  centraalbestuur  verwijderd.  Deze,  die  nu  groot 
geworden  was,  verzamelde  in  Osaka  alle  ontevredenen 
over  het  strenge  regiment  van  Iyeyasu.  Hideyori's  hof  en 
leger  bestond  hoofdzakelijk  uit  Katholieke  inlanders  en 
de  paters  verzuimden  derhalve  niet  dikwijls  hunne  op- 
wachting bij  hem  te  maken  en  hem  geschenken  te  brengen 
(p.  163).  Iyeyasu,  bekend  met  de  onvoorwaardelijke  ge- 
hoorzaamheid die  de  Katholieken  hunne  geestelijkheid  toe- 
dragen, bekend  met  de  plannen  van  den  Koning  van 
Spanje  zich  van  de  wereldheerschappij  meester  te  maken , 
gewaarschuwd  door  den  Prins  van  Oranje  dat  Spanje 
zich  als  christelijk  vorst  van  Japan  zoude  meester  maken, 


292 

begon  met  eerst  die  lastige  geestelijkheid  op  te  ruimen, 
als  voorspel  van  zijn  strijd  tegen  Hideyori ,  wiens  vesting 
hij  den  9  Juni  1615  vermeesterde ,  bij  welke  vermees  te- 
ring men  zegt  dat  100  000  menschen  sneuvelden  en  Hideyori 
met  zijne  moeder  verbrandden.  Alleen  zijne  vrouw  ont- 
kwam den  dood  (p.  165). 

Iy eyasu  schijnt ,  naar  alles  te  oordeelen ,  een  verstandig , 
hoewel  gestreng  regent  te  zijn  geweest  en  zijne  „100 
wetten  ",  die  hij  slechts  als  leiddraad  voor  zijne  opvolgers 
bestemd  had ,  zijn  200  jaar  rechtskrachtig  geweest ,  terwijl 
alom  in  't  land  welvaart  heerschte  (p.  165). 

De  Nederl.  handel  leed  echter  onder  alle  deze  beroeringen 
sterk.  In  't  jaar  1615  bedroeg  de  Nederl.  invoer  slechts 
fl.  57,000,  waaronder  nog  fl.  15  000  afkomstig  waren 
van  eene  gekaapte  Portugeesche  jonk.  De  uitvoer  bedroeg 
in  1615  slechts  fl.  66  000  en  in  1616  fl.  195  000  (p.  167). 

Specx  was  echter  zelf  zoo  overtuigd  dat  die  vermeestering 
eener  Portugeesche  jonk  zuivere  zeeroof  was ,  dat  hij  zich 
daaromtrent  schriftelijk  bij  den  Sjogoen  verontschuldigde , 
onder  voorwendsel  dat  de  Hollanders  alleen  tegen  de 
Portugeezen  en  Spanjaarden  aldus  handelden,  maar  zij 
nooit  in  dier  voege  zouden  optreden  tegen  Chineesche  en 
Japansche  vaartuigen  (p.  167).  Wij  hebben  uit  Groenc- 
veldt's  werk  „De  Nederlanders  in  China"  geleerd,  dat 
dit  een  klaarblijkelijke  leugen  was  en  de  Nederlanders 
zich  ook  in  China  als  zeeroovers  en  slavenhaalders  ge- 
droegen 1). 

De  Sjogoen,  wien  de  zaak  waarschijnlijk  totaal  onver- 
schillig was  —  wat  ging  het  hem  aan  als  die  roodharige 
barbaren  met  andere  barbaren  vochten  —  stond  Specx 
toe  schip  en  bemanning  te  behouden ,  welke  laatste  konde 
dienen  om  ze  tegen  de  in  Manila  en  de  Molukken 
gevangen   gehouden  Hollanders  uit  te  wisselen  (p.  168). 


1)  Vgl.  ook  Nachod,  p.  169—170,  waar  sprake  is  van  de  ver- 
meestering eener  Chineesche  jonk  ter  waarde  van  meer  dan  acht 
ton  gouds. 


293 

Toch  had  die  daad  van  zecroof  het  gevolg  dat  de 
Sjogoen  een  streng  verbod  uitvaardigde,  waarbij  den 
Nederlanders  verboden  werd  in  de  Japansche  wateren 
andere  schepen  te  kapen,  een  maatregel  waarover  de 
Nederlanders  alles  behalve  gesticht  waren,  daar  hun  nu 
de  gelegenheid  benomen  werd  de  van  Macao  verwachte 
rijkbevrachte  Portugeesche  karak  buit  te  maken  (p.  169). 

De  Nederlanders  stoorden  zich  echter  niet  aan  het 
verbod,  zooals  blijkt  uit  den  brief  van  11  Oct.  1617 door 
kapitein  Jan  Dirckz.  Lam  aan  heeren  Zeventienen  ge- 
schreven ;  en  toen  hun  tweede  aanslag  op  de  Portugeesche 
karak  mislukte,  voeren  zij  naar  Manila  en  beroofden 
daar  vele  Chineesche  jonken ,  wier  lading  eene  handels- 
waarde van  meer  dan  61/»  ton  gouds  vertegenwoordigde 
(P.  A.  Tiele,  Bouwstoffen  etc.  Deel  I,  p.  182). 

Interessant  te  lezen  is  de  beschrijving  van  het  tusschen 
Nederland  en  Engeland  op  2  Mei  1619  gesloten  of-  en 
defensief  verbond ,  dat  feitelijk  er  op  neer  kwam  alle  niet 
op  Japan  varende  chineesche  jonken  en  alle  spaansche 
of  portugeesche  schepen  buit  te  maken  (p.  174). 

De  herhaalde  klachten  der  Portugeezen  over  den  zeeroof 
der  Nederlanders ,  bracht  de  Jap.  regeering  er  toe  de  vrij- 
heden dezer  laatsten  aanzienlijk  te  beperken.  O.  a.  werd 
hun  verboden  verder  Japanners  als  soldaten  voor  de 
Compagnie  te  werven,  en  wij  hadden  die  broodnoodig, 
daar  onze  eigen  legermacht  te  gering  was ,  de  inlandsche 
troepen  niet  te  vertrouwen  waren,  en  de  jap.  hulptroepen 
daarentegen  uitstekende  soldaten  waren  (Pompe  van  Meer- 
dervoort,  Vijfjaren  in  Japan,  DL  I,  p.  90;Nachodp.  177). 
Met  de  aftreding  van  Specx,  die  den  10  October  1621 
Japan  verliet ,  eindigt  de  eerste  afdeeling  van  dit  hoofdstuk. 

De  2e  afdeeling  (p.  181  e.  v.)  bevat  de  voorvallen  onder 
Leonardt  Camps  en  Cornelis  van  Neijenrode  (1621 — 1632). 

Onder  het  bestuur  van  eerstgenoemden  geraakte  de 
Engelsche  factorij  in  Japan  op  lager  wal  na  een  tienjarigen 
duur ;  hoofdzakelijk  wegens  de  teleurstelling  ten  opzichte 


294 

der  aldaar  te  verdienen  winsten.  Zij  verloren  in  die  tien 
jaren ,  volgens  Rein  en  Rundall ,  40,000  pond  sterling. 
Camps  mocht  echter  de  vreugde  daarvan  niet  lang  beleven 
en  bezweek  21  Nov.  1623  te  Hirado  aan  koortsen.  Tot 
zijn  opvolger  werd  Cornelis  van  Neijenrode  benoemd. 

Oaderwijl  waren  de  Nederlanders  door  de  Chineezen 
uit  de  Pescadores  verdreven  en  hadden  zich  op  Formosa 
genesteld,  waar  toen  reeds  een  levendige  handel  door 
Japan  met  de  chineesche  kolonisten  aldaar  gedreven  werd. 

Deze  nederzetting  zou  geen  aanleiding  gegeven  hebben 
tot  verzet  van  de  zijde  van  Japan ,  indien  de  altijd  op  de 
dubbeltjes  beluste  Hollanders  geen  uitvoerrecht  van  10  °/0 
gingen  heffen  van  alle  Japanschc  schepen  die  op  Formosa 
handel  dreven;  en  die  handel  was  zeer  voordeelig  voor 
de  Japanners ;  zij  hadden  o.  a.  in  1625  voor  een  kapitaal 
van  70  000  dukaten  aan  de  in  Japan  zoo  gewilde  Chineesche 
zijde  besteed.  Natuurlijk  weigerden  de  Japanners  opgrond 
van  den  hun  verleenden  handelspas  die  rechten  te  betalen  en 
de  Gouverneur  Sonck  liet  toen  15  pikol  van  de  door  de 
Japanners  gekochte  zijde  wegnemen.  De  Jap.  regeering 
was  daarover  (en  niet  ten  onrechte)  verwoed,  want  Holland 
had  geene  meerdere  rechten  op  Formosa  dan  Japan.  Voor- 
loopig  bepaalde  zich  de  Sjogoen  er  toe  aan  Muyser  en 
Bogaert  bij  hun  bezoek  ten  hove  het  hooge  ongenoegen 
der  regeering  te  kennen  te  geven  en  hen  aan  te  manen 
de  van  Keizerlijke  passen  voorziene  Japanners  goed  en 
vriendelijk  te  behandelen,  daar  het  anders  den  Hollanders 
later  mocht  opbreken  Het  werd  hun  ten  strengste  ver- 
boden van  de  Japanners  op  Formosa  rechten  te  heffen 
(p.  191).  De  Gouverneur- Generaal  van  N.-I.  zond  dan  ook 
in  1627  een  bijzonder  gezantschap  naar  Japan  onder 
bevel  van  Pieter  Nuijts.  De  Japanners  van  Formosa, 
geërgerd  door  het  willekeurig  optreden  van  den  door 
Nuijts  op  Formosa  achtergelaten  kommandeur  de  Wit, 
vaardigden  eveneens  een  gezantschap  onder  Fesodonno 
naar  Japan  af  om  daar  over  de  door  hun  geleden  ver- 


295 

drukking  van  de  zijde  der  Nederlanders  te  klagen  (p.  195). 
Ten  gevolge  hiervan  mislukte  de  geheele  zending  van 
Nuijts.  Hij  werd  niet  eens  ten  hove  toegelaten  en  kreeg 
bevel  zoo  spoedig  mogelijk  Japan  te  verlaten  (p.  199). 
Nuijts  scheepte  zich  dan  ook  op  3  Dec.  1627  naar  For- 
mosa  in. 

Fesodonno  met  zijne  Formosaansche  inboorlingen  werd 
echter  vriendelijk  door  den  Sjogoen  ontvangen,  en  hoewel 
de  Japansche  regeering  hun  voorstel  de  souvereiniteit 
op  Formosa  aan  te  nemen  niet  aannam ,  werden  hun  toch 
geschenken  gegeven  en  werden  zij  op  de  heen-  en  terug- 
reis naar  en  van  Yedo  goed  getrakteerd. 

Zij  hadden  7  punten  van  beschuldiging  tegen  de  Nederl. 
op  Formosa  ingebracht  (p.  200—201) ,  en  wij  moeten  tot 
schande  onzer  natie  erkennen,  dat  deze  beschuldigingen 
volkomen  gegrond  waren. 

Uit  woede  over  het  mislukken  van  zijne  zending,  liet 
Nuijts  het  van  Japan  teruggekeerde  Formosaansche  ge- 
zantschap verbieden  te  landen.  Hun  kapitein  Jaffioyedonna, 
die  met  eenige  zijner  gezellen  op  het  kasteel  gekomen 
was  om  daarover  te  onderhandelen ,  werd  gegijzeld  totdat 
de  jonken  alle  hunne  wapens  uitgeleverd  hadden.  De  terug- 
gekeerde Singkangers  marcheerden  in  de  gevangenis,  de 
hun  verleende  geschenken  verbeurd  verklaard  en  onder 
de  Hollanders  verdeeld  (p.  202). 

Nuijts  had  echter  buiten  den  waard  gerekend  en  den 
29  Juni  1628  overviel  Jaffiioye  hem  in  zijn  vertrek  en 
bond  hem.  Toen  Muyser,  die  ontsnapt  was,  van  uit 
het  fort  op  de  Japanners  liet  schieten,  gelastte  Nuijts 
aan  Caron  om  uit  het  venster  te  roepen  „Schiet  niet! 
anders  worden  wij  hier  vermoord" . 

Ook  verder  toonde  hij  een  lafaard  te  zijn ,  en  zag  zich 
gedwongen  4  Juli  een  compromis  te  sluiten ,  waarbij  van 
weerszijden  vijf  gijzelaars  gesteld  werden,  die  voor  de 
Hollanders  uit  het  zoontje  van  Nuijts  en  de  kooplieden 
Muyser,   Van   der   Haege,   Mourcoert   en  Jan  Hartman 


'1 


296 

bestonden  (p.  205).  Deze  tien  gijzelaars  zouden  naar  Japan 
gezonden  en  aldaar  uitgewisseld  worden.  Verder  moest 
Nuijts  de  gevangen  Singkangers  loslaten  en  de  verbeurd 
verklaarde  geschenken  teruggeven.  Ten  slotte  moest  hij 
den  Japanners  200  pikol  zijde,  plus  de  door  Sonck  ge- 
roofde 15  pikol  zijde,  vergoeden  en  wel  tegen  141  Tail 
per  pikol. 

Wegens  geleden  verlies  op  de  200  pikol  zijde  moest 
hij  nog  daarenboven  20  °/©  bodemerij  betalen.  Nadat  aan 
alle  eischen  voldaan  was,  werd  eindelijk  Nuijts  vrijgelaten , 
die  zich  terstond  naar  het  fort  begaf  (p.  206—207). 

Onderwijl  werden  de  naar  Japan  gezonden  Hollandschc 
gijzelaars  zoo  streng  gevangen  gehouden,  dat  de 
Gouverneur-Generaal  Coen  dit  alleen  te  weten  kwam 
door  eenige  inw  Macao  gevangen  Portugeezen.  De  Indische 
regeering  riep  toen  Nuijts  terug  en  belastte  hem  persoonlijk 
met  de  betaling  der  schadeloosstelling  aan  Japan.  Ver- 
volgens werd  de  Raad  van  Indië  Willem  Janszoon  naar 
Japan  gezonden,  ten  einde  de  zaak  in  orde  te  brengen. 
Hij  kwam  daar  den  4  September  1629  aan  en  werd  ter- 
stond aan  dezelfde  vernederende  gevangenschap  als  de 
andere  Nederlanders  onderworpen  1). 

Onderwijl  was  het  Fesodonno  gelukt  de  Japansche 
regeering  over  te  halen  geen  vrijen  handel  aan  de  Neder- 
landers met  Japan  en  Formosa  toe  te  staan,  tenzij  dat 
zij  het  Fort  te  Taiwan  overgaven,  daar  hij  de  hoop 
koesterde  Gouverneur,  ja  wellicht  Daimyo  van  Formosa 
te  worden  (p.  210). 

Na  langdurige  en  pijnlijke  onderhandelingen  verkregen 
de  Nederlanders  eindelijk,  bij  besluit  van  6  Mei  1630, 
verlof  hunne  schepen  te  repareeren  en  hunne  handelsbe- 
trekkingen weder  te  hervatten  (p.  213).  Niettegenstaande 
de    bezwarende    voorwaarden   maakten   zij   toch  in   22 


1)  Brief  van  Jansz.  van  17  Febr.  1630  naar  Batavia,  in  't  Rijks 
Archief  te  Den  Haag  aanwezig. 


297 

maanden  eene  winst  van  acht  ton.  Oorzaak  van  deze 
gunst,  was  de  dood  van  Fesodonno  op  24  Juni  1630. 
Zijne  eerzucht  had  hem  reeds  2  of  3  maanden  te  voren 
tot  volslagen  krankzinnigheid  gebracht,  zoodat  men  ge- 
noodzaakt was  geweest  hem  in  de  ijzers  te  klinken  (p.  213). 

Ten  einde  echter  de  jap.  regeering  volledige  voldoening 
te  geven ,  zag  de  indische  regeering  in  dat  zij  Nuijts,  tegen 
wien  de  gramschap  eigenlijk  gericht  was,  diende  op  te 
offeren.  Hij  werd  in  Juli  1632  met  het  schip  Warmont 
gevankelijk  naar  Japan  gezonden ,  waar  hij  in  September 
aankwam  en  den  dood  vernam  van  zijn  zoon,  die  des* 
tijds  als  gijzelaar  van  Formosa  naar  Japan  was  gezonden , 
en  die  29  December  1630  aan  dyssenterie  gestorven  was. 

Nuijts  werd  in  zeer  lichte  gevangenschap  bij  een  Ja- 
pansch  burger  geïnterneerd. 

Neijenrode,  dien  Jansz.  een  „  impotent  en  desolaat  heer" 
noemt,  wiens  boeken  in  de  grootste  wanorde  waren, 
zoude  naar  Nederland  opgezonden  worden,  maar  stierf 
gelukkig  op  31  Jan.  1632  in  Hirado,  vóór  zijnvertrek. 
Tot  zijn  tijdelijken  opvolger  werd  de  opperkoopman 
Pieter  van  Santen  benoemd  (p.  221),  die  echter  reeds 
in  hetzelfde  jaar  vervangen  werd  door  N  i  c  o  1  a  e  s 
Couckebacker.  Deze  aanvaarde  den  3  Oct.  1633  de 
gebruikelijke  hof  reis. 

Onder  zijn  bestuur  begon  de  Nederl.  handel  bloeiend 
te  worden.  In  1635  hadden  zij  reeds  meer  dan  een  millioen, 
meer  dan  100  °/o  van  de  invoerwaarde,  winst  gemaakt 
(p.  226).  Maar  de  Nederlanders  bleven  nog  steeds  onder 
lastige  beperkingen  bekneld,  hoofdzakelijk  door  opsto- 
kerijen  van  de  zijde  der  Portugeezen. 

Het  gelukte  ons  echter  een  klein  Portugeesch  vaartuig 
meester  te  worden,  dat  zeer  bezwarende  brieven  over- 
bracht. De  gouverneur  van  Macao  had  namelijk  een  uit- 
voerig relaas  aan  den  onderkoning  van  Goa  geschreven 
omtrent  een  driedaagsch  feest  dat  te  Macao  gevierd  was 
ter   eere   van   den  Portugeeschen  jezuïet  Vieira ,  die  op 


298 

6  Juni  1634  in  Japan  levend  verbrand  was,  omdat  hij, 
na  eerst  verbannen  te  zijn  geweest,  verkleed  als  een 
Chinees,  heimelijk  teruggekomen  was. 

Dezen  en  andere  brieven  stelden  de  Nederlanders  aan 
de  Jap.  regeering  ter  hand,  die  daarover  zoo  vertoornd 
werd,  dat  de  Portugeezen  nu  nauw  op  het  eiland  Decima 
opgesloten  werden. 

De  heer  Nachod  bewijst  in  een  uitvoerig  betoog  (p.  234 — 
242)  dat  de  beschuldiging  tegen  onze  landslieden  ingebracht 
alsof  wij  een  valschen  brief  zouden  gefabriceerd  hebben 
waarin  de  Portugeezen  oproer  tegen  de  Japanners  zouden 
gepredikt  hebben,  volkomen  lasterlijk  is. 

De  vergoding  van  den,  in  de  oogen  der  Japanners 
misdadigen ,  jezuïet  Vieira  had  ten  gevolge ,  dat  de  maat- 
regeien tegen  roomsche  priesters  nog  meer  verscherpt 
werden. 

De  doodstraf  werd  bedreigd  tegen  eiken  Japanner ,  die 
zijn  vaderland  verliet,  als  hij  het  waagde  weder  terug  te 
komen  (Bijlagen  CXXXIV— CXXXVI)  1). 

Couckebacker  ging  einde  1635  naar  Batavia  terug  en 


l)  Voor  zoover  wij  weten  is  dit  besluit  nooit  officieel  ingetrokken 
geworden,  zoodat  toen  in  1860  de  bemanning  van  eene  door  storm 
verslagen  Japansche  jonk ,  die  door  een  Spaansch  schip  opgenomen 
was,  naar  Emoi  gebracht  werd,  wij  eerst  een  Chineeschen  brief  aan 
de  Japansche  regeering  schreven  om  te  vragen  of  die  Japanners 
mochten  terugkeeren  zonder  hun  leven  te  verbeuren.  W\j  kregen 
spoedig  daarop  een  gunstig  antwoord ,  eveneens  in  't  Chineesch 
geschreven,  dat  die  verouderde  wet  niet  meer  werd  toegepast  en 
de  Japanners  vrijelijk  naar  hun  vaderland  mochten  terugkeeren, 
hetgeen  door  bemiddeling  van  den  Spaanschen  consul  te  Emoi  ge- 
schiedde. Als  merkwaardigheid  mag  ik  vermeiden,  dat  de  Jap.  kapitein 
zijn  Chineeschen  koperen  inktpot  en  penseelen  uit  de  schipbreuk 
gered  had,  en  wij  ons  schriftelijk  onderhouden  konden.  Deze  men- 
schen  waren  zeer  verheugd  onder  de  Nederlanders  te  Emoi  personen 
gevonden  te  hebben  die  Chineesch  verstonden,  daar  zij  behalve  die 
en  hunne  eigene  taal  gcene  enkele  andere  kenden.  Later  schreven 
zy  uit  Japan  een  harteljjken  brief  van  dankbetuiging  en  deelden  ons 
mede  dat  zy  in  't  geheel  niet  gemolesteerd  waren  geworden. 


299 

liet  onderwijl  het  beheer  over  aan  den  opperkoopman 
Caron,  die  24  Febr.  1636  de  gebruikelijke  hofreis  ondernam 
en  zeer  welwillend  ten  hove  ontvangen  werd,  hoofdzakelijk 
omdat  onder  de  den  Keizer  aangeboden  geschenken  zich 
een  reusachtige  koperen  luchter  met  30  armen,  die  796 
pond  woog,  bevond.  De  Sjogoen  was  daarmede  zóó  in- 
genomen dat  hij  hem  boven  het  graf  van  zijn  vader  in 
het  prachtige  Mausoleum  van  de  familie  Tokugawa  in 
Nikko,  nabij  Yeddo,  liet  ophangen,  waar  hij  zich  ten 
huidigen  dage  nog  bevindt. 

De  Sjogoen  scheen  zóó  ingenomen  te  zijn  met  dit  ge- 
schenk, dat  hij  Caron,  die  reeds  weder  vertrokken  was, 
nog  een  geschenk  van  200  schuitjes  zilver  (ongeveer 
fl.  3000)  liet  nasturen  en  bovendien  Pieter  Nuijts  vrijliet 
(p.  249).  Deze  ging  naar  Batavia  terug  waar  hem  echter 
eene  zware  vergelding  trof.  Hij  werd  van  alle  zijne  waar- 
digheden ontzet,  moest  uit  eigen  middelen  de  aan  Japan 
betaalde  schadevergoeding  restitueeren  en  werd  daarna 
als  eenvoudig  particulier  naar  Nederland  opgezonden 
(p.  252). 

Thans  bedreigde  echter  Nederland  een  ernstig  gevaar. 
Het  uitzetten  der  Portugeezen  uit  Japan  scheen  der  regee- 
ring niet  voldoende ,  daar  hunne  priesters  met  graagte  in 
de  Philippijnen  waren  ontvangen,  en  van  daar  gemakke- 
lijk ondersteund  konden  worden  om  weder  naar  Japan 
terug  te  keeren. 

De  Sjogoen  besloot  dus  Lugon  den  oorlog  aan  te  doen , 
de  Spanjaarden  er  uit  te  verdrijven  en  die  eilanden  te 
vermeesteren.  Daartoe  moesten  de  Hollanders  hem  helpen 
door  hem  hunne  schepen  als  transportschepen  voor  de 
japansche  troepen  te  leenen.  In  geval  van  weigering,  zouden 
zij  eveneens  uit  Japan  gezet  worden. 

Om  dit  gevaar  te  bezweren,  boden  de  Hollanders  te 
Hirado  2  of  3  hunner  schepen  voor  het  beoogde  doel  aan 
smeekende  hunne  overige  schepen  ten  behoeve  van  hun 
handel  te  mogen  behouden.  Van  Diemen  liet  hun  weten, 

21 


300 

dat  wanneer  dit  aanbod  aangenomen  werd,  het  toch  nood- 
zakelijk zoude  zijn  daaraan  4  i  5  kloeke  oorlogsbodems 
toe  te  voegen,  opdat  wij  tegenover  Spanje  geen  schande 
zouden  inleggen,  of  in  ongenade  bij  de  Jap.  regeering 
vallen  (p.  258). 

Gelukkig  echter  dat  de  groote  christen- opstand  in  Shi- 
mabara  de  oorlogszuchtige  plannen  der  Japanners  ver- 
ijdelde, daar  zij  werk  genoeg  thuis  hadden  (p.  259—267). 

In  1639  werd  Caron  definitief  tot  opvolger  van  Coucke- 
backer  benoemd  (p.  268).  De  heer  Nachod  geeft  ons  eenige 
belangrijke  mededeelingen  over  eerstgenoemden ,  die  als 
scheepsjongen  begonnen,  zich  tot  deze  aanzienlijke  be- 
trekking had  weten  op  te  werken  (p.  269). 

Hij  deed  in  Juni  1639  de  gebruikelijke  hof  reis  en  werd 
zeer  welwillend  ontvangen.  Op  zijne  verzekering  dat  al 
mochten  ook  de  Portugeezen  uit  Japan  verdreven  worden, 
Nederland  in  staat  was  aan  Japan  alle  benoodigde  waren 
te  verschaffen,  vaardigde  de  Sjogoen  den  22  Augustus 
van  hetzelfde  jaar  het  beruchte  edict  uit,  waarbij  den 
Portugeezen  voor  eeuwig  verboden  werd  naar  Japan  te 
komen,  onder  bedreiging  dat  elk  hunner  schepen  zoude 
vernietigd  en  hunne  bemanning  om  het  leven  zou  gebracht 
worden  (p.  273). 

Door  dit  edict  werd  Macao  totaal  geruïneerd  en  zoo 
besloten  dan  toch  de  Portugeezen  een  specialen  gezant 
naar  Japan  te  sturen  om  te  smeeken  dit  besluit  te  willen 
intrekken,  belovende  dat  zij  nooit  meer  eenig  priester 
naar  Japan  zouden  brengen.  Zij  legden  tot  staving  over 
een  door  de  regeering ,  de  geestelijkheid  en  de  burgerlijke 
autoriteiten  te  Manila  geteekend  besluit,  waarbij  het  op 
poena  van  4000  tail,  of  bij  onvermogen,  op  straffe  des  doods, 
verboden  zou  zijn  priesters  naar  Japan  over  te  brengen 
(p.  276).  Maar  dit  alles  hielp  niets.  Hun  verzoek  werd 
wel  in  Yedo  in  overweging  genomen,  maar  weldra  kwam 
het  bevel  de  wet  in  al  hare  gestrengheid  toe  te  passen. 
De   61   Portugeezen  aan  boord  werden  onthalsd,  terwijl 


301 

de  13  zwartjes  met  eene  chineesche  jonk  naar  Macao 
werden  teruggezonden  om  de  treurmare  over  te  brengen. 
Het  portugeesche  schip  werd  buiten  de  reede  geboegseerd 
en  met  zijn  geheelen  inhoud,  ter  waarde  van  14,000 tail, 
in  open  zee  verbrand  (p.  278—279). 

De  Japansche  christenhaat  keerde  zich  nu  ook  tegen 
de  Nederlanders ,  van  wie  de  Japanners  vroeger  geloofden 
dat  zij  een  anderen  Christus  dan  de  Portugeezen  aan- 
baden. Zij  kregen  direct  van  den  Sjogoen  bevel  al  hunne 
woningen  waarop  een  christelijk  datum  stond  af  te  breken 
(p.  281). 

Caron,  die  wel  begreep,  dat  tegen  zulk  een  pertinent 
bevel  geen  tegenstribbelen  hielp,  liet  dadelijk  200  man 
van  zijne  schepen  komen,  en  geholpen  door  200  Japan- 
sche burgers,  gelukte  het  hem  in  eenen  dag  de  factorij 
te  ontruimen  en  het  dak  er  af  te  lichten.  Het  geheele 
nieuwe  steenen  gebouw  was  weldra  gesloopt  (p.  283). 

Het  eenige  wat  de  Nederlanders  nog  tegen  het  noodlot 
der  Portugeezen  beveiligde  waren  de  vrijpassen,  vroeger 
door  Iyeyasu  en  Hidetata  verleend  en  die  de  Sjogoen  uit 
piëteit  tegenover  zijne  heilige  voorvaderen  niet  dorst  te 
herroepen  (p.  287).  Maar  de  Jap.  regeering  zocht  door 
allerlei  kwellingen  en  plagerijen  de  Hollanders  te  bewegen 
uit  eigen  aandrang  te  vertrekken,  o.  a.  door  het  besluit 
dat  in  den  vervolge  de  opperhoofden  elk  jaar  moesten 
vervangen  worden,  een  besluit  dat  Caron  dwong  op  15 
Febr.  1641  Japan  te  verlaten  (p.  290).  Hij  werd  opgevolgd 
door  Maximiliaan  Lemaire. 

Het  zesde  hoofdstuk  behandelt  uitvoerig  de  betrek- 
kingen der  O.-I.  Kompagnie  met  Japan  gedurende  het 
verblijf  der  Nederlanders  in  Desinta,  een  kunstmatig, 
waaiervormig  eilandje,  vroeger  gebruikt  om  er  de  Por- 
tugeezen in  op  te  sluiten ,  en  waarin  nu  de  Nederlanders 
als    eene  soort  van  gevangenen  geinterneerd  werden  en 


302 

nog  bovendien  de  schandelijk  hooge  jaarlijksche  huur 
van  5500  tail  te  betalen  hadden. 

Zij  mochten  zelfs  niet  hunne  dooden  in  de  geheiligde 
Japansche  aarde  begraven,  maar  deze  moesten,  met  een 
gewicht  bezwaard,  in  zee  geworpen  worden  (p.  298). 
De  wederwaardigheden  der  Nederlanders  op  Desima  zijn 
ons  overbekend  en  is  het  dus  niet  noodig  hier  te  her- 
halen wat  de  heer  Nachod  ons  daarvan  mededeelt. 

Op  bldz.  435—444  geeft  de  heer  Nachod  zijne  „Schluss- 
betrachtung"  en  ontwikkelt  de  oorzaken  van  de  opkomst, 
den  bloei  en  het  verval  der  Nederl.  factorij  in  Japan.  Uit 
alles  blijkt ,  dat  het  streven  der  Japanners  in  vroeger  tijd 
hetzelfde  was  als  dat  van  den  hedendaagschen  tijd :  de  vreem- 
delingen voorkomend  te  behandelen ,  zoolang  zij  ze  noodig 
hebben,  en  ze  meedogenloos  er  uit  te  werpen  als  een 
uitgeperste  citroen  zoodra  zij  er  alles  uitgezogen  hebben 
wat  voor  hun  doel  noodig  bleek  te  zijn.  De  vernederingen 
waaraan  zich  de  Nederlanders  in  de  17e  eeuw  onder- 
wierpen, hebben  niets  gebaat.  Zoodra  Japan  voor  den 
wereldhandel  ontsloten  was  en  dus  de  tusschenkomst  van 
Nederland  niet  langer  behoefde,  werden  de  Hollanders 
eenvoudig  ter  zijde  gesteld  en  traden  de  andere  grootc 
mogendheden  daarvoor  in  de  plaats,  die  echter  eveneens , 
zoodra  Japan  hunne  meerdere  kennis  niet  langer  behoeft, 
op  de  eene  of  andere  wijze  zullen  worden  geécarteerd. 
Een  innige,  vertrouwelijke  band  tusschen  dit  van  groot- 
heidswaanzin bevangen  volk  en  het  europeesche ,  gegrond 
op  wederzijdsche  achting,  zal  altijd  onmogelijk  blijven, 
en  het  onbekookte  wierook  toezwaaien  aan  Japan  door 
moderne  schrijvers  zoo  ruimschoots  toegepast ,  kan  alléén 
daartoe  dienen  den  onverdraaglijken  hoogmoed  der  Ja- 
panners te  vermeerderen;  want  zij  hebben  niet  eens, 
zooals  de  Chineezen,  achting  voor  die  Europeanen  die 
hunne  taal  en  hunne  instellingen  bestudeerd  hebben. 

Moge  het  degelijke  werk  van  den  heer  Nachod  Europa 
overtuigen,  dat  er  slechts  één  middel  bestaat  op  den  duur 


303 

vrede  met  Japan  te  behouden,  nl.  hunne  eischen  met 
dezelfde  hooghartigheid  te  weerstaan  als  die  waarmede 
zij  ze  stelt,  en  eiken  inbreuk  op  onze  rechten  onver- 
biddelijk terug  te  wijzen  —  als  het  ten  minste  niet  te 
laat  is.  Ik  moet  mijne  vroeger  reeds  uitgesproken  waar- 
schuwing herhalen ,  dat  Japan  geen  rust  zal  hebben  voordat 
het  de  Philippijnen  vermeesterd  heeft  en  wellicht  onze  O.-I. 
bezittingen  bedreigen  zal.  Ik  weet  wel,  dat  op  het  oogen- 
blik  mijne  stem  als  die  des  roependen  in  de  woestijn  is, 
en  hoop,  dat  men  niet  zal  wachten  er  naar  te  luisteren 
voor  dat  het  te  laat  zal  zijn  geworden. 

De  onverschilligheid'  waarmede  de  groote  mogendheden 
in  1894  de  ongemotiveerde  schending  van  het  Chineesch 
grondgebied  door  Japan  heeft  aangezien  is  de  primitieve 
oorzaak  der  donkere  onweerswolken,  die  zich  op  het 
oogenblik  in  het  verre  Oosten  samenpakken  en  een  niet 
te  vermijden  conflict  tusschen  Rusland ,  Duitschland ,  En- 
geland en  Frankrijk  zullen  veroorzaken  en  China  voor 
goed  van  ons  zal  verwijderen.  Ten  volle  beaam  ik  de 
zonder  stemming  aangenomen  motie  van  Sir  Ellis  Ashmead- 
Barlett  dat  de  handhaving  der  onafhankelijkheid  van  China 
van  het  hoogste  belang  is  voor  den  handel  van  Groot- 
Brittannië  (en  ook  voor  dien  der  andere  Europeesche 
natiën). 

G.  SCHLEGEL. 


Concubinaat  bfl  de  ambtenaren  van  het  binnen- 
landsch  bestuur  in  Nederlandsch-Indië. 


In  den  z.  g.  Almanak  der  Indologische  Vereeniging  van 
het  jaar  1895  lazen  wij  tot  onze  verbazing  een  artikel 
van  den  heer  P.  F.  Laging  Tobias,  getiteld:  „Enkele 
korte  wenken  aan  den  a.  s.  O.-L  Ambtenaar."  Tot  onze 
verbazing ,  zeggen  wij ,  want  het  kwam  ons  vreemd  voor , 
dat  een  man  als  genoemde  heer,  iemand  van  naam  en 
beteekenis ,  zulke  denkbeelden  durfde  te  ontwikkelen  als 
in  dat  stuk ,  en  zulks  bij  wijze  van  wenken ,  m.  a.  w.  bij 
wijze  van  goeden  raad.  In  't  kort  toch  kwamen  die  wenken 
daarop  neer ,  dat  het  voor  een  jeugdig  ambtenaar  van  het 
B.  B.  even  goed  was  een  „huishoudster"  te  hebben  als 
gehuwd  te  zijn.  Beide  toestanden  hadden  volgens  dat 
artikel  hun  vóór  en  tegen. 

't  Is  waarlijk  erg ,  dat  men  de  verantwoordelijkheid  van 
zulk  een  beweren  tegenover  jonge,  onervaren  menschen 
vrijmoedig  durft  aanvaarden.  Gemoederen  en  geesten 
kneedbaar  als  was  nemen  zoo  licht  indrukken  op,  en 
slechte  raad  kan  zulke  verstrekkende  gevolgen  hebben! 
Een  gansche  levensopvatting,  leidend  tot  een  bestaan  van 
lichtzinnigheid  en  zonde,  tot  te  laat  berouw,  wanhoop 
en  ellende,  kan  oorsprong  nemen  in  slechte  denkbeelden 
opgedaan   in   die   gistingsperiode   van  't  leven  tusschen 


305 

vijftien  en  vijf-en  twintig.  Hoe  weinig  wordt  in 't  algemeen 
beseft  wat  d&n,  d&n  vooral,  goede  leiding  beteekent, 
hoe  verderfelijk  te  groote  vrijheid  en  daarmee  ongebrei- 
deld inwerken  van  allerlei  denkbeelden  kan  wezen. 

Men  is  er  in  't  algemeen  zoo  ver  van  af,  in  te  zien, 
dat  vrijheid  en  bandeloosheid  zoo  ganschelijk  verschil- 
lende zaken  zijn ,  en  men  laat  een  jongmensch  van  even 
negentien  of  nog  jonger,  letterlijk  los,  om,  met  een 
maandelijksche  toelage  van  zooveel,  verder  zijn  eigen 
gang  te  gaan,  mits  hij  zich  binnen  de  perken  van  die 
toelage  houde!  Zoo  is  men  „student".  Alle  weldadige 
invloeden  van  huiselijk  verkeer,  omgang  met  beschaafde 
vrouwen  en  meisjes  en  wat  niet  al ,  dat  de  jongeling 
geniet  vóór  de  intrede  in  de  studentenwereld,  dat  alles 
houdt  plotseling  op.  En  een  tijdperk  van  wild  rondtasten 
in  den  blinde,  van  rollen,  lollen  en  woest  zijn,  van 
onverstand  en  dolheid,  van  vervallen  tot  barbaarsche 
ruwheid  is  bij  velen  dier  losgelatenen  aangebroken. 

Doch  laten  we  dat  daar :  't  verband  met  ons  onderwerp 
is  slechts  middellijk. 

Tot  de  invloeden,  die  wij  bedoelen,  behoort  vooral 
de  opvatting  omtrent  cardinale  punten  van  zedeleer,  welke 
in  de  meeste  gevallen  een  jongmensch  van  zijn  kameraden 
—  enkele  toongevers  —  overneemt,  of  uit  geschriften 
put,  die  hij  te  hooi  en  te  gras  leest.  Zelden  zijn  het  de 
ouders  of  voogden,  die  deze  punten  aanroeren,  en  nog 
zeldzamer  komt  het  voor,  dat  eenigszins  uitgewerkte 
denkbeelden  daaromtrent  den  jongeling  van  die  zijde 
worden  medegedeeld.  Zoo  iets  is  voor  de  meesten  immers 
te  „kiesch." 

Een  merkwaardig  verschijnsel  dus  mag  het  heeten ,  dat 
een  man  van  gevorderden  leeftijd ,  van  rang  en  aanzien 
in  de  Indische  ambtenaarswereld ,  aan  aanstaande  Indische 
landsdienaren  raad  geeft  op  zedelijk  gebied.  Des  te  eerder 
kan  men  derhalve  aannemen,  dat  zulk  een  raad  gretig 
aangehoord,   en   waarschijnlijk   door   velen  gevolgd  zal 


306 


worden.  En  waar  het  bekend  is,  dat  op  't  punt  van 
sexueele  verhoudingen  de  Indisch-Europeesche  maat- 
schappij vrij  liberaal  is,  zal  een  jong  ambtenaar,  nauw 
toegetreden  tot  die  maatschappij,  spoedig  gewonnen 
worden  voor  losheid  van  zcdelijkheidsbeginselen ,  indien 
hij  raadgevingen  in  zich  opgenomen  heeft  als  die  van  den 
heer  Laging  Tobias. 

Deze  heer  heeft  evenmin  als  zooveel  anderen ,  die  zich 
geroepen  voelen  als  zedemeesters  tegenover  onervarenen 
op  te  treden,  het  concubinaat  aangeprezen  als  iets  ver- 
kieslijks  boven  't  huwelijk.  O  neen,  maar  te  zeggen,  dat 
het  moeilijk  is  uit  te  maken ,  welk  van  de  twee  beter  is , 
komt  op  't  zelfde  neer  als  te  zeggen :  w  neem  gerust  een 
huishoudster ,  je  doet  er  absoluut  geen  kwaad  mee."  't  Is 
een  erkennen  van  't  concubinaat  als  iets  natuurlijks  en 
gewoons. 

En  dat  is  het  niet. 

Wij  zullen  dat  aantoonen,  hoezeer  wij  vreezen,  dat  de 
meerderheid  van  oordeelkundigen  tegen  ons  zal  wezen. 
Het  aantal  van  hen  of  haar  boven  de  dertig ,  welke  onze 
meening  deelen ,  zal  in  Indië  wellicht  niet  groot  zijn  in  ver- 
gelijking met  onze  tegenstanders.  Maar  dat  deert  ons  niet. 
Laten  dan  de  jongeren ,  wier  oordeel  nog  niet  gevormd 
is  —  en  vóór  zijn  dertigste  jaar  wijzigt  men  nog  wel 
zijn  denkbeelden  —  onze  argumenten  nagaan.  Wellicht 
zullen  er  zijn,  die  met  ons  meegaan  of  tot  ons  overgaan. 

Wij  beweren,  dat  het  voor  den  ambtenaar  bij  het  bin- 
nenlandsch  bestuuur  wen  schel  ijk,  zeer  wenscheiijk  is, 
dat  hij  gehuwd  zij,  en  als  dat  voor  hem  onmogelijk  is, 
dat  hij  verstandig  doet  zich  streng  te  onthouden  van  alle 
geslachtelijk  verkeer  met  inlandsche  vrouwen. 

Het  argument  van  „in  de  schulden  en  zorgen  komen 
en  daardoor  afgeleid  worden  van  diensttoe wijding"  is 
geenszins  een  argument  tegen  het  huwelijk :  het  is  er  een 
tegen  den  finanti ëelen  toestand  van  den  beginnenden 
ambtenaar ,  die  op  zichzelf  genomen  het  huwelijk  belet. 


307 

Onze  ambtenaren  bij  het  B.  B.  worden  «slecht  betaald 
tot  en  met  den  rang  van  assistent-resident.  Ontving  een 
aspirant-controleur  —  een  rang  waartoe  men  onmiddellijk  na 
uitzending  door  den  Minister  benoemd  diende  te  worden  — 
een  maandelijksch  tractement  van  minstens  drie  honderd 
gulden,  dan  zou  het  huwelijk  voor  hem  geen  precaire 
zaak  zijn:  hij  zou  gehuwd  „uit  kunnen  komen".  En  als 
dan  zijn  benoeming  tot  controleur  niet  vijf  jaar  uitbleef, 
zooals  thans  op  Java  b.v. ,  maar  binnen  een  drietal  jaren 
volgde,  en  als  met  die  bevordering  een  opslag  in  trak- 
tement van  twee  honderd  gulden  maandelijks  gepaard  ging , 
zou  er  bij  de  meesten  van  geldzorgen  geen  sprake  zijn. 
Na  een  diensttijd  van  zegge  vijftien  jaar  moest  dan 
de  assistent-residentsrang  bereikbaar  gemaakt,  of  een 
daaraan  evenredige  trak  temen tsverhooging  toegekend 
worden.  Jonger  dan  vijf-en-dertig  jaar  is  men ,  in  't  alge- 
meen gesproken,  voor  den  gewichtigen  post  van  hoofd 
van  plaatselijk  bestuur  als  assistent-resident,  onzes 
erachtens,  niet  geschikt;  maar  daar  staat  tegenover,  dat 
een  vijf-en-veertigjarig  man,  die  pensioneering  in  't  ver- 
schiet ziet ,  vaak  de  zoo  noodige  opgewektheid  en  levens- 
kracht zal  missen,  om  zijn  belangrijke  functiën  naarbe- 
hooren  waar  te  nemen.  En  tegenwoordig,  bij  de  slechte 
promotie  in  't  ambtenaarscorps,  is  zulk  een  man  geen 
uitzonderiug. 

Men  make  van  den  ambtenaar  van  het  B.  B.  toch  den 
eersten ,  den  voornaamsten  ambtenaar  ook  uit  een  oogpunt 
van  wereldsch  aanzien ,  d.  w.  z.  men  geve  degelijke  weten- 
schappelijke opleiding,  en  make  van  zijn  betrekking  een 
finantiëel  voordeelige;  want  van  hem  hangt  in  de  eerste 
plaats  de  rust,  de  welvaart  en  het  behoud  onzer  bezit- 
tingen in  O.-I.  af.  En  men  zal  ten  slotte  zien,  hoevoor- 
deelig  voor  den  lande  zulk  een  weloverlegde  mildheid 
moet  wezen. 

Tot  het  aanzien  van  een  ambtenaar,  die  tegenover  de 
inlanders  de  Europeesche  beschaving  moet  vertegenwoor- 


-    308 

digen ,  behoort  ook ,  dat  hij  gehuwd  zij  en  niet  in  wilden 
echt   leve  met  een  vrouw,  die  verre  beneden  hem  staat. 

Hoe  komt  men  er  toch  bij  te  wanen,  dat  de  inlander 
den  gehuwden  staat  volstrekt  niet  zoo  zou  eeren ,  dat  hij 
min  neerzag  op  het  leven  in  concubinaat?  Dat  doet  hij 
wel  ter  dege ,  al  zal  hij  zich  wel  wachten  er  ronduit  over 
te  spreken  tot  Europeanen,  die  anders  denken.  En  wie 
is  dan  wel  de  inlander?  Meent  men  den  Moslimschen 
inlander,  b.v.  den  Maleier,  of  meent  men  den  half  hei- 
denschen  Javaan  s.  v.  v.?  Of  wellicht  den  z.g.  christelijken 
Alfoer  ? 

Kennis  van  den  inlander  is  over  't  algemeen  genomen 
bij  Europeanen  in  Indië  gering.  Menschen,  die  zich  zelden 
of  nooit  de  moeite  gegeven  hebben  met  hem  over  zijn 
eigen  aangelegenheden  in  zijn  eigen  taal  te  spreken, 
menschen,  die  na  twintig  of  dertigjarig  verblijf  in  Indië 
steeds  ziende  blind  zijn  gebleven  en  zoo  bitter,  och  zoo 
bitter  weinig  van  den  inlander,  zijn  karakter,  denken 
en  gemoedsleven  afweten,  achten  zich  niettemin  gerech- 
tigd als  deskundigen  van  ondervinding  op  te  treden,  en 
dolheden  te  verkondigen,  die  kant  noch  wal  raken.  De 
inlander  heeft  niets  tegen  't  concubinaat !  Ja ,  de  inlander 
van  Boeroe  en  die  van  de  binnenlanden  van  Sérang 
(Ceram)  wellicht,  maar  de  Moslimsche  Maleier  stelt  het 
huwelijk  natuurlijk  verre  daarboven.  Natuurlijk,  zeggen 
wij:  in  de  eerste  plaats,  omdat  zijn  eigen  godsdienst 
daarmee  in  overeenstemming  is,  en  in  de  tweede  plaats , 
omdat  diezelfde  inlander  wel  heel  onnoozel  moest  wezen , 
om  niet  meer  eerbied  te  hebben  voor  een  geregeld ,  wettig 
samenleven  van  ras-  en  beschavingsgenooten  dan  voor 
een  echt  als  die  van  de  hondjes. 

En  dan  't  onwaardige,  dat  er  in  ligt  zich  met  een 
inlandsche  te  verbinden  op  voorwaarde,  dat  ze  behoorlijk 
voor  abortus  zorg  drage !  Of  anders  't  aanzijn  geven  aan 
een  ongelukkig  ras,  kinderen  te  krijgen,  die  men  als 
lastposten  beschouwt,  en  die  men  —  op  enkele  uitzonde- 


309 

ringen  wellicht  na  —  nooit  zoo  liefheeft,  neen  lief  kkn 
hebben,  als  de  kinderen  uit  het  huwelijk  met  een  ras- 
en  bescha vingsgenoote ,  die  men  acht,  eert  en  bemint! 
Men  prate  wat  men  wil  van  goede  behandeling  van  een 
huishoudster:  't  is  en  blijft  een  feit,  dat  men  haar  niet 
eert,  want,  als  men  haar  eerde,  zou  men  haar  ook  maat- 
schappelijk willen  verheffen,  en  haar  den  rang  van  wet- 
tige echtgenoote  willen  geven.  Men  doet  dat  echter  niet , 
omdat  men  zulk  een  inlandsche  eenvoudig  als  een  „objet 
k  plaisir'  beschouwt,  meer  niet.  Dat  men  met  een 
inlandsche  zoo  iets  lichtvaardig  begint,  en  niet  licht  met 
een  Europeesche  van  eigen  soort ,  bewijst  wel  zonneklaar , 
dat  men  die  inlandsche  minacht. 

En  wat  het  huwelijk  op  Moslimsche  wijze  van  den 
Europeeschen  ambtenaar  met  een  Moslimsche  inlandsche 
betreft,  zeker,  dat  is  voor  haar  geen  schande  (in  haar 
opvatting  althans,  en  ook  niet  in  die  van  haar  geloofs- 
genooten)  maar  is  zulk  een  huwelijk  waardig  voor  den 
Europeaan,  die  het  aangaat?  Er  zijn  veel  voorbeelden 
van  zulke  huwelijken.  In  sommige  streken  van  Sumatra 
b.v.  zal  het  voorkomen ,  dat  een  inlandsche  op  voorwaarde 
van  Moslimsch  huwelijk  er  in  toestemt  sexueelen  omgang 
met  een  Europeaan  te  hebben.  Zulk  een  huwelijk  kan 
dan  gemakkelijk,  weer  op  Moslimsche  wijze,  verbroken 
worden.  De  kinderen  worden  dan  Moslims ,  d.  w.  z.  inlan- 
ders, en  de  zaak  is  voor  de  vrouw  volkomen  „gezond". 

Zoolang  men  zich  echter  Europeaan  en  kan  het ,  Christen 
voelt ,  moet ,  dunkt  ons ,  ook  zulk  een  echt  een  verachtelijk 
element  bevatten.  Onze  huwelijksregeling  moge  niet  in 
alle  opzichten  de  wenschelijke ,  aan  alle  redelijke  behoeften 
van  het  sexueel  verkeer  beantwoordend  zijn,  die  der 
Moslims  stuit  öns  tegen  de  borst  als  indruischend  tegen 
onze  begrippen  van  zedelijkheid  en  onze  denkbeelden 
over  de  positie  der  vrouw.  Men  behoeft  waarlijk  geen 
vurig  „feminist"  te  wezen,  om  te  vinden,  dat  bij  het 
Moslimsche  huwelijk  de  vrouw  schromelijk  onrecht  weder- 


310 

vaart:  haar  standpunt  daarin  zou  zelfs  door  de  meest 
ouderwetsche  sloofster  in  het  huishouden  als  vernederend 
beschouwd  worden. 

De  gehuwde  ambtenaar  zou  te  veel  aan  zijn  gezellig 
tehuis  bij  „moeder  de  vrouw"  denken ,  en  daardoor  onge- 
negen worden  om  lange  tournees  te  maken ,  altijd  gaarne 
„  thuishokken  "  enz.,  en  de  dienst  zou  daaronder  lijden. 
En  heeft  diezelfde  ambtenaar  een  bruine  linkerhands- 
echtgenoote ,  dan  is  dat  dus  niet  het  geval  ?  Neen ,  natuurlijk 
niet,  om  de  eenvoudige  reden,  dat  zulk  een  echtgenootc 
hem  geen  gezellig  tehuis  verschaffen  kkn,  hij  haar  be- 
schouwt als  een  bediende.  Ook  weer  dus  die  hondsche 
minachting  voor  iemand ,  met  wie  men  het  gemeenzaamst 
denkbaar  verkeer  heeft! 

Maar  zou  't  werkelijk  waar  wezen,  dat  de  dienst  er 
onder  lijdt,  als  de  ambtenaar  in  zijn  huis  zijn  heiligdom, 
het  centrum  van  al  't  geen  hem  lief  en  dierbaar  is,  ziet? 
Zou  niet  juist  van  dat  huis  —  aangenomen  dat  er  een 
hartelijke  verstandhouding  tusschen  de  wettige  echtge- 
nooten  bestaat  —  een  veredelende,  beschavende  invloed 
uitgaan ,  die  den  ambtenaar  zedelijk  beter  maakt,  en  hem 
dus  juist  geschikter  doet  zijn  voor  zijn  taak  ?  Eén  beschaafd 
Europeesch  echtpaar  kan  over  een  gansche  bevolking  van 
inlanders  een  sterk  zedelijk  overwicht  uitoefenen,  dat 
voor  ons  gezag  onder  hen  waarlijk  niet  te  versmaden  is. 

En  wat  het  verlangen  naar  huis  betreft:  op  Java  zijn 
de  afstanden  zoo  groot  niet.  Als  daar  de  ambtenaar  gaarne 
thuis  is,  weerhoudt  hem  dit  van  kroegloopen,  dobbelen 
en  uitspattingen ,  met  de  treurige  gevolgen  daarvan  —  ook 
voor  den  dienst. 

Een  huishoudster  is  maar  een  bijzit,  evenals  de  „bajadere" 
in  Goethe's  gedicht  „kent  zij  geen  plicht,"  d. w. z.  acht 
zij  zich  evenmin  als  haar  heer  door  huwelijksbanden  ge- 
bonden. Er  zijn  natuurlijk  uitzonderingen ;  maar  regel  is , 
dat  de  „heer"  zich  zeer  weinig  gebonden  acht.  Laten 
de   vele   binnenlandsche  verloven  naar  Sindanglaja  enz. 


311 

eens  vertellen  van  de  zegeningen  der  wilde  echtverbondjes 
bij  de  landsdienaren ! 

En  't  is  waardig,  nietwaar,  heeren  verdedigers  van 
't  concubinaat,  dat  de  controleur,  hoofd  eener  af  deeling , 
magistraat  enz.  een  medeminnaar  heeft  in  zijn  staljongen 
of  zijn  huisknecht?  En  waardig  ook  als  hij  —  zooals  wij 
ons  een  geval  herinneren  —  een  liefje  overneemt  van 
een  chef? 

Een  Europeesche  vrouw  houdt  het  in  de  eenzaamheid 
niet  uit,  beweert  men  wel.  Goed,  als  zulk  een  vrouw 
zoo  iets  niet  voor  haar  echtgenoot  over  kan  hebben, 
laat  zij  dan  een  ander  zoeken ,  met  wien  zij  op  èen  drukke 
plaats  kan  wonen.  Er  zijn  echter  Europeesche  vrouwen 
genoeg ,  die  uit  liefde  voor  een  man  gaarne  opofferingen 
en  ontberingen  dragen.  En,  is  de  man  door  ambtsbezig- 
heden afwezig,  dan  weet  een  degelijke  vrouw  ook  wel 
de  hare  thuis  te  vinden.  Zijn  er  kinderen,  dan  is  haar 
taak  op  een  eenzame  plaats,  ver  van  Europeesche  be- 
schaving, zelfs  veel  meer  omvattend  dan  ze  in 't  moeder- 
land wezen  zou.  De  opvoeding  en  't  onderwijs  harer 
kinderen  moet,  waar  scholen  ontbreken,  haar  reeds  de 
handen  en  't  hoofd  vol  werk  geven ,  of  is  't  dan  niet  zaak 
voor  haar,  om  alles  te  doen  wat  in  haar  vermogen  is, 
om  ze  Europeesch  te  maken  en  den  sterkwerkenden  invloed 
der  inlandsche  omgeving  zooveel  doenlijk  te  neutralizee- 
ren?  En,  al  zijn  er  geen  kinderen,  rest  haar  dan  niet 
werk  te  over  in  't  zorgen  voor  haar  huishouding ,  't  stre- 
ven om  haar  huis  te  maken  tot  de  plaats,  waar  haar 
echtgenoot  telkens  nieuwe  kracht  en  nieuwe  opgewekt- 
heid voor  zijn  taak  kan  opdoen? 

En  dan  de  taal,  de  inlandsche  zeden  en  gebruiken? 
zal  men  ons  tegenwerpen. 

't  Gewone  argument  vóór  het  huishoudster-stelsel !  Men 
leert  de  taal  van  't  land  dan  zoo  goed!  Men  leert  die  dan 
zeker  't  best  van  iemand  van  de  laagste  volksklasse, 
een  waartoe  de  huishoudster  gewoonlijk  behoort?  Neen, 


312 

waarlijk,  als  men  liefde  voor  de  bevolking  zijner  afdee- 
ling  heeft,  kan  men  nog  wel  anders  en  veel  beter  haar 
taal  aanleeren.  Wij  kennen  tal  van  gehuwde  ambtenaren 
van  't  B.  B. ,  die  de  landstaal  hunner  afdeeling  vlot  spre- 
ken en  ware  genegenheid  voelen  voor  't  volk  waaronder 
zij  werkzaam  zijn,  en  kennen  ook  heel  wat  ongehuwde 
ambtenaren  van  't  zelfde  corps,  voorzien  van  de  alom 
geprezen  woordenboeken  van  vleesch  en  bloed  —  wij 
drukken  ons  maar  eenigszins  anders  uit  dan  in  Indië 
gebruikelijk  —  wier  bezit  van  zulke  dictionnaires ,  ondanks 
tal  van  herziene  uitgaven,  maar  steeds  niet  tot  de  ge- 
wenschte  taalkennis  leidde,  wier  onverschilligheid  en 
cynisme  op  dat  gebied  aan  't  ongelooflijke  grensden. 

Als  't  er  op  aan  kwam  eens  namen  en  feiten  te  noemen, 
zouden  die  dictionnaire- verdedigers  meest  leelijk  verlegen 
zitten.  Wie  toch  zijn  de  ambtenaren  van  het  B.  B.,  die 
door  hun  huishoudsters  tot  grondige  kennis  van  taal  en 
volk  gekomen  zijn?  Zij,  die  zich  op  dat  gebied  naam 
gemaakt  hebben ,  danken  die  kennis  wel  aan  iets  anders : 
aan  eigen  lust  tot  onderzoek,  aan  ernstige  belangstelling 
voor  't  lief  en  leed  van  den  inlander. 

Het  huishoudster-stelsel  —  blijven  wij  die  uitdrukking 
voor  't  gemak  bezigen  —  geeft,  om  nog  iets  te  noemen , 
aanleiding  tot  scheeve  verhoudingen  met  de  inlandsche 
bevolking.  Zoo  weten  wij  een  geval  te  noemen ,  waar  het 
hoofd  van  plaatselijk  bestuur  ergens  op  Java  de  zwager 
was  van  den  regent,  doordat  deze  gehuwd  was  met  de 
zuster  van  eerstgenoemde.  Die  assistent-resident  kon  dat 
natuurlijk  niet  helpen,  maar  hij  dankte  zijn  aardsch  be- 
staan aan  een  inlandsche  huishoudster  zijns  vaders.  Op 
een  andere  plaats  maakten  wij  kennis  met  een  gewestelijk 
secretaris  (vendumeester) ,  wiens  inlandsche  schoonbroeder 
het  ambt  bekleedde  van  venduafslager !  Weer  op  een  ander 
oord  was  het  districtshoofd  de  spruit  van  een  vroeger  be- 
stuurshoofd  in  de  residentie.  En  op  een  derde  plaats  — 
op  de  Buitenbezittingen  —  vertelde  een  officier  van  ge- 


313 

zondheid  aan  ieder ,  die  't  hooren  wilde ,  dat  hij  een  „linker 
schoonbroer"  had  in  den  inlandschen  officier  van  justitie 
bij  den  landraad  ter  hoofdplaats. 

Afgezien  van  dergelijke  toestanden,  schept  bovendien 
het  vrijbuiten  op  sexueel  gebied,  waartoe  de  ongehuwde 
ambtenaar  —  ook  al  heeft  hij  een  huishoudster  —  veel 
lichter  vervalt  dan  de  gehuwde,  wanverhoudingen,  die 
nadeelig  voor  het  Europeesche  gezag  moeten  wezen.  Is 
het  niet  een  treurig  feit ,  dat  b.v.  ergens  in  de  Padangsche 
bovenlanden  —  velen  zullen  weten  waar  wij  bedoelen  — 
zich  nooit  een  inlandsch  meisje  of  inlandsche  vrouw 
buiten  durfde  te  vertoonen ,  wanneer  mijnheer  de  assistent- 
resident met  zijn  controleur  voorbijkwamen,  eenvoudig 
omdat  die  beide  vertegenwoordigers  van  onze  beschaving 
geregeld  den  Don  Juan  en  Leporello  uithingen  wanneer 
zij  hun  morgenwandeling  deden  ?  Die  heeren  waren  onge- 
huwd en  hadden  waarschijnlijk  een  „  dictionnaire."  Ge- 
huwde ambtenaren  zouden,  ook  al  stond  hun  innerlijke 
moraliteit  nog  zoo  laag,  niet  licht  zulk  een  voorbeeld 
volgen,  ware  't  slechts  om  fatsoensredenen. 

Nog  een  geval  willen  wij  aanhalen ,  waar  sexueele  aan- 
rakingen bij  de  bevolking  kwaad  bloed  zetten.  Een  con- 
troleur op  een  der  Buitenbezittingen  placht  overal  waar 
hij  een  inlandsch  meisje  of  jonge  vrouw  naar  zijn  gading 
opmerkte ,  haar  eenvoudig  in  zijn  reisprauw  mee  te  nemen. 
Hij  hield  haar  dan  voor  een  week  of  iets  langer  in  huis, 
en  zond  haar  met  een  flinke  „fooi"  weer  naar  de  ouder- 
lijke of  echtelijke  woning  terug.  Eindelijk  beklaagde  men 
zich  er  over,  en  de  ambtenaar  werd  overgeplaatst.  Dit 
feit  werd  ons  meegedeeld  door  den  inlandschen  schrijver, 
die  bij  denzelfden  controleur  in  die  functie  had  gediend. 
Zijn  afkeuring  over  zulk  gedrag  was  slechts  een  flauwe 
weerspiegeling  van  de  algemeene,  meestal  verkropte  ver- 
ontwaardiging,  die  's  controleurs  optreden  in  degansche 
afdeeling  had  verwekt. 

Doch  genoeg,  't  Is  voor  een  ieder ,  die  redelijk  en  be- 


314 

schaafd  denkt  en  oordeelt,  dunkt  ons,  duidelijk,  dat  de 
aangehaalde  gevallen  —  enkele  naast  vele ,  waarvan  niets 
wereldkundig  wordt  —  strekken  moesten  om  den  Neder- 
landschen  naam  op  bedenkelijke  wijze  afbreuk  te  doen 
bij  de  inlandsche  bevolking.  Daden  en  gedragingen  als 
bedoelde  bederven  dien  naam  voorjaren,  tien  tallen  jaren. 
En  't  kost  ontzaggelijk  veel  takt  en  beleid ,  om  de  slechte 
indrukken  daardoor  gemaakt  weg  te  wisschen. 

De  vertegenwoordiger  van  Westersche,  Nederlandsche 
beschaving  moet  zich  op  hartelijke  wijze  neigen  tot  de 
bevolking  in  zijn  ressort.  Maar  hij  boude  zich  bij  nóg 
zooveel  heusche  belangstelling  in  haar  lot ,  haar  doen  en 
laten,  op  't  verheven  standpunt,  waarop  zijn  opvoeding 
hem  behoort  te  stellen.  Welnu ,  dat  standpunt  zal  hij ,  ge- 
steund door  een  ontwikkelde,  verstandige  en  liefdevolle 
vrouw  van  zijn  ras  en  zijn  stand,  veel  gemakkelijker 
kunnen  blijven  innemen,  dan  in  concubinaat  met  een 
inlandsche;  want  iedere  sexueele  verhouding  tot  de 
inlandsche  bestuurders  leidt  óf  tot  kuiperijen  en  gekonkel , 
óf  tot  encanailleering  öf  tot  misbruik  van  gezag. 

Er  bestaat  werkelijk  een  waardig  standpunt  van  meer- 
derheid zonder  terugstooting  en  hooghartigheid ,  er  bestaat 
evenzeer  een  ingebeelde  rasmeerderheid  zonder  spoor  van 
zedelijke  superioriteit.  De  eerste  bij  den  besturenden 
ambtenaar  werkt  wonderen,  steunt  en  sterkt  ons  gezag, 
de  laatste  ondermijnt  het  grif. 

En  zoo  lang  wij  op  degelijk  oud-Hollandsche  wijze  het 
huwelijk  eeren  als  het  embleem  van  den  geordenden  staat, 
moeten  wij  het  concubinaat  bij  den  ambtenaar,  die  in 
't  klein  't  hoofd  van  dien  staat  is,  veroordeelen. 

ADELANTE. 


De  installatie  van  sultan  Amangkoe  Bowono  II 

van  Djokjakarta. 

Schets  uit  den  Java-oorlog 

DOOR 

J.  P.  SCHOEMAKER. 


Een  der  belangrijkste  politieke  maatregelen ,  gedurende 
den  Java-oorlog  1825—1830  genomen,  was  voorzeker 
de  herstelling  op  den  Djokjaschen  toon  van  den  verban- 
nen vorst  Amangkoe  Bowono  II,  in  de  Indische  geschie- 
denis meer  bekend  onder  den  naam  van  Sepoe  (de  Oude). 

Diens  verheffing  tot  sultan-regent  heeft  weliswaar 
niet  aan  de  verwachting  beantwoord ,  welke  de  Regeering 
zich  er  van  voorstelde ,  doch  wij  mogen  niet  over  't  hoofd 
zien,  dat  Sepoe's  regeering  te  kort  was,  om  den  invloed 
te  herwinnen,  dien  hij  door  eene  langdurige  ballingschap 
verloren  had. 

Teleurstellingen  leiden  allicht  tot  onverdiende  aanvallen ; 
dit  moest  ook  de  commissaris-generaal  Du  Bus  de 
Gisignies  ondervinden,  dien  men,  na  Sepoe's  overlijden, 
over  de  troonsverheffing  heftig  aanviel. 

Wij  laten  buiten  beschouwing,  of  de  politieke  maat- 
regel den  commissaris-generaal  als  een  kortzichtigheid 
moet  aangerekend  worden,  dan  wel,  of  de  aanvallen, 
welke  hij  te  doorstaan  had,  meer  't  gevolg  waren  van 
zijn  krasse  maatregelen  ter  verbetering  der  ontredderde 

22 


316 

financiën  in  Nederlandsch-Indië ,  welke  velen  ontevreden 
stemden. 

De  commissaris-generaal  was  bovendien  als  Zuid- 
Nederlander  niet  populair ,  vooral  niet  in  hoogere  kringen, 
waar  men  —  zooals  generaal  Knoop  in  zijne  Herinnerin- 
gen aan  de  Belgische  omwenteling  zegt  —  gewoon  was, 
de  Indische  aangelegenheden  te  beschouwen  als  zaken, 
die  uitsluitend  tot  de  bevoegdheid  der  Hollanders  be- 
hoorden. 

Om  over  de  installatie  van  den  sultan  Sepoe  billijk  te 
oordeelen ,  dient  men  de  omstandigheden  te  kennen ,  welke 
tot  dien  politieken  maatregel  leidden,  en  zich  verplaatsen 
in  den  moeielijken  toestand  van  den  landvoogd,  wiens 
eerste  plicht  was,  om  met  alle  kracht  en  middelen  den 
opstand  te  bedwingen. 

In  de  nagelaten  papieren  van  een  ooggetuige  van  Sepoe's 
installatie  vinden  wij  eene  belangrijke  beschrijving  van 
die  plechtigheid,  en  zulks  gaf  ons  aanleiding  die  troons- 
beklimming  tot  onderwerp  te  kiezen  van  een  opstel, 
waaraan,  als  inleiding,  een  kort  overzicht  van  Sepoe's 
verleden  voorafgaat. 

Amangkoe  Boewono  II  was  de  zoon  van  Mangkoe 
Boemi  I,  die  bij  acte  van  13  Februari  1755,  onder  den 
naam  van  Amangkoe  Bowono  I  door  de  Regeering  als 
sultan  werd  erkend  over  de  landschappen,  welke  zijnen 
broeder,  den  soesoehoenan  van  Soerakarta,  Pakoe  Bo- 
wono, hadden  toebehoord. 

De  sultan  van  't  nieuwe  Rijk  koos  het  dorp  Djokja  tot 
residentie  en  de  vereenigde  landschappen  van  het  sulta- 
naat werden  Djokjakarta  genaamd.  *) 

Amangkoe   Bowono  II  (Sepoe)  kwam  in  1790  aan  de 


*)  Ten  einde  het  eertijds  zoo  machtige  en  uitgestrekte  Ryk 
van  Mataram  nog  meer  te  verbrokkelen,  waardoor  de  macht  der 
Compagnie  versterkt  en  die  der  vorsten  gebroken  werd,  bekwam 
Mas-saïd,  zoon  van  Mangkoe  Segoe's  verbannen  broeder,  van  den 
soesoehoenan  eenige  districten  natyj  het  Zuidergebergte  (Maart  1757). 


317 

regeering,  in  dien  tijd  toen  de  glorie  der  Compagnie 
aan  't  tanen  was. 

Sultan  Sepoe,  zooals  wij  hem  gemakshalve  zullen  blij- 
ven noemen ,  maakte  van  de  toenemende  onmacht  gebruik , 
om  zijn  haat  tegen  de  Europeanen  op  allerlei  wijzen  te  uiten, 
en  het  waren  voornamelijk  de  residenten  die  het  meest 
van  den  ijdelen ,  schraapzuchtigen  vorst  te  lijden  hadden. 

Alzoo  duurde  het  tot  de  komst  van  maarschalk  mr. 
Herman  Willem  Daendels,  die  in  1808  door  Lodewijk 
Napoleon,  koning  van  Holland,  tot  gouverneur-generaal 
van  Ned.-Indië  werd  benoemd. 

Bij  artikel  36  der  nieuwe  Constitutie  van  1806  behoorde 
het  beheer  der  koloniën  uitsluitend  aan  den  koning, 
derhalve  ook  het  benoemen  van  een  landvoogd. 

Er  wordt  beweerd,  dat  die  benoeming  geschiedde  op 
aandringen  van  keizer  Napoleon  I,  die  een  krachtig  en 
bekwaam  krijgsman  in  onze  koloniën  noodig  achtte ,  om 
de  Engelschen  buiten  den  archipel  te  houden. 

Men  moge  den  ijzeren  maarschalk  van  onverschoon- 
baren  willekeur  beschuldigen  en  zijn  financieel  beheer 
afkeuren,  zeker  is  het,  dat  hij  Neêrlands's  onverganke- 
lijke erkentelijkheid  verdient,  om  de  wijze  waarop  hij 
in  drie  jaren  tijds  het  wankelend  gezag  herstelde. 

De  hertog  Bernhard  van  Saksen-Weimar  noemde  hem 
„un  homme  supérieur",  en  de  hertog,  die  zelf  jaren  op 
Java  verbleef,  was  wel  bevoegd  om  over  Daendels  te 
oordeelen. 

Nog  heden  zijn ,  trots  het  Engelsch  tusschenbestuur ,  de 
onuitwischbare  sporen  van  Daendels'  regeering  te  be- 
speuren. 

Ofschoon  hij  niet  —  gelijk  de  meeste  zijner  voorgan- 
gers —  in  Indië  was  geweest ,  wist  de  militaire  autocraat 
dadelijk  op  welk  voetstuk  hij  zich  als  landvoogd  te  plaatsen 
had ,  welk  standpunt  hij  tegenover  de  inlandsche  vorsten 
en  grooten  behoorde  in  te  nemen  en  wdar  met  stalen 
vuist  moest  ingegrepen  worden. 


i 

L 


318 

De  correspondentie  met  de  vorsten  van  Djokjakarta  en 
Soerakarta  voerde  hij  van  stonde  af  zelf,  zonder  tusschen- 
komst  van  den  gouverneur  van  Java's  N.-O.  kust.  Verder 
verbood  hij  niet  alleen  het  vernederend  ceremonieel ,  onzen 
residenten  aan  de  hoven  der  vorstenlanden  opgelegd, 
maar  gelastte  zelfs  den  ministers  —  zooals  hij  de  resi- 
denten noemde  —  den  vorstelijken  pajong  te  voeren ,  ten 
teeken  hunner  waardigheid. 

Over  't  veranderd  ceremonieel,  door  Daendels  voorge- 
schreven, dat  onze  ambtenaren  voor  vernederende  en 
honende  behandeling  vrijwaarde,  betoonde  Sepoe  zich 
hoogst  onvergenoegd ,  en  zulks  kan  zelfs  als  de  hoofd- 
aanleiding beschouwd  worden  van  de  botsing  tusschen  hem 
en  den  maarschalk. 

Sepoe  verzekerde  den  resident  Engelhardt,  dat  hij 
zich  nimmer  zoude  onderwerpen  aan  de  nieuwe  voor- 
schriften van  't  ceremonieel. 

Maar  de  sultan,  gewoon  aan  de  meegaande  politiek 
van  Daendels'  voorganger,  den  gouverneur-generaal  Wiese, 
moest  weldra  ondervinden  „qu'il  fut  mis  en  éclats,  sans 
qu'il  eut  lieu  de  se  plaindre." 

Het  duurde  niet  lang ,  of  Sepoe  boog  't  trotsche  hoofd 
voor  den  ijzeren  maarschalk  en  herstelde  op  diens  last  niet 
alleen  den  ons  goedgezinden  Rijksbestierder  Danoe  Redjo 
in  zijne  waardigheid ,  maar  vrees  deed  hem  zelfs  toestem- 
men de  regeering  aan  den  kroonprins  over  te  dragen 
(31  December  1809). 

Sepoe  had  evenwel  de  vergunning  in  den  kraton  te 
verblijven ,  echter  zonder  de  vergaderingen  te  mogen  bij- 
wonen. Dit  was  een  staatkundige  fout  van  Daendels ,  die , 
ware  hij  langer  in  Indië  geweest ,  en  dus  beter  bekend  ge- 
weest met  de  Javanen ,  zeker  niet  zou  hebben  plaats  gehad. 
Hij  zou  alsdan  hebben  geweten,  dat  onderdanigheid  aan 
de  ouders,  één  hunner  grootste  deugden  is,  en  bijgevolg 
de  kroonprins ,  uit  kinderlijken  eerbied  voor  zijnen  vader, 
zich  niet  aan  diens  invloed  vermocht  te  onttrekken. 


319 

Nauwelijks  was  dan  ook  het  Neder! andsch  bestuur  op 
de  Engel schen  overgegaan,  of  Sepoe  maakte  van  de  ge- 
legenheid gebruik ,  om  zich  op  eigen  gezag  op  den  troon 
te  herstellen,  waartegen  zijn  zoon  zich  niet  verzette. 

De  Engelsche  luitenant-gouverneur  Raffles  erkende 
hem  als  sultan,  trots  het  advies  van  den  resident  John 
Crawfurd,  die  zich  zeer  ongunstig  omtrent  Sepoe 
uitliet 

Raffles  zoude  echter  spoedig  ondervinden  in  welke 
handen  hij  de  teugels  van  't  bewind  had  gelaten. 

Sepoe's  eerste  regeeringsdaad  was ,  den  door  Daendels 
benoemden  Rijksbestierder  Danoe  Redjo  in  den  kraton 
te  doen  wurgen,  en  met  den  soesoehoenan  in  het  geheim 
tegen  de  Engelschen  samen  te  spannen. 

Toen  Java,  door  de  expeditie  naar  Palembang,  zoo 
goed  als  van  troepen  ontbloot  was,  nam  Sepoe  de  ge- 
legenheid waar,  om  te  beproeven,  het  Europeesche  juk 
voor  goed  af  te  schudden. 

In  weerwil  der  smeekbeden  van  zijne  moeder  en  den 
kroonprins,  versterkte  Sepoe  den  kraton  en  riep  de 
bevolking  onder  de  wapens. 

De  Engelsche  expeditionnaire  colonne,  onder  kolonel 
Gillespie,  kwam  echter  spoediger  terug  dan  de  sultan 
verwachtte. 

Op  den  18  Juli  1812  werd  de  kraton  gebombardeerd 
en  twee  dagen  later  ingenomen. 

Door  zich  tijdig  te  onderwerpen  wist  de  soesoehoenan 
het  gevaar  voor  zich  af  te  wenden,  maar  Sepoe  boette 
zijn  verraad  als  banneling  op  Poeloe  Pinang,  van  waar 
hij  in  1816  naar  Batavia  werd  overgebracht ,  daar  Neder- 
land, door  de  Conventie  van  Londen  van  13  Augustus  1814, 
in  het  bezit  zijner  koloniën  was  hersteld. 

De  Ned.-Indische  Regeering  achtte  het  evenwel  raad- 
zaam den  vorstelijken  banneling  geen  kwijtschelding  van 
straf  te  verleenen  en  liet  hem  naar  Amboina  overbrengen. 
Aldaar  ontmoette  hem,  8  jaren  later,  de  gouverneur- 


320 

generaal  Van  der  Capellen  op  eene  inspectiereis  door  de 
Molukken. 

De  70-jarige  Sepoe  was  dezelfde  niet  meer;  vernede- 
ring, verdriet,  teleurstelling  en  het  verlangen  naar  zijne 
kinderen  hadden  den  grijsaard  gebogen  en  geknakt. 

Sepoe  vroeg  en  verkreeg  verhoor  bij  den  landvoogd, 
wien  hij  op  hartroerende  wijze  smeekte  zijn  land,  zijne 
kinderen  en  kindskinderen  te  mogen  terugzien,  en  begra- 
ven te  worden  naast  zijne  voorvaderen. 

De  gouverneur-generaal,  getroffen  door  den  aanblik 
van  dien  gebroken  grijsaard,  bleef  niet  ongevoelig  voor 
diens  beden  en  stond  hem  toe  zich  te  Soerabaja  ter  woon 
te  vestigen. 

Niet  lang  na  Sepoe's  komst  te  Soerabaja  trokken  zich 
onheilspellende  wolken  samen  aan  den  politieken  hemel 
van  Djokjakarta. 

Sepoe's  kleinzoon,  Pangerang  Dipo  Negoro,  oudste, 
doch  onechte  zoon  van  wijlen  Amangkoe  Bowono  III, 
had  de  vaan  des  oproers  ontrold  en  zich  als  „Messias" 
en  aanvoerder  van  den  heiligen  strijd  tegen  de  Neder- 
landers opgeworpen. 

Op  den  25  Juli  1825,  's  namiddags  te  31/*  uur,  dreunden 
de  eerste  kanonschoten  en  daarmede  nam  de  bloedige 
strijd  een  aanvang,  die  5  jaren  aanhield  en  aan  15000 
Europeanen  en  200.000  inlanders  het  leven  kostte. 

Sepoe  werd  bij  het  uitbarsten  van  den  opstand  over- 
gebracht naar  Zr.  Ms.  wachtschip  Melampus,  omdat 
de  Regeering  voor  geheime  verstandhouding  beducht 
was. 

Weinig  zal  de  vorst  vermoed  hebben ,  dat  juist  die  be- 
denkelijke gebeurtenis  hem  den  weg  baande  naar  den 
troon  zijner  vaderen. 

Reeds  kort  na  het  uitbreken  van  den  opstand,  had  de 
raad  van  Indië  Muntinghe  der  Regeering  voorgesteld, 
Sepoe  als  sultan-regent  op  den  zetel  te  herstellen,  ten 
einde  door  diens  tusschenkomst  de  oproerige  familieleden 


321 

en    voormalige   onderdanen   tot   orde   en   rust   te   doen 
terugkeeren. 

Dat  voorstel  vond  veel  tegenkanting,  vooral  bij  den 
commissaris-generaal  Du  Bus  de  Gisignies  en  den 
generaal  De  Koek,  die  vreesden,  dat  Sepoe  zich  zoude 
wreken  op  de  ons  welgezinde  prinsen,  vooral  op  onzen 
trouwen  bondgenoot  prins  Mangkoe  Negoro,  die  onder 
de  Engelschen  tegen  hem  had  gestreden. 

Maar  het  was  juist  deze  prins ,  die  ?  onbaatzuchtig ,  een 
jaar  later  generaal  De  Koek  aanspoorde  het  voorstel 
van  den  heer  Muntinghe  nogmaals  ter  sprake  te  brengen 
en  te  steunen. 

Daar  het  oproer  steeds  in  omvang  toenam  en  derebel 
Dipo  Negoro  van  geen  onderwerping  wilde  hooren,  maar 
het  gezag  voor  zich  alleen  eischte,  was  de  Regeering 
verplicht  aan  den  toenemenden  invloed  van  den  hoofd- 
muiteling  eene  macht  tegenover  te  stellen  en  besloot  zij  tot 
den  politieken  maatregel,  sultan  Sepoe  als  regent  op  den 
troon  van  Djokjakarta  te  plaatsen. 

De  kapitein-ter-zee  Steenboom,  die  den  sultan  als 
Staatsgevangene  geruimen  tijd  op  het  oorlogsschip  had 
bewaakt  en  voor  wien  Sepoe  veel  achting  en  vriendschap 
had  opgevat,  werd  verzocht  hem  op  de  Melampus  te 
bezoeken ,  maar  het  te  doen  voorkomen ,  als  kwam  hij  uit 
eigen  beweging. 

Steenboom  wist  van  lieverlede  het  gesprek  te  brengen 
op  de  gebeurtenissen  te  Djokjakarta  en  Sepoe  den  wensch 
te  ontlokken,  dat  hij  gaarne  weder  den  troon  zou  be- 
klimmen, wanneer  onze  Regeering  hem  als  gebieder  wilde 
erkennen. 

Steenboom  gaf  hem  den  raad  een  verzoekschrift  in  te 
dienen ,  zich  bereid  verklarende  der  Regeering  dat  smeek- 
schrift over  te  brengen  en  al  zijn  invloed  aan  te  wenden, 
om  zijnen  sobat  in  diens  waardigheid  te  doen  herstel- 
len ,  mits  Sepoe  plechtig  beloofde  steeds  een  trouw  bond- 
genoot te  zullen  zijn. 


322 

Reeds  weinige  dagen  daarna,  11  Augustus  1826, kwam 
de  Melampus  te  Batavia,  waar  Sepoe  met  statie  ont- 
vangen werd  en  ten  huize  van  generaal  Holsman  zijnen 
intrek  nam. 

Den  volgenden  dag  begaf  de  vorst  zich  naar  Buitenzorg 
ter  verkrijging  van  eene  audiëntie  bij  den  commissaris- 
generaal  ,  aan  wien  hij  het  volgend  schrijven  had  gericht : 

„  Deze  brief  komt  van  mij,  sultan  Mangkoe  Boemi  Sepoe , 
„  Sempatie  Hingnologo,  Abdul  Rachman,  Sajidi,  Penotrogno, 
„Charifat,  Allah  van  Djokjakarta  Adingingrat,  mij  thans 
„bevindende  op  het  oorlogschip  Melampus. 

„Ik  zend  U  mijne  veelvuldige  groeten  en  loftuigingen 
„  aan  den  Doorluchtigen  Heer  Commissaris-generaal ,  welke 
„gezeteld  is  te  Batavia  en  daar  de  macht  heeft  over  de 
„Oostersche  landen. 

„Na  het  voormelde  smeek  ik  van  den  Doorluchtigen 
„Heer  verlof  om  aan  wal  te  mogen  komen  en,  zoo  het 
„bestaanbaar  is,  naar  Djokjakarta  terug  te  keeren,  ten 
„einde  in  de  nabijheid  der  graven  mijner  voorvaderen 
„te  zijn. 

„Wat  de  zaken  van  Djokjakarta  betreft,  wil  ik  met  al 
„mijn  vermogen  het  Gouvernement  op  alle  mogelijke 
„wijzen  behulpzaam  zijn,  opdat  het  Rijk  weder  welvaart 
„  geniete. 

„Mijn  kindskind,  die  thans  Sultan  is,  erken  ik  als 
„zoodanig,  en  ik  ben  zeer  dankbaar,  dat  de  Regeering 
„hem  beschermt,  en  onder  Hare  leiding  tot  dusverre  in 
„zijne  rechten  heeft  gehandhaafd. 

„Ik  wensch,  dat  de  Doorluchtige  Heer  mij  vergunne, 
„dat  achterkleinkind  weder  te  zien  en  op  te  voeden,  en 
„ten  opzichte  van  den  minderjarigen  Sultan  eenstemmig 
„met  het  Gouvernement  te  handelen.  Ik  neem  geen  ge- 
„  noegen ,  dat  Dipo  Negoro  Sultan  wil  worden ;  ook  neem 
„ik  geen  welgevallen  in  Mangkoe  Boemi. 

„Eindelijk  smeek  ik  een  verbond  met  het  Gouverne- 
„ment  te  mogen  aangaan. 


323 

„Geschreven  op  Zaturdag,  den  9en  dag  der  maand 
„Soero  van  het  jaar  1242  (Augustus  1826) ". 

De  sultan,  wien  ten  paleize  eenige  vertrekken  waren 
afgestaan ,  werd  den  volgenden  morgen  met  groote  plech- 
tigheid ten  gehoore  ontvangen,  en  op  de  audiëntie  her- 
haalde hij  zijn  verzoek,  in  het  request  vermeld. 

De  commissaris-generaal  deed  den  sultan  antwoorden, 
dat  hij  genegen  was ,  het  verzoek  in  gunstige  overweging 
te  nemen  en  zijne  beslissing  ter  rechter  tijd  zou  laten 
weten. 

Na  de  gebruikelijke  plichtpleging  werd  de  sultan  met  de 
zelfde  statie  naar  zijne  vertrekken  teruggeleid. 

Z.  Exc.  bepaalde  dat  's  namiddags  ten  4  ure  de  hooge 
Regeering  zoude  vergaderen ,  om  eene  beslissing  te  nemen. 
Tot  bijwoning  der  plechtigheid  werden  uitgenoodigd : 

De  raden  van  Indië  S.  Muntinghe  en  Chassé. 

De  oud-gouverneur  en  directeur  van  Java's  N.-O.  kust , 
Engelhardt. 

De  president  van  het  hooggerechtshof  Maurisse. 

De  directeur  van  financiën  Goldman. 

De  procureur-generaal  van  't  hooggerechtshof  Blom. 

De  algemeene  secretaris  Bousquet, 

voorts  de  resident  van  Buitenzorg,  de  militaire  com- 
mandant en  al  de  officieren  van  het  garnizoen,  alsmede 
vele  civiele  ambtenaren. 

Al  de  genoodigden  verschenen  in  groot  ornaat  en  waren 
vóór  't  vastgestelde  uur  ten  paleize  vergaderd. 

De  commissaris-generaal  nam  plaats  op  eene  met  goud 
bestikte  sofa,  op  eene  verhevenheid  aan  het  einde  der 
troonzaal;  rechts  naast  diens  zetel  stond  een  tafeltje, 
waar,  op  een  gouden  schenkblad,  de  acte  lag,  overdekt 
met  een  kleed  van  geel  damastzijde. 

Aan  weerszijden  van  den  commissaris-generaal  waren, 
volgens  rang  en  anciënniteit ,  de  genoodigden  geschaard. 

Juist  klokkeslag  4  uur  verscheen  de  sultan,  begeleid 
door  den  resident  van  Buitenzorg,  en  eene  eerewacht. 


324 

Ernstig,  waardig  en  statig  schreed  de  vorst  door  de 
zaal.  Vóór  den  commissaris-generaal  gekomen  kruiste  hij 
naar  Oostersch  gebruik,  de  armen  over  de  borst  en 
bracht  buigend  zijne  hulde  aan  den  vertegenwoordiger 
van  Z.  M.  den  Koning  der  Nederlanden. 

Alle  aanwezigen ,  met  uitzondering  van  den  commissaris- 
generaal  ,  rezen  van  hunne  zitplaatsen  en  bogen  voor  den 
sultan. 

Op  uitnoodiging  van  den  commissaris-generaal  nam 
Sepoe  vervolgens  op  de  voor  hem  bestemde  sofa  plaats , 
waarna  ook  de  overigen  gingen  zitten. 

Sepoe  was  klein  van  gestalte ;  zijn  ovaalvormig  gelaat 
had  het  zuiver  Hindoe- Javaansche  type,  met  donkere, 
diep  liggende  oogen;  zijne  gelaatsuitdrukking  verried  een 
trotsch  en  vastberaden  karakter. 

Diepe  groeven  lagen  op  't  voorhoofd  en  aan  de  mond- 
hoeken, voorzeker  niet  alleen  als  de  onmiskenbare  tee- 
kens  van  ouderdom ,  maar  daarop  gedrukt  door  droefenis 
en  teleurstelling. 

De  commissaris-generaal  opende  de  vergadering  met 
eene  indrukwekkende  rede.  Z.  Exc.  maakte  de  aanwe- 
zigen bekend  met  de  aanleiding  tot  de  plechtige  bijeen- 
komst en  met  het  verzoek  door  den  sultan  gedaan. 

Vervolgens  gaf  Z.  Exc.  te  kennen,  dat  de  acte  van  ver- 
bond, door  den  sultan  aangeboden,  haar  gebleken  was, 
overeenkomstig  te  zijn  zoowel  met  de  eer  en  de  waar- 
digheid van  het  Nederlandschc  Gouvernement  als  in  het 
volkomen  belang  van  het  Djokjasche  Rijk. 

Daarna  werd  de  acte,  eerst  in  't  Nederlandsch ,  vervol- 
gens in  't  Maleisch,  voorgelezen;  zij  bevatte  in  twaalf 
artikelen  het  volgende: 

I.  De  erkenning  van  den  minderjarigen  vorst  als  wettig 
sultan  van  Djokjakarta  en  van  zijn  recht  tot  deelne- 
ming aan  het  bestuur  onder  den  titel  van  sultan 
Anom  (de  Jonge). 


325 

II.  De  bekrachtiging  van  alle  overeenkomsten  van  vroe- 
ger en  lateren  tijd  door  het  Ncdferlandsch  en  door 
het  Britsch  tusschenbestuur  met  het  hof  van  Djokja- 
karta  aangegaan. 

III.  Belofte  van  gezamenlijk  met  de  Nederlanders  en 
hunne  bondgenooten  de  opstandelingen  te  bestrijden 
en  alle  pogingen  aan  te  wenden  de  oproerige  inge- 
zetenen tot  de  erkenning  van  hunnen  wettigen  vorst 
terug  te  brengen. 

IV.  In  het  bijzonder  de  bekrachtiging  van  allen  afstand 
van  grondgebied  en  rechten,  uit  het  bezit  daarvan 
voortvloeiende,  weleer  aan  de  Nederlanders  en 
Engelschen  gedaan. 

V.  De  belofte  van  eene  regeling  der  grensscheiding 
bij  de  eerste  gunstige  gelegenheid. 

VI.  De  erkenning  der  verplichting  van  sultan  Sepoe, 
om  voor  de  opvoeding  van  den  minderjarigen  vorst 
de  meest  mogelijke  zorg  te  dragen  en  aan  dezen 
nog  gedurende  zijn  leven  de  opvolging  en  de  re- 
geering te  verzekeren. 

VII.  De  bevoegdheid  van  de  Nederlandsche  Regeering, 
om,  waar  zulks  voor  de  veiligheid  geboden  werd, 
forten  en  stukken  in  het  Rijk  van  Djokjakarta  en 
gedeeltelijk  ten  koste  van  dat  Rijk  aan  te  leggen. 
VIII.  De  verplichting  der  Djokjakartasche  Regeering  een 
grooten  weg  door  dat  Rijk  naar  het  Cheribonsche 
aan  te  leggen. 

IX.  De  bevoegdheid  der  Nederlanders  om  in  het  Rijk 
van  Djokjakarta  aan  het  zuider  zeestrand  een  of 
twee  havens  te  kiezen  en  daar,  gedeeltelijk  ten 
koste  van  dat  Rijk,  forten  aan  te  leggen. 
X.  De  erkenning  van  het  recht  der  Nederlanders  vrij 
handel  te  drijven  en  alle  Nederlandsche  handels- 
waren en  fabrikaten  vrij  in-,  door-  en  uit  te  voeren 
wat  betreft  het  gansche  grondgebied  van  Djokjakarta. 

XI.  De  bewilliging  van  het  dragen  der  kosten  van  den 


L 


326 

tegenwoordigen  oorlog  door  het  Rijk  van  Djokja- 
karta, zoodanig  dat  de  som  van  ƒ  26,000,  welke 
dit  Rijk  jaarlijks  genoot  van  zijn  aandeel  in  de 
verpachting  der  Djabarankasche  landen  aan  Neder- 
land, die  voortaan  niet  meer  zou  worden  betaald, 
zou  worden  beschouwd  als  eene  rente  van  6  pCt. , 
waarvan  het  kapitaal  derhalve  bedroeg  ƒ  433,333, 
welk  kapitaal  al  dadelijk  in  mindering  der  bedoelde 
oorlogskosten  in  rekening  zou  worden  gebracht. 
XII.  De  machtiging  aan  den  luitenant-generaal  De  Koek 
verstrekt,  om  met  eene  daartoe  te  benoemen  com- 
missie den  oud-sultan  werkelijk  op  zijn  troon  te 
Djokjakarta  te  herstellen  en  met  Z.  H.  aangaande 
alle  zoodanige  huishoudelijke  punten  overeen  te 
komen ,  als  waarvan  de  regeling  door  de  uitvoering 
van  dit  tractaat  gevorderd  werd. 

Deze  nadere  overeenkomst  zou ,  na  door  den  com- 
missaris-generaal bekrachtigd  te  zijn  even  verbindend 
wezen,  alsof  zij  in  het  tractaat  zelf  ware  opgenomen. 

Aan  Z.  H.  werd  gevraagd,  of  hij  de  artikelen  alle 
duidelijk  had  verstaan  en  de  vervulling  er  van  wenschte 
na  te  komen. 

Z.  H.  verklaarde,  dat  hij  alles  duidelijk  had  verstaan 
en  overwogen,  en  bereid  was  de  voorwaarden  te  vervullen 
en  daarop  den  eed  af  te  leggen. 

Na  deze  verklaring  werd  de  panghoeloe  binnengeleid, 
in  wiens  handen  Z.  H.  den  eed  op  den  Koran  aflegde. 

Andermaal  rezen  alle  aanwezigen ,  behalve  de  commis- 
saris-generaal ,  van  hunne  zetels  op ,  om  den  eed  staande 
aan  te  hooren. 

Z.  H.  zwoer  houw  en  trouw  aan  Z.  M.  den  Koning 
der  Nederlanden;  steeds  in  vrede  en  vriendschap  met 
het  N.-I.  Gouvernement  te  leven  en  hare  verplichtingen 
te  erkennen  en  in  acht  te  nemen;  te  trachten  de  rusten 
den  vrede  in  het  Rijk  van  Djokjakarta  te  herstellen  en 


327 

te  handhaven;  de  verbintenissen  met  het  N.-I.  Gouver- 
nement getrouw  na  te  komen;  naar  de  wetten  van  recht 
en  billijkheid  te  regeeren,  kortom,  al  datgene  te  doen, 
wat  een  goed  vorst  gehouden  is  te  doen. 

Na  deze  eedsaflegging  heerschten  er  eenige  oogenblikken 
van  plechtige  stilte  in  de  zaal;  allen  staarden  ernstig 
voor  zich  uit  en  wachtten  met  gespannen  aandacht  op  het 
woord  van  den  commissaris-generaal. 

Deze  verklaarde  volkomen  tevreden  te  zijn  met  de 
gedane  belofte  op  den  Koran  en  verzocht  den  resident 
de  acte  aan  Z.  H.  ter  teekening  aan  te  bieden. 

Nadat  Sepoe  met  eenigszins  bevende  hand  het  stuk 
geteekend  had ,  en  dit  door  den  commissaris-generaal  be- 
krachtigd was,  werd  hij  door  Z.  Exc.  met  luider  stem 
in  naam  des  Konings  erkend  en  uitgeroepen  ais  wettig 
sultan-regent  van  Djokjakarta,  onder  den  naam  van  sultan 
Sepoe  (de  Oude). 

Sultan  Sepoe  werd  met  den  koninklijken  mantel  om- 
hangen, en  op  't  zelfde  oogenblik  deed  de  artillerie  een 
salut  van  19  schoten. 

De  commissaris-generaal  wenschte  den  nieuw  benoem- 
den sultan  geluk  met  diens  verheffing  en  bood  Z.  H.  een 
prachtige ,  met  diamanten  omzette  kris  ten  geschenke  aan , 
waarna  Z.  Exc,  na  de  gebruikelijke  plichtplegingen,  de 
vergaderzaal  verliet. 

Met  eene  uitdrukking  van  diepen  ernst  op  het  gerim- 
peld gelaat  en  als  overweldigd  door  het  ceremonieel ,  dat 
hem  van  banneling  tot  regeerend  vorst  had  verheven, 
was  de  grijsaard  voor  een  oogenblik  zijne  ontroering 
nauwelijks  meester. 

Hij  was  echter  te  veel  diplomaat,  om  zich  lang  door 
zijne  aandoening  te  laten  medesiepen,  en  geen  der  om- 
standers vermocht  in  de  diepliggende  oogen  te  lezen, 
welke  snaar  in  hem  het  meest  trilde ,  welke  gedachten  hem 
beheerschten ,  noch  welke  plannen  er  in  den  geest  van  dien 
heerschzuchtigen ,  trotschen  Mataramer  vorst  sluimerden. 


328 

Maar  zeker  was  er  op  dat  oogenblik  geen  gelukkiger 
sterveling  op  gansch  Java ,  dan  sultan  Sepoe ,  ofschoon  hij 
meesterlijk  zijne  zegevierende  blijdschap  wist  te  verbergen. 

Met  waardige  houding  en  echt  Oostersche  voornaam- 
heid ,  ontving  de  sultan  de  gelukwenschen  van  de  getui- 
gen zijner  verheffing;  nu  en  dan  plooide  een  glimlach 
zijne  dunne  lippen,  wanneer  een  bekende  hem  de  hand 
drukte  en  complimenteerde. 

Volgens  gebruik  werden  Z.  H.  door  het  Gouvernement 
geschenken  aangeboden,  bestaande  in  prachtige  versier- 
selen in  diamant  en  goud,  mooie  inlandsche  wapens  en 
en  kostbare  stoffen. 

Niet  lang  nadat  de  commissaris-generaal  de  zaal  ver- 
laten had,  keerde  ook  de  sultan  naar  zijne  vertrekken 
terug,  doch  thans  onder  een  gouden  pajong  en  geëscor- 
teerd door  eene  grootere  eerewacht. 

De  installatie  van  sultan  Sepoe  was,  de  politieke  omstan- 
digheden in  aanmerking  genomen,  al  zeer  karakteristiek. 

De  waardigheid  echter  en  ook  de  majesteit  waarmede 
desniettemin  de  plechtigheid  geschiedde,  bleven  niet  zon- 
der indruk  op  Sepoe. 

De  commissie,  samengesteld  uit  de  heeren  luitenant- 
generaal  De  Koek,  de  raden  van  Indic  Muntinghe  en 
Engelhardt,  welke  den  sultan  naar  Djokjakarta  zou 
vergezellen,  had  tevens  in  opdracht  de  proclamatie  af  te 
kondigen,  welke  op  den  12 en  September  1826 te Salatiga 
met  groote  plechtigheid  geschiedde. 

Die  afkondiging  werd  door  vele  prinsen  en  een  groot 
deel  der  Javaansche  aristocratie  met  vreugde  begroet, 
maar  ook  een  aanzienlijk  aantal ,  dat  vroeger  met  trouw 
en  liefde  voor  Sepoe  had  gestreden ,  bleef  vijandig  gezind ; 
de  opstand  had  familie-  en  vriendschapsbanden  verbro- 
ken, en  door  het  fanatisme  was  een  broederoorlog  ont- 
staan, die  een  deel  der  onderdanen  had  vervreemd  van 
den  vroegeren  heerscher,  dien  het  jongere  geslacht  zich 
nauwelijks  meer  herinnerde. 


329 

Wij  zullen  niet  stilstaan  bij  eene  beschrijving  van  de 
luisterrijke  feesten  en  den  plechtigen  intocht  te  Salatiga, 
waar  vele  voorname  inlanders  met  hun  gevolg  waren 
samengekomen  om  den  ouden  sultan  met  vereerende 
geestdrift  te  begroeten  en  hulde  te  brengen. 

Het  kon  niet  worden  geloochend,  dat  Sepoe's  aan- 
hang, ondanks  de  scheuring  welke  Dipo  Negoro  had 
teweeggebracht,  niet  zoo  onbeduidend  was;  Sepoe  stond 
als  hoofd  van  het  Mataramsche  vorstenhuis  en  als 
grootvader  van  Dipo  Negoro,  in  veler  oog  hooger  dan 
de  kleinzoon. 

Op  denzelfden  dag  dat  te  Salatiga  de  proclamatie  werd 
afgekondigd ,  beproefden  de  aanhangers  van  Dipo  Negoro 
den  jongen  sultan  (Anom)  te  ontvoeren,  een  aanslag,  die 
echter  mislukte  en  welke  aanleiding  gaf  Z.  H.  veiligheids- 
halve naar  het  fort  te  doen  verhuizen. 

Terwijl  de  sultan  te  Salatiga  verwijlde,  trok  generaal 
De  Koek  aldaar  eene  genoegzame  macht  bijeen,  om  den 
vorst  naar  Djokjakarta  te  begeleiden. 

Den  17 en  September  kwam  de  sultan  te  Kalitan ,  alwaar 
Z.  H.  door  den  resident  van  Solo,  de  voornaamste 
prinsen  van  het  Solosche  hof  en  den  pangerang  Mangkoe 
Negoro  met  betuigingen  van  eerbied  en  onverdeelde  sym- 
pathie werd  verwelkomd. 

Den  volgenden  dag  kwam  ook  de  soesoehoenan  van 
Solo  te  Kalitan,  om  den  sultan  geluk  te  wenschen,  en 
de  oude  vriendschapsbanden  weder  aan  te  knoopen. 

Met  genoegen  bespeurden  onze  hooge  autoriteiten ,  dat 
wederzijdsch  vertrouwen  en  welwillendheid  de  vorsten 
bezielden. 

Den  19en  vertrokken  de  sultan  en  de  Regeerings- 
commissarissen  naar  Klatten;  de  reis  werd  ongestoord 
volbracht. 

Als  eene  eigenaardigheid  van  den  heer  Engelhardt  zij 
vermeld,  dat  ZHE.gestr.,  een  man  van  hoogen  leeftijd, 
en   die  evenals  de   sultan  per   palankijn  reisde,  steeds 


330 

eene  doodkist  met  zich  voerde,  welke  met  al  die  pracht 
en  luister  een  somber  en  schril  contrast  vormde. 

Reeds  lang  vóór  des  sultans  aankomst  te  Klatten  had- 
den zich  duizenden  gewapende  inlanders  onder  hunne 
hoofden  als  eerewacht  langs  den  weg  geschaard;  achter 
deze  gelederen  verdrongen  zich  de  bewoners  der  omlig- 
gende dessa's,  allen  in  feestgewaad,  en  overal  waren 
gamelangs  geplaatst  om  den  welkomstgroet  te  slaan. 

Niet  ver  van  het  fort,  stonden  drie  temengongs  met 
200  volgelingen,  allen  in  de  fraaiste  kleederen gedoscht, 
om  den  sultan  hunne  onderwerping  aan  te  bieden. 

Deze  waren  partijgangers  van  Dipo  Negoro,  die,  na 
de  verheffing  van  den  voormaligen  vorst  tot  sultan-regent, 
tot  het  wettig  gezag  terugkeerden. 

Toen  de  voorhoede  van  het  militaire  escorte  voorbij 
trok  en  men  daarachter,  bij  de  hoofdmacht,  des  sultans 
palankijn  en  gouden  pajong  ontdekte,  wierpen  zich  de 
inlanders  geknield  ter  aarde ,  en  brachten  in  die  houding, 
naar  'slands  gebruik,  den  vorst  hunne  hulde. 

De  gamelangs  lieten  in  driftige  slagen  den  feestmarsch 
galmen;  van  't  fort  donderden  de  saluutschoten  en  klon- 
ken wijd  en  zijd  de  vreugdekreten  der  jubelende  bevolking. 

In  het  fort  werd  hij  door  den  commandant  met  het 
gebruikelijk  ceremonieel  ontvangen. 

Na  afloop  der  gewone  plichtplegingen  werden  tal  van 
Prinsen,  temengongs  en  dessahoofden  tot  den  vorst  toe- 
gelaten; velen  om  Z.  H.  hulde  te. brengen,  anderen  om 
hunne  onderwerping  aan  te  bieden. 

Het  was  een  gedurig  komen  en  gaan  van  voorname 
Javanen  en  priesters,  van  oude  vrienden  en  bekenden 
voor  den  vorst  een  vermoeiende  dag,  doch,  gestreeld 
door  zoovele  blijken  van  belangstelling,  behield  hij  eene 
ongestoorde  opgeruimdheid.  Den  volgenden  dag,  20 Sep- 
tember, werd  de  reis  naar  Djokjakarta  voortgezet. 

Gedurende  dezen  tocht  was  er  een  wanklank  in  de 
algemeene  feestvreugde. 


.Mji  »«  "a-m 


331 

Niet  ver  van  Klatten  stuitte  de  voorhoede  op  versper- 
ringen en  vernielde  bruggen;  het  geknal  van  geweer- 
schoten bewees  tevens,  dat  de  veiligheidstroepen  aan  't 
schermutselen  waren  met  de  benden  van  Dipo  Negoro, 
die  den  stoet  den  doortocht  trachtten  te  beletten. 

Meermalen  fronste  de  grijze  vorst  de  wenkbrauwenen 
vlamden  zijne  oogen  van  verontwaardiging  en  toorn ;  die 
aanvallen  bewezen  maar  al  te  duidelijk,  dat  zijn  klein- 
zoon den  kinderlijken  eerbied  met  voeten  trad ,  ja ,  zelfs 
den  grootvader  het  gezag  betwistte. 

Al  vechtende,  en  meermalen  opgehouden  door  ver- 
nielde' bruggen ,  welke  moesten  hersteld  worden ,  bereikte 
de  stoet  Bantoelan,  waar  kapitein  De  la  Monnaie  het 
gezag  voerde. 

De  Rijksbestierder ,  vele  prinsen  en  hoofden  hadden 
zich  aldaar  vereenigd,  om  den  sultan  feestelijk  in  te 
halen  en  te  verwelkomen. 

Verscheidene  hunner  waren  zeer  aangedaan  toen  zij 
den  vorst  terugzagen,  dien  zij  met  de  meeste  blijken 
van  diep  gevoelden  eerbied  en  sympathie  begroetten. 

Ook  de  sultan  was  niet  in  staat  zijne  ontroering  te 
bedwingen  bij  het  wederzien  van  zoovele  bloedverwanten 
en  vrienden. 

Na  een  kort  oponthoud  werd  de  reis  naar  de  hoofdstad 
vervolgd. 

Geheel  Djokjakarta  was  met  vlaggen  getooid. 

Langs  den  weg  naar  den  kraton  waren  aan  weerszijden 
guirlandes  van  bloemen  en  palmtakken  aangebracht,  en 
op  verschillende  plaatsen  fraaie  eerepoorten  opgericht 
met  opschriften  in  vergulde  letters. 

Nauwelijks  was  men  van  des  sultans  komst  verwittigd , 
of  eene  talrijke  menigte  verdrong  zich  op  straat ,  om  den 
stoet  op  te  wachten. 

In  den  kraton  waren  al  de  Rijksgrooten  en  prinsen  bij 
elkaar  gekomen  om  den  sultan  volgens  het  gebruikelijk 
ceremonieel  te  ontvangen. 

23 


l 


332 


Eindelijk  kondigde  krijgsmuziek  in  de  verte  de  nade- 
ring der  voorste  troepen  van  den  stoet  aan.  De  trein  werd 
geopend  door  eene  af  deeling  „  Djajang-secars". 

Toen  deze  den  ingang  van  de  stad  bereikt  had,  waar 
een  prachtige  eereboog  stond ,  gaven  aller wege  de  groote 
„gongs"  het  teeken,  dat  sultan  Sepoe  de  grens  zijner 
voormalige  hoofdstad  wederom  had  betreden. 

Bij  de  nadering  van  des  sultans  palankijn ,  hurkten  de 
duizenden  en  duizenden  inlanders  zwijgend  en  vol  eerbied , 
om  Z.  H.  de  gebruikelijke  „  hormat "  te  brengen ;  de  Euro- 
peanen ontblootten  buigend  't  hoofd  en  werden  handgroe- 
tend  door  den  vorst  bedankt  voor  hunne  blijken  van  be- 
langstelling. 

Toen  de  vorst  het  fort  passeerde,  dreunde  Neêrland's 
welkomsgroet  hem  uit  de  metalen  vuurmonden  tegen  en 
bracht  ook  onze  driekleur  den  vasal  het  voorgeschreven 
salut. 

In  den  kraton,  waar  een  golvende  menigte  den  stoet 
volgde,  werd  de  sultan  door  de  Rijksgrooten  en  familie- 
leden niet  minder  hartelijk  ontvangen. 

Met  't  oog  op  des  vorsten  leeftijd  en  de  vermoeienis- 
sen van  de  reis,  hadden  er  op  dien  dag  geen  officieele 
feestelijkheden  plaats. 

Den  volgenden  dag  begaven  zich  de  leden  der  commis- 
sie in  plechtstatigen  optocht  naar  het  paleis,  om  de  rijks- 
sieraden  en  't  rijkszegel  den  sultan  aan  te  bieden,  met 
welke  sieraden  ook  de  teugels  van  het  bewind  in  zijne 
handen  werden  gesteld. 

Bij  dat  ceremonieel  waren  bijna  al  de  prinsen  en  Rijks- 
grooten in  het  paleis  aanwezig  en  werd  aan  de  bevolking 
bij  proclamatie  kond  gedaan,  dat  de  sultan  het  bestuur 
had  aanvaard. 

De  jonge  sultan ,  die ,  gelijk  wij  zeiden ,  naar  het  fort 
was  overgebracht,  keerde  onder  een  escorte  naar  den 
kraton  terug  en  kwam  onder  de  hoede  van  zijnen  groot- 
vader. 


r 


333 

De  kortstondige  regeering  van  sultan  Sepoe  kenmerkte 
zich  door  niets  belangrijks. 

In  weerwil  van  zijnen  loffelijken  ijver  en  onvermoeide 
pogingen  vermocht  hij  Dipo  Negoro's  invloed  niet  geheel 
te  fnuiken;  daartoe  was  trouwens  zijne  regeering  te  kort, 
want  hij  stierf  in  de  maand  Januari  1827. 

Zijn  dood  had  geenerlei  invloed  op  den  gang  van  den 
oorlog. 


VARIA. 


Generaal   Vetter's   telegram. 

„In  de  laatste  maanden  mijner  vorige  Locomotief  - 
redactie  —  zoo  schrijft  de  heer  Brooshooft  in  De  Loco- 
motief van  18  Februari  jl.  —  verdedigde  ik  met  innige 
overtuiging  generaal  Vetter  tegen  al  de  aanvallen,  waaraan 
hij,  de  tot  dien  tijd  geëerde  hoofdofficier,  ten  gevolge 
van  een  enkelen  onheilvollen  nacht  van  alle  zijden  bloot- 
stond. 

Ik  wensch  dien  strijd  niet  opnieuw  aantebinden,  maar 
moet  wel  in  't  belang  van  generaal  Vetter  weer  de  pen 
opvatten ,  nu  in  den  laatsten  tijd  al  wat  vroeger  over  hem 
is  verzonnen  werd  aangevuld  met  deze  nieuwe  onwaarheid : 
dat  hij  na  de  ramp  van  25 — 26  Augustus  alle  geestkracht 
zoozeer  zou  hebben  verloren ,  dat  hij  den  Gouv.-Generaal 
telegraphisch  zou  hebben  voorgesteld,  de  troepen  van 
Lombok  te  doen  inschepen  en  terugkeeren,  omdat  recon- 
structie der  expeditie,  zelfs  met  versche  troepen  van 
Java,  onmogelijk  zou  zijn. 

Te  meer  moet  ik  tegen  deze  dwaling  opkomen  wijl, 
naar  het  schijnt,  de  Locomotief  onder  redactie  van  den 
heer  Scheltema  haar  het  eerst  heeft  in  het  leven  geroepen. 
Althans  ik  vind  in  ons  blad  van  10  December  1897  deze 
zinsnede :  „  Het  Bat.  Nblad  heeft  het  bericht .  in  dit  blad 
door  den  vorigen  hoofdredacteur,  den  heer  Scheltema, 
medegedeeld,  als  zou  generaal  Vetter  hebben  verzocht  de 


335 

troepen  te  Lombok  na  den  overval  weder  in  te  schepen, 
ook  al  „een  infame  leugen"  genoemd". 

Tijd  en  lust  ontbreken  mij  om  optescharrelen ,  waar 
de  heer  Scheltema  deze  onjuistheid  het  eerst  heeft  gezegd. 
Van  de  Locomotief  schijnt  zij  in  ieder  geval  haren  weg 
te  hebben  gevonden  in  andere  bladen ,  waarvan  de  nummers 
mij  worden  aangewezen  door  een  entrefilet  in  de  Java-bode 
van  jl.  Maandag  14  Februari.  Die  bladen  nagaande ,  vind 
ik  het  volgende. 

In  een  artikel  „De  Luitenant-Generaal  J.  A.  Vetter" 
schreef  de  Java-bode  van  3  Sept.  1897  o.  a. :  „Na  den 
overval  van  Augustus  beschouwde  de  generaal  Vetter 
onze  zaak  reddeloos  verloren,  en  telegrafeerde  hij  om 
schepen   om    den  gedemoraliseerden  troep  terug  te  halen". 

Het  Bat,  Nieuwsblad  van  7  September  scheen  in  de 
algemeene  dwaling  medegevoerd,  schreef  althans  in  zijn 
artikel  In  drie  jaren  van  7  September :  „  Het  was  gebeurd, 
en  met  het  gehavend  gedeelte  der  expeditionnaire  macht 
kon  niet  meer  agressief  worden  opgetreden.  Generaal 
Vetter ',  zegt  men ,  wilde  daarmee  teruggaan ,  maar  de  Re- 
geering, met  name  de  Gouv.-Gen.  Van  der  Wij'cé,  wilde 
dat  niet  en  zond  versterking" 

Den  4den  November  was  dat  blad  beter  ingelicht  en 
meldde,  als  een  staaltje  van  den  „laster"  die  nog  steeds 
tegen  gen.  Vetter  werd  uitgestrooid,  „het  altijd  weer 
opnieuw  geuit  beweren ,  dat  generaal  Vetter  van  Lombok 
uit  zou  getelegrafeerd  hebben  aan  de  Regeering  om  terug- 
tetrekken".  De  redacteur  voegde  daaraan  de  volgende 
ontkentenis  —  geen  halven  maatregel  —  toe:  „Thans 
kan  ik  mededeelen ,  dat  het  een  infame  leugen  is ,  en  zulk 
een   telegram   niet  door  generaal  Vetter  is  verzonden". 

Den  8sten  November  sommeerde  hetzelfde  blad  de  Java- 
bode,  van  deze  tegenspraak  tegen  het,  ook  door  de  Java- 
bode  mede  verspreide,  bericht  melding  te  maken. 

De  Java-bode  zweeg  hierop ,  maar  daarentegen  vind  ik  in 
de  Locomotief  van  10  December ,  onder  de  interim-redactie 


336 

tusschen  den  heer  Scheltema  en  mij,  blijkbaar  op  gezag 
van  een  (verkeerd  ingelichten  of  de  Java-bode  napratenden) 
Bataviaschen   correspondent,  o.  a.  het  volgende  gezegd: 

„Het  Nwbld.  heeft  het  bericht  in  dit  blad,  door  den 
vorigen  hoofdredacteur ,  den  heer  Scheltema ,  medegedeeld, 
als  zou  generaal  Vetter  hebben  verzocht  de  troepen  te 
Lombok  na  den  overval  weder  in  te  schepen,  ook  al 
een  infame  leugen  genoemd. 

„Het  is  ons  uit  zeer  betrouwbare  bron  gebleken  dat 
generaal   Vetter   wel   degelijk   dit  verzoek  heeft  gedaan. 

„De  tekst  van  's  generaals  telegram  luidt  letterlijk: 

„reconstructie  expeditie  onmogelijk,  zelfs  met  versche 
troepen  van  Java." 

(De  vette  letters  zijn  van  de  redactie  van  10  December). 

„De  redacteur  der  Soerabaia-Courant  verklaarde  daarop 
13  December,  dat  deze  woorden  „  nagenoeg  geheel  over- 
eenkwamen met  hetgeen  hem  persoonlijk  daaromtrent 
bekend  was". 

En  nu  komt  eindelijk  de  Java-bode  van  jl.  Maandag 
weer  met  een  entrefilet,  waarin  zij  het  Bat.  Nieuwsblad 
sommeert  om  het  bewijs  te  leveren,  dat  gen.  Vetter  het 
voorstel  van  terugtrekken  niet  zou  hebben  gedaan. 

Ware  de  Java-bode  hierbij  gebleven,  dan  zou  zij  in 
zekeren  zin  recht  hebben,  want  den  13den  December  had 
het  Bat.  Nbld.  beloofd,  het  bedoelde  bewijs  te  zullen 
bijbrengen,  en  aangezien  sedert  dien  tijd  2  maanden  zijn 
verloopen  was  een  „little  hint"  gerechtvaardigd. 

Maar  het  blad  houdt  tevens  een  fanfaronnade  op  de  juist- 
heid zijner  eigene  informatiën  tegenover  het  „er  op  los 
schreeuwen  en  schelden ' '  van  het  Bat.  Nieuwsblad  (dat 
inderdaad  nogal  un  chat  un  chat  had  genoemd)  en 
houdt  opnieuw  met  groot  zelfvertrouwen  staande,  dat 
generaal  Vetter  „na  den  smadelijken  Augustusdag  op  Lom- 
bok alle  hoop  had  laten  varen  en  eene  reconstructie  van  de 
expeditie  onmogelijk  achtte ,  zelfs  met  versche  troepen  van 
Javar 


337 

Ik  weet  niet ,  wat  het  Nieuwsblad  hierop  zal  antwoorden 
en  m  hoever  het  materiaal  bezit  om  het  gevraagde  bewijs 
te  leveren.  Toevallig  echter  ben  ik  in  de  gelegenheid, 
dit  bijtebrengen.  Ik  ben  in  het  bezit  eener  copie  van  den 
officiöelen  tekst  van  het  door  gen.  Vetter ,  terstond  nadat 
hij  van  het  desaster  op  Ampenan  was  aangekomen,  ge- 
zonden telegram  aan  den  Gouv. -Generaal ,  dat  door  den 
correspondent  der  Locomotief  van  10  December  ten  eenen- 
male  onjuist  is  weergegeven, 

Ik  laat  hier  volgen  den  tekst  van  het  geheele  telegram, 
voor  de  letterlijke  juistheid  waarvan  ik  insta  met  mijn 
eerewoord. 

Het  werd  afgezonden  van  Ampenan  in  den  avond  van 
den  27sten  Augustus ,  onmiddellijk  nadat  de  generaal  van 
den  terugtocht  over  Mataram  aldaar  was  aangekomen; 
van  Boeleleng  werd  het  geseind  den  28sten  Augustus  te 
7.30  's  morgens. 

„  25  dezer  elf  uur  's  avonds  bivak  Tjakra  onverwacht 
aangevallen,  beschieting  duurde  voort  ook  den  volgenden 
dag.  Baliërs  vuurden  o.  m.  door  in  den  buitenmuur  der 
poeri  des  nachts  geboorde  schietgaten.  Poeri  vlak  tegen- 
over open  bivak  gelegen.  Verliezen  waren  ontzettend  en 
bedroegen  in  den  loop  van  26  dezer  reeds  14  dooden  en 
85  gewonden.  Water  niet  te  bekomen ,  dagelijksche  foura- 
geering  van  Mataram  niet  mogelijk ,  verliezen  namen  hand 
over  hand  toe.  Besloten  op  Mataram  terug  te  trekken,  om 
daar  vereenigd  met  zevende  bataljon  handelend  op  te 
treden.  Om  drie  uur  namiddags  afgemarcheerd.  Alle  goe- 
deren moeten  achterlaten  om  gewonden  en  wapens  te 
kunnen  vervoeren.  Langs  weg  uit  schietgaten  kleimuren 
hevig  vuur,  groote  verliezen. 

„Te  Mataram  toestand  aangetroffen  zoo  mogelijk  nog 
meer  onhoudbaar ,  bivak-commandant  had  bivak  met  vivres, 
goederen  en  geld ,  waaronder  een  kwart  millioen,  dat  des 
morgens  van  25  dezer  was  afgedragen ,  moeten  prijs  geven 


338 

en  zijn  troep  gelegerd  in  een  door  een  muur  omgeven 
plein  op  600  meter  afstand  van  bivak.  Des  avonds  ten 
acht  uur  arriveerde  colonne-Bijlevelt  van  Soekarara,  had 
eveneens  zware  verliezen  geleden. 

„  Troepen  hadden  dien  dag  niet  gegeten ,  stonden  opeen- 
gehoopt,  vivres  ontbraken,  bivak  was  niet  meer  te  be- 
reiken dan  ten  koste  van  zware  verliezen.  Gemeenschap 
met  Ampenan  verbroken.  Onder  die  omstandigheden  en 
ingesloten  tusschen  Tjakra  en  Mataram  was  van  offensief 
optreden  geen  sprake.  Toestand  was  door  de  vele  ge- 
wonden onhoudbaar.  Besloten  den  volgenden  morgen  27 
dezer  te  trachten  door  een  verre  omtrekking  Zuidwaarts 
Ampenan  te  bereiken.  Om  zes  afgemarcheerd.  Verliezen 
onderweg  betrekkelijk  gering.  Ten  ongeveer  half  twee 
aangekomen.  Verliezen  bedroegen:  officieren , gesneuveld 
generaal-majoor  Van  Ham,  eerste-luitenant  Abeleven, 
tweede-luitenants  Musquetier  en  jhr.  Alting  von  Geusau; 
zwaar  gewond:  luitenant-kolonel  Van  Bijlevelt,  kapiteins 
Fuhrop  en  Manders,  ecrste-luitenants  Ter  Bruggen  Hu- 
genholz ,  Dooremans ,  Velds  en  Boerma ,  tweede-luitenant 
Aussems;  licht  gewond:  kapitein  'sGraeuwen,  eerste- 
luitenants  Hardie  en  Timmer,  tweede-luitenant  Hanssen. 
Vermist:  majoor  Hamerster,  kapitein  Kamerman ,  eerste- 
luitenant-adjudant  Kotting,  eerste-luitenant  Musch,  tweede- 
luitenant Jansen,  officier  van  gezondheid  tweede  klasse 
Jansen;  minderen  gesneuveld:  drie  en  zestig;  gewond: 
honderd  drie  en  vijftig;  vermist:  honderd  acht  en  veertig. 

„Voorts  zijn  de  vier  veldkanons  te  Mataram  achterge- 
laten moeten  worden ,  zoomede  vele  goederen ,  archieven 
enz.  Officieren  hebben  absoluut  niets  dan  hetgeen  zij  aan 
het  lijf  hebben.  De  colonne-Van  Lawick  van  Pabst,  be- 
staande uit  twee  compagnieën  negende  en  een  sectie 
berg-artilleric,  werd  heden  van  Batoe-Klian  terug  verwacht. 
Poging  haar  van  den  toestand  kennis  te  geven  en  naar 
de  Oostkust  te  doen  marcheeren  mislukt.  Of  een  offensief 
optreden   met   de    aanwezige  troepenmacht  en  onder  de 


"iTT 


sn.Vi. 


339 

gegeven  omstandigheden ,  met  het  doel  Mataram  en  Tjakra 
met  geweld  te  veroveren ,  resultaat  zoude  hebben ,  betwij- 
fel ik,  ook  al  werd  daaraan  een  versch  bataljon  toe- 
gevoegd. De  expeditie  zal  opnieuw  georganiseerd  en 
uitgerust  en  van  veel  artillerie  voorzien  moeten  worden. 

Opperbevelhebber 
(w.   get.)   VETTER." 

Ziedaar  den  letterlijken  tekst  van  het  telegram.  Zooals 
men  ziet  van  inschepen ,  troepen  terughalen ,  onmogelijke 
reconstructie  geen  sprake.  De  generaal  seint,  na  plicht- 
matig zijn  échec  onomwonden  te  hebben  medegedeeld 
(Europeesche  veldheeren  doen  wel  eens  anders),  dat  een 
nieuw  offensief  optreden  met  de  aanwezige  gedemorali- 
seerde troepenmacht,  ook  al  voegde  men  daaraan  een 
versch  bataljon  toe,  tot  herovering  van  Mataram  en  Tjakra, 
geen  succes  zou  hebben ,  en  zelfs  dit  betwijfelde  hij  slechts. 
Hij  vraagt  daarom  reorganisatie  en  nieuwe  uitrusting  der 
expeditie,  met  toezending  van  veel  artillerie.  Is  dit  de 
taal  van  een  man,  die  verzoekt  hem  schepen  te  zenden 
om  met  zijne  troepen  te  kunnen  terugkeeren? 

Wie  over  het  telegram  schreven  hebben  het  blijkbaar 
slechts  gedaan  van  hooren  zeggen ,  zonder  het  te  hebben 
gezien,  eenige  uit  hun  verband  gerukte  woorden  pasklaar 
makende  voor  hun  betoog.  Dit  is  te  verklaren  uit  het 
feit,  dat  in  de  eerste  ontsteltenis  van  de  Lombok-ramp 
een  aantal  lange  halzen  hebben  getracht  een  blik  te  werpen 
in  de  dépêche  en  werkelijk  eenige  woorden  ervan  hebben 
opgevangen ,  die  verdraaid  en  uit  hun  verband  gerukt  in 
de  pers  schijnen  te  zijn  verzeild.  Zóó  is  de  meening  van 
den  generaal ,  dat  „  een  nieuw  offensief  optreden  met  de 
aanwezige  troepenmacht''1  niet  tot  verovering  van  Tjakra 
en  Mataram  zou  kunnen  leiden  (wat  iedere  deskundige 
hem  wel  zal  toegeven)  verwrongen  tot  de  uiting:  dat 
„  eene  reconstructie  der  expeditie  onmogelijk  zou  zijn ".  De 


r-1 


■i 


340 

schepen  om  hem  aftehalen  enz.  enz.  zijn  er,  als  gebrui- 
kelijke persversiering,  bijgemaakt. 

Zonder  bedilzucht  meen  ik  te  mogen  opmerken ,  dat  het 
uitbrengen  van  zulk  eene  zware  beschuldiging  (demora- 
lisatie en  ontmoediging  na  een  échec)  tegen  een  krijgs- 
bevelhebber ,  zonder  dat  blijkbaar  iemand  der  beschuldigers 
het  stuk  waarop  hij  zijne  bewering  grondde  heeft  in  handen 
gehad,  minstens  genomen  lichtvaardig  moet  heetcn. 

Maar  tegenover  generaal  Vetter ,  den  self  made  man , 
den  stoutmoedigen  en  juist  voor  zijn  karaktervastheid 
bekenden  Atjeh-officier,  den  heldhaftigen  kapitein  van  Segli, 
den  latercn  bekwamen  hoofdofficier,  kalmen  aanvoerder 
en  krachtigen  militairen  commandant,  mocht,  na  dien 
ëónen  ongelukkigen  Augustusnacht ,  alles  worden  gezegd ! 

Wie  tot  de  verspreiding  dezer  nieuwe  dwaling  hebben 
meegewerkt  zullen,  hoop  ik,  ridderlijk  genoeg  zijn  om 
thans  te  erkennen  dat  zij  zich  vergisten." 

Het  toeval  wilde,  dat  juist  een  dag  nadat  het  boven- 
staande in  De  Locomotief  verscheen  de  heer  Daum  in  het 
Bat.  Nieuwsblad  het  reeds  zoo  lang  van  hem  gevorderd 
bewijs  kwam  leveren.  Hij  schreef  nl.  in  het  nummer  van 
19  Februari,  naar  gebleken  is  geheel  onafhan- 
kelijk van  de  publicatie  van  den  heer  Broos- 
hooft: 

„Thans  verheugt  het  mij,  het  toegezegde  bewijs  te 
kunnen  leveren. 

„In  het  telegram  van  generaal  Vetter,  meldende  den 
overval  en  zijn  treurige  gevolgen,  komt  aan  het  slot  de 
beschouwing  voor,  dat  hij  „er  aan  twijfelt  of  met  de 
overgebleven  troepenmacht  en  onder  de  gegevenomstan- 
digheden een  offensief  optreden  met  het  doel  Mataram  en 
Tjakra  te  veroveren,  resultaat  zoude  hebben,  al  werd 
daaraan  een  versch  bataljon  toegevoegd,  en  dat  daarom 
de  expeditie  opnieuw  georganiseerd  en  uitgerust  en  van 
veel  artillerie  voorzien  moest  worden." 


341 

Natuurlijk  heeft  de  Java-bode  na  dit  alles  ruiterlijk  hare 
beschuldigingen  teruggenomen. 

Zij  schrijft: 

„En  nu  wij  kennis  hebben  kunnen  nemen  van  den 
waren  inhoud,  voor  de  openbaarmaking  waarvan  de 
Locomotief  dank  verdient,  aarzelen  wij  geen  oogenblik 
te  erkennen  dat  wij  hebben  gedwaald;  dat  wij  geloof 
hebben  geschonken  aan  de  mededeeling  uit  een  bron, 
die  geen  enkele  redactie  niet  als  een  onwraakbare  zou 
hebben  geacht;  maar  wij  ontkennen  met  alle  kracht  dat 
ons  kwade  trouw  mocht  worden  verweten;  wij  werden 
misleid,  onze  goede  trouw  is  verschalkt  op  een  wijze, 
die  ons  doet  uitroepen:  wat  moet  er  dan  toch,  in  de 
allernaaste  omgeving  zelfs  van  den  bevelhebber,  een  too- 
melooze  persoonlijke  vijandschap  hebben  gewoed!  In  de 
erkenning  te  goeder  trouw  te  hebben  gedwaald  en  dit  te 
erkennen,  ligt  nooit  iets  vernederends  of  onedels.11 


De  zending  in  de  Bataklandcn. 

Het  Missions-Zeitschrift  van  Maart  geeft  het  eerste  ge- 
deelte van  een  opstel  over  de  ontwikkeling  van  de  zending 
onder  de  Bataks  in  de  laatste  tien  jaren,  van  de  hand 
van  den  zendeling  Joh.  Warneck. 

Hoe  die  zending  steeds  in  ruimeren  kring  werkt,  moge  blij- 
ken uit  de  volgende,  daarmeegedeeldecijfers,overtwee  jaren: 

in  1886.  in  1896. 

aantal  Christenen 10746  36136 

schoolgaande  kinderen 1329  6095 

vrouwelijke  scholieren  onder  deze.     .  0  873 

zendingsstations 13  22 

aantal  zendelingen 15  30 

ongehuwde  diakonessen 0  10 

inlandsche  voorgangers 56  148 

geordende  inlandsche  predikers.     .    .  3  20 


342 

ouderlingen  der  gemeenten     ....         147  660 

filialen  der  zendingsgemeenten  ...  50  127 

In  alle  opzichten  dus  grooten  vooruitgang.  Geen  wonder 
trouwens,  als  men  leest,  dat  telkens  de  grenspalen  der 
zending,  met  medewerking  der  bevolking  zelve,  werden 
verplaatst;  in  de  onderafdeeling  Toba  b.v.,  waar  tien 
jaren  geleden  nog  menschenroof ,  slavernij  en  het  ruwste 
kanibalisme  aan  de  orde  van  den  dag  waren,  en  dat 
thans,  met  het  reeds  vooraf  tot  het  Christendom  ge- 
brachte Silindoeng,  het  middelpunt  en  het  zwaartepunt 
van  de  Battazending  vormt  .  .  . 

De  Bataklanden  zijn  een  gezegend  arbeidsveld  geweest 
van  de  Rijnsche  zending,  die  er  in  1861  een  aanvang 
nam,  en  reeds  na  betrekkelijk  korten  tijd  op  schoone 
uitkomsten  wijzen  kon.  Een  groot  deel  van  dit  succes  is 
te  danken  aan  den  ijver  van  den  zendeling  Nommensen, 
die  in  1864  zijn  werk  in  Silindoeng  aanving. 


Een  bezoek  aan  de  Deli-zending. 

Uit  een  vorig  nummer  van  het  Maandbericht  van  het 
Nederlandsche  Zendelinggenootschap  hebben  wij  iets  over- 
genomen van  het  verslag,  dat  Br.  A.  Kruyt  over  een 
bezoek  aan  de  Deli-zending  uitgebracht  heeft.  HetApril- 
nummer  bevat  van  dat  verslag  het  vervolg  en  slot.  Ziehier 
eenige  brokstukken  er  uit  : 

.,  Maandag  25  October  bezochten  wij  Sibolangit  en  Tand- 
joeng  Beringin.  De  afstand  van  Boeloeh-Hawar  Sibolangit, 
bergop,  is  wel  slechts  l*/4  uur,  maar  de  marschiszeer 
afmattend.  Sibolangit  toch  ligt  op  een  hoogvlakte,  aan 
alle  zijden  door  steil  afloopende  wanden  begrensd.  Ge- 
lukkig wordt  ook  op  dit  plateau  tabak  geplant.  Wij  konden 
dientengevolge  gebruik  maken  van  een  koliepad,  dat  ons 
nu  zigzag  naar  boven,  bracht 


343 

„  In  het  bosch  vonden  we  een  offerplaats  van  de  hantoe's 
(geesten).  Primitiever  zag  ik  tot  dusverre  iets  dergelijks 
niet.  Een  dozijn  bamboe  stokjes  naast  elkaar ,  van  boven 
|  een  weinig  gespleten,  zoodat  er  enkele  sirihblaadjes  als 

offer  voor  de  geesten,  in  vastgeklemd  konden  worden. 
Ik  kreeg  den  indruk ,  dat  het  bij  de  Bataks  niet  diep  zit : 
„Als  we  geen  sirih  bij  ons  hebben,  dan  steken  we  er 
een  blad  tusschen ,  dat  erop  gelijkt.  De  hantoe's  zien  zoo 
nauw  niet ! "  merkte  een  der  Bataks  onder  algemeen  gelach 
op.  Een  ander  wist  te  vertellen  van  een  Europeaan,  die 
kwansuis  een  sigaar  had  geofferd.  Een  handige  Batak 
had  haar  opgerookt!  „Zij  smaakte  best",  werd  er  bij- 
gevoegd. Nu  is  het  wegnemen  van  een  offergave  als  zoo- 
danig geen  kwaad.  De  geesten  worden  gezegd  alleen  de 
fijne  essence  te  genieten,  de  rest  is  van  geen  waarde! 
Toch  getuigt  het  van  weinig  eerbied  als  men  zoo  over 
hen  spreekt.  Het  zal  wel  met  de  Bataks  gaan  als  met 
vele  Javanen,  die  desalniettemin  blijven  offeren,  uitgaande 
van  het  beginsel:  „Baat  het  niet,  het  schaadt  niet!" 

„Goeroe  (inlandsche  zendeling)  Pinontoan  ontving  ons 
recht  hartelijk.  De  vlag  was  uitgestoken,  en  een  ruiker 
prijkte,  ons  ter  eere,  in  een  glas.  Ook  had  de  njora  voor 
een  compleet  ontbijt  voor  ons  gezorgd ,  en  voor  rijst  voor 
onze  volgelingen.  Dan,  helaas,  van  den  zendingarbeid zag 
ik  niets.  De  school  was  verloopen,  tengevolge  van  een 
feest  ter  eere  van  het  tandenvijlen  van  eenige  jongelingen, 
waaronder  ook  de  broeder  van  den  penghoeloe  van  Sibo- 
langit.  Vier  van  de  trouwste  leerlingen  der  school  hadden 
mede  de  operatie  ondergaan.  „Daar  zitten  ze",  zeide  de 
goeroe,  „maar  op  het  oogenblik  is  er  met  hen  niets  te 
beginnen ! "  En  ja ,  daar  zaten  ze ,  en  het  was  treurig  ze 
aan  te  zien,  die  verminkte  tanden,  dat  gezwollen  tand- 
vleesch,  die  dikke  lippen.  Waarlijk,  er  behoort  moed  toe, 
om  zich  zoo  te  laten  pijnigen!  Maar  wat  het  treurigste 
is ,  bij  zoo'n  gelegenheid  wordt  het  volk  als  door  razernij 
aangegrepen,   en   dag  aan  dag  wordt  er  gespeeld,  soms 


een  maand  en  langer  achtereen.  Men  houdt  niet  op.  De 
toegangswegen  tot  de  kampong  worden  verbeterd,  om 
toch  maar  veel  volk  te  trekken  van  buiten,  en  het  spel 
gaat  voort ,  dag  aan  dag ,  totdat  men  er  beu  van  is,  en  — 
dan  bloedt  zoo'n  feest  dood.  Misschien  zou  men  het  niet 
zoo  lang  uithouden,  wanneer  de  penghoeloe  er  geen  be- 
lang bij  had ,  dat  er  veel  gespeeld  wordt.  Van  eiken  dollar 
toch  die  verspeeld  wordt ,  ontvangt  de  penghoeloe  10  cent, 
zoowel  van  den  winner  als  van  den  verliezer.  Geen  on- 
aardige bijverdienste  dus.  Door  zulke  feesten  nu  wordt 
de  moeitevolle  arbeid  van  maanden  teniet  gedaan.  Het 
kuddeke  schooljongens  slinkt  tot  enkele  getrouwen,  en 
naar  de  prediking  des  Evangelies  luistert  niemand.  En 
als  de  razernij  heeft  uitgewoed,  kost  het  verbazende  in- 
spanning om  de  menschen  weer  te  trekken.  En  zijn  de 
jongens  eenmaal  het  schoolgaan  ontwend,  komen  ze  niet 
licht  weer  terug!" 

De  tocht  van  Sibolangit  naar  Tandjoeng  Beringin  duurde 
volle  3Vi  uur.  Tandjoeng  Beringin  ligt  in  een  keteldal. 
Het  is  er  vochtig  en  ongezond.  De  goeroe  houdt  daar 
ook  een  paar  uren  school.  Hij  had  het  reeds  gebracht 
tot  een  vijftiental  leerlingen,  maar  èn  doordat  hij  ziek 
was  geweest  èn  door  feesten  in  het  dorp  was  dit  getal 
tot  vijf  verminderd.  Maar  deze  vijf  zijn  dan  ook  getrouwen, 
die  reeds  op  school  zijn  van  het  begin  der  vestiging ,  nu 
5  jaar  geleden.  Van  drie  hunner  is  het  bijna  zeker  dat 
ze  Christen  zullen  worden,  aangezien  de  ouders  reeds 
toestemming  gaven. 

„ ...  Na  het  avondeten  hadden  wij  een  lang  gesprek 
over  den  arbeid  der  zending  onder  de  Bataks.  Waarlijk, 
aan  de  verkondiging  van  het  Evangelie ,  tijdig  en  ontijdig, 
bij  de  goeroe's  aan  huis  of  in  de  huizen  der  Bataks  zelf, 
in  de  djamboers  en  op  het  veld,  ontbreekt  het  niet. 
En  de  goeroe's  weten  zich  zeer  goed  in  het  Bataksch 
verstaanbaar  te  maken.  En  de  Bataks  zijn  ontwikkeld 
genoeg   om  te   begrijpen  wat  de  goeroe's  zeggen.  Maar 


345 

waar  het  op  aankomt:  zich  te  bekeeren,  daarvan  willen 
zij  niet  weten.  Ze  willen  alles  toegeven,  ja  het  zelfs  nog 
beter  zeggen,  dan  de  goeroes  het  deden;  maar  Christen 
worden,  willen  zij  niet.  Veelwijverij ,  opium,  spel,  zij 
zijn  als  met  het  volksleven  saamgeweven. 

„Den  volgenden  dag  keerden  we  naar  Boeloeh-Hawar 
terug;  in  2s/i  uur  tot  Sibolangit,  en  in  ruim  één  uur 
van  daar  naar  huis.  Te  Sibolangit  hadden  wij  gelegenheid 
den  nieuw  aangelegden  rijweg  te  zien,  die  in  de  rots  is 
uitgehouwen.  Het  is  een  meesterstuk,  waarvan  de  eer 
aan  den  heer  Van  Gils  toekomt.  Niet  minder  bewonderens- 
waardig is  de  daar  aangelegde  waterleiding,  waardoor 
deze  geheele  hoogvlakte  van  levend  water  is  voorzien. 
Te  meer  waarde  heeft  dit  alles,  omdat  het  te  verwachten 
is,  dat  de  nieuwe  strategische  weg  naar  boven  over 
Sibolangit  loopen  zal.  Na  één  dag  rust  te  Boeloeh-Hawar, 
aanvaardden  wij  28  Oct.  onze  reis  naar  Pernangenen  over 
Pagar  Batoe,  een  omweg  weliswaar,  maar  de  eenige, 
die  zonder  gevaar  te  doen  was.  Hoewel  de  hellingen  op 
dit  traject  niet  zoo  steil  zijn  als  b.v.  tusschen  Sibolangit 
en  Tandjoeng  Beringin,  zoo  is  toch  de  reis  veel  ver- 
moeiender. Het  is  een  bijna  voortdurend  klimmen  en 
dalen ,  soms  meer  dan  een  half  uur  achtereen . . .  " 

Hoewel  de  goeroe  te  Pernangenen  een  ernstig  en  ijverig 
man  is  en  bij  de  Bataks  zeer  gezien ,  heeft  hij  nog  maar 
één  bekeerling  gemaakt.  „Hoe  afmattend  moet  het  zijn, 
altijd  door  te  werken  —  en  geen  of  nagenoeg  geen  vruch- 
ten te  zien !  Datzelfde  afmattende  doet  zich  ook  te  Boeloeh- 
Hawar  gevoelen.  Sedert  1890  is  hier  een  zendeling  ge- 
vestigd en  tot  heden  werden  gedoopt  9  mannen ,  1  vrouw 
en  twee  kinderen.  Bovendien  behoort  sedert  eenigen  tijd 
een  Tobo-Batak,  door  Br.  Schütz  gedoopt,  mede  tot  de 
gemeente.  In  het  geheel  dus  13  zielen. 

„  Geen  school  heeft  meer  geleden ,  dan  die  te  Boeloeh- 
Hawar.  Nauwelijks  was  men  bekomen  van  de  dubbele 
feestelijkheden,  die  gedurende  l1/,  maand  de  oprichting 


346 

van  het  doodenhuis  eischten;  nauwelijks  waren  de  lieden 
wat  uitgerust  van  hunne  dansen ,  hanengevechten ,  schieten 
en  dobbelen,  of  opnieuw  begon  het  lieve  leven,  nu  in 
den  vorm  van  het  zoogenaamde  goeroe  goeroe  aroweno, 
een  soort  mapaloes.  Jongelieden  en  jonge  meisjes  gaan 
dan  samen  werken.  Van  dien  arbeid  komen  ze  vrij  op- 
gewonden terug  en  vieren  dan  feest  in  de  kampong.  Bij 
de  bekende  losheid  van  zeden  onder  de  jongelui ,  behoeft 
het  geen  betoog,  dat  zulke  feestelijkheden  alles  behalve 
dienen  om  het  peil  van  zedelijkheid  te  verhoogen.  Helaas, 

de   zending   staat  machteloos  tegenover  dit  alles en 

de  arbeid  staat  stil! 

„Nu  loopen  er  weer  geruchten,  dat  hier  eerstdaags 
een  groote  geestenbannerij  in  de  kampong  zal  plaats  hebben, 
natuurlijk  vergezeld  van  al  de  ellende ,  aan  zulk  een  leven- 
makerij  verbonden!  Dan,  zou  dit  alles  ook  een  bewijs 
zijn ,  dat  hier  de  waarheid  kracht  begint  te  ontwikkelen  ? 
Het  heidendom  toch  openbaart  zich  soms  zoo  luide  déér, 
waar  het  zich  de  krachten  voelt  ontzinken. 

„In  de  eerste  tijden,  toen  het  nog  een  nieuwtje  was, 
kwamen  er  velen  des  Zondags  in  de  godsdienstoefening. 
Nu  is  dat  getal  zeer  geslonken.  Den  eersten  Zondag  sprak 
goeroe  Ponto.  Er  waren  toen  aanwezig  7  mannen  en  2 
vrouwen,  terwijl  een  paar  anderen  om  den  hoek  stonden 
te  luisteren.  Den  tweeden  Zondag ,  toen  Br.  Joustra  voor- 
ging, was  het  kuddeke  nog  kleiner. 

„Er  zijn  ook  andere  vruchten  aan  te  wijzen.  De  zen- 
deling toch  begint  meer  deel  te  worden  van  deze  maat- 
schappij. Men  leert  nu  zijne  onbaatzuchtige  handelingen 
kennen,  het  wantrouwen  maakt  plaats  voor  vertrouwen, 
en  men  nadert  hem  meer  en  meer  onbevangen.  In  ziekte 
of  ongeval  is  hij  de  man  die  helpen  moet!  En  zoo  ont- 
staat er  een  band,  die  met  de  jaren  hechter  wordt. 

„  En  dan  is  daar  de  hoogvlakte ,  waarmede  voortdurend 
de  gemeenschap  wordt  onderhouden.  Aan  gene  zijde  van 


347 

de  bergen  is  onze  hoop  op  meerdere  vrucht  groot.  Daar 
woont  het  moedervolk,  dat  oorspronkelijk  gebleven  is, 
niet  zoo  ontaard  als  de  doesoen-Bataks ,  en  werkzamer. 

„  Daarheen  nu  richten  zich  de  blikken  in  deze  zending. 
Dan,  helaas!  die  hoogvlakte  is  nog  voor  ons  gesloten! 
Maar  geen  nood,  eenmaal,  wanneer  Gods  tijd  daar  is, 
zal  ook  dier  het  Evangelie  gepredikt  worden ,  zullen  ook 
de  Karo-Bataks  ingaan,  gelijk  reeds  zoovelen  van  hunne 
stamverwanten  onder  de  Toba's.  De  geschiedenis  leert  het 
ons :  de  volheid  der  tijden  is  voor  de  Bataks  aangebroken. 
Laat  ons  dan  niet  aarzelen ,  maar  voortgaan ,  ondanks  tal 
van  bezwaren  en  moeiel ijkheden ! " 

Den  25en  November  kwam  Br.  Kruijt  te  Módjó-Warnó 
terug. 

Het  Maandbericht  meldt  nog: 

„In  ons  Maandbericht  van  Januari  mochten  wij  mede- 
deelen,  dat  in  de  Minahassa  voorloopig  f5773.821/,  was 
ingekomen  aan  feestgaven.  Thans  mogen  wij  daaraan  toe- 
voegen ,  dat  in  het  ressort  van  Br.  Rooker  f  2622.41  werd 
bijeengebracht ,  en  dat  in  andere  ressorten  aan  nagekomen 
giften  nog  f  629.10  inkwam.  In  het  geheel  kwam  dus 
f  9025.331/,  bijeen." 


De  quarantaine  in  het  Oosten. 

De  Semaine  Médicale  bepleit  wederom  een  grondige  ver- 
betering van  de  quarantaine-inrichtingen  in  het  Oosten, 
die  nu,  niettegenstaande  -alle  conferenties  en  besluiten, 
nog  niet  den  minsten  waarborg  geven.  De  conferentie  te 
Venetië ,  in  het  vorige  jaar ,  heeft  ter  kwader  uur  en  uit 
onbekendheid  met  den  werkelijken  toestand,  aan  den 
Gezondheidsraad  te  Constantinopel  de  uitvoering  opge- 
dragen van  de  maatregelen,  waartoe  besloten  was,  en 
hem  geautoriseerd  daartoe,  zoo  noodig,  te  beschik- 
ken  over  een  reservefonds,  dat  voor  dit  doel  aanwezig 

24 


348 

was.  Naar  alle  waarschijnlijkheid  bestaat  dit  fonds  in  het 
geheel  niet.  De  Turksche  Regeering,  die  reeds  twintig 
jaar  tot  het  betalen  van  eene  jaarlijksche  bijdrage  ver- 
plicht is ,  heeft  die  gelden  wel  trouw  geboekt  maar  nooit 
gestort.  Bij  gebrek  aan  geld  komt  er  dus  van  alle  ver- 
beteringen niets. 

In  het  station  te  Bayorah,  aan  de  Perzische  golf,  dat 
Europa  moet  beschermen  tegen  de  pest,  is  de  toestand 
nog  even  treurig  als  destijds.  De  reizigers  die  er  in  ob- 
servatie zijn,  verkeeren  nog  steeds  ongedwongen  met  de 
buitenwereld.  De  eenige  verbetering  is,  dat  men  een 
stroomat,  die  voor  afscheiding  diende,  heeft  vervangen 
door  een  fraaien  rozenhaag.  De  drie  bewakers  gaan 
's  nachts  naar  huis,  en  overdag  gaan  de  van  pest  ver- 
dachte bewoners  onder  de  hoede  van  een  sjouwerman 
uit  visschen.  Engelsche  officieren  gingen  uit  varen  in  een 
inlandsche  sloep  met  het  opzettelijk  doel  de  maatregelen 
belachelijk  te  maken. 

Evenwel,  in  dezen  toestand  schijnt  toch  eene  verbete- 
ring, eene  verplaatsing  van  het  lazaret,  op  handen  te 
zijn.  Als  men  dan  nog  brak  met  de  gewoonte  om  alleen 
zeer  jonge  of  zeer  oude  geneeskundigen  aan  te  stellen, 
zou  er  reeds  veel  gewonnen  zijn. 


Vereeniging   „Het  Buitenland". 

Aan  het  verslag  der  Vereeniging  Het  Buitenland,  te 
Amsterdam,  over  1897  ontleenen  wij  het  volgende: 

Ook  in  het  afgeloopen  jaar  mocht  de  Vereeniging  zich 
verheugen  in  den  steun  der  Regeering.  Het  rijkssubsidie 
werd  opnieuw  door  de  Staten-Generaal  bewilligd.  De  aan- 
dacht der  Vereeniging  was  in  het  afgeloopen  jaar  hoofd- 
zakelijk gericht  op  Oost-Azië. 

„Hetgeen  wij  daar  hebben  kunnen  verrichten"  — zegt 
het  verslag  —  „  danken  wij  hoofdzakelijk  aan  de  krachtige 
medewerking   en    het   initiatief   van  de  diplomatieke  en 


349 

consulaire  vertegenwoordigers  onzer  Regeering.  Wij  ver- 
melden hier  de  heeren  Knobel ,  minister-resident  en  consul- 
generaal  te  Peking,  F.  J.  Haver  Droeze,  consul-generaal 
voor  Zuid-China  te  Hongkong,  E.  D.  van  Walree,  eerst 
vice-consul  te  Yokohama ,  later  fungeerend  consul  te  Shan- 
ghai ,  F.  J.  Domela  Nieuwenhuis ,  consul-generaal  te  Pre- 
toria, die  onze  reeds  aanwezige  en  nieuw  aangekomen 
candidaten  met  raad  en  daad  steunde,  I.  C.  T.  Reelfs, 
consul-generaal  te  Melbourne,  den  consul-generaal  Von 
Düring  en  den  vice-consul  Bartels  te  Mexico,  en  consul 
E.  Speckter  te  Vera  Cruz. 

„Voor  onze  voorloopige  plaatsingen  in  Europa  onder- 
vonden wij  de  gewaardeerde  hulp  van  onzen  consul-gene- 
raal te  Londen,  den  heer  H.  S.  J.  Maas,  en  van  onzen 
trouwen  vriend  en  medewerker  den  heer  A.  Prins  te 
Hamburg." 

Eenige  bladen  van  het  verslag  zijn  gewijd  aan  de  can- 
didaten der  Vereeniging;  vooral  kan  men  tevreden  zijn 
over  plaatsingen  in  China,  Oost- Azië  en  Afrika. 

„Wat  onze  in  vorige  jaren  naar  overzeesche  gewesten 
uitgezonden  candidaten  betreft,  kan  worden  aange- 
teekend,  dat  de  berichten  in  het  algemeen  bevredigend 
luidden." 

Onze  Nederlandsche  jongelieden  worden  in  het  buiten- 
land langzamerhand  gewaardeerd ,  en  de  openbare  handels- 
school te  Amsterdam  krijgt  eene  goede  reputatie. 

Het  verslag  betreurt  zeer,  dat  bijna  nergens  in  Neder- 
land handelsscholen  bestaan  en  dat  van  Rijkswege  bijkans 
in  het  geheel  niet  wordt  gezorgd  voor  de  opleiding  tot 
een  beroep,  waarin  een  groot  gedeelte  der  jongelieden, 
welke  middelbaar  onderwijs  genieten,  hun  loopbaan 
moeten  maken. 

Omtrent  de  flnancieele  uitkomsten  van  het  laatste  dienst- 
jaar deelt  het  verslag  mede,  dat  op  kapitaalrekening  is 
geboekt  f  16,145.42,  waarbij  kas-saldo  f540.85.  De  reke- 
ning  over   1896   werd   afgesloten   met   een   tekort  van 


350 

f  1102.79;  van  de  toelagen,  waarover  nog  niet  beschikt 
was,  kwam  vrij  f  900;  blijft  nadeelig  saldo  f  202.79. 
Hierbij  zijn  gekomen  de  volgende  ontvangsten:  aan  rem- 
bours van  vroeger  verleende  toelagen  f  3594.51 ,  rente 
van  de  fondsen  der  kapitaal-rekening  en  deposito-renten 
van  de  beschikbare  gelden  f  611.13,  jaar-contributiën 
f  4860,  rijkssubsidie  f  5000.  Het  totaal  der  middelen 
bedraagt  dus  f  14,065.64.  De  onkosten  zijn  geweest :  alge- 
meene  onkosten ,  als  salaris  secretaris ,  porto's ,  telegram- 
men, drukwerk  etc.  f  1696.46;  opnieuw  verleende  toe- 
lagen f  12,851.09;  nadeelig  saldo  f  202.79;  samen 
f  14,750.34;  zoodat  het  nadeelig  saldo  der  jaarrekening 
blijft  f  684.70. 


Britsch-Guyana. 

Uit  het  rapport  van  den  gouverneur  van  Br.-Guyana 
over  het  jaar  1897  blijkt,  dat  de  inkomsten  £  555.774 
en  de  uitgaven  £  590.616  bedroegen,  terwijl  op  het  eind 
van  het  jaar  de  schuld  van  de  kolonie  £  1,899.457  was. 
De  helft  van  de  inkomsten  vloeide  voort  uit  voedingsstoffen, 
in  hoofdzaak  meel  en  rijst ,  terwijl  de  uitvoer  van  suiker 
en  voortbrengselen  van  suiker  het  */8  van  den  uitvoer 
bedroeg.  Verder  werd  in  hoofdzaak  alleen  goud  geëxpor- 
teerd; meer  dan  de  helft  van  den  invoer  en  van  den 
uitvoer  was  naar  het  moederland.  Nog  steeds  is  de  kolonie 
Voor  werkkrachten  afhankelijk  van  Indië,  hoewel  het 
overbevolkte  Barbados  slechts  400  mijlen  verwijderd  is 
en  zoowel  door  particulieren  als  autoriteiten  in  beide 
koloniën  vele  pogingen  werden  aangewend  om  een  geregelde 
emigratie  te  bewerkstelligen.  De  gouverneur  beweert  dat 
de  grootste  moeilijkheden  voortkomen  uit  het  karakter 
der  Barbadiaansche  arbeiders.  Het  is  zeer  moeilijk  hen 
te  bewegen  een  contract  voor  een  langen  tijd  te  sluiten. 
Hij  wenscht  te  kunnen  repatrieeren ,  wanneer  hij  dat  ver- 


351 

kiest  ,  is  zeer  gevoelig  voor  malaria  en  wenscht  een  eigen 
woning,  hoe  klein  ook,  te  bezitten. 

Dit  is  een  hinderpaal  voor  beide  koloniën,  die  van  zoo- 
veel nut  voor  elkander  konden  wezen. 

Het  aantal  Britsch-Indische  immigranten  in  Br  .-Guyana 
bedraagt  116.700. 

Men  tracht  deze  immigranten  door  het  afstaan  van 
stukken  grond ,  in  plaats  van  retour-passage ,  zooveel  mo- 
gelijk voor  goed  in  de  kolonie  te  houden,  en  naar  het  zich 
laat  aanzien  zal  dit  vrij  wel  gelukken. 

Koffie  en  cacao  worden  steeds  geproduceerd  slechts  in 
die  mate,  dat  alles  aan  locale  consumptie  opging;  van 
kola,  dat  aan  de  Demerara-rivier  groeit,  werden  enkele 
verschepingen  gedaan.  De  rijstcultuur  belooft  zeer  uitge- 
breid te  worden,  daar  het  is  gebleken  dat  het  terrein 
achter  de  kustlanden  bijzonder  gunstig  daarvoor  is;  ook 
is  een  rijstmolen  in  Georgetown  opgericht. 

De  goudproductie  is  steeds  stijgende,  maar  het  grootste 
gedeelte  is  afkomstig  van  placers,  hoewel  3  maatschap- 
pijen machineriën  aangeschaft  hebben  en  kwartsen  be- 
werkten. 

De  totale  bevolking  bedraagt  meer  dan  285000. 

Wat  betreft  de  administratiekosten,  welke  in  vergelijking 
met  de  andere  Br  .-Indische  eilanden  hoog  mogen  genoemd 
worden ,  wordt  in  het  rapport  er  op  gewezen ,  dat  politie , 
rechterlijke  macht,  ambtenaren  der  belastingen  en  post- 
beambten  benoodigd  zijn  voor  eene  uitgestrektheid  van 
200  mijlen,  langs  de  zeekust,  en  zoo  meer  dan  100  mijlen 
in  het  binnenland  der  kolonie,  terwijl  somtijds  de  wet 
moet  worden  toegepast  buiten  de  grenzen  van  het  Britsch 
gebied.  Met  eene  zoo  verspreide  bevolking  moeten  dus 
de  administratie-kosten  hoog  zijn.  Afgelegen  plaatsen 
moeten  b.v.  ook  hun  magistraten,  geneesheeren ,  geeste- 
lijken, politie  hebben  en  bovendien  met  de  andere  deelen 
des  lands  communicatie. 


NIEUWE    UITGAVEN. 


NJSDERLAND. 


Bijblad  op  het  Staatsblad  van  Nederlandsch-lndië,  onder  redactie 
van  H.  M.  la  Chapelle  en  D.  F.  W.  van  Rees.  Dl.  XXXII.  Afl.  1. 
Batavia,  H.  Prange  &  Co.  ['s  Gravenhage,  Martinus  Nijhoff].  Per 
dl.  (6  afl.) /  10.—. 

OreuaesoL  Op  en  om  Soeka  Sepi.  Schetsen  van  een  koffielandje. 
Batavia,  H.  M.  van  Dorp  &  Co. 

Gelder  (Mr.  W.  de).  Het  strafrecht  in  Nederlandsch-lndië.  2e  uit- 
gave, bijgewerkt  door  mr..M.  S.  Koster.  Batavia,  G.  Kolff  &  Co. 
's  Gravenhage,  Martinus  Nijhoff 2  dln.  Geb.  ƒ  15. — . 

Kaart  der  tabaksondernemingen  in  Langkat,  Deli,  Serdang,  Bedagei, 
Padang,  Batoe  Bahara  en  Assahan  (Oostkust  van  Sumatra).  Schaal 
1  :  200:000.  4e  druk.  Naar  de  nieuwste  gegevens  bewerkt  door 
P.  de  Vries  &  Zoon.  Amsterdam,  J.  H.  'de  Bussy.  Plano  f  10.—. 
Opgepl.  aan  rollen  f  12.—.  Opgepl.  in  étui f  12.-—. 

Moore  (Oh.  Tan  der).  Assam-thee,  haar  cultuur  en  bereiding  op 

Java.  Batavia— 's  Gravenhage,  G.  Kolff  &  Co ƒ  1  90. 

Indische  landbouwbibliotheek,  1. 

Naamlijst  der  Europeesche  inwoners  van  het  mannelijk  geslacht  in 
Nederlandsch-lndië,  en  opgave  omtrent  hun  burgerlijken  stand,  1898. 
Batavia,  Landsdrukkerij,  ['s  Gravenhage,  Martinus  Nijhoff]    f  2.—. 

Regeeringsalmanak  voor  Nederlandsch-lndië.  1898.  Batavia.  Lands- 
drukkerij, ['s  Gravenhage,  Martinus  Nijhoff].  2  dln.  /  5.—.  Met 
Naamlijst ,    .    .    .    f  6. — . 

Verslag  over  de  burgerlijke  openbare  werken  in  Nederlandsch-lndië, 
over  het  jaar  1896.  's  Gravenhage,  Gebrs.  J.  .&  H.  van  Langen- 
huysen f  3.—. 

Verwijnen  (J.  J.).  Historisch  overzicht  van  het  bestaan  der  militaire 
school  te  Meester-Cornelis  (N.-L).  October  1852— Juli  1896.  Haar- 
lem, De  Erven  Loosjes.  Samarang,  G.  C.  T.  van  Dorp  &  Co.    f  3.50. 


353 
ENGELAND. 

Bonwiok  (James).  Australia's  first  preacher:  the  rev.  Richard 
Johnson,  first  chaplain  of  New  South  Wales 4/ 

Cumming  (C.  F.  Gtordon).  The  inventor  of  the  numeral  type  for 
China,  by  the  use  of  which  illiterate  Chinese,  both  blind  and 
sighted,  can  very  quickly  be  taught  to  read  and  write  fluently.  1/ 

Dyer  (E.  Jerome).  The  routes  and  mineral  resources  of  North 
Western  Canada 6/ 

Gleichen  (Count).  With  the  mission  to  Menelik,  1897.  With  illusts. 
by  the  author  and  from  photographs 16/ 

Handbook  for  travellers  in  India,  Burma  and  Ceylon.  including  the 
provlnces  of  Bengal,  Bombay  and  Madras,  the  Punjafc,  North  West 
Provinces,  Rajputana,  Central  Provinces.  Mysore  &c.  theNative 
States,  Assam  and  Cashmere.  3rd  ed.  Witn  74  maps  and  plans.    20/ 

Holmes  (T.  Bioe).  A.  history  of  the  Indian  mutiny  and  of  the  dis- 
turbances  which  accompanied  it  among  the  civil  population.  5th 
ed.,  revised  throughout  and  slightly  enlarged 12/6 

Japan  and  the  Japan  mission  of  the  Church  Missionary  Society. 
3rd  ed 2/ 

Maonab  (Franoes).  British  Columbia  .for  settlers :  its  mines,  trade 
and  agriculture 6/ 

Malabari  (Behramji  M.).  India  in  1897 1/ 

Morris  ( J.).  What  will  Japan  do  ?  A  forecast.  With  a  map  of  the 
Far  East 3/6 

Bowan  (Airs.).  A  flower  hun  ter  in  Queensland  and  New  Zealand     14/ 

Thomson  (John).  Through  China  with  a  camera.  With  nearly 
100  illusts * 21/ 

Warner  (W.  Lee).  The  citizen  of  India 2/. 

Windt  (Harry  de).  Through  the  gold  fields  of  Alaska  to  Bering 
Straits.  With  a  map  and  30  illusts 16/ 

Young  (Ernest).  The  ringdom  of  the  Yellow  Robe :  being  sketches 
of  the  domestic  and  religious  rites  and  ceremonies  of  the  Sia- 
mese. With  illusts 15/ 


DTJITSOHLAND. 

Ansichten  der  Republik  Argentinien.  2  Hft M.  3.— 

Bastian  (Adf).  Lose  Blatter  aus  Indien.  II.  Batavia  .    .  M.  10.— 

Herrioh  (A).  Generalkarte  v.  Ostasien,  Japan,  Korea,  Ost-China  u. 
dem  südöstlichen  Teil  des  asiatischen  Russland  1  : 4,500,000.  Mit 
Nebenkarten.  1.  Golf  v.  Pe-tschi-li  u.  die  weitere  Umgebg.  v.  Peking. 
2.  Umgegend  v.  Soul.  3.  Umgegend  v.  Tokio.  Ausg.  m.  Special- 
karte  Kiaotschau-Bucht M.  1.— 


354 

Jorissen  (Dr.  E.  J.  P.).  Erinncrungeii  an  Transvaal  876—1896.  Aus 
dem  Holl.  übers.  v.  Sekr.  A.  Seidel     .    .    M.  4.— ;  geb.  M.  5.—. 

Karte  der  Kiau-Tschou-Bucht  u.  Umgebung.  1 :  750,000.  [Aus :  „Pe- 
termann's  geograph.  Mitteilgn."]  Mit  Text M.  — .40 

Beiohard  (Faal).  Deutsch-Ostafrika.  Das  Land  il  seine  Be wohner, 
seine  polit.  u.  wirtschaftl.  Entwickelg.  Mit  36  Vollbildern  nach 
Orig.-Photographien M.  5.—  ;  geb.  M.  6. — . 

Peters  (O.).  Weitherzige  Kolonialpolitik M.  —.50 

Buge  (Prof.  Dr.  BX  Die  Entdeckung  des  Seeweges  nach  Ostindien 
duren  Vasco  da  Gama  1497/8.  Vortrag.  (Mit  2  Karten.)  .    M.  1.50 

Suriname  (Niederl.  Guyana).  Culturgewachse,  Plantagcnbau,  Gold- 
felder,  Land  u.  Volkstypen  u.  s.  w.  25  Naturaufnahmen    M.  10. — 

Zimmermann  (A.).  Die  deutsche  Kolonial-Gezetzgcbung  1893—1897. 

M.  8.— 


FRANKRIJK; 


Buondelmonti  (C).  Description  des  lies  de  r  Archipel,  trad.  par 
E.  Legrand.  52  partes.  lre  partie 20  fr. 

Boutilly  (V.).  Le  thé,  sa  culture  et  sa  manipulation.  Avec  15 
fig.  et  2  pi ' ,    .    .      2  fr. 

Ohandèse  (G.).  L'émigration :  intervention  des  pouvoirs  publics  au 
XlXe  siècle 5  fr. 

Code  civil  de  1'Empire  du  Japon.  Livres  I,  II,  III,  trad.  par  J. 
Motono  et  M.  Tomii. 6  fr. 

Ctunenge  (E.)  et  Bobellas  (P.).  L'or  dans  la  nature,  mineralogie, 
geologie.  Etude  des  principaux  gltes  aurifcres.  Statistique,  Ier  f., 
13  héliogr 10  fr. 

Demour  (V.  P.  J.).  Du  tabac  Avec  21  fig 2  f r.  50 

BoelB  (Bdg.).  Boers  et  Anglais :  autour  des  mines  d'or  du  Transvaal. 

2  fr. 

Sohuró  (B.).  Sanctuaires  d'Orient,  Egypte,  Grèce.  Palestine.    7  fr.  50. 


De  Nieuwe  Drogistwinkel, 
Mej.  E.  DE  LEEUW, 

9/t4ix;>eytt^x<xt  -42.  —  SDen,  dx&aa. 

Somatose,  Quina  Laroche 

en  alle  Binnen-  en  Buitenlanctache  genees- 
middelen. 

SPECIALITEIT  IN  TANDPOEDER,  TANDWATER 
EN  TANDBORSTELS. 

Eau  de  Cologne  van  Boldoot  enz. 

VERZENDING  NAAK  INDIË. 


Bij  de  Uitgevers-Maatschappij  „PUBLICITAS"  te  Amsterdam  verschenen: 


EXZLS  ZOLA,  Voor  een  nacht  v.  liefde  f  1.50 

,  Thérèse  Raquin,  geïll.  -  2.25 

,  Madeleine  Férat,     „    -2.50 

,  Mevrouw  Neigeon   „    - 1.90 

,Naïs  Micoulin    .      „    -1.90 

Dr.  ?.  8.  KAMP,  De  Sexueele  Voorbe- 
hoedmiddelen     -0.75 

Dr.  P.  XOULXN,  Magnetisme  en  Som- 

nambulisme -0.90 

PIEBBE  KEOPOTKINE,  De  Anarchie, 

Philosophie  en  Ideaal -0.60 

Dr.  S.  OLEHENT,  Gezondheidsleer  v. 
het  huwelijk f  0.90 


Dr.  E.  OLEHENT,  De  ziekten  van  den 

man f  0.90 

Dr.   OABL  HENNXGr,  De  ziekten  van 

het  kind -  2.90 

A.  B.  WESTERHOUT,  Marie  Huising, 

real.  Novellen -1.90 

OHAMPAGNE-KALENDEB 1898 1.  pers  -  0.50 
BOUDOXB-KALENDEB  1898  ter  perse  -  0.25 
XIOB  OOBDAT,  Kamer  No.  3    .    .    -0.25 

(Onschuld,  geïll.  Aan  het  Dessert,   Op 

advies  van  Mama,  geïll.  Brand!  geul. 

Bonbons,   geïll.,)   Dit  deeltje  is  het  Ie 

van  de  Boudoir-Bibliotheek. 


Voor  franco  zending  naar  Indië  worden  deze  prijzen  met  10  pet.  verhoogd. 


G.  STREIT  WOLF 

Instrumentmaker, 

Firma  Wed.  Bern.  Klaassen, 

Passage  26,     Zontmaostraat  83, 

'S  GRAVENHAGE. 

Brillen  en  Pince-Nez, 


II 


ii 


Artikelen  voor  Ziekenverpleging. 


pEVESTIGD: 

Piet  Heinstraat  No.  21, 

cl  curnt  CREMER 

Gollecteur  der  Staatsloterij. 


V 


Heele  en  gedeelten  van 
loten  in  de  357e  loterij  ver- 
krijgbaar. 


M«.  HAMBURG. 

Uitzet-,  Kapitaal-  en  Rente- Verzekering-Maatsch^. 

DIRECTIE  DER  AFDEELING  NEDERLAND  EN  BELGIË : 

Amsterdam,  Rokio  117.  Brussel,  10  Boulevard  Aupaek. 

DIVIDEND  aan  de  verzekerden  uitgekeerd  over  1896 

18t/i  °/0  der  «Taarpreznïe. 

Nadere  inlichtingen  zijn  o.  a.  te  bekomen  bij  den  heer  G.  VAN 
BLIJSWIJK  SOMBEEK,  Inspecteur  der  Maatschappij,  Tasmanstraat  47, 
's  Gravenhage. 


'S*. 


© 


«H 


sa 


u 

O 


MEL  VAN  RIN 

Hoogstraat  29  en  Stationsweg  71. 


pa  cd 

es  g 

^  > 


Interc.  Telephoon 

Steeds  voorradig  eene  groote  collectie 

van   A.    J.    REIJNVAAN,    Amsterdam. 

SPECIALE  BLIKVERP:  MET  FRANSCHE  SLUITING. 

Export  door  de  geheel©  Wereld. 

F.  W.  EINCK  &  ZOON. 


Portretüjsten.  Portefeuilles,  Portemonnaiea,  Sigarenkokera,  Buvards  en  andere 
artikelen,  welke  alle  onder  garantie  voor  deugdelijke  bewerking  en  soliditeit 

worden  geleverd. 
Artikelen,  in  onze  magazijnen  gekocht,  worden  kosteloos  gerepareerd. 

Ruimste  keuze;  uiterst  billijke  prijzen. 

ALBUMS  voor  Indië,  expresse  bewerking. 
S,  Schaamburgstraat  $t  $en  Staag. 

H,  H.  KL A ASSEN,  Prinsestraat  23  en  25, 

'S  GRAVEN MAGEJ 

Meert  uitgebreid  Magazijn  van  r—t-  •*  Lax«p»pi«r ,  O  rootste  Magazijn  van 

Pakken  Ctorais  r»(|»>l«r(  £40  Tel,  ook   geschikt        voor    Bruiloften,    Verjaringen,  Kinderpartijen,    eni 

TOOT  de  mafl,  TOOT  den  spotprijs  Tan  »•  «••«.  %'»©rJr««h«««,   Veraje»,  Aarrfighedaa,  «as. 

TOor_  poet  in  tweeën,  blauw  geroerd,  FABRIEK  VAN 

j3loemen-/Vrtikelen, 

Toor  mmlt  ■!•«»•■  te   ■»*-•■. 

Diverse  soorten  Bladeren,  5  et  per 
doz|jn,  alle  van  linnen. 

Export  naar  Oost-  en  West-Indiën 


*•  «•♦  per   !•#.  Kleinere  formaten  Tan  af  H%  «•■* 
•er  MM>. 

.  t*%  «rat  per  ■•♦. 

lste  kwaliteit,  per  gros  (144  stuks), 
t. 

Pooien  L*n«  Papier,  50  Tel  en  50  Couverten,  blauw 
niueid,  ao  **■*, 

Prima  Poum4«i,  letter  H.  B.,  voor  «oentfi  «*■« 


perdtwUo. 
Verder 


alle 


hrijn«b«»«ftM,  spotgoedkoop.  Bollen 

'Ctewt  Papier  !•  cmi  per  rol,  echt  Engelsen. 


Vraag  Monsters  en  Geïllustreerde  Prijscouranten. 


Glas,  Poréi  h  Airdnmt. 

Het  grootste  en  goedkoopste  magazijn  in 
bovenstaande  artikelen  is 

f assage  33-35-37 

Emballeert,  verhuurt  en  verzendt 
door  de  geheele  wereld. 

O.  9reX7©88, 

DEN  HAAG. 


Tandheelkundige  Inrichting 

VAN 

H.  HAMBURG, 

TANDARTS, 

van  Krasbergenstraat  80, 

DAGELIJKS  TE  CONSULTEEREH. 

Heele  Gebitten  f  35.  Tanden  per  stuk  f  2. 
Goud  plombeeren  f  5.  Cement  of  Zilver 
plombeeren  f2.  Tandheelkundige  opera  tien 
zonder  pyn  f  1. 

Zondags  van  9  tot  3  uur. 


Het  Zuid-Hollandsch  Venduehuis. 

Uitgebreide  lokalen:  Ingang  Prinsegr.  hoek  L  Beestenmarkt, 

DEN  HAAG. 

Is  de  beste  inrichting  tot  aan-  en  verkoop  van 


Elke  dag  van  9—10  uur  geopend  en  des  Zondags  van  9—5  uur. 

VOOHDEELIGE  CONDITIES  VOOB  PUBLIEKE   VEILINGEN. 

R.  GLASTRA,  Bierstraat  5,  Dan  Haag. 


Billijke 


Beste 


Prijzen. 


Bediening 


VERHUIZINGEN  en  TRANSPORTEN  door  het  geheele  Rijk. 


I).  A.  BACHOFNER, 

Tailleur  Civil  &  Militaire. 

•BE8CBTSTB1AT  3»  -  'S  BHAt'ESHAGÜ. 

Uitrustingen 

OOST-   &  WEST-INDIE. 
n,  etc.  etc. 


EENIG   ADRES  VOOR 

Solied  Haarwerk. 

Haarverf  cenig  geheel  onscha- 
delijk en  vlekt  niet  de  huid. 

Maison  T.  Harteveld, 

Coiffeur. 
Speciaal   Salon  tow  Duits  n  Heeren. 
Prins  Hendrikstraat  182, 

nabij  de  Waldeck  Pyrmontkade.   k 


H.  C.  J.  VRIJTHOFF  VAN  DER  TOORN. 

Zoostraat   30   —    Hen    Haag. 

Fabrikant  van  BANDAGES  van  ORTHOP.  TOESTELLEN.  Leverancier 
aan  verschillende  Rijks-  en  Gemeente-instellingen. 
Levert  verder  en  gros  en  en  détail: 
Prima  Eng.  Rijwielen,  voor  Heeren  f  100—130—160,  voor  Dames  f  140, 
Prima  Amerikaansche  Rijwielen,  voor  Heeren  en  Dames  f  225, 

alle  met  de  meest  omvattende  garantie  op  machines  en  banden. 
Prachtige  Zwitsersche  Muziekdoozen,  Zelfspelende  Piano's,  Orgels,  enz. 
Electr.  schel*  en  lichtgeleidingBn,  om  zelf  aan  te  leggen,  draagbare  Electr. 
flets-  en  huislannpen,  Telefonen,  enz.  enz.  —  Uiterst  billijk. 


v\ » ; 


INHOUD. 


Bladz. 

I.  De  oprichting  van  de  eerste  hulp-  en  spaar- 
bank  door  inlandsche  hoofden  te  Poerwokerto. 
Door  G.  ROESSINGH  VAN  ÏTERSON  ....     355 

II.  China   in   economisch   opzicht.    Door   F.   M. 

Knobel 376 

III.  Stoomvaart-   en   spoorwegverkeer   met   Oost- 
Azië 405 

IV.  Varia 418 

De  waarheid  in  zake  de  Lombok-telegrammen.  — 
Officieele  statistiek  van  Suriname  over  1897.  — 
Muntwezen  in  Britsch-Indië. 

V.  Nieuwe  uitgaven 432 


Bijdragen  en  brieven,  de  Redactie  betreffende,  ge- 
lieve men  te  zenden  aan  den  Heer  H.  A.  LESTÜRGEON , 
villa  „Catharina  Francisca",  N.  Badhuisweg,  Scheveningen. 


Dit  Tijdschrift  verschijnt  tusschen  den  len  en  den  15c" 
van  elke  maand. 

De  abonnementsprijs  bedraagt  voor  Nederland  ƒ  13.— 
per  jaar.  Voor  het  buitenland  .wordt  dit  bedrag  met  de 
porto's  verhoogd.  Tusschentijds  aangegane  abonnementen 
worden  ad  ƒ  3.25  per  kwartaal  berekend. 

Afzonderlijke  nummers,  voor  zoover  deze  voorhan- 
den zijn,  ƒ  1.50  per  aflevering. 

Prijs  der  advertentiën  van  */«  ?  V4  5  V*  en  xl\  bladzijde 
per  plaatsing  ƒ  1.50;  ƒ  2.50;  ƒ  4.50;  ƒ  8.—. 

Bij  12  achtereenvolgende  plaatsingen  van  V$;  V4?  Vi 
en  1/1  bladzijde  ƒ  12.—  ;  ƒ  20.—  ;  ƒ  35.—  en  ƒ  60.—. 


De  oprichting  van  de  eerste  hulp-  en  spaarbank 
door  inlandsche  hoofden  te  Poerwokerto. 


Bij  het  behandelen  in  de  Tweede  Kamer  der  Staten- 
Generaal  van  de  begrooting  voor  Ned.-Indië  over  1898, 
werd  onder  de  algemeene  beraadslaging,  den  17  Novem- 
ber 1897,  door  den  heer  B.  K.  F.  van  Vlijmen,  1) 
sprekende  over  den  oeconomischen  toestand  van  den 
Javaan,  aangehaald  wat  de  heer  F.  Fokkens  den  4<*en 
Februari  1896  op  ecne  vergadering  van  het  Indisch  Genoot- 
schap daarover  had  bekend  doen  worden  en  daarvan  o.  m. 
gezegd : 

„  dat  het  eenige  middel  om  den  Javaanschen  landbouwer 
uit  de  handen  van  woekeraars  te  houden  daarin  bestaat, 
dat  spaarkassen  en  kredietbanken  worden  opgericht, 
waardoor  deze  in  de  gelegenheid  worden  gesteld  tot 
sparen,  maar  ook  tot  het  leenen  van  kleine  bedragen 
tegen  matige  rente ; " 

„  dat  door  den  heer  Fokkens  voldoende  was  aangetoond , 
dat  de  Javaan  ook  wilde  sparen  en  daarbij  was  gewezen 
op  een  bestaande  bloeiende  spaarkas  te  Modjowarno, 
opgericht  door  den  Zendeling  Jellesma ,  en  op  spaarkassen 
voor  inlandsche  ambtenaren  op  verschillende  plaatsen." 

Die  afgevaardigde  gaf  verder  als  zijn  opinie  te  kennen 
„dat  het  bij  hem  vaststond  als  een  paal  boven  water, 
dat  het  creëeren  van  hypotheek-,  krediet-  of  landbouw- 
banken   en  spaarkassen  in  dien  oeconomischen  toestand 


1)  Zie  Handelingen  1897-1898,  blz.  134  en  135. 

25 


356 

verbetering  zou  aanbrengen  en  dat  de  Regcering  dat 
vraagstuk  moest  oplossen,  als  zij  ten  minste  wilde 
voldoen  aan  hare  hooge  roeping:  bevordering  van  de 
moreele  en  materieele  welvaart  van  de  Javaansche  be- 
volking die  aan  hare  hoede  is  toevertrouwd." 

Denzelfden  dag  werd  door  den  minister  van  koloniën, 
den  heer  I.  F.  Cremer,  hierop  geantwoord  1)  „dat  hij 
het  met  den  geachten  afgevaardigde,  den  heer  Van 
Vlijmen,  eens  was  dat  er  in  Indië  nog  veel  te  verbeteren 
viel,  want  dat  daar  ook  armoede  en  gebrek  werd  ge- 
leden ,"  maar  deze  deed  daarbij  de  vraag :  „  of  er  een  land 
ter  wereld  was  waar  dit  niet  het  geval  was?"  en  zeide 
verder:  „Laten  wij  te  zamen  overleggen  wat  wij  kunnen 
doen  om  dien  toestand  te  verbeteren,  en  wanneer  dus 
de  afgevaardigde  uit  Veghel,  de  heer  van  Vlijmen,  zegt: 
„wij  moeten  den  inlander  leeren  sparen",  dan  moet  ik 
en  passant  daarop  antwoorden,  dat  juist  ten  vorigen jare , 
op  voorstel  van  mijn  ambtsvoorganger,  besloten  is  in 
Indië  een  postspaarbank  op  te  richten  en  dat  ik  het  ge- 
noegen heb  gehad  de  reglementen  daarvoor  aan  de  goed- 
keuring van  de  kroon  te  onderwerpen ,  zoodat  de  directeur 
en  onder-directeur  van  de  spaarbank ,  die  gereedstaan  om 
naar  Indië  te  vertrekken,  weldra  hun  nuttigen  werkkring 
zullen  kunnen  aanvangen." 

Dat  postspaarbanken  in  Indië  noodig  zijn  en  ook  daar 
een  behoorlijken  werkkring  zullen  vinden  wil  ik  gaarne 
aannemen,  maar  dat  zij  in  den  oeconomischen  toestand 
van  den  Javaanschen  landbouwer  verbetering  zullen  bren- 
gen is  mogelijk,  maar  gelooven  doe  ik  het  niet;  althans 
niet  in  den  eersten  tijd,  want  zeer  zeker  zullen  nog  jaren 
moeten  verloopen  eer  de  inlander  zoover  zal  zijn  gekomen , 
dat  hij  van  zijne  verdiensten  iets  zal  kunnen  afzonderen 
om  dit  in  de  postspaarbank  te  beleggen,  ten  einde  daar- 
over bij  eventueelen  nood  te  kunnen  beschikken. 


1)  Zie  Handelingen  1897-1898,  blz.  142. 


357 

Voor  dadelijke  verbetering  van  dien  toestand  zijn  andere 
instellingen  noodig  en  moeten  andere  maatregelen  worden 
genomen,  en  om  dit  aan  te  toonen  diene  het  volgende. 

Al  spoedig  na  het  bekend  worden  van  het  door  den 
heer  Van  Vlijmen  gesprokene,  vervoegde  een  mijner 
vrienden  zich  tot  mij,  onder  aanbieding  van  eenige 
stukken,  met  het  verzoek  die  eens  in  te  zien  en  dit, 
omdat  hij  vermeende  dat  het  daarin  voorkomende  onder 
meer  algemeene  aandacht  behoorde  te  worden  gebracht. 

Dat  denkbeeld  werd  ook  al  spoedig  het  mijne  en  daarom 
begin  ik  met  hier  over  te  nemen  een  zich  onder  de 
stukken  bevindend,  aan  den  schrijver  toegezonden  uit- 
knipsel  van  een  der  te  Amsterdam  verschijnende  dag- 
bladen, luidende: 

EEN    SPAAR-    EN    HULPBANK    IN    INDIË. 

Wat  kunnen  de  ambtenaren  van  den  burgerlijken  dienst 
in  Indië  toch  veel  nut  doen,  wanneer  zij  beide  oogen 
open  houden! 

Wij  vonden  daarvan  dezer  dagen  weder  een  nieuw 
bewijs  in  eene  correspondentie  aan  de  Locomotief  uit 
Poerwokerto,  eene  afdeelingshoofdplaats  in  de  residentie 
Banjoemas. 

Gelijk  overal  op  Java  hadden  daar  vele  inlandsche 
hoofden  moeilijkheden  in  geldzaken. 

Jaren  lang  dienen  zij  zonder  bezoldiging . . .  vallen  ge- 
leidelijk in  handen  van  woekeraars  . . .  hebben  hun  stand 
op  te  houden  . . .  gaan  onder  schulden  gebukt . . .  zien 
zich  gedwongen  den  kleinen  man  te  exploiteeren ,  pacht- 
overtredingen  door  de  vingers  te  zien.  Hun  integriteit 
lijdt  groote  schade.  De  thans  afgetreden  assistent-resident 
E.  Sieburgh  begreep  dat  maatregelen  noodig  waren  om 
in  dien  toestand  verbetering  te  brengen. 

Hiertoe  moest  allereerst  getracht  worden  de  bedoelde 
hoofden  uit  de  handen  hunner  woekeraars  te  verlossen 


358 


Om  dit  doel  te  bereiken  bracht  de  heer  Sieburgh  „niet 
zonder  belangrijke  verantwoordelijkheid  op  zich  te  laden" 
een  kapitaaltje  van  ƒ  8000. —  bijeen ,  dat  onder  zijn  opper- 
toezicht  werd  beheerd  door  cene  commissie  van  ver- 
trouwde inlandsche  hoofden ,  en  strekte  om  tegen  matige 
rente  op  korten  termijn  en  met  behoorlijke  zekerheid, 
voorschotten  te  verstrekken. 

Dat  aldus  in  eene  werkelijke  behoefte  voorzien  werd, 
bleek  wel  uit  het  feit,  dat  de  jaarlijksche  omzet  niet 
minder  dan  zeventigduizend  gulden  bedroeg.  Menig 
inlandsch  ambtenaar  werd  aldus  van  lasten  bevrijd  die 
hem  jaren  lang  hadden  gedrukt. 

Na  eene  tweejarige  ondervinding  heeft  het  den  heer 
Sieburgh  dan  ook  weinig  moeite  gekost,  zijne  instelling 
te  doen  worden  eene  blijvende  spaar-  en  hulpbank,  die 
tegen  ten  hoogste  15  procent  per  jaar  voorschotten  geeft, 
en  ten  hoogste  9  procent  aan  de  aandeelhouders  uitkeert; 
cijfers  welke,  gelet  op  de  plaatselijke  toestanden  en  het 
onvermijdelijk  risico,  niet  te  hoog  zijn  en  althans  sterk 
afsteken  bij  de  10  of  meer  percenten  's  maands  van  de 
woekeraars ! 

De  bank ,  beheerd  door  eene  geheel  inlandsche  directie, 
met  drie  Europeesche  commissarissen,  zal  er  aldus 
krachtig  toe  bijdragen  om  het  peil  der  inlandsche  ambte- 
naren te  verhoogen. 

Wij  hopen  zeer,  dat  het  te  Poerwokerto  gegeven  voor- 
beeld navolging  moge  vinden. 

Wij  zeggen  het  den  schrijver  in  de  Locomotief  gaarne 
na:  als  de  ambtenaren  aldus  trachten  het  publiek  belang 
te  dienen ,  gaat  er  van  den  bestuurszetel  cene  opvoedende 
kracht  uit,  die  onze  heerschappij  ten  goede  komt. 

Waarom  de  heer  Sieburgh  tot  het  oprichten  van  be- 
doelde bank  het  initiatief  nam,  werd  in  bovengenoemd 
uitknipsel  reeds  aangegeven,  doch  eenige  toelichting 
daarop  komt  mij  niet  overbodig  voor. 


359 

Van  af  zijn  optreden  als  ambtenaar  ter  bcsehikking  bij 
het  binnenlandsch  bestuur  op  Java  en  Madura,  had  het 
al  spoedig  zijne  aandacht  getrokken ,  dat  hooge  en  lagere 
inlandsche  ambtenaren  meestal  onder  een  grooten  schulden- 
last gebukt  gingen. 

Regenten  met  schulden  van  25  tot  50  duizend  gulden, 
Pateh's,  Wedono's,  Hoofd-  en  andere  Panghoeloc's  en 
Djaksa's  met  schulden  van  tientallen  duizenden  guldens 
vindt  men  allerwege.  Verder  assistent-wedono's  en  Mantri's 
met  schulden  van  duizende  guldens ;  zelfs  schrijvers , 
magang's ,  politie-oppassers  bij  europeesche  en  inlandsche 
ambtenaren,  ja  zelfs  gewone  pradjocrit's  met  honderde 
guldens  schuld  aan  woekeraars  van  allerlei  landaard, 
maar  het  meest  nog  aan  amfioen-pachters  en  dito  smokke- 
laars, zijn  op  Java  geen  zeldzaamheden ,  en  men  kan 
gerust  zeggen  dat  inlandsche  ambtenaren  en  beambten 
zonder  schulden  met  een  Diogenes  lantaarn  te  zoeken  zijn. 

Met  het  oog  hierop  is  het  dan  ook  niet  te  verwonderen 
dat  het  politiewezen  op  Java  slecht  is  en  slecht  blijft, 
en  het  bestrijden  van  opium-  en  andere  smokkelarijen  met 
zoo  weinig  goeden  uitslag  geschieden. 

Hoe  zulke  schulden  ontstaan  en  hoe  zij  noodwendig 
grooter  moeten  worden,  blijkt  uit  het  volgende: 

Menig  Regent  toch  heeft  bij  zijn  optreden  den  goeden 
naam  te  redden  van  zijn  vader  of  ander  bloedverwant, 
dien  hij  opvolgt.  De  woekeraars,  bij  welke  deze  in  het 
krijt  stond,  ontzien  geen  middel  om  den  nieuweling  in 
de  hooge  positie  te  dwingen  zich  te  belasten  met  de 
overname  der  schulden  van  den  overledene  of  ontslagene. 

Zij  gaan  gewoonlijk  daartoe  over  door  de  verleidelijke 
verzekering  om  geduld  te  zullen  oefenen  als  hun  slechts 
voor  het  bedrag  van  zulke  schulden  met  de  gekapitaliseerde 
onuitbetaald  gebleven  woekerrenten  enz.  een  onderhandsch 
geschrift  worde  ter  hand  gesteld ,  bevattende  de  verklaring 
dat  de  nieuwe  titularis  belooft  voortaan,  ten  behoeve 
van   den   crediteur,   maandelijks   een  zeker  bedrag  van 


360 

zijn  inkomen  af  te  staan;  en.  is  die  belofte  eenmaal 
verkregen,  dan  wordt  zelfs  meermalen  bovendien  nog 
een  nieuw  crediet  geopend ,  dat  den  debiteur  nog  verder 
onder  de  macht  der  geldschieters  brengt. 

Zoo  gaat  het  ook  met  de  mindere  hoofden.  Reeds  voor 
zij  een  noemenswaardig  inkomen  genieten  hebben  zij 
kostbare  behoeften  te  bevredigen  en  worden  daardoor 
zeer  gemakkelijk  een  prooi  van  den  al  te  ge  willigen, 
woekerenden  geldschieter,  die  wel  weet  dat  hij  lang  op 
zijn  geld  zal  moeten  wachten,  dat  hij  zelf  langen  tijd 
daarvan  de  renten  zal  moeten  missen,  maar  daarom  niet 
getreurd !  Zeker  eenmaal  en  dan  voor  goed  vallen  zij  hem 
in  de  klauwen ,  en  de  toekomst  van  het  slachtoffer  is  dan 
meestal  voor  goed  verloren-  Nieuwe  obligaties  met  ge- 
kapitaliseerde renten  zijn  de  eerste  gevolgen  van  de  op 
den  beklagenswaardige  toegepaste  dwangmiddelen,  en  al 
spoedig  volgen  bedreigingen  met  civiel  proces  etc. 

Dat  onder  zulke  omstandigheden  menig  politiehoofd  of 
beambte,  ten  einde  raad,  zich  lichtelijk  laat  omkoopen 
en  tot  plichtverzuim  komt,  wien  kan  zulks  verwonderen? 

Bovendien  is  voor  hen  die  nog  niet  in  handen  van 
woekeraars  zijn  gevallen ,  de  lombard  steeds  daar  om  bij 
tijdelijk  nijpenden  nood  de  weinige  preciosa's  van  die 
personen  voor  een  spotprijs  in  ontvangst  te  nemen,  en 
ofschoon  telkens  weder  ingelost,  zij  eindigen  met  die 
weinig  waarde  hebbende  rijkdommen  voor  goed  in  de 
macht  van  den  lombardhouder  te  laten. 

Zoo  werkt  alles  te  zamen  om  de  Javaansche  bevolking 
te  voeren  tot  den  hulpbehoevenden  staat,  waarin  de 
meesten  hunner  verkeeren,  daar  toch  de  woekeraars 
niet  schromen  voor  de  door  hen  verleende  hulp  eene 
rente  te  berekenen  van  60  tot  30  percent 's  jaars ,  terwijl 
de  lombardhouders  eene  rente  mogen  berekenen  van  90 
tot  36  percent  over  gelijk  tijdvak,  waaruit  gemakkelijk 
valt  af  te  leiden,  dat  de  armoede  onder  die  bevolking 
nog  voortdurend  toeneemt. 


361 

Dat  de  lombardhouders  tot  het  heffen  van  zulk  een 
hooge  percentage  gerechtigd  zijn,  blijkt  uit  het  daarvoor 
bij  Indisch  Staatsblad  1880,  no.  83,  vastgesteld  tarief, 
luidende : 


BELEENINGEN. 

RENTEN 

TERMIJN  VAN 
AFLOSSING 

van   20  cent  of  minder 

.  V»  cent 

^  8         3  maanden  dus  90  pCt 

«          • 

»  J 

boven  20    „ 

tot 

en 

met  40  cent     1    „ 

00           ^ 

•j 

» 

90 

» 

» 

»     *o    . 

» 

» 

»      60     „ 

iVt  , 

a-fef  3 

» 

ff 

90 

» 

ff 

»      60     „ 

» 

» 

»      80     „ 

2     „ 

voor 
gaan  ti 

10 

CO      CO 

ff 

» 

90 

» 

» 

9      80     „ 

» 

» 

.    100     , 

2Vt  . 

n 

» 

90 

» 

9 

.     n 

» 

» 

,     ƒ25 

6  pCt. 

's  maands  3 

n 

ff 

72 

» 

ff 

.        /*25 

» 

» 

,     ƒ50 

5  pCt. 

6 

ff 

» 

60 

?» 

ff 

.        f50 

ff 

» 

„      ƒ75 

4     „ 

9 

» 

» 

48 

» 

ff 

>        f?5 

n 

» 

n     ƒ100 

3     „ 

n           12 

» 

» 

36 

» 

ff 

Neemt  men  verder  nog  in  aanmerking  dat  te  belecnen 
goederen  zeer  laag ,  meestal  op  de  helft  of  op  een  derde 
van  de  werkelijke  waarde  geschat,  slechts  tot  op  twee- 
derde dier  geschatte  waarde  kunnen  beleend  worden  en 
dat  toch  nog  zoovele  goederen  ongelost  op  zoogenaamde 
publieke  venduties  worden  gebracht  om  dan  gewoonlijk 
den  pachter,  verre  beneden  het  beleeningsbedrag ,  in 
handen  te  vallen ,  dan  is  gemakkelijk  na  te  gaan  dat  ook 
dit  een  der  redenen  is  dat  de  armoede  onder  de  Javanen 
steeds  toeneemt,  en  zeer  terecht  wees  meergenoemde 
afgevaardigde  er  dan  ook  ter  zelfder  tijd  op  om,  ter  ver- 
betering van  dien  toestand ,  o.  m.  de  pacht  der  pandhuizen 
af  te  schaffen.  1) 

De  heer  S.  wilde  in  dezen  cllcndigcn  toestand  gaarne 
verbetering   brengen,   maar  de   wijze   waarop   die  ver- 


l)  Zie  Handelingen  1897-1898,  blz.  135. 


362 

kregen  moest  worden  bleef  lang  een  onopgelost  vraagstuk. 

Zijne  vertogen  en  voordrachten  werden  door  de  hoofden 
zijner  afdeeling  en  andere  belangstellende  Javanen  allengs- 
kens  met  graagte  aangehoord,  met  het  resultaat  dat  hij 
eindelijk  zoo  gelukkig  was  bij  velen  hunner  den  wensch 
te  zien  ontstaan,  hem  in  zijn  pogen  te  steunen  om  aan 
bedoelden  treurigen  staat  van  zaken  een  einde  te  maken. 

Met  bewilliging  van  de  commissie  bij  welke  in  zijne 
afdeeling  het  oppertoezicht  beruste  over  de  gelden  van 
den  msdjid-kas ,  werd  onder  zijne  persoonlijke  borgstelling 
een  gedeelte  dier  kas  ter  beschikking  gesteld  van  het 
voorloopig  bestuur  der  daarvoor  bij  wijze  van  proef 
ondershandsch  opgerichte  en  in  werking  gebrachte 
hulpbank. 

Al  spoedig  bood  Raden  Djaja  Soemitra,  assistent- 
wedono  van  Karang-Kemirie  en  zwager  van  den  Regent 
van  Banjoemas,  eene  som  van  ƒ  2000. —  tegen  billijke 
rente  ook  daarvoor  aan,  waardoor  de  mogelijkheid  ont- 
stond de  proef  al  dadelijk  op  ruimer  schaal  voort  te 
zetten ,  terwijl  hij  door  op  dusdanige  wijze  blijk  te  geven 
van  vertrouwen  in  de  zaak  te  stellen,  tevens  de  jonge 
instelling  steunde  om  hare  werkzaamheden  aanzienlijk 
uit  te  breiden. 

Deze  storting  was  zeer  zeker  een  groote  stap  in  goede 
richting  gedaan.  Raden  Djaja  Soemitra  werd  alzoo  de 
eerste  inlegger  van  de  opgerichte  hulpbank  en  zijn  voor- 
beeld vond  spoedig  navolging,  zelfs  zoo,  dat  deze  bij 
wijze  van  proef  opgerichte  instelling  al  spoedig  moest 
worden  omgezet  in  een  wettig  samengesteld,  zedelijk 
lichaam. 

Hierbij  werden  echter  nog  bezwaren  ondervonden ,  die 
wel  zijn  kunnen  worden  opgeheven,  maar  die  ik  toch 
zeer  noodig  vind  in  deze  te  releveeren. 

Toen  in  Maart  1896  voor  bedoelde  bank  rechtspersoon- 
heid werd  aangevraagd,  kwam  het  request  al  spoedig 
terug   met   de  mededeeling  „dat  het  verzoek  zooals  het 


363 

daar  lag  voor  inwilliging  niet  vatbaar  was,  omdat  de 
wet  alleen  toelaat  de  erkenning  als  rechtspersoon  van 
zedelijke  lichamen  door  Europeanen  of  Vreemde  Ooster- 
lingen gesticht  en  het  onderhavige  een  zedelijk  lichaam 
zou  zijn  door  Javanen  opgericht." 

Aan  de  Europeesche  commissarissen  werd  daarom  in 
overweging  gegeven  op  te  treden  als  bestuurders  der 
vereeniging,  en  hieraan  werd  door  die  heeren  gcreedelijk 
voldaan;  doch  hierdoor  geraakten  de  oorspronkelijke 
Javaansche  oprichters  feitelijk  op  den  achtergrond  om 
de  hun  toekomenden  voorrang  als  zoodanig  over  te  geven 
aan  Europeanen  die,  ten  gevolge  van  dien,  in  strijd  met 
de  werkelijkheid  toen  optraden  als  weldoeners  van  den 
Javaan,  omdat  het  dezen  zelf  niet  gegund  kon  worden 
als  zoodanig  op  te  treden  voor  eigen  land-  en  geloofs- 
genooten. 

De  Javaansche  inleggers,  met  genoemden  Raden Djaja 
Soemitra  aan  het  hoofd ,  lieten  hunne  gelden  alle  ten  name 
van  dat  nieuwe  lichaam  overschrijven,  maar  ook  ver- 
schillende ter  plaatse  bestaande  instellingen  gaven  hunne 
reservefondsen  daarbij  in  deposito. 

Spoedig  sloten  eenige  Europeesche  ingezetenen  ter 
plaatse  zich  daarbij  aan ,  waardoor  een  kapitaal  ontstond , 
dat  min  of  meer  voldoende  was  om  aanvankelijk  het 
aangevangen  werk  niet  alleen  in  stand  te  houden,  maar 
zelfs  langzamerhand  tot  bloei  te  brengen,  wat  uit  de 
onderstaande  cijfers  blijkt. 

Zooals  hiervoor  reeds  werd  gezegd  bedroeg  in  1896, 
het  eerste  jaar  van  de  oprichting,  de  omzet  reeds  cene 
som  van  pi.  m.  /  70.000,  terwijl  het  daarop  volgend  jaar, 
gedeeltelijk  ook  onder  den  opvolger  van  den  heer  S. ,  de 
omzet  reeds  was  gestegen  tot  pi.  m.  ƒ  150.000. 

Omtrent  deze  bedragen,  zeer  zeker  belangrijk  reeds 
voor  eene  residentie-afdeeling ,  teeken  ik  hierbij  aan  dat, 
na  het  in  werking  treden  van  onderwerpelijk  bedoelde 
hulpbank,  heeren  suikerfabrikanten  niet  langer  genegen 


364 

werden  bevonden  voorschotten  voor  te  verrichten  werk- 
zaamheden langer  uit  te  betalen,  waardoor  de  Loerah's, 
ter  verkrijging  van  de  noodige  gelden,  toen  bij  de  bank 
aanklopten  en  dadelijk  door  deze,  tegen  billijke  vergoe- 
ding, werden  geholpen. 

Vandaar  dat  de  omzet ,  vooral  voor  een  pas  beginnende 
instelling,  dadelijk  zoo  belangrijk  was. 

Al  spoedig  verspreidde  zich  het  gerucht  van  het  ont- 
staan dezer  weldadige  instelling  ook  buiten  de  grenzen 
der  afdeeling  Poerwokerto,  en  van  verschillende  kanten 
kwamen  aanvragen  in,  om  afschriften  te  mogen  ontvangen 
van  de  statuten  en  ook  van  de  verschillende  boeken 
dezer  stichting. 

Ter  verduidelijking  van  een  en  ander  voeg  ik  hierachter 
afschrift  van  de  notarieele  acte  waarbij  bedoelde  hulpbank 
werd  opgericht.  In  die  acte  zijn  ook  de  boeken  aangegeven 
die  daarbij  voor  een  goed  geldelijk  beheer  noodig  werden 
geoordeeld.  Modellen  van  die  boeken  in  deze  ook  aan 
te  geven  vind  ik  minder  noodig,  zij  die  ze  mochten 
noodig  hebben  kunnen  die  te  Poerwokerto  zeker  nog 
steeds  verkrijgen,  even  als  de  concepten  der  daar,  bij 
leening  van  gelden  afgegeven  wordende  obligatiën.  Een 
en  ander  in  de  maleische  taal  gehouden  of  geconcipieerd 
zoude  zeer  zeker  maar  eene  matige  belangstelling  opwekken. 

Met  het  oog  op  de  discussie's  die  na  het  uitspreken 
van  in  hoofd  dezes  bedoelde  rede  van  den  heer  Fokkens 
op  de  vergadering  van  het  „Indisch  Genootschap"  nog 
werden  gevoerd ,  heb  ik  het  noodig  geoordeeld  het  boven- 
staande bekend  te  doen  worden ,  vooral  ook  omdat  daaruit 
blijkt  dat,  als  de  hoofden  van  plaatselijk  bestuur  daartoe 
het  initiatief  willen  nemen,  de  oprichting  van  spaar-  en 
hulpbanken  niet  zoo  moeilijk  is  als  toen  werd  voorop 
gesteld. 

Door  het  oprichten  van  de  onderwerpelijk  bedoelde 
spaar-  en  hulpbank  werd  aan  het  woekeren  in  de  afdeeling 


365 

Poerwokerto  voor  een  groot  gedeelte  een  einde  gemaakt, 
en  zooals  hierboven  werd  aangeteekend ,  voor  het  oprich- 
ten van  meer  zulke  instellingen  werden  de  noodige 
inlichtingen  gegeven,  zoodat  mag  worden  aangenomen 
dat  meerdere  inrichtingen  van  dien  aard  reeds  in  werking 
zijn.  De  heer  Fokkens  sprak  dan  ook  van  meerdere 
spaarbanken,  voor  inlandschc  ambtenaren  reeds  opgericht, 
en  het  staat  bij  mij  dan  ook  vast  dat,  als  de  Regeering 
de  houding  van  ambtenaren  als  do  heer  S.  weet  te  waar- 
deeren, de  oprichting  van  zulke  instellingen  zeer  zeker 
gaandeweg  zal  toenemen. 

Ik  laat  verder  nu  nog  volgen  wat  sedert  de  oprichting  van 
bedoelde  instelling  te  Poerwokerto  door  de  pers  daarover 
nog  verder  onder  de  oogen  van  het  publiek  werd  gebracht. 

Uit  de  Java-bode  van  18  Augustus  1897,  no.  189, 
eerste  blad;  neem  ik  daartoe  over: 

„  De  assistent-resident  van  Poerwokerto  W.  P.  de  Wolff 
van  Westerrode  heeft  met  een  daad  getoond  dat  hij  de 
hem  toevertrouwde  belangen  van  den  inlander  begrijpt, 
dat  zoowel  de  hoofden  als  de  kleine  lieden  bescherming 
behoeven  tegen  de  smerige  woekerpraktijken  van  Chineezen 
en  Arabieren,  maar  vooral  dat  de  inlander  moet  leeren 
door  economische  zelfstandigheid  zich  zelf  te  beschermen , 
en  dit  doel  zal  binnen  de  grenzen  der  mogelijkheid  zeker 
het  best  bereikt  worden  door  de  door  den  heer  de  Wolff 
in  het  leven  geroepen  Poerwokertosche  hulp-,  spaar-  en 
landbouwcrediet-bank ,  waarvan  de  strekking  nader  om- 
schreven wrordt  in  artikel  twee  der  Statuten,  luidende: 
Zij  heeft  ten  doel: 

1°.  aan  Inlandsche  ambtenaren  en  hoofden  in  de  af  dee- 
ling Poerwokerto,  benevens  andere  ingezetenen  dier  af- 
deeling,  mits  Inlanders  of  Europeanen  zijnde,  die  in 
geldverlegenheid  verkeeren,  tegen  matige  rente  gelden 
in  leen  te  verstrekken  en  hen  daarvoor  te  onttrekken 
aan  de  handen  der  woekeraars ; 


366 

2°.  aan  dezelfde  personen  gelegenheid  te  openen  om 
hunne  spaarpenningen  zeker  en  tegen  behoorlijke  rente 
te  beleggen  en  aldus  het  sparen  aan  te  moedigen; 

3°.  aan  groepen  van  Inlandsche  landbouwers  in  de 
afdeeling  Poerwokerto  goedkoop  landbouwcrediet  te  ver- 
schaffen, wanneer  zij  daaraan  behoefte  hebben. 

Hierop  verscheen  in  dat  dagblad  van  den  23cn  dier 
maand  onderstaand  schrijven: 

Aan  den  redacteur  van  de  Javabode. 

Poerwokerto,  20  Augustus  1897. 

Geachte  Redacteur! 

Naar  aanleiding  van  een  entrefilet  in  uw  blad  van  18 
dezer  omtrent  de  oprichting  der  „  Poerwokertosche  Hulp- 
Spaar-  en  Landbouwcrediet-bank "  acht  ik  mij  verplicht 
u  mede  te  deelen  dat  de  mij  deswege  toegezwaaide  lof 
niet  mij  toekomt,  doch  mijnen  ambtsvoorganger  E.  Sieburgh, 
die  alhier  eene  „  Hulp-  en  Spaarbank  ",  inzonderheid  voor 
inlandsche  hoofden,  oprichtte.  Deze  instelling,  welke  tot 
dusverre  alleen  als  hulpbank  voor  inlandsche  ambtenaren 
gewerkt  had,  is  door  het  tegenwoordige  bestuur  gereor- 
ganiseerd en  ingericht  zoowel  tot  aanmoediging  van  het 
sparen  als  tot  het  verschaffen  van  goedkoop  landbouw- 
crediet, en  thans  onder  den  bovenvermelden  nieuwen 
naam  als  rechtspersoon  erkend.  1) 

Met  de  opneming  dezer  rectificatie  zult  u  mij  zeer  ver- 
plichten. 

Onder  dankbetuiging  voor  uwc  vereerende  belang- 
stelling, teeken  ik  mij 

Hoogachtend , 

(get.)     De  Wolf  van  Westerrode, 

Assistent-resident. 


1)  Bij  besluit  van  11  Augustus  1897  no.  9,  Indisch  Staatsblad  no.  205. 


367 

Mocht  de  heer  Van  Vlijmen  willen  medewerken  om 
ook  de  tweede  hierboven  genoemde  oorzaak  van  de 
voortdurende  achteruitgang  van  den  inlander  te  neutra- 
liseeren  ,  n.1.  door  te  trachten  de  pacht  op  de  pandhuizen 
afgeschaft  te  krijgen ,  zeker  zou  ook  hij  dan  medewerken 
om  het  welzijn  van  den  inlander  te  bevorderen. 

De  opbrengst  van  die  pacht  toch  over  het  jaar  1898  is 
geraamd  voor  Java  en  Madura  op  eene  som  van  /  1.095.000, 
en  voor  de  Buitenbezittingen  op  een  bedrag  van  ƒ  117.000 , 
of  te  zamen  op  ƒ  1.212.000,  en  dit  geld  wordt  bijna 
uitsluitend  opgebracht  door  de  armsten  onder  de  armen 
der  inlandsche  bevolking  in  Nederlandsch-Indië. 

Nu  moge  de  minister  van  Koloniën  er  op  hebben  ge- 
wezen 1)  dat  er  overal  armoede  en  gebrek  wordt  geleden 
en  dit  beweren  moge  volkomen  juist  zijn,  om  echter  die 
armoede  dienstbaar  te  maken  aan  het  stijven  der  schatkist, 
en  tot  vulling  der  zakken  van  meedoogenlooze  woeke- 
raars is  even  zeker  niet  overal  het  geval. 

Na  hetgeen  hierboven  daarover  werd  aangeteekend  kan 
men  toch  wel  nagaan,  dat  daar  waar  de  pacht  zooveel 
geld  wordt  waard  geacht,  de  pandhuishouders  in  hun 
bedrijf  zeker  nog  een  winstgevende  zaak  zien. 

Daarom  is  een  betere  regeling  in  déze  meer  als  urgent 
en  daar  de  heer  Cremer  te  gelijkcr  tijd  overleg  heeft  ge- 
vraagd om  slechte  toestanden  in  Indië  te  verbeteren, 
hoop  ik  dat  het  oogenblik  spoedig  zal  aanbreken  waarin 
een  onderzoek  in  deze  worde  bevolen  en  dientengevolge 
de  pacht  op  de  pandhuizen  spoedig  tot  het  verledenezal 
behooren. 

En  is  die  Minister  eenmaal  aan  het  verbeteren  —  Zijne 
Excellentie  was  het  immers  met  de  heeren  Van  Kol  en 
Van  Vlijmen  volkomen  eens,  dat  in  Indië  nog  veel  te 
verbeteren  viel  —  welnu  dan  zullen  die  verbeteringen, 
waardoor  gelijktijdig  veel  zal  worden  bezuinigd ,  ook  wel 


1)  Zie  Handelingen  1897-1898,  blz.  142. 


368 

een  equivalent  aanwijzen  waaruit  de  gelden  kunnen  worden 
gevonden  die  door  de  afgeschafte  pacht  op  de  pandhuizen 
daardoor  minder  in  's  lands  kas  zullen  vloeien. 

En  mocht  dit  onverhoopt  eens  niet  geheel  het  geval  zijn , 
dan  zal  dat  wat  blijkt  te  ontbreken  dan  zeer  zeker  wel 
opwegen  tegen  de  met  die  afschaffing  dadelijk  optredende 
verbetering  van  de  moreele  en  materieele  welvaart  van 
de  inlandschc  bevolking  in  onze  O.-I.  bezittingen. 

tt.  ROESSINGH  VAN  ITERSON. 

's  Gravenhage ,  Maart  1898. 


In  marginc  stond  de  volledige 
Malcische  vertaling. 

ACTE  van  oprichting  van  een  zedelijk 
lichaam  genaamd  Poerwokertosche  hulp- 
en spaarbank  van  Inlandsche  hoofden. 
Artikel  1653  en  volgende  van  het  Burger- 
lijk Wetboek  voor  Nederlandsch  Indië. 

Nummer  Zes. 

Heden  Maandag  den  zestienden  December  achttien- 
honderd vijf  en  negentig 

verschenen  voor  mij  Eugenius  Sieburgh,  Assistent- 
Resident  van  Poerwokerto ,  Residentie  Banjocmas ,  en  als 
zoodanig  fungeerend  notaris  te  Poerwokerto  voornoemd , 
in  tegenwoordigheid  der  na  te  noemen  mij  bekende  getuigen 

De  vier  Javanen: 

Raden  Wirio  Atmadja,  Pateh  van  het  Regentschap 
Poerwokerto; 

Raden  Atma  Sapradja,  Ondercollecteur  der  Afdeeling 
Poerwokerto ; 


369 

Raden  Atma  Soebrata ,  Wedono  van  het  District  Poerwo- 
kerto  van  gelijknamige  afdeeling; 

en  Raden  Djaja  Soemitra,  Assistent- Wedono  der 
eerste  klasse  van  Karang  Kemirie,  district  en  afdeeling 
Poerwokerto ; 

allen  woonachtig  in  de  afdeeling  Poerwokerto  voor- 
noemd, en  mij  fungeerend  notaris  bekend, 

Dewelke  comparanten  verklaarden  met  elkander  te  2ijn 
overeengekomen  om  gezamenlijk  voor  vijf  en  twintig 
achtereenvolgende  jaren  tot  stand  te  brengen  een  zedelijk 
lichaam  onder  den  naam  van  „  Poerwokertoschc  hulp-  eh 
spaarbank  van  Inlandsche  hoofden",  zooals  geschiedt  by 
deze ,  en  gezamenlijk  op  te  treden  als  bestuurders  daarvan. 

De  eerste  comparant  als  president, 

de  tweede  comparant  als  penningmeester, 

de  derde  en  vierde  comparanten  als  commissarissen. 

De  comparanten  verklaren  dat  het  doel  der  vereeniging 
is  geenszins  om  persoonlijke  voordeden  te  behalen ,  maar 
om  in  staat  te  zijn  hulp  te  vcrleenen  aan  een  ieder  die 
in  tijdelijke  geldverlegenheid  geraakt,  en  te  voorkomen 
dat  deze  in  handen  valt  van  woekeraars,  die  zich  niet 
ontzien  buitensporig  hooge  rente  te  berekenen.  Deze  toch 
eischen  van  twee  tot  vijf  procent  rente  's  maands ,  terwijl 
velen  hunner  bovendien  een  schuldbewijs  vragen  van 
eenig  bedrag  in  zilver  voor  een  voorschot  gedaan  in  koper. 

Anderen  vragen  twee  k  drie  procent  's  maands  van 
eenig  bedrag  en  laten  de  renten  onveranderd,  niettegen- 
staande de  schuld  door  gedane  betalingen  is  verminderd. 

De  comparanten  schromen  niet  de  omschreven  hande- 
lingen als  de  meest  afkeurenswaardige  te  brandmerken, 
omdat  zij  de  zoogenaamd  geholpenen  in  het  ongeluk 
storten,  en  hen  tot  volslagen  armoede  doen  vervallen. 

Comparanten  verklaren  dat  de  reden,  waarom  zij  zich 
genoopt  gevoelen  deze  vereeniging  tot  stand  te  brengen 
is,  dat  het  hun  bekend  is  geworden  dat  een  dergelijke 
ondershands   en   met   goedkeuring   van   het  bestuur  der 


370 

Masigit  alhier  gestichte  vereeniging,  die  daartoe  gebruik 
maakte  van  de  masigit  kasgelden,  op  last  van  hooger 
hand  is  moeten  gesloten  worden,  wijl  die  gelden  tot  dit 
doel  niet  mochten  gebruikt  worden,  en  het  berekenen 
van  rente  gezegd  wordt  niet  te  stroken  met  den  Islam. 

De  nu  door  comparanten  gestichte  vereeniging  heeft 
daarom  met  die  kas  niets  gemeen ,  doch  wijl  de  commissie 
van  de  opgeheven  vereeniging  winsten  behaald  heeft  van 
de  uitgeleende  gelden,  en  die  commissie  het  geld  van 
genoemde  kas  renteloos  had  verkregen,  zoo  zal  na 
liquidatie  der  zaken  van  die  vereeniging  een  saldo  ver- 
blijven in  handen  der  commissie,  die,  wijl  dit  saldo  niet 
aan  de  masigitkas  toekomt,  en  ook  daaraan  niet  mag 
geschonken  worden  wegens  haren  oorsprong,  daarover 
beschikt  heeft  ten  behoeve  van  de  vereeniging  nu  door 
comparanten  gesticht,  zullende  het  besproken  saldo  na 
volledige  sluiting  der  boeken  van  de  opgeheven  vereeniging 
door  de  oude  commissie  worden  afgedragen  aan  de  com- 
paranten en  daarvan  aanteekening  gedaan  worden  aan 
den  voet  van  het  aan  comparanten  uit  te  reiken  afschrift 
dezer  acte. 

Behalve  de  omschreven  gelden ,  welke  de  comparanten 
namens  de  vereeniging  in  dank  aanvaarden,  verklaren 
zij  onder  openlijke  dankbetuiging,  de  door  hun  zeer  ge- 
waardeerde hulp  te  hebben  genoten  van  hunnen  mede- 
commissaris ,  den  vierden  comparant ,  Raden  Djaja  Soemi- 
tra,  die  bij  dezen  belooft  een  aanzienlijk  bedrag  aan  de 
vereeniging  te  zullen  toevertrouwen,  zullende  de  hoegroot- 
heid van  het  door  hem  te  storten  kapitaal  moeten  blijken 
uit  aan  hem  door  het  bestuur  uit  te  reiken  obligatiën. 

De  comparanten  verklaren  verder  dat  zij  gaarne  zullen 
in  ontvangst  nemen  de  gelden,  van  wien  ook,  welke 
hun  of  aan  de  vereeniging  zullen  worden  toevertrouwd. 

En  dat  zij  bereid  zijn  alle  geschenken  in  geld,  van 
wien  ook,  ten  behoeve  van  de  kas  der  vereeniging  aan 
te  nemen ,  omdat  comparanteft  bij  dezen  erkennen  dat  al 


371 

het  geld  en  geldswaarden,  in  die  kas  aanwezig,  niet 
hun  geld  is,  noch  dat  van  eenigen  anderen  persoon, 
doch  beschouwd  moet  worden  als  een  fonds  toebehoorend 
aan  het  algemeen,  terwijl  zij  zich  zelven  alleen  opwerpen 
als  de  bestuurders  van  dit  fonds ,  met  de  macht  daarover 
te  beschikken  in  den  geest  der  vereeniging,  waarvoor 
zij  zich  voornemen  de  rechtspersoonlijkheid  binnen  uiter- 
lijk drie  jaren  na  de  oprichting  aan  te  vragen. 

Comparanten  verklaren  eindelijk  dat  zij  voor  de  door 
hun  gestichte  vereeniging  de  navolgende  bepalingen  en 
voorschriften  hebben  vastgesteld. 

Van  de  ontvangst  van  alle  aan  de  vereeniging  toever- 
trouwde gelden  zal  het  bestuur  bewijsstukken  afgeven: 
voor  bedragen  beneden  de  eenhonderd  gulden ,  geschreven 
op  gewoon  papier  voorzien  van  een  plakzegel  ad  tien  cent ; 

voor  bedragen  van  eenhonderd  gulden  en  hooger,  ge- 
schreven op  een  gezegeld  papier  van  eene  gulden  vijftig 
cent,  beiden  in  den  vorm  eener  obligatie,  met  bekend- 
stelling  van  de  maandelijks  te  betalen  rente  en  van  den 
termijn  van  voorafgaande  wederzijdsche  opzegging. 

Het  bestuur  zal  trachten  deze  gelden  zoo  goedkoop 
mogelijk  te  verkrijgen,  doch  zal  nooit  meer  dan  negen 
procent  's  jaars  mogen  betalen. 

Van  alle  de  gelden  welke  zich  in  de  kas  der  vereeniging 
bevinden  kan  en  mag  het  bestuur  voorschotten  doen  aan 
een  ieder  die  het  vertrouwen  van  het  bestuur  geniet. 
Wanneer  eenig  lid  van  het  bestuur  zich  daartegen  ver- 
klaart, zal  de  aanvrager  worden  afgewezen. 

In  den  regel  zullen  die  voorschotten  niet  hooger  mogen 
zijn  dan  tot  zulke  bedragen  welke  door  den  opnemer  in 
vier  achtereenvolgende  maandelijksche  termijnen  kunnen 
worden  terugbetaald. 

Het  bestuur  is  evenwel  gerechtigd  ook  grootere  bedragen 
en  op  meerdere  maandelijksche  termijnen  bij  wijze  van 
uitzondering  in  voorschot  te  geven,  bij  voorbeeld  voor 
het  bouwen  van  een  huis  of  om  gerechtelijke  vervolging 

26 


372 

van  den  aanvrager  te  voorkomen,  niet  om  er  feesten 
van  te  geven  of  onnoodige  weeldezaken  van  te  koopen. 

Kortom ,  het  ligt  geenszins  in  de  bedoeling  der  vereeni- 
ging  om  het  schulden  maken  te  vergemakkelijken,  het 
doel  moet  steeds  zijn:  hulp  te  verleenen  aan  wien  hulp 
behoeft. 

In  ieder  geval  zal  zulk  een  voorschot  dan  moeten  ge- 
daan worden  onder  borgstelling. 

Voor  ieder  uitgeleend  bedrag  zal  de  debiteur  moeten 
afgeven  een  schuldbewijs  in  den  vorm  eener  obligatie 
voor  bedragen  van  minder  dan  honderd  gulden  geschreven 
op  gewoon  papier,  voorzien  van  plakzegel  ad  tien  cent, 
voor  bedragen  van  eenhonderd  gulden  of  meer ,  geschreven 
op  een  zegel  van  een  gulden  vijftig  cent. 

In  die  obligatie  zal  de  debiteur  moeten  bekend  stellen 
wanneer  hij  aanneemt  het  geheele  bedrag  te  betalen  of 
in  welke  maandelijksche  termijnen  dit  zal  geschieden. 

Ook  het  verschuldigde  bedrag  der  renten  moet  worden 
uitgedrukt. 

Wanneer  de  schuldenaar  een  ambtenaar  is,  moet  hij 
in  de  obligatie  den  ondercollecteur  machtigen  om  van 
zijn  tractement  maandelijks  een  daarbij  genoemd  bedrag 
in  te  houden  en  uit  te  betalen  aan  den  houder  der  obligatie. 

Wanneer  de  schuldenaar  ter  zekerheid  van  zijne  schuld 
geldswaardige  goederen  (welke  altijd  eene  hoogere  waarde 
dan  eenhonderd  gulden  moeten  hebben)  aan  de  vereenigings- 
kas  deponeert,  zal  hem  daarvoor  een  schriftelijk  bewijs 
worden  gegeven. 

Die  goederen  mogen  aan  den  schuldenaar  ook  niet  voor 
een  oogenblik  worden  terug  gegeven,  zonder  dat  de 
schuld  is  afbetaald,  en  het  voormeld  bewijs,  na  door 
den  schuldenaar  voor  ontvangst  te  zijn  afgeteekend,  aan 
het  bestuur  is  teruggegeven. 

Van  alle  door  het  bestuur  gedane  voorschotten  of 
leeningen  wordt  rente  berekend  tot  een  maximum  van 
vijftien  ten  honderd  's  jaars. 


373 

Het  bestuur  neemt  zich  evenwel  voor  die  rente  zoo 
laag  mogelijk  te  stellen;  daartoe  zal  het  bestuur  in  de 
tweede  helft  van  Juni  en  in  de  tweede  helft  van  December 
ieder  jaar,  op  eene  algemeene  vergadering  van  bestuurs- 
leden den  rentestandaard  vaststellen.  Deze  standaard  wordt 
voor  het  volgende  semester  allen  debiteuren  in  rekening 
gebracht ,  voor  niemand  mag  daarvan  uitzondering  gemaakt 
worden. 

De  gekweekte  renten  moeten  dienen  ter  betaling  van 
de  renten  verschuldigd  aan  crediteuren ,  het  loon  van  den 
secretaris-boekhouder  der  vereeniging,  de  noodzakelijke 
inkoopen  van  meubilair  voor  het  bureau  der  vereeniging , 
eenige  andere  uitgaven  in  het  belang  der  vereeniging  en 
ter  bevordering  van  den  bloei  daarvan. 

Het  overschot  diene  ter  stijving  van  het  werkkapitaal 
der  vereeniging,  opdat  zij  langzamerhand  zich  van  hare 
lasten  moge  kunnen  ontdoen,  daardoor  mindere  uitgaven 
moge  hebben,  en  in  staat  gerake  de  leeningen  en  voor- 
schotten tegen  een  minimum  rente  te  doen. 

Het  bestuur  zal  zich  een  of  meerdere  betaalde  beambten 
toevoegen  voor  de  boekhouding,  overeenkomstig  het 
welmeenen  van  dat  bestuur. 

De  vereeniging  zal  hare  eigene  ijzeren  geldkist  of 
kisten  bezitten,  ter  opberging  van  de  aanwezige  gelden, 
de  schuldbewijzen  der  debiteuren ,  de  geldswaardige  goede- 
ren der  vereeniging  of  der  aan  haar  bij  wijze  van  zeker- 
heid toevertrouwde  goederen  der  debiteuren.  Die  geld- 
kisten zullen,  zoo  daartoe  van  de  bevoegde  macht  ver- 
gunning kan  verkregen  worden,  berusten  in  de  geldkamer 
van  den  ondercollccteur ,  en  zullen  steeds  moeten  voor- 
zien zijn  van  minstens  twee  differente  sloten  en  sleutels, 
waarvan  er  een  moet  berusten  bij  den  penningmeester  en 
de   andere  bij  den  president  of  een  der  commissarissen. 

De  kas  mag  niet  geopend  worden  buiten  de  tegen- 
woordigheid van  twee  leden  van  het  bestuur. 

De  boeken  moeten  berusten  bij  den  president. 


374 

Het  bestuur  zal  minstens  eens  in  de  maand  vergaderen 
om  de  boeken  der  vereeniging  na  te  zien  en  het  nood- 
zakelijke te  bespreken. 

Van  iedere  vergadering  zullen  notulen  worden  gehouden 
en  daarin  vermeld  worden  welke  bestuursleden  aanwezig 
zijn  en  welke  besluiten  zijn  genomen. 

De  aanwezige  leden  teekenen  deze  notulen. 

De  vergadering  zal  niet  kunnen  plaats  hebben  wanneer 
niet  minstens  drie  bestuursleden ,  de  president  daaronder 
begrepen,  tegenwoordig  zijn. 

Bij  ontstentenis  of  afwezen  van  den  president  zal  het 
oudste  tegenwoordige  lid  als  zoodanig  optreden. 

Wanneer  het  .  aantal  leden  van  het  bestuur  door  het 
overlijden,  de  verhuizing,  of  het  genomen  ontslag  van 
een  der  oprichters  komt  te  verminderen ,  zullen  de  over- 
blijvende tot  de  verkiezing  van  een  nieuw  bestuurslid 
overgaan,  want  het  bestuur  dient  steeds  op  eene  sterkte 
van  minstens  vier  leden  gehouden  te  worden,  doch  kan 
ook  worden  uitgebreid  tot  zeven  leden. 

Daarom  kan  het  bestuur  aan  eenigen  inlegger,  Javaan 
of  Europeaan ,  die  minstens  twee  honderd  gulden  aan  de 
kas  der  vereeniging  deponeert,  het  lidmaatschap  van  het 
bestuur  aanbieden,  totdat  het  zevental  zal  bereikt  zijn. 

De  aanbieding  van  dit  lidmaatschap  aan  een  of  meerdere 
Europeanen  toch  zal  noodzakelijk  zijn,  om  de  rechts- 
persoonlijkheid te  kunnen  aanvragen,  wijl  zuiver  Javaan- 
sche  vereenigingen  die  niet  verkrijgen  kunnen. 

Het  bestuur  zal  de  navolgende  boeken  aanhouden: 

A.  een  kasboek; 

B.  een  Debiteuren-  en  Crediteurenboek ; 

C.  een  journaal ; 

D.  een  pandboek;  en 

E.  een  notulenboek  der  vergaderingen. 

De  nu  gestichte  vereeniging  zal  hare  werkzaamheden 
aanvangen ,  zoodra  zij  daartoe  in  staat  is ,  uiterlijk  direct 
na  sluiting  der  boeken  van  de  opgeheven  vereeniging. 


375 

De  namens  het  bestuur  uit  te  geven  obligatiën  en 
kwitanticn  zullen  door  den  President  en  een  der  commis- 
sarissen worden  onderteekend. 

De  comparanten,  nu  bestuurders  der  door  hun  opge- 
richte vereeniging,  verklaren  ten  laatste,  dat  zij  zich 
onder  aanbod  van  eede  aan  elkander  verbinden,  en  aan 
elkander  de  belofte  doen,  dat  zij  de  door  ieder  hunner 
vrijwillig  op  zich  genomen  verplichtingen  zullen  naleven 
zooals  eerlijke  en  brave  lieden  hun  eens  gegeven  woord 
behooren  te  doen ,  ter  eere  van  zich  zei  ven  en  ten  voor- 
deele  van  hunne  medemenschen ,  hetgeen  zij  doen  onder 
aanroeping  van  Gods  naam! 

Aan  de  later  te  kiezen  medeleden  van  het  bestuur  zal 
bij  aanneming  van  het  lidmaatschap  de  uitnoodiging  ge- 
daan worden,  het  aan  de  vereeniging  berustend  afschrift 
dezer  akte  te  onderteekenen,  ten  bewijze  dat  het  daarin 
vervat  reglement  hun  bekend  is,  en  zij  zich  aansluiten 
bij  de  belofte  welke  de  oprichters  aan  elkander  gedaan 
hebben. 

Alles  onder  verband  als  naar  rechten,  met  domicilie- 
kiezing  algemeen  en  onveranderlijk  ter  griffie  van  den 
Raad  van  Justitie  te  Semarang. 

WAARVAN    ACTE 

Gedaan  en  verleden  te  Poerwokerto  voornoemd,  ten 
dage  voorschreven  in  tegenwoordigheid  van  enz. 


China  in  economisch  opzicht. 


In  no.  14  der  Consulaire  Verslagen  en  Berichten  is 
opgenomen  het  „Economisch  bericht  over  China  1897 " 
van  de  hand  van  onzen  consul-generaal  te  Peking,  den 
heer  F.  M.  Knobel. 

Ook  ditmaal  bevat  het  verslag  veel  belangrijks,  én 
verdient  de  samensteller  hulde  wegens  de  groote  zorg, 
welke  hij  er  aan  heeft  besteed.  Een  overzicht  van  het 
rapport  vinde  hier  plaats. 

In  breede  trekken  kan  worden  beweerd,  dat  in  onzen 
tijd  drie  groote  velden  de  aandacht  trekken  van  den  be- 
schaver  en  van  den  ondernemer. 

Die  velden  zijn :  Zuid-Amerika ,  Afrika  en  China.  Het 
laatstgenoemde  is ,  naar  het  schijnt ,  het  meest  belangrijk : 
het  is  het  grootst;  de  schatten,  welke  het  verbergt,  zijn 
het  minst  bekend;  zijne  bevolking  is  de  talrijkste. 

Op  eene  uitgebreidheid  van  ruim  elf  millioen  vierkante 
mijlen  wordt  China's  bevolking,  blijkens  de  jongste  van 
Russische  zijde  opgemaakte  statistieken,  verdeeld  als 
volgt: 

Provinciën.  Bevolking. 

Sinkiang 1,286.584 

Kweichow 4,840.900 

Yunnan 6,114.150 

Shensi 8,473.045 

Kuangsi 8,527.378 


377 

i 

i                                 Provinciën.  Bevolking. 

Kansu   .    .     . 9,750.645 

Shansi 11,050.764 

Tchekiang. 11,842.565 

Honan 21,009.977 

Kiangsi 21,974.098 

>                                   Hunan 22,120.648 

!                                    Kiangsiu 24,598.915 

Fuhkien 25,235.184 

Tschili 29,400.000 

i                                   Kuangtung 29,852.112 

Hupei 34,339.524 

Anhui 35,810.000 

Shantung 37,437.672 

Szechuen 79,493.058 


423,157.219  1) 
Hierbij  komt: 

Mantsjoerije   met  de  prov.  Kirin  626.232 

Mukden 4,724.673 

Heilungkiang 400.000 

Tibet 1,500.000 

Mongolië 1,990.000 

Kuku  nor 150.000 


Totaal  ....  432,548.125 
Het  staat  thans  vast,  dat  deze  kolossale  menschen- 
massa  voortbewogen  wordt.  Zij  heeft,  na  eeuwen  van 
afsluiting  en  stilstand,  zoo  even  het  hellend  vlak  be- 
treden, langs  hetwelk  zij  voortglijdt  naar  de  westersche 
beschaving. 

Van  dat  merkwaardig  proces  zijn  de  op  het  afgeloopen 
jaar  betrekking  hebbende  bijzonderheden  zóó  veelvuldig , 


1)  De  bevolking  van  China  schijnt  onder  normale  omstandigheden 
toe  te  nemen  met  anderhalf  millioen  zielen  jaarlijks. 


378 

dat  de  poging  om  daarvan  een  zeer  oppervlakkig  over- 
zicht te  geven  eenigen  moed  vereischt. 

In  zijne  hermetische  afsluiting  tegenover  den  vreem- 
deling is  China  indertijd  Europa  vóór  geweest  bij  ver- 
schillende uitvindingen.  Eenmaal  op  eene  betrekkelijke 
hoogte  gekomen,  zijn  de  Chineezen  evenwel  stil  blijven 
staan.  Zij  hebben  geene  pari  ij  getrokken  van  hunnen 
vindingrijken  geest.  Deze  behoefde,  om  tot  zijn  recht  te 
komen ,  het  rusteloos  streven  van  den  westerling ,  om  te 
verbeteren,  om  te  volmaken.  Hunne  nijverheid  was  ge- 
grond op  handenarbeid,  de  positie  van  de  vrouw  eene 
zeer  lage. 

Intusschen  kon  het  vraagstuk  van  millioenen  menschen 
gedurende  eeuwen,  zonder  ontevredenheid,  onder  éene 
en  dezelfde  wet  te  doen  leven,  door  China  als  opgelost 
worden  beschouwd,  zoolang  het  mogelijk  was  stoom  en 
electriciteit  buiten  zijne  grenzen  te  houden. 

Deze  twee  machten  doen  thans  den  troon  wankelen, 
vervangen  het  begrip  van  de  familie  door  dat  van  den 
individu,  brengen  den  Cantonnees  en  den  Mantsjoe  bij 
elkaar ,  doch  onderwerpen  zoowel  den  een  als  den  ander 
aan  de  voogdij  van  den  westerling,  die  —  hadde  China 
te  juister  tijd  de  bakens  naar  het  getij  verzet  —  het  „gele 
gevaar"    met  recht  zou  hebben  moeten  vreezen. 

Ook  was  er  een  tijd,  dat  staatslieden  in  Europa  ternau- 
wernood notitie  namen  van  hetgeen  er  in  het  Hemelsche 
Rijk  voorviel  Engeland  dreef  handel  met  China  in  een 
beperkt  aantal  havens,  en,  mits  de  Britsche  koopman 
bij  dat  verkeer  niet  al  te  veel  belemmeringen  ondervond , 
bekommerde  men  zich  matig  om  China,  dat  beschouwd 
werd  als  eene  latente  kracht ,  welke  op  haren  eigen  bodem 
het  best  met  rust  gelaten  werd. 

Thans  hebben  onderhandelingen  te  Konstantinopel  een 
terugslag  te  Peking,  en  eene  gebeurtenis  in  het  Verre 
Oosten  is  een  evenement  van  Europeesch  belang.  De 
vorsten  van  het  Westen  zoeken  aan  de  andere  zijde  van 


379 

den  wereldbol  macht ,  de  zendelingen  zielen ,  de  nijveren 
vermogen. 

Als  politieke  macht  veroordeeld,  als  economisch  veld 
nauwelijks  beploegd,  ziedaar  de  toestand  van  China  op 
het  einde  van  1897. 

Moet  deze  slotsom  worden  vooropgesteld ,  mijn  streven 
zal  zijn  den  indruk  te  geven,  dat,  hoe  groot  ook  het 
aantal  werkzoekenden  van  allerlei  ras  en  slag  moge 
zijn ,  er  nog  plaats  is  in  China  voor  eiken  degelijken 
arbeider. 

De  aanleg  van  spoorwegen ,  de  handel ,  het  mijnwezen , 
de  nijverheid  in  het  algemeen,  zij  allen  verkeeren  nog 
hunne  kindsheid ,  doch  de  boei ,  welke  hunne  ontwikkeling 
tegenhield,  is  verbroken,  en  hun  wasdom  zal  naar  alle 
waarschijnlijkheid  een  Oostersche  zijn. 

Tot  de  onderwerpen,  welke  het  gebrekkige  van  het 
Regeeringsstelsel  krachtig  aantoonen,  behoort  de  aanleg 
van  spoorwegen.  Met  een  gezond  Gouvernement  ware  het 
China  niet  moeilijk  een  systeem  ten  deze  aan  te  nemen. 
Het  verkeert  niet ,  zooals  met  zoo  menigen  Staat  in  Europa 
het  geval  is  geweest,  in  de  noodzakelijkheid  eene  bij- 
zondere spoorweg-politiek  te  volgen  met  het  oog  op 
naburige  landen,  en  het  zou,  na  vergelijking  van  alles 
wat  er  in  de  geheele  wereld  op  spoorweggebied  is  tot 
stand  gebracht ,  het  best  passende  voor  zich  zelf  hebben 
kunnen  kiezen. 

Onder  de  tegenwoordige  omstandigheden  valt  het  der 
Chineesche  Regeering  moeilijk  eenig  stelsel  te  volgen. 
Het  denkbeeld  van  Staatsspoorwegen  of  van  door  den 
Staat  gewaarborgde  lijnen  kan  niet  in  aanmerking  komen , 
omdat ,  afgezien  van  alle  andere  redenen ,  de  draagkracht 
der  bevolking  niet  eene  zoodanige  is,  dat  zij  de  rente 
zou  kunnen  opbrengen  der  som,  benoodigd  voor  het  aan- 
leggen der  voornaamste  lijnen,  eene  som  welke  zeker 
niet  minder  dan  500  millioen  taels  zal  bedragen.  De  lijnen , 
thans  in  exploitatie ,  staan  onder  Chineesch  beheer ,  doch 


380 

voor  de    belangrijke   zal   men  wel  moeten  overgaan  tot 
het  geven  van  concessiën. 

De  geheele  wording  van  den  spoorwegbouw  in  China 
is  overigens  merkwaardig  genoeg  om  er  een  woord  aan 
te  wijden.  Een  der  personen,  welke  het  meest  daartoe 
hebben  bijgedragen,  is  de  bekende  Tchang-tschi-Tung , 
doch  die  medewerking  geschiedde  tegen  zijn  wil.  Als 
onderkoning  van  Canton  sloeg  Tchang-tschi-Tung,  des- 
tijds nog  slechts  bekend  als  een  eerlijk  ambtenaar  van 
den  ouden  Chineeschen  stempel  en  een  degelijk  kenner 
van  de  leerstellingen  van  Confucius,  den  Troon  voor, 
dadelijk  eene  spoorweglijn  te  bouwen  van  Peking  over 
Hankow  naar  Canton.  Hij  hoopte  door  de  groote  draag- 
kracht van  zijn  voorstel  de  centrale  regeering  voorgoed 
af  te  schrikken  van  den  aanleg  van  spoorwegen.  In 
beginsel  werd  het  denkbeeld  hier  intusschen  niet  on- 
gunstig opgenomen,  en  het  diende  hun,  die  voor  spoor- 
wegbouw te  Peking  ijverden ,  als  argument.  Was  Tchang- 
tschi-Tung  niet  één  der  ijverigste  apostelen  van  Confucius 
en  toch  beval  hij  spoorwegen  aan? 

Tchang-tschi-Tung  had  in  zijne  memorie  Wuchang 
(tegenover  Hankow)  aangewezen  als  centrum  van  het 
toekomstig  spoorwegnet.  Wuchang  werd  zijne  residentie 
als  onderkoning  der  Hukwang-provinciën  (Hunan  en 
Hupeh). 

Hier  werden  mijnen  geopend,  in  Europa  werden  ma- 
chines besteld,  groote  fabrieksgebouwen  werden  opgericht, 
vele  buitenlandsche  ingenieurs  werden  aangenomen,  en  uit 
een  moeras  ontstonden  de  bekende  Hanyang-ijzerfabrieken. 
Een  kleine  spoorweg  werd  met  goed  gevolg  aangelegd 
naar  eene  steenkolenmijn  in  Hupeh.  Toen  kwam  de  oorlog 
met  Japan ,  en  Hanyang  ondervond  daarvan  de  nadeelige 
gevolgen.  Tchang-tschi-Tung  werd  van  Wuchang  naar 
Nanking  verplaatst ,  zijn  opvolger  te  Wuchang  stelde  geen 
belang  in  de  Hanyang-werken. 

Van  dit  laatste  had  Tchang-tschi-Tung  gelegenheid  zich 


381 

te  overtuigen  toen  hij  in  Febr.  1896  te  Wuchang  terug- 
keerde. Tot  zijne  rechterhand  maakte  hij  (den  toenmaligen 
taotai)  Sheng-tajen,  —  gunsteling  van  Li-Hung-chang  — 
die  reeds  langen  tijd  aan  het  hoofd  stond  van  de  „China 
merchants  steam  navigation  company",  en  tevens  veel 
gedaan  had  voor  den  aanleg  van  telegrafen  in  China.  Sheng 
werd  directeur  van  Hanyang. 

De  hem  door  Tchang-tschi-Tung  gegeven  instructie  was : 
„indien  wij  het  zonder  spoorwegen  niet  langer  kunnen 
stellen,  dan  alleen  Chineesch  kapitaal  en  Chineesch 
materieel". 

Sheng  verdrong  als  spoorwegspecialiteit  al  spoedig 
zijnen  beschermheer.  Binnen  korten  tijd  werd  bij  „direc- 
teur-generaal der  keizerlijke  spoorwegen".  Intusschen  is 
het  beheer  der  Chineesche  spoorwegen  ten  noorden 
der  Gele  Rivier  in  1897  in  handen  gegeven  van  een 
zekeren  Hu. 

Dat  het  devies:  „spoorwegen  door  China  alleen"  niet 
te  verwezenlijken  was,  zal  blijken  uit  de  volgende  bij- 
zonderheden omtrent  de  lijnen ,  welke  in  de  eerste  plaats 
vermelding  verdienen. 

Lijn  Peking-Hankow.  —  Zij  zal  eene  lengte 
hebben  van  650  Engelsche  mijlen.  De  werkzaamheden 
op  de  noordelijke  sectie  Peking-Paotingfu  zijn  reeds  ge- 
ruimen  tijd  geleden  door  het  Chineesche  Gouvernement 
ter  hand  genomen.  Ter  constructie  van  de  geheele  lijn 
heeft  de  Chineesche  Regeering  eene  schikking  getroffen 
met  de  Société  générale  pour  favoriser  F  industrie  nationale 
te  Brussel. 

Deze  verstrekt  eene  som  van  vier  en  een  half  millioen 
pond  sterling  tot  een  interest  van  5°/0,  op  voorwaarde 
dat  zij  de  helft  van  het  benoodigd  materieel  levere, 
terwijl  cfe  andere  helft  in  het  openbaar  zal  worden  aan- 
besteed. De  lijn  moet  gereed  zijn  in  vijf  jaren. 

Reeds  werden  namens  de  Chineesche  Regeering  ver- 
schillende inschrijvingen  geopend  voor  benoodigdheden 


382 

voor  deze  lijn  (veelal  de  „Lu-han"  lijn ,  i.  e.  van  Lu-kou- 
chiao  naar  Hankow,  geheeten).  Zoo  werd  de  levering 
van  8  locomotieven  gegund  aan  de  fabriek  Rogers  te 
New- York  (vertegenwoordigers  in  China  de  heeren  Fearon, 
Daniel  &  Co)  voor  £  20.200. 

De  zoogenaamde  Kiangsu-spoorweg,  nl.  van 
Nanking  of  van  Tchinkiang  naar  Soochow, 
Shanghai,  Wusung  en  Hangchow.  —  Met  den 
bouw  der  sectie  Shanghai-Woosung  (lengte  11  Engelsche 
mijlen)  is  in  1897  een  begin  gemaakt.  Aanbesteed  werden 
drie  tank-locomotieven  met  Westinghouse-rem.  Gegund 
aan  Brooks  Locomotive  Works,  Dunkirk  te  New- York, 
vertegenwoordigd  door  de  America  Trading  Co.,  voor 
£  5.260. 

Zes  bruggen  worden  geleverd  door  Harkort  &  Co.  te 
Duisburg  voor  £  1.430. 

Voor  de  bedoelde  sectie  van  11  Engelsche  mijlen 
werden  evenzeer  de  rails  aanbesteed. 

Deze  aanbesteding  echter  werd  niet  aan  één  der  in- 
schrijvers gegund.  Besloten  werd  de  rails  te  doen  vervaar- 
digen in  de  fabrieken  van  Han  yang.  De  wagens ,  volgens 
Amerikaansch  systeem,  worden  gebouwd  te  Tientsin. 
België  levert  de  wissels,  Amerika  de  dwarsleggers.  De 
ballast  en  andere  steen  komt  uit  de  districten  van  Ningpo 
en  van  Soochow. 

Men  hoopt  dat  de  sectie  Shanghai- Wusung  in  de  lente 
van  dit  jaar  gereed  zal  zijn.  Voorloopig  is  het  eene  lijn 
met  enkel  spoor,  doch  de  weg  en  de  bruggen  zijn  zóó 
ingericht  dat  de  lijn  gemakkelijk  dubbel  kan  worden 
gemaakt. 

De  voornaamste  ingenieurs  van  het  werk  zijn  de  heeren 
H.  Hildebrand  en  zijn  broeder  P.  Hildebrand ,  welke  laatste 
het  voortdurend  toezicht  op  den  bouw  heeft  en  wordt 
bijgestaan  door  de  heeren  Unglaube  en  Rutenberg. 

Lijn  Peking-Tientsin.  —  De  lijn  is  in  exploitatie.  De 
kosten   van   haren  aanleg  waren  ongeveer  drie  millioen 


383 

taels.  Hare  lengte  is  80  Rngelsche  mijlen ,  welke  in  vier 
uren  worden  afgelegd. 

Er  zijn  negen  stations  met  inbegrip  van  Tientsin  en 
Peking.  Aan  billijke  eischen  van  comfort  wordt  op  deze 
lijn  voldaan.  Tegen  extra ,  doch  redelijken  prijs  kan  men 
een  geheelen  wagen,  een  compartiment  of  een  coupé 
voor  vier  personen  afhuren.  Spoedig  zal  de  lijn  een 
dubbel  stel  rails  bezitten.  De  na  te  noemen  technische 
bijzonderheden  aangaande  de  lijn  Tientsin  —  Kirine  zijn 
voor  een  groot  gedeelte  ook  op  deze  lijn  van  toepassing. 

Het  station  zal  worden  gebouwd  vlak  onder  den  reus- 
achtigen  muur  van  Peking  en  men  spreekt  zelfs  van  eene 
verlenging  om  de  hoofstad  heen  naar  de  Tong  shan- 
steenkolenmijnen  via  Palikao.  Ook  wordt  gedacht  over 
eene  lijn  van  Peking  naar  Kalgan  op  de  Mongoolsche 
grens. 

Voor  een  tramway  door  Peking  zijn  de  noodige  gegevens 
verzameld  door  een  Belgisch  ingenieur. 

Aangaande  deze  zaak  bestaat  echter  mededinging 
tusschen  verschillende  nationaliteiten. 

Voorts  heet  het,  dat  spoedig  een  Decauville-spoorweg 
zal  worden  aangelegd  van  Peking  naar  de  keizerlijke 
mausolea  (ongeveer  100  kilometer).  De  raison  <T ètr e  \ oor 
dezen  aanleg  zou  zijn  de  hooge  kosten  van  begrafenis  van 
elk  lid  der  keizerlijke  hofhouding :  een  lid  der  keizerlijke 
familie  van  3  tot  400.000  taels ,  een  keizer  of  een  keizerin- 
weduwe ongeveer  2  millioen  taels! 

Lijn  Tientsin  via  Shan-hai-kuan  naar 
Kirine.  —  Eene  kleine  reis  naar  Mantsjoerije  en  Oostelijk 
Mongolië,  ondernomen  in  den  herfst  van  het  afgeloopen 
jaar,  schrijft  de  heer  Knobel,  heeft  mij  in  staat  gesteld 
kennis  te  maken  met  de  eerst  geëxploiteerde  spoorweglijn 
in  China,  nl.  van  Tientsin  naar  Shan-hai-kuan  en  van 
de  streek,  welke  zij  doorsnijdt  en  welke  hare  verlenging 
doorsnijden  zal. 

Het   begin    dezer   lijn ,    thans   nog   geen  twintig  jaren 


384 

geleden,  was  een  tien  mijlen  lange  ijzeren  weg  van  de 
steenkolenmijnen  van  Kaiping  (80  mijlen  van  Tientsin) 
naar  zee.  De  beweegkracht  was  handenarbeid :  de  wagens 
werden  voortbewogen  door  koelies,  die  een  schamel 
loon  ontvingen  van  ongeveer  fl.  0,15  per  dag.  Naderhand 
werden  de  steenkolenwagens  getrokken  door  eene  zeer 
primitieve  ter  plaatse  vervaardigde  locomotief,  de 
„Rock  et"  genaamd:  een  unicum,  welbekend  bij  ieder  die 
zich  ooit  voor  het  spoorwegwezen  in  China  heeft  geïn- 
teresseerd. 

Thans  is  de  lengte  der  lijn  in  exploitatie  214  Engelsche 
mijlen,  van  Tientsin  over  23  stations,  waarvan  de  voor- 
naamste zijn:  Tongku,  Tangshan,  Kaiping  en  Shan- 
hai-kuan,  naar  Chung  Hou  so. 

Bij  vertrek  van  Tientsin  om  8  uur  des  morgens  is 
men  des  avonds  om  7  uur  te  Chung  Hou  so.  Tusschen 
deze  beide  plaatsen  vice-versa  loopt  één  trein  dagelijks 
van  Tientsin;  naar  sommige  stations  gaan  in  het  geheel 
zes  treinen  per  dag. 

Tongku  ligt  op  27  mijlen  van  Tientsin  en  op  6  mijlen 
van  de  monding'  der  Pei-ho.  Van  daar  gaat  de  lijn  met 
een  bocht  in  noord-oostelijke  richting  naar  de  fabrieken 
van  Tangshan.  Hier  worden  alle  wagens  vervaardigd, 
welke  gebezigd  worden  op  de  lijnen  Peking-Tientsin  en 
Tientsin-Chung  Hou  so.  Het  aantal  arbeiders  is  ongeveer 
duizend.  De  administratie  dezer  fabrieken  is  Chineesch, 
doch  de  technische  exploitatie  Europeesch  (Engelsch). 

Het  volgend  station  is  Kaiping,  waar  de  bekende 
steenkolenmijn  ligt.  De  productie  is  thans  1500  tot 
2000  ton  per  dag.  Men  noemt  haar  de  schoonste  steen- 
kolenmijn der  wereld. 

Even  vóór  Tangshan  is  het  station  Lu  tai.  Dit  is  het 
voorname  militaire  centrum  in  het  noorden.  Er  is  eene 
militaire  school  met  Duitsche  onderofficieren  als  instruc- 
teurs. Reeds  wordt  gezegd,  dat  de  Keizer  spoedig  voor 
de  eerste  maal  Peking  zal  verlaten  en,  gebruikmakende 


385 

van  den  spoorweg,  het  kamp  van  Lu  tai  zal  bezoeken. 

De  lijn  rendeert  goed  tot  aan  het  station  Kuyeh  op 
94  mijlen  afstand  van  Tientsin. 

Van  Kuyeh  bereikt  men  spoedig  Lan  chou  met  een 
spoorwegbrug  van  250  meter  lengte. 

Op  152  mijlen  van  Tientsin  wordt  het  station  Peita-ho 
bereikt,  eehe  badplaats  in  opkomst. 

Even  vóór  Shan-hai-kuan  gaat  de  lijn  door  eene  vallei. 
Eene  rivier,  in  gewone  tijden  van  geringen  omvang ,  doch 
in  den  regentijd  niet  zelden  een  ware  stroom,  heeft  er 
eene  brug  noodig  gemaakt  van  1.000  voet. 

Bij  Shan-hai-kuan.  eene  stad  met  60.000  inwoners, 
snijdt  de  spoorweg  den  grooten  muur.  Van  daar  tot 
Chung  Hou  so  is  het  nog  40  Engelsche  mijlen. 

De  streek,  door  welke  de  lijn  gaat,  is  alluviale  grond. 
Hier  en  daar  wordt  akkerbouw  gedreven,  doch  de  be- 
volking is  over  het  algemeen  zeer  arm. 

De  spoorwegvrachten  zijn  dan  ook  laag.  Men  gaat 
lste  klasse  van  Tientsin  naar  Chung  Hou  so  voor  onge- 
veer fl.  7  N.  Ct. 

De   loonen  welke  worden  betaald  aan  inlanders  zijn: 
Arbeider.     ...      $  4,—  (fl.  5,20)  per  maand. 
Stoker    ....      w  5  k  6  „         r 

Machinist    .     .     .      van  $  14  tot  46   „         r 

Klerk  die  Engelsch  en  Chineesch  spreekt  en  schrijft 
$  80  per  maand. 

Een  Europeesch  machinist  ontvangt  $  200  per  maand. 

Technische  moeilijkheden  heeft  de  aanleg  weinig  op- 
geleverd. De  rails  zijn  van  staal  60  lbs.  per  yard  en 
afkomstig  van  de  fabrieken  te  Barrow  (Engeland)  en  te 
Middlesbro'  (Bolckow  Vaughan  &  Co.).  De  houten  dwars- 
leggers  werden  aangevoerd  uit  Japan,  Oregon  en  voor 
een  gering  gedeelte  uit  Wiadiwostock. 

De  locomotieven  kwamen  alle  uit  Engeland  en 
Schotland. 

De   lijn   zal,  naar  het  schijnt,  spoedig  worden  voort- 


386 

gezet  in  de  richting  van  Moekden  en  Kirine,  doch  het 
is  te  voorzien,  dat  het  Engelsch  karakter  van  hare 
tegenwoordige  inrichting  verminderen  zal  ten  gunste  van 
een  meer  Russisch  aanzien. 

De  kosten  van  aanleg  der  verlenging  van  Chung 
Hou  so  tot  Kirine  via  Moekden  worden  geschat  op 
30  millioen  taels. 

Van  Chung  Hou  so,  eene  stad  van  10.000  inwoners 
(de  groote  meerderheid  is  mohamedaansch),  was  ik  ge- 
noodzaakt te  paard  te  reizen.  Een  tijdlang  leidde  de 
weg  langs  het  tracé  van  den  spoorweg  in  de  richting 
van  Kinchow,  ten  noordwesten  van  Newchwang.  De 
spoorwegvlag  is  in  dit  gedeelte  geplant  als  het  ware 
langs  de  door  de  Golf  van  Liaotung  besproeide  kust. 
Het  landschap  is  dan  ook  vlak,  nu  en  dan  ziet  men 
met  het  bloote  oog  gemakkelijk  de  zee.  Plantengroei  is 
er  weinig;  hier  en  daar  eenigc  pijnen  en  wilgen.  Toch 
wordt  er  in  deze  streken  gebouwd:  katoen,  sorgho, 
gierst,  indigo  en  opium,  hetgeen  door  de  hevige  warmte 
in  den  zomer  verklaard  wordt. 

Ning  Yuen  is  eene  stad  van  30.000  inwoners,  welke 
evenals  het  op  20  kilometer  verder  gelegen  Lien  chang 
door  een  spoorweg  zal  worden  verbonden. 

In  vergelijking  met  andere  Aziatische  landen  is  de  manier 
van  reizen  in  China  misschien  niet  het  ongeriefelijkst , 
doch  zeker  het  meest  langzaam.  Postpaarden,  welke b.v. 
in  Perzië  voor  den  reiziger  gereed  staan ,  zijn  niet  be- 
schikbaar. Men  is  dus  genoodzaakt  zijn  eigen  paard  te 
gebruiken,  en  bij  reizen  van  eenigen  duur  is  het  onmogelijk 
meer   dan  gemiddeld  40  kilometer  per  dag  af  te  leggen. 

Per  muildier  of  per  ezel  reist  men  niet  veel  sneller, 
en  per  kar  het  minst  vlug. 

Van  de  onzindelijkheid  der  Chineesche  herbergen  is 
het  niet  wel  mogelijk  een  begrip  te  krijgen,  tenzij  door 
eigen  ondervinding.  Voedsel  en  legerstede  moeten  natuurlijk 
door  den  Europeaan  worden  medegevoerd. 


387 

De  zendelingen,  welke  in  deze  streken  zijn  gevestigd , 
leven  meestal  op  Chineesche  wijze.  De  „missions  étran- 
géres"  hebben  een  staf  van  missionnarissen  in  Mantsjoerije 
voor  22.000  katholieke  bekeerlingen;  de  Brusselsche 
missie  „Schuyt"  zendt  hare  missionnarissen  (waaronder 
een  vrij  groot  aantal  onzer  landgenooten)  naar  Mongolië. 
In  het  vicariaat  van  Oost-Mongolië  (de  bisschop  Mgr.  Abels 
is  Nederlander)  zijn  10.000  katholieke  Chineezen. 

Protestantsche  missiën  bestaan  te  Kirine,  Kinchow  en 
Kwan  Chan  (n.  w.  van  Kirine). 

De  Oost-Chineesche  spoorweg,  —  Detusschende 
Russische  en  Chineesche  Regeeringen  bestaande  verbin- 
tenissen aangaande  de  verlenging  van  den  trans-Siberischen 
spoorweg  door  Mantsjoerije  naar  de  Gele  Zee,  zijn  in 
1897  nader  bekend  geworden.  Aangezien  China  op  het 
oogenblik  kan  beschikken  noch  over  de  noodige  inge- 
nieurs, noch  ambtenaren,  noch  rails,  noch  ander  mate- 
rieel, spreekt  het  vanzelf  dat  de  lijn  door  Mantsjoerije 
metterdaad  eene  Russische  zal  zijn. 

De  lijn  komt  uit  Siberië  bij  Tsurukhaitu  op  Mantsjoersch 
grondgebied  en  verlaat  dit  bij  Poltavskaja,  om  zich  aan 
te  sluiten  aan  den  Ussuri-tak  der  groote  Siberische  lijn. 

De  aanleg  zal  eenige  moeielijkheden  opleveren,  o.  a. 
bouw  van  tunnels.  Eene  vermeerdering  van  scheepvaart- 
beweging is  te  verwachten  op  de  rivieren  in  Mantsjoerije 
en  oostelijk  Siberië. 

Aldus  hoopt  men  voor  het  transport  van  een  groot 
gedeelte  van  het  materieel  de  Sungari-rivier  te  kunnen 
bezigen.  Overigens  wordt  langs  de  rivier  de  Amoer  een 
weg  voor  voertuigen  aangelegd.  De  kosten  daarvan  zijn 
geraamd  op  elf  millioen  roebels. 

Het  gebied,  door  hetwelk  de  spoorweg  gaat,  heeft 
groote  natuurlijke  rijkdommen.  De  bodem  brengt  voort: 
tarwe,  gerst,  rijst,  maïs,  boekweit,  enz.  Er  zijn  vele 
mijnen  en  er  wordt  goud  gevonden. 

Het  aantal  belangrijke  steden  in  de  streek ,  welke  de  lijn 

27 


388 

doorkruist,  beperkt  zich  tot  slechts  twee,  n.1.  Tsitsihar 
en  Ninguta.  Desondanks  zal  zij  de  handelsbetrekkingen 
tusschen  Rusland  en  noordoostelijk  Azië  belangrijk  be- 
vorderen. 

Ongetwijfeld  zullen  ook  spoedig  Port-Arthur  en  New- 
chwang  aan  het  Russisch  spoorwegnet  worden  verbonden. 

De  Russisch-Chineesche  Bank  werd  voornamelijk  opge- 
richt ten  behoeve  der  bedoelde  lijn,  die  in  1903  klaar 
moet  zijn.  Zij  vormde  daarvoor  in  het  bijzonder  de  Chi- 
neesche  Oosterspoorwegmaatschappij.  Haar  directeur 
wordt  benoemd  door  den  Keizer  van  China,  doch  haar 
onder-directeur  —  de  nervus  rerum  —  is  een  onderdaan 
van  den  czaar.  De  aandeelhouders  moeten  van  Russische 
of  van  Chineesche  nationaliteit  zijn.  Het  Russisch  Gou- 
vernement waarborgt  niet  het  aandeelenkapitaal  van  vijf 
millioen  roebel,  doch  alles  wat  daarboven  benoodigd 
(obügatiën)  is,  evenals  den  interest.  Het  behoudt  zich 
het  recht  voor ,  die  obligatiën  over  te  nemen  tegen  betaling 
aan  de  maatschappij  van  een  onderling  overeen  te  komen 
prijs. 

De  toestemming  van  den  Russischen  minister  van  Finan- 
ciën is  noodig  voor  alle  administratieve  en  technische 
benoemingen  en  instructiën. 

Van  zelf  spreekt  dat,  hoe  groot  het  belang  der  trans- 
Siberische  lijn  ook  op  zichzelf  moge  geweest  zijn  in  den 
beginne,  dat  belang  vermeerdert  naarmate  de  toestanden 
in  China  zich  wijzigen. 

De  Peking-Hankow-lijn  zal  bijv.  Rusland  kunnen  dienen 
om  zijne  goederen  tot  in  het  hart  van  China  af  te  zetten 
en  zijne  benoodigdheden  van  daar  te  betrekken.  De  com- 
municatie tusschen  het  vasteland  van  noordelijk  Azië, 
welke  thans  zeer  gebrekkig  is,  zal  ongetwijfeld  worden 
verbeterd.  De  reis  van  Wladiwostock  tot  Nagasaki  duurt 
thans  ongeveer  veertien  dagen  Men  kan  met  een  goeden 
stoomer  in  twee  etmalen  van  eerstgemelde  plaats  naar 
Niigata    en   Hakodate   komen,  en  deze  dienst  zal  zeker 


389 

niet  op  zich  doen  wachten,  zoodat  men  in  een  tiental 
dagen  van  Moskou  kan  reizen  naar  Wladiwostock. 

De  Russische  Regeering  stelt  alle  mogelijke  pogingen 
in  het  werk  om  de  haven  van  Wladiwostock  open  te 
houden,  ondanks  het  feit  dat  Port  Arthur  thans  openlijk 
wordt  erkend  eene  Russische  haven  te  zijn. 

De  scheepvaart  in  Wladiwostock  is  gedurende  de  laatste 
twee  jaren  ten  zeerste  vooruitgegaan. 

Terwijl  Rusland  op  spoorweggebied  in  China  alles  ver- 
kregen heeft  wat  het  voorloopig  kan  wenschen,  wordt 
Tonking  met  het  zuiden  verbonden  en  overweegt  men 
(nog  steeds)  in  Engeland ,  op  welke  wijze  eene  verbinding 
kan  worden  tot  stand  gebracht  tusschen  de  spoorwegen 
in  Birma  en  de  zuidwestelijke  en  westelijke  gedeelten 
van  China. 

De  lijn  Phulang  Thuong — Langson—  Lungchau  zal  ver- 
lengd worden  in  Kuangsi.  Lungchau  is  het  punt,  alwaar 
de  navigatie  voor  groote  jonken  ophoudt.  Het  ligt  aan 
een  zijtak  van  de  Yii-rivier ,  die  op  hare  beurt  een  zijtak 
van  de  West-rivier  is.  De  bouw  van  deze  lijn  werd  gegund 
aan  de  maatschappij  Fives  Lille,  overeenkomstig  art.  V 
der  Fransch-Chineesche  conventie  van  Juni  1895,  waarbij 
eveneens  is  bepaald  dat  China  voor  het  openen  van  mijnen 
in  de  provinciën  Yunnan,  Kwangsi  en  Kwangtung  zich 
bij  voorkeur  zal  wenden  tot  Fransche  maatschappijen  en 
ingenieurs. 

Geene  verwondering  zal  het  baren ,  indien  de  eventueele 
verlenging  naar  Canton  (en  naar  Tonking)  der  Peking— 
Hankow-lijn,  waarvan  de  bouw  in  Belgisch-Fransche  handen 
is,  mettertijd  aan  Fransch-Belgische  industrieelen  wordt 
opgedragen. 

Overigens  heeft  Frankrijk  reeds  thans  het  recht  spoor- 
wegen aan  te  leggen  in  Yunnan  in  de  richting  van 
Yunnan  fu. 

Tot   op    zekere   hoogte    kan   mitsdien  de  invloed  van 


390 

Frankrijk  in  het  zuiden  vergeleken  worden  bij  dien  van 
Rusland  in  het  noorden.  Doch ,  ofschoon  Frankrijks  prestige 
in  China  verre  van  tanend  is,  zoo  toont  de  vergelijking 
toch  groote  afwijkingen  aan.  Evenmin  als  de  Brit,  kan 
de  Franschman  zich  gemakkelijk  assimileeren ,  hij  is  in 
het  ongunstig  klimaat  van  Tongking  weinig  thuis,  con- 
curreert met  niet  bijzonder  gevolg  op  handelsgebied  tegen 
zijnen  Engelschen  mededinger  en  mist  de  volharding  van 
den  Duitscher. 

Uit  het  bovenstaande  blijkt ,  dat ,  ondanks  alle  moeielijk- 
heden,  er  op  het  oogenblik  in  China  ernstig  aan  spoor- 
wegbouw wordt  gedacht.  Behalve  de  trans-Siberische,  de 
Tongking-  en  Birmalijnen,  welke,  als  zoovele  kanalen, 
wachten  op  de  opening  hunner  sluizen,  leveren  de  in 
exploitatie  en  in  aanbouw  zijnde  lijnen  in  China  zelf 
reeds  een  groot  quantum  stof  tot  bespreking  op.  De  lijn 
Tientsin-Peking  werpt  winsten  af ,  waarvan  de  ontwerpers 
niet  hebben  gedroomd. 

De  lijn  Hankow-Peking  moet  in  vijf  jaren  gereed 
komen,  en  Shanghai  zal  aldus  eene  verbinding  met 
Europa  hebben  over  land.  In  het  begin  der  twintigste 
eeuw  zal  men  reizen  van  Londen  naar  Shanghai  in  12, 
naar  Japan  in  16  dagen. 

In  weerwil  van  dit  alles  en  terwijl  er  eenige  ken- 
teekenen  voorhanden  zijn  dat  China  zich  wil  hervormen , 
kunnen  zijne  vooruitzichten  als  zelfstandige  mogendheid 
moeielijk  rooskleurig  worden  geheeten.  Algemeen  wordt 
aangenomen,  dat  het  Rijk  in  eenen  staat  van  ontbinding 
verkeert.  De  ontwikkelde  Chinees,  dit  niet  toegevende, 
houdt  staande  dat  de  hervormingsgeest  metterdaad  is 
ontwaakt ,  dat  de  Keizer  en  de  Keizerin- weduwe  het  voor- 
nemen hebben  spoedig  van  den  spoorweg  van  Peking 
naar  Tientsin  gebruik  te  maken,  dat  in  het  programma 
der  staatsexamina  de  exacte  wetenschappen  en  vreemde 
talen  zijn  en  weldra  nog  in  uitgebreideren  zin  zullen 
worden   opgenomen,  dat  leger  en  vloot  zullen  worden 


391 

gereorganiseerd  en  dat  in  het  algemeen  gesproken  elke 
dag  vooruitgang  brengt. 

Dit  laatste  zal  door  niemand ,  die  eene  zekere  opmer- 
kingsgave bezit ,  worden  bestreden ,  mits  die  vooruitgang 
slechts  worde  opgevat  in  strikt  economischen  zin.  Want 
al  deed  zich  eene  persoonlijkheid  op,  begaafd  met  genie 
en  bekleed'  met  voldoend  vertrouwen  van  hen  die  op  het 
oogenblik  de  macht  in  handen  hebben,  om  eene  reuzen- 
taak  aan  te  vatten,  als  die  van  de  redding  van  China 
als  mogendheid  zou  zijn ,  die  taak  ware  onder  de  tegen- 
woordige omstandigheden  onuitvoerbaar;  het  Westen  is 
zóó  zeer  meester  van  de  toestanden  in  het  Hemelsche 
Rijk,  dat  alle  vrees  voor  het  „gele  gevaar",  althans 
uit  een  staatkundig  oogpunt,  voor  goed  is  opgeheven. 
China  kan  zich  nog  alleen  opheffen  in  economischen 
zin,  doch  onder  Europeesche  leiding  en  dienende  de 
belangen  dier  mogendheden,  aan  welke  het  verplicht  is 
geweest  vasten  voet  op  zijn  grondgebied  te  verleenen. 

Het  regeeringsstelsel  is  nog  steeds  gebaseerd  op  de 
beginselen,  vastgesteld  door  Confucius:  de  verantwoor- 
delijkheid berust  bij  één  persoon,  onverschillig  of  deze 
bekwaam  tot  zijn  ambt,  nauwlettend,  eerlijk  en  recht- 
schapen is  of  niet.  Het  centraal  Gouvernement  houdt 
alleen  rekening  met  gevolgen,  om  oorzaken  bekommert 
het  zich  niet  Breekt  in  eene  provincie  geen  opstand  uit, 
dan  is  dit  een  bewijs  dat  zij  „goed"  bestuurd  wordt.  De 
onderkoningen  zijn  ware  satrapen,  de  Keizer  is  nooit 
verder  dan  Peking  geweest. 

Een  der  groote  gebreken  van  het  tegenwoordig  regee- 
ringsstelsel is  het  beheer  der  financiën,  en  bij  de  hulp, 
welke  China  meer  en  meer  genoodzaakt  is  op  financieel 
gebied  in  het  Westen  te  zoeken ,  schijnt  het  niet  gewaagd 
te  voorspellen ,  dat  mocht  de  Chineesche  Regeering  zelve 
dit  beheer  niet  spoedig  aan  westcrsche  handen  toever- 
trouwen ,  de  mogendheden  verplicht  zullen  zijn  de  noodige 
controle  in   dit  opzicht  door  eene  gemengde  commissie 


392 

te  doen  uitoefenen.  De  tegenwoordige  toestand  kan  zich 
nog  eenigen  tijd  rekken ,  op  den  duur  is  hij  onhoudbaar. 

Die  toestand  laat  zich  in  korte  woorden  samenvatten 
als  volgt:  Geen  behoorlijk  budget,  geene  boekhouding, 
geene  controle ,  omkoopbaarheid  en  verdere  oneerlijkheid 
der  ambtenaren,  verwarring,  verspilling  en  verlies. 

Tot  aan  den  oorlog  met  Japan  heeft  het  Chineesch 
Gouvernement  geleefd  van  den  eenen  dag  in  den  anderen. 
De  gelden  uit  de  provinciën,  ongeveer  tot  een  bedrag 
van  60  millioen  taels ,  kwamen  jaarlijks  in  zoo  goed  of 
liever  zoo  kwaad  als  het  ging ;  de  opbrengst  der  „  customs" 
was  de  eenige  bron  van  inkomsten,  op  welke  vast  kon 
worden  vertrouwd ;  men  wist  dat  de  grondbelasting  licht 
honderd  millioen  in  plaats  van  25  kon  opleveren,  het 
inlandsche  opium  1)  zonder  moeite  tien  millioen  in  plaats 
van  2,  het  zoutmonopolie  veertig  millioen  in  plaats  van 
131/*;  dat  op  het  transport  van  de  tribuut-rijst  gemak- 
kelijk een  millioen  kon  worden  bespaard,  —  doch  het 
Chineesche  Gouvernement  bekommerde  zich  om  dit  alles 
niet,  het  had  jaren  aldus  gesukkeld  en  het  wilde  verder 
sukkelen. 

Zelfs  lang  na  den  oorlog,  toen  het  duidelijk  bleek, 
dat  China  verplicht  was  in  belangrijke  mate  schulden 
aan  te  gaan,  waren  de  staatslieden  te  Peking  nog  blind 
voor  het  ernstig  karakter  van  den  toestand. 

In  den  laatsten  tijd  zijn  zij  wel  gedwongen  geworden 
zich  daarvan  rekenschap  te  geven. 

Het  is  er  intusschen  verre  af,  dat  Chineesche  regeerings- 
lieden  eenige  notie  van  staathuishoudkunde  zouden  bezitten. 
Wat  handelspolitiek  aangaat,  kan  de  mandarijn  tegen- 
woordig les  nemen  bij  den  in  de  tractaat-havens  geves- 
tigden  inlandschen  koopman.  In  de  oogen  van  eerstge- 
noemde is  invoer  een  euvel ,  dat  geld  uit  het  land  sleept , 


l)  Het  buitenlandsche  opium  (verbruik  l  tegen  1  inlandsch)  levert 
5  millioen  taels  op. 


393 

uitvoer  een  kwaad,  hetwelk  de  prijzen  in  het  binnenland 
duurder  maakt ,  en  handel  met  de  barbaren  eene  ergernis , 
die  alleen  wordt  getemperd  op  het  oogenbïik  dat  Sir 
Robert  Hart  de  22  millioen  taels  in  de  schatkist  stort. 
Dit  oogenbïik  is  zóó  aangenaam  dat,  in  de  oogen  van 
den  mandarijn,  alle  middelen  tot  verbetering  van  den 
financieelen  toestand  nog  steeds  culmineeren  in  verhooging 
der  invoerrechten  van  5°/0  totl00/o>  „  want ",  zoo  rede- 
neert de  fiscus,  „alsdan  zouden  de  inkomsten,  voort* 
spruitende  uit  den  buitenlandschen  handel,  worden  ver- 
meerderd met  100°/0  en  China  verkeerde  niet  langer  in 
nood". 

Voorloopig  nog  schijnt  het  voor  den  Europeaan  een 
onbegonnen  werk ,  te  trachten  den  Chineezen  aan  het  ver- 
stand te  brengen  dat  de  financieele  quaestie  voor  China 
veel  dieper  ligt  dan  in  eene  herziening,  d.i.  eene  ver- 
hooging der  tarieven.  De  5°/0  ad  valorem,  vastgesteld 
bij  het  tractaat  van  Tientsin  van  1858,  zijn  inderdaad 
ten  gevolge  der  daling  van  het  zilver  gemiddeld  3° /0  ge- 
worden, doch  in  welke  mate  lijdt  de  buitenlandsche 
handel  door  de  likin  en  de  loti  shui  (octrooi)?  Worden 
met  deze  binnenlandsche  transportrechten  niet  de  ambte- 
naren betaald,  die  anders  uit  de  schatkist  zouden  moeten 
worden  bezoldigd?  „Verandert  uw  administratief  stelsel 
en  houdt  u  aan  de  tractaten"  dit  is  het  eenig  mogelijk 
antwoord  voorloopig,  hetwelk  aan  China  kan  worden 
gegeven,  zoodra  het  de  vraag  der  tariefsherziening  op 
het  tapijt  wil  brengen,  en  dit  zoowel  in  het  belang  van 
den  importeur  van  buitenlandsche  goederen  als  in  dat 
van  den  theeplanter  en  zijde-exporteur ;  want  de  uitvoer 
lijdt  niet  minder  onder  het  abusief  stelsel  van  inlandschc 
belasting  dan  de  invoer.  Het  is  op  zijn  uitvoer,  dat  China 
moet  steunen  om  den  rentelast  te  dragen,  welke  thans 
de  schatkist  bezwaart. 

Geheel  China  moet  noodzakelijkerwijs  mettertijd  geopend 
worden  voor  den  buitenlandschen  handel.  Het  oogenbïik 


394 

dat  zulks  geschieden  zal,  scheen  cenige  jaren  geleden 
nog  in  de  verre  toekomst  te  liggen ,  doch  waar  de  spoor- 
wagen rolt,  wordt  afsluiting  eene  onmogelijkheid. 

De  spoorwegen  zullen  ook  noodzakelijkerwijze  moeten 
leiden  tot  éénheid  van  munt  in  China. 

Het  is  niet  wel  mogelijk  aan  den  handel  van  China 
gedurende  de  laatste  jaren  een  woord  te  wijden  zonder 
melding  te  maken  van  het  rapport  des  heeren  Byron 
Brenan,  Britsch  consul  te  Canton,  dat  onder  den  titel 
„Report  on  the  state  of  trade  at  the  treaty  ports  of 
China "  in  1897  (Annual  series  No.  1.909,  Diplomatic 
and  consular  reports  on  trade  and  flnance)  door  het 
„Foreign  Office"  is  gepubliceerd. 

De  heer  Brenan  heeft  door  een  bezoek  aan  nagenoeg 
alle  de  tractaathavens  den  indruk  gekregen,  dat  de 
Chineezen  „  are  monopolising  in  an  increasing  degree  the 
commercial  advantages  obtained  under  the  several  treaties 
which  Foreign  Governments  have  concluded  with  China". 

De  Britsche  koopman  in  China  schijnt  te  verdwijnen, 
maar  de  belangen  der  fabrikanten  blijven,  en  als  eene 
markt  voor  ontzaggelijke  uitbreiding  vatbaar  heeft  China 
recht  op  meer  aandacht,  dan  op  het  oogenblik  (in 
Engeland)  daaraan  geschonken  wordt. 

Van  zelf  spreekt,  dat  een  belangrijk  gedeelte  van  het 
verslag  gewijd  is  aan  de  heffing  van  likin  en  andere 
rechten,  welke  van  buitenlandsche  goederen  worden  ge- 
heven in  strijd  met  de  tractaten. 

Meer  en  meer  concentreert  zich,  volgens  den  verslag- 
gever, de  handel  van  China  te  Shanghai  en  te  Hongkong. 
Eerstgenoemde  plaats  verzorgt  de  Yangtsze-  havens,  Tientsin, 
Newchwang  en  Chefoo ,  terwijl  over  Hongkong  de  buiten- 
landsche goederen  gaan  naar  Foochow,  Amoy,  Swatow, 
Canton,  Hoihow  en  Pakhoi. 

Te  Shanghai  krijgt  de  arbeid  des  koopmans  lang- 
zamerhand het  karakter  van  commissiehandel.  „The 
local  foreign  merchants  are  more  and  more  ceasing  to 


395 

be  merchants  in  the  true  sensc  of  the  word;  and  rather 
than  take  their  chanee  of  the  market  in  China  prefer 
to  settle  their  terms  before  the  merchandise  leaves 
Europe". 

De  buitenlandsche  koopman  moet  zoeken  naar  de 
artikelen,  welke  China  kan  exporteeren.  De  Chinees 
geeft  zich  daarvoor  geene  moeite.  In  verband  hiermede 
blijft  de  uitvoerhandel  in  Europeesche  handen  en  heeft 
niet,  zooals  de  import,  eene  neiging  om  over  te  gaan  op 
Chineezen,  ofschoon  ook  hierbij  valt  op  te  merken,  dat 
de  tijd  van  de  „merchant  princes'1  voorbij  is.  Er  zijn 
thans  vele  kleine  firma's,  die  uit  Europa  of  Amerika 
orders  per  telegram  ontvangen  en  deze  uitvoeren  voor 
eene  kleine  commissie  zonder  eenig  risico  voor  hen- 
zelven. 

Aan  het  slot  van  zijn  rapport  bespreekt  de  heer  Brenan 
de  vraag,  wat  er  kan  worden  gedaan  om  den  handel  te 
bevorderen.  Hij  beveelt  aan  de  benoeming  van  een  „  com- 
mercial secretary",  het  onderzoek  door  den  koopman 
zelven  van  de  vier  vragen:  1°.  wat  heeft  China  noodig, 
dat  wij  kunnen  leveren?  2°.  wat  maken  wij,  dat  China 
zou  koopen  als  het  de  artikelen  zag?  3°.  wat  brengt 
China  voort,  dat  wij  kunnen  gebruiken?  en  4°.  hoe  kunnen 
wij  het  zien  en  het  ons  verschaffen?  Voorts  coöperatie 
van  fabrikanten,  het  doen  bereizen  van  China  door  Chi- 
neesch  sprekende  personen,  het  inrichten  van  monster- 
kamers en  het  aanleeren  der  Chineesche  taal  door  den 
koopman  of  althans  door  één  zijner  bedienden. 

De  heer  Knobel  beperkt  zich  tot  de  bloote  opsomming 
van  eenige  der  conclusiën  des  heeren  Brenan ,  in  de  hoop 
dat  zijn  geheel  rapport  ook  door  onzen  handel  moge 
worden  bestudeerd. 

De  zending  van  den  heer  Brenan  is  voorafgegaan  aan 
die  der  Britsche  handelscommissie  onder  leiding  van  den 
heer  Bourne ,  Engelsch  vice-consul.  Voor  zoover  bekend, 
is  haar  rapport  nog  niet  verschenen:  het  zal  wel  hoofd- 


396 

zakelijk  handelen  over  de  westelijke  grensprovinciën  van 
China  en  over  de  Jangtze- vallei. 

Men  weet  overigens,  dat  aan  l^et  einde  van  1897  een 
„Bluebook"  is  verschenen ,  waaruit  blijkt  aan  welke  oor- 
zaken vooral  wordt  toegeschreven  dat  in  de  Engelsche 
koloniën  in  vele  gevallen  de  voorkeur  wordt  gegeven 
aan  niet-Engelschc  artikelen,  boven  goederen  van  Britschen 
oorsprong.  Aangezien  deze  opmerkingen  ook  China  gelden 
en  onze  handel  en  industrie  daarmede  wellicht  hun  voordeel 
kunnen  doen,  worden  die  oorzaken  hier  geresumeerd: 

de  uiterlijke  inrichting  der  goederen ,  ook  voor  die  van 
geringe  qualiteit; 

het  niet  voldoen  aan  den  smaak  des  verbruikers ; 

onvoldoende  en  toch  niet  goedkoopc  verpakking; 

dure  vrachten  onder  Britsche  vlag  in  vergelijking  met 
die  berekend  door  continentale  reeders. 

Het  is  de  Duitsche  mededinging ,  waaronder  de  Engelsche 
afzet  lijdt.  De  cijfers  over  1896  wijzen  weder  eene  ver- 
meerdering van  den  Duitschen  uitvoer  naar  China  en  Japan 
aan.  De  export  is  in  dat  jaar  gestegen  van  62  millioen 
mark  tot  82  millioen  mark ,  en  hij  is  steeds  vooruitgaande. 

Het  jaar  1897  heeft  in  het  Verre  Oosten  bevestigd :  den 
ondernemingsgeest,  het  taai  geduld,  het  afgaan  op  het 
doel,  de  algemeene  bekwaamheden  van  den  Duitschen 
koopman. 

Indien  Engeland  het  Hemelsche  Rijk  nader  heeft  doen 
navorschen  met  een  handelsoogmerk  door  de  zoogenaamde 
„Blackburne-commissie",  van  welke  de  heer  Brenan  de 
voorlooper  was ;  indien  uit  Frankrijk  hierheen  is  gezonden 
onder  leiding  van  den  bekenden  reiziger  in  Yunnan ,  den 
heer  Rocher ,  eene  commissie  met  het  voorname  doel  om 
na  te  gaan  hoe  het  zuiden  en  het  westen  het  best  dienst- 
baar zijn  te  maken  aan  de  belangen  van  Frankrijk  en 
van  Tongking ,  —  Duitschland  heeft  eveneens  een  aantal 
deskundigen  naar  China  afgevaardigd,  die  meer  in  het 
bijzonder  hebben  getracht  de  bestaande  handelsbetrekkin- 


397 

gen  tusschen  China  en  Duitschland  te  versterken  en  uit 
te  breiden.  Laatstbedoelde  commissie  bestond  uit  de  hccren 
dr.  Knappe ,  Duitsch  consul  te  Canton ,  Schanz  (Chemnitz), 
Götz  (Mtilfort),  Theussen ,  Crons  en  Jores  (Crefeld),  Herrig 
(Dresden),  en  Keinhart  (Worms).  Deze  heeren  vertegen- 
woordigen voornamelijk  de  Duitsche  katoen-,  garen-,  zijde-, 
leder-  en  metaal-industrieën. 

Hare  taak,  gelijk  zij  nader  door  dr.  Knappe  bij  zijne 
aanwezigheid  te  Shanghai  werd  uiteengezet ,  was  het  onder- 
zoek naar:  1°.  den  import  in  oostelijk  Azië;  2°.  den 
export  uit  China,  voornamelijk  dien  van  ruwe  stoffen; 
3°.  het  scheepvaartverkeer  tusschen  China  en  Japan, 
alsmede  tusschen  de  Chineesche  kustplaatsen;  4°.  de  be- 
legging van  Duitsch  kapitaal  in  economische  ondernemin- 
gen in  het  Verre  Oosten. 

De  commissie  bezocht  tot  dat  doel  Hongkong ,  Shanghai , 
de  havens  der  Yangtsze-vallei ,  de  zijde-districten  der 
provinciën  Kiangsu  en  Chekiang,  voorts Tientsin,  Peking, 
Newchwang,  Korea  en  Japan, 

De  kosten  werden  bestreden  uit  particuliere  bijdragen 
tot   een  zeker  maximum;  wat  daarboven  noodig  mocht 
zijn  was  gewaarborgd  door  de  Duitsche  Regeering. 
.    Ook  de  Amerikaansche  invoer  in  China  stijgt  in  belang- 
rijke mate. 

In  de  Vereenigde  Staten  is  een  „  United  States  National 
Association  of  Manufacturers "  gevormd.  Deze  vennoot- 
schap telt  900  leden,  welke  door  het  bestuur  geregeld 
op  de  hoogte  worden  gehouden  van  alles  wat  er  op 
industrieel  gebied  in  Oost-Azië  voorvalt.  De  voorname 
Amerikaansche  machinefabrieken  moeten  door  tusschen- 
komst  van  dezen  Bond  reeds  vele  voordeelige  contracten 
in  deze  streken  hebben  afgesloten. 

Overigens  hebben  Amerikaansche  fabrieken  dikwerf 
een  of  meer  ingenieurs  onderweg,  om  betrekkingen  met 
overzeesche  afnemers  aan  te  knoopen. 

Japan  was  op  den  goeden  weg  om  voor  de  producten 


398 

zijner  nijverheid  een  flink  afzetgebied  in  China  te  ver- 
krijgen, toen  het  op  het  denkbeeld  kwam  den  gouden 
standaard  aan  te  nemen.  Sedert  Augustus  1.1.  heeft  de 
import  van  katoenen  goederen  uit  Osaka  nagenoeg  opge- 
houden. De  nijverheid  van  genoemde  stad,  ja  van  geheel 
Japan ,  verkeert  sedert  eenige  maanden  in  een  toestand  van 
crisis.  Dat  deze  toestand  komen  moest,  was  niet  moeilijk 
te  voorspellen ,  evenmin  als  het  duidelijk  is  voor  elkeen , 
die  de  economische  ontwikkeling  van  dat  land  volgt ,  dat 
het  nog  menig  kritiek  tijdperk  zal  hebben  te  doorwor- 
stelen alvorens  zich  te  bevinden  op  het  passend  niveau. 

Ook  de  industrie  bewijst ,  dat  China  niets  uit  zich  zelve 
kan,  dat  het  alles  van  het  Westen  heeft  te  leeren,  dat 
het  daaraan  alles  in  dit  opzicht  is  verschuldigd. 

De  Chineesche  rijstmolen  is  nog  even  zoo  primitief 
als  die  welke  in  Europa  voor  duizend  jaren  dienst  moet 
hebben  gedaan;  de  ploeg  is  een  kromme  boomtak  met 
ijzer  beslagen ;  de  pomp  heeft  wellicht  gediend  tot  model 
voor  de  oude  Egyptenaren. 

Het  Chineesche  katoenen  goed  is  duurzaam ,  doch  uiterst 
grof;  ook  gaat  de  vervaardiging  er  van  zeer  langzaam.  De 
uitvoer  van  Chineesch  katoenen  goed ,  welke  voorheen  in 
beperkte  quantiteiten  plaats  had ,  heeft  geheel  opgehouden. 

De  vervaardiging  van  papier  en  van  artikelen  van  hennep 
en  vlas  is  evenzoo  primitief  en  levert  evenzoo  gebrekkige 
producten.  De  eenige  gunstige  uitzondering  als  product 
maken:  zijden  stoffen.  De  vervaardiging  ook  van  deze 
stoffen  geschiedt  evenwel  sedert  jaren  op  dezelfde  wijze. 

Dit  is  de  toestand  aangestipt,  indien  de  Chinees  aan 
zich  zelven  wordt  overgelaten. 

Laat  ons  zien  wat  er  van  hem  wordt,  als  hij  in  aan- 
raking komt  met  den  westerling. 

De  heer  Brenan  vermeldt  in  zijn  rapport  op  bldz.  56, 
dat  er  te  Shanghai  vier  katoenfabrieken  gereed  waren. 
Zij  hadden  123.000  spindels  en  1.800  weefgetouwen.  Opge- 
richt werden  vier  andere  met  155.000  spindels.  Te  Ningpo 


399 

is  eene  fabriek  met  11.000  spindels  en  te  Hankow  cene  met 
30.000  en  eene  andere  met  50.000  spindels.  Sedert  de  heer 
Brenan  dit  schreef  heeft  de  katoen-nijverheid  in  China  zich 
nog  belangrijk  uitgebreid ,  o.  a.  te  Ichang  en  te  Tientsin. 

Terwijl  nog  niet  lang  geleden  te  Shanghai  zich  twee 
op  Europeesche  wijze  ingerichte  zijde-weverijen  bevonden , 
zijn  er  thans  34. 

Van  de  bij  het  tractaat  van  Shimonoseki  geopende 
plaatsen,  zijn  Soochow  en  Hangchow  van  ouds  bekende 
centra  der  zijde-productie.  Ook  hier  zijn  moderne  zijde- 
weverijen  opgericht;  ééne,  n.1.  te  Soochow,  met  een  kapitaal 
van  Tls.  1,200.000. 

Sommige  statistici  beweren,  met  het  feit  voor  oogen, 
dat  Japan  gedurende  tien  jaren  zijnen  export  verdrie- 
voudigd en  zijnen  import  viermaal  heeft  doen  toenemen , 
dat  China  een  omzet  zou  kunnen  hebben  van  twee  honderd 
millioen  pond  sterling  jaarlijks ! 

Katoen,  dat  door  Japan  moet  worden  geïmporteerd, 
groeit  in  China.  De  export  van  zijde,  suiker,  thee  en 
wol  kon  ontzaggelijk  vergroot  worden,  zonder  nog  te 
spreken  van  mineralen. 

Wat  den  rijkdom  aan  steenkolen  betreft,  zoo  schijnen 
de  geologen  het  er  over  eens  te  zijn,  dat  groote  beddingen 
vooral  bestaan  in :  de  zuidelijke  helft  van  Shansi ,  zuidelijk 
Hunan  en  westelijk  Shantung.  Dan  volgen:  noordelijk 
Shansi ,  noordelijk  Tschili ,  noordelijk  Hunan ,  een  gebied 
in  noordelijk  Honan ,  het  geheele  centrum  van  Sze  chuen , 
noordelijk  Yunnan  en  een  klein  bekken  bij  het  Poyang- 
meer  in  Kiangsi. 

Waar  de  steenkool  aan  de  oppervlakte  van  den  bodem 
voorkomt,  hebben  de  Chineezen  de  brandstof  niet  onge- 
bruikt laten  liggen.  Hunne  onbekendheid  met  de  eerste 
beginselen  van  bergbouw  en  tevens  hun  bijgeloof  hebben 
gemaakt  dat  het  bij  dat  „afkrabben"  —  gelijk  een  tech- 
nicus zich  daarover  tegen  mij  uitliet  —  is  gebleven. 

Eene   reusachtige   anthraciet-bedding   is  die  van  zuid* 


400 

oostelijk  Shansi,  welke  ook  cenigszins  over  de  grenzen 
van  Honan  gaat  Reeds  Von  Richthofen  beweerde,  dat 
men  uit  deze  provincie  alleen  de  wereld  duizenden  van 
jaren  van  steenkolen  zou  kunnen  voorzien. 

Middelen  van  vervoer  voor  het  product  bestaan  er 
evenwel  tot  dusver  niet  in  Shansi.  Aan  de  groeve  kost 
de  ton  anthraciet  ongeveer  dertig  cents  Ned.  Ct. 

Niemand,  die  het  tegenwoordig  verslag  heeft  gelieven 
ter  hand  te  nemen,  zoo  besluit  de  heer  Knobel  zijne 
interessante  mededeelingen ,  zal  wel  verwacht  hebben 
daarin  een  volledig  overzicht  te  vinden  van  al  hetgeen 
op  economisch  terrein  gedurende  een  jaar  in  China  is 
voorgevallen.  Wordt  het  jaarlijks  door  den  consulairen 
ambtenaar  uit  te  brengen  verslag  over  hetgeen  in  zijn 
ressort  is  voorgevallen  in  het  algemeen  opgevat  door  de 
Regeering  als  een  toetssteen  voor  de  wijze,  waarop  de 
betrokken  ambtenaar  de  voorschriften  nakomt,  door  het 
publiek  als  eene  vingerwijzing,  door  den  rechtstreeks 
belanghebbende  als  eene  soort  van  geruststelling,  door 
den  ambtenaar  zclven  als  een  prikkel  om  op  de  hoogte 
te  blijven  van  aangelegenheden,  voor  welke  hij  anders 
wellicht  weinig  of  niets  zou  gevoelen:  voor  China 
gelden  alle  deze  overwegingen  weliswaar  evenzeer, 
doch  op  volledige  behandeling  ook  slechts  van  één  onder- 
werp valt  niet  te  rekenen.  Hier  betreft  het  eene  wereld  op 
zich  zelve,  hier  wordt  de  aandacht  gevraagd  door  eene 
bevolking,  wier  aantal  een  derde  bedraagt  van  alle  be- 
woners onzer  planeet.  Met  opzet  zijn  dan  ook  de  cijfers 
dienaangaande  vermeld  op  de  eerste  bladzijde  van  het 
tegenwoordig  bericht,  en  met  het  doel  den  lezer  niet  te 
vermoeien  noch  door  overgroote  uitvoerigheid,  noch 
door  eene  bloote  opsomming  van  „titels  voor  een  hoofd- 
stuk", worden  hier  een  aantal  onderwerpen  achterwege 
gelaten,    welke   vermelding   zouden   verdienen    in   eene 


401 

« 

compilatie,  als  de  tegenwoordige,  betreffende  elk  ander 
land  ter  wereld. 

Ik  hoop  mij  door  het  bovenstaande  te  vrijwaren  tegen 
elke  eventueele  opmerking  aangaande  leemten  in  het 
tegenwoordig  bericht.  Van  zelf  spreekt,  dat  aan  aan- 
vragen om  inlichtingen  of  nadere  bijzonderheden  over 
elk  onderwerp,  China  betreffende,  zooveel  mogelijk  zal 
worden  voldaan. 

Ten  aanzien  van  mijn  jaarlijksch  bericht  over  1896 
is  evenwel  in  de  pers  ten  onzent  de  opmerking  gemaakt, 
dat  daarin  gemist  werd  een  overzicht  van  hetgeen  er  ge- 
beurd was  ten  opzichte  van  onze  eigene  Nederlandsche 
betrekkingen  met  China. 

Helaas !  in  de  doodenkamer  spreekt  men  niet ,  hoogstens 
wordt  er  gefluisterd;  en  een  minder  gedempte  toon  past 
alleen  op  het  oogenblik  van  hoop  dat  de  oorzaak  der 
stilte  slechts  een  schijndoode  is. 

Tegenover  vierhonderd  millioen  inlanders,  tegenover 
11.000  Europeanen  en  Amerikanen  kunnen  wij  in  China 
hoogstens  honderd  landgenooten  stellen  en  daaronder  is  een 
veertigtal  katholieke  zendelingen,  dat  in  een  economisch  op- 
zicht weinig  of  niet  in  aanmerking  mag  worden  ge- 
bracht. 

In  de  statistieken  der  „Imperial  Maritime  Customs" 
vond  steller  dezes  bij  aankomst  in  China  eenige  „Dutch 
firms"  vermeld.  Het  waren  Chineezen,  gedekt  door  de 
Nederlandsche  vlag,  die  firma's.  Onder  de  ambtenaren 
van  de  „indoor  staff "  der  douanen  was  één  Nederlander ! 
Onze  suikeruitvoer ,  onze  afzet  van  katoenen  goederen, 
onze  immigratie  van  Chineezen  in  Indië  waren  in  vreemde 
handen;  enkele  onzer  zuiver  Nederlandsche  producten 
kropen  nu  en  dan  uit  een  hoekje  van  een  vreemd  schip 
eene  tractaathaven  binnen;  de  in  Holland  gemaakte  sigaar 
b.v.  was  onbekend ;  onze  petroleumagenturen  werden  aan 
buitenlandsche  handelshuizen  opgedragen;  onze  driekleur 
werd  neergehaald  na  eenc  hcrnicuwe  mislukte  poging  om 


402 

een  hrug  te  sieren  tusschen  Insulinde  en  het  Verre  Oosten ; 
onze  technische  krachten  lieten  China  links  liggen  na  er 
tijd  en  geld  te  hebben  verloren ,  en  de  Chinees  had  eene 
flauwe  herinnering  van  „dat  volk  waarmede  men  in 
vroegere  eeuwen  wel  eens  iets  te  doen  had  gehad". 

Dit  alles  is,  in  grove  trekken,  aldus  gebleven  tot  op 
dezen  dag.  Wij  fluisteren  nog  steeds  in  China. 

Maar  het  is  de  innige  overtuiging  van  steller  dezes, 
dat  onze  toon  binnen  eenigen  tijd  iets  minder  gedempt 
zal  kunnen  zijn,  als  wij  willen.  Tot  hu  toe  gaan  wij  in 
China  niet  vooruit  in  verhouding  tot  de  vorderingen  welke 
andere  natiën  er  maken,  doch  neemt  men  de  absolute 
waarheid,  dan  is  er  eenige  verbetering  te  bespeuren. 

Er  zijn  thans  twee  Nederlandsche  firma's  in 
China,  twee  andere  personen  zullen ,  ieder  afzonderlijk , 
zich  er  weldra  vestigen.  Onder  het  schrijven  ontvangt 
berichtgever  een  brief,  blijkens  welken  in  Nederland  eene 
vennootschap  voor  den  afzet  in  China  van  een  speciaal 
artikel  wordt  gevormd ;  in  den  loop  van  1897  zijn  eenige 
Nederlandsche  jongelieden  naar  China  gekomen  —  dank  zij 
de  bemiddeling  van  de  Vereeniging  Het  Buitenland — en 
hebben  er  plaatsing  gevonden ;  in  Korea  ontmoette  steller 
dezes  twee  aldaar  gevestigde  Nederlanders;  een  paar 
landgenooten  werden  bij  de  „  Imperial  Maritime  Customs" 
aangesteld;  af  en  toe  worden  de  tractaathavens  door 
enkele  Nederlanders  bezocht;  men  denkt  in  China  aan 
onze  waterbouwkundigen ,  en  de  afzet  van  Sumatra-petro- 
leum  gaat  goed  vooruit. 

Ofschoon  1897  voor  den  afzet  onzer  katoenen  goederen 
in  China  geen  gunstig  jaar  was,  zoo  mag  toch  gezegd 
worden,  dat  dat  artikel  nog  steeds  in  betrekkelijk  be- 
langrijke hoeveelheden  hierheen  komt.  In  beperkte  mate 
heeft  afzet  plaats  van  de  volgende  artikelen  uit  Nederland : 
sigaren,  likeuren,  kaarsen,  verduurzaamde  levensmid- 
delen, kaas,  gecondenseerde  melk,  cacao,  verven,  spiegels, 
glaswerk,  aardewerk,  bloembollen  en  boter. 


403 

Er  is  dus  eenige  adem  op  den  spiegel  te  bespeuren. 
Doch  de  patiënt  is  van  de  genezing  nog  ver  verwijderd. 

China  is  waard,  dat  het  in  loco  bestudeerd  worde  door 
onze  handelswereld ,  door  onze  technici ,  door  onze  finan- 
ciers, door  onze  nij veren.  Het  is  waard,  dat  men  zich 
opofferingen  getrooste ,  zonder  welke  men  er  in  den  tegen- 
woordigen  tijd  niet  veel  kan  aanvangen,  doch  die  in  het 
eind  het  werk  zullen  kronen.  Het  is  dit  waard,  ook  al 
heeft  de  Chinees  —  gelijk  de  heer  Clement  Allen ,  Britsch 
consul  te  Foochow ,  het  geestig  in  zijn  verslag  over  1896 

heeft   uitgedrukt  —  geniest   en gemerkt ,   door  het 

vallen  van  zijn  hoofd,  dat  dit  niet  meer  vast  op  den 
romp  stond.  Eene  verdeeling  van  dit  ontzaglijke  Rijk 
gaat  niet  zóó  vlug,  althans  in  economischen  zin,  als 
sommigen  beweren. 

Vóór  alles  moet  er  door  ons  gezorgd  worden  voor 
goede  stoomvaartverbinding :  in  de  eerste  plaats  tusschen 
Java  en  het  Verre  Oosten;  de  terminus  dier  lijn  moet 
langzamerhand  zoo  noordelijk  mogelijk  worden  gevestigd, 
want  de  groote  Siberische  spoorweg  en  de  lijnen  in 
China  zelf  hebben  „  feeders  "  noodig ;  in  de  tweede  plaats 
komt  in  aanmerking  eene  goede  verbinding  met  Nederland. 

Voorts  hebben  wij  er  op  te  letten ,  dat  onze  producten 
onder  de  oogen  van  den  Chinees  komen.  Gelijk  reeds 
boven  gezegd,  zoekt  deze  niet  naar  artikelen  welke  op 
de  Europeesche  markt  kunnen  worden  verkocht. 

Dit  laat  hij  aan  den  Europeaan  over.  Hoeveel  te  minder 
koopt  hij  de  westersche  artikelen ,  welke  hem  niet  getoond 
kunnen  worden.  De  heer  Brenan  raadt  monsterkamers 
aan.  Een  ingenieur  te  Shanghai  kon  Sheng  Taotai  geen 
spoorwegbrug,  doch  wel  de  teckeningen  daarvan  aanbieden. 
Toen  Sheng  naar  Peking  ging,  passeerde  bij  een  ijzeren  brug 
over  de  Peiho.  Hij  bestelde  zijne  brug  bij  den  leverancier , 
die  de  Peiho-brug  had  gemaakt.  Illustratiën ,  teekeningen 
laten  den  Chinees ,  die  van  geen  perspectief  weet ,  koud ,  ca- 
talogi ziet  hij  niet  in:  hij  wil  de  waar  zelf ,  net  verpakt  en 

28 


404 

liefst  met  kleuren  die  hem  aanstaan:  geel  en  rood,  op 
het  etiket. 

Een  Amerikaansche  zendeling,  Rev.  Gilbert  Reid,  is 
voornemens  te  Peking  een  „International  Institute"  op 
te  richten,  d.  w.  z  eene  inrichting  tot  beschaving  der 
Chineezen  van  hoogen  stand.  Het  ligt  in  het  plan  om 
onder  de  verschillende  afdeelingen  van  dit  Instituut  er 
eene  te  maken  voor  de  tentoonstelling  van  producten 
van  handel  en  nijverheid  van  alle  landen.  De  onderge- 
teekende  heeft  reeds  het  noodige  verricht,  opdat  Neder- 
land en  zijne  Koloniën  ten  deze  niet  zullen  worden  uit- 
gesloten. Alvorens  over  te  gaan  tot  monsterzendingen 
gelieven  belanghebbenden  ten  onzent  zich  eventueel  te 
wenden  tot  steller  dezes. 

Onze  eigen  waren  vervoeren  onder  Ncderlandsche  vlag , 
hen  toevertrouwen  aan  onze  landgenooten ,  die  hier  thans 
als  ware  pioniers  zijn  gevestigd,  in  persoon  hierheen 
komen ,  dit  geldt  ons  als  motto  ten  aanzien  onzer  werk- 
zaamheid in  China. 

Nemen  wij,  het  voorbeeld  volgende  van  natiën  als 
Duitschland,  België  en  Zweden,  die  niet  in  het  bezit  zijn 
van  een  schitterend  steunpunt  als  Insulinde,  dit  motto 
van  „  self  help "  aan  als  het  onze ,  en  handelen  wij  daar- 
naar, dan  kan  het  eene  waardige  plaats  vinden  naast  het 
aloude  „ende  desespereert  niet". 

Doch,  eindigde  mijn  in  1895  uit  Shanghai  gezonden 
verslagen  met  de  woorden :  „  het  ijzer  is  meer  dan  heet ," 
het  zij  mij  ditmaal  veroorloofd  te  besluiten  met  de  op- 
merking, dat  bekwame  spoed  voor  zaken  in  China  hoe 
langer  hoe  meer  onontbeerlijk  schijnt. 

F.  M.  KNOBEL. 


Stoomvaart-  en  spoorwegverkeer  met  Oost-Azië. 


De  Nieuwe  Rotterdamsche  Courant  bevat  in  haar 
Eerste  Blad  A  van  19  April  jl.  een  belangrijk  opstel 
van  onzen  landgenoot  F.  Corsten  te  Tientsin,  waarin  hij 
wijst  op  de  gewichtige  gevolgen ,  die  de  voltooiing  van 
den  Trans-Siberischen  spoorweg  ook  voor  Nederland  en 
zijne  koloniën  zal  hebben.  Als  Aziatische  mogendheid 
kunnen  wij  niet  onverschillig  blijven  voor  de  wijzigingen , 
welke  het  handelsverkeer  tusschen  Europa  en  Azië  zal 
ondergaan ,  wanneer  de  kust  van  den  Atlantischen  Oceaan 
per  spoor  zal  verbonden  zijn  met  de  kust  van  den 
Grooten  Oceaan. 

Ten  einde  eenigszins  in  het  licht  te  stellen  welk  een 
groote  verbetering,  en  dus  ook  uitbreiding  van  het  ver- 
keer ,  men  mag  verwachten ,  geeft  de  heer  Corsten  eenige 
cijfers  met  betrekking  tot  den  tegenwoordigen  duur  van 
het   overbrengen  der  mails  van  Londen  naar  Shanghai. 

In  1897  kwam  de  Engelsche  mail  te  Shanghai  aan: 

4  maal  binnen  32  dagen. 

6  „ 
6      „ 

5  „ 

6  „ 
De   gemiddelde  duur 

dus   34  dagen.  Daartegenover  staan  de  volgende  gemid- 
delde cijfers  van  vorige  jaren: 


w 

33 

71 

n 

34 

n 

n 

35 

n 

n 

36 

» 

van 

den  overtocht  in  1897  was 

406 


1896  33»/, 

dagen. 

1895  34 

n 

1894  34 

n 

1893  33«/, 

Yi 

1892  341/, 

V 

1891  35 

n 

1890  35 

Y) 

1889  35 

73 

De  Fransche  mail  kwam  te  Shanghai  aan  gedurende  1897: 

1  maal  binnen 

30  dagen. 

3     »           » 

31       „ 

^         „ 

32       „ 

4 

33      „ 

g 

34       „ 

3       y>                » 

35       „ 

*-      n             n 

36       „ 

A              %a                                •« 

37       m 

De  gemiddelde   duur  van  den  overtocht  voor  1897  en 
vorige  jaren  was  als  volgt: 

1897  en  1896  33 V»  dagen 
1895  en  1894  36 
1893  361/,      „ 

1892,  1891  en  1890  36 

1889  361/,      * 

De  Duitsche  mail  arriveerde  in  1897  te  Shanghai: 

3  maal  binnen  33  dagen. 

^      n  n  34         „ 

6     »  »         35       „ 

1     »  »         36       „ 

1     ■  „         37       „ 

Gemiddelde  duur  van  den  overtocht  in: 

1897  en  1896  341/*  dagen 
1895,  1894,  1893,  1892  en  1891  35  „ 

1890  35J/4        n 
1889  34*/4        , 
Uit   de    voorgaande   cijfers   ziet  men  dus,  dat  het  een 


407 

uitzondering  is ,  wanneer  de  mail  uit  Londen  binnen  dertig 
dagen  te  Shanghai  aankomt.  Van  Honkong  naar  Shanghai 
is  ongeveer  drie  dagen  stoomen ,  en  hieruit  volgt  weder , 
dat  de  mail  uit  Londen  26  k  27  dagen  noodig  heeft  om 
Hongkong  te  bereiken.  Van  Shanghai  naar  Yokohama  duurt 
de  reis  ongeveer  zes  dagen ,  en  deze  haven  kan  men  dus 
van  Londen  uit  niet  binnen  36  dagen  bereiken. 

Na  het  voorgaand  overzicht  van  de  reis  naar  Oostelijk 
Azië,  via  het  Suez-Kanaal,  dient  men  nu  na  te  gaan  in 
hoeveel  tijd  de  bovenvermelde  Aziatische  havens  zullen 
kunnen  worden  bereikt  na  voltooiing  van  den  Trans- 
Siberischen  spoorweg.  Hierbij  wordt  aangenomen  dat 
Vladivostock  de  oostelijke  terminus  is,  en  dat  van  de 
spoorweglijn  door  Mantsjoerije  wordt  gebruik  gemaakt. 
Het  is  noodig  dit  te  vermelden ,  omdat  er  na  verloop  van 
tijd  een  kortere  route  zal  worden  aangelegd,  wanneer 
namelijk  Port  Arthur  of  Talienwan  met  de  lijn  door  Mant- 
joerije  zal  zijn  verbonden.  Een  nog  korter  traject  zou 
worden  verkregen  door  den  aanleg  van  de  lijn  Kiachta — 
Peking ,  doch  dit  kan ,  voorloopig  althans ,  buiten  beschou- 
wing blijven.  De  nauwkeurige  lengte  van  het  traject 
Petersburg — Vladivostock  kan  niet  worden  opgegeven, 
omdat  het  tracé  der  lijn  in  Trans-Baikalia  en  Mantsjoerije 
nog  niet  geheel  is  vastgesteld.  Men  neemt  echter  zeker 
een  veel  te  hoog  cijfer  aan,  wanneer  men  dien  afstand 
schat  op  10.000  werst  of  10,660  kilometer.  Op  grond 
van  dit  cijfer  kan  men  zonder  overdrijving  rekenen,  dat 
het  traject  Londen — Vladivostock  door  mailtreinen  in 
10  dagen  zal  worden  afgelegd,  wanneer  namelijk  de  lijn 
sedert  eenigen  tijd  geopend  en  het  vervoer  volkomen 
georganiseerd  zal  zijn.  In  den  beginne  zal  het  wel  eens 
15  k  20  dagen  duren.  Aannemende  dat  men  dus  Vladi- 
vostock in  10  dagen  kan  bereiken,  behoeft  men  nog 
slechts  na  te  gaan  binnen  hoeveel  dagen  men  van  daaruit 
kan  reizen  naar  de  voornaamste  havens  in  het  verre 
Oosten.  Dit  blijkt  uit  de  volgende  opgave ,  waarin  tevens 


408 


de  duur  der  reis  via  het  Suez-kanaal  ter  vergelijking  is 
opgenomen. 


Van  Londen  naar:             Via  Suez. 

Via  Siberië. 

Singapore  .     .     . 

.     .         20 

dagen. 

25  dagen. 

Hongkong  .     .     . 

.     .         26 

r> 

19       » 

Shanghai    .     .     . 

.     .         30 

7) 

15       „ 

Yokohama .    .     . 

.     .         35 

7i 

15       „ 

Manila    .... 

.     .          26 

V 

21       „ 

Haiphong   .     .     . 

.     .          27 

» 

21       „ 

Uit  deze  cijfers  ziet  men  dat  voor  de  meeste  havens 
ten  Oosten  van  Singapore  de  route  via  Siberië  beduidend 
korter  is.  Het  vervoer  van  mails  en  passagiers  zal  dus 
ongetwijfeld  voor  een  groot  deel  den  Trans-Siberischen 
spoorweg  ten  goede  komen.  Doch  dit  zal  niet  alleen  ge- 
schieden wegens  den  korteren  duur  der  reis,  doch  ook  op 
grond  van  de  ongelooflijk  lage  tarieven  der  Russische 
spoorwegen.  Wanneer  men  het  Russische  zone  tarief  toe- 
past op  den  Trans-Siberischen  spoorweg,  dan  zou  een 
biljet  eerste  klasse  van  Petersburg  naar  Vladivostock 
ongeveer  ƒ  125  kosten.  Ai  voegt  men  hieraan  nog  een 
beduidend  bedrag  toe  voor  sleeping  car ,  maaltijden, 
ververschingen ,  enz. ,  dan  toch  blijft  men  nog  ver  beneden 
het  bedrag,  dat  men  voor  passage  met  een  mailstoomer 
via  Suez  zou  moeten  betalen.  Het  verschil  is  zóo  groot, 
dat  het  overbodig  is,  dit  door  cijfers  nader  toe  te 
lichten. 

Alvorens  echter  af  te  stappen  van  het  vervoer  van 
reizigers  en  mails ,  moeten  wij  nog  een  oogenblik  stilstaan 
bij  de  verbinding  van  New- York  met  Oost-Azië.  Van 
New- York  uit  kan  men  onder  de  gunstigste  omstandig- 
heden, via  Vancouver,  naar  Shanghai  reizen  in  25  dagen. 
Van  New- York,  via  Londen  en  Siberië,  naar  Shanghai, 
zou  21  dagen  vorderen.  Hierbij  dient  in  het  oog  te  worden 
gehouden,  dat  er  dagelijks  stoomers  zijn,  die  van  uit 
Vancouver,  San  Francisco  of  Tacoma  naar  Japan  en 
China   vertrekken.    Bovendien   is   er  slechts  éen  enkele 


409 

maatschappij,  namelijk  de  Canadian  Pacific  Railway 
Cotnpany  wier  stoomschepen  het  traject  Vancouver — 
Shanghai,  via  Japan,  in  20  dagen  afleggen.  De  andere 
maatschappijen  nemen  veel  meer  tijd  om  den  Grooten 
Oceaan  over  te  steken. 

De  conclusie  ligt  dus  voor  de  hand,  dat  ook  een  ge- 
deelte der  Amerikaansche  mails  voor  Oost- Azië  via  Siberië 
zullen  worden  verzonden.  Personenverkeer  van  New- York 
via  Siberië  naar  Oost-Azië  is  niet  waarschijnlijk,  omdat 
men  op  dit  traject  dikwijls  van  transportmiddelen  zou 
moeten  veranderen,  en  de  reizigers  dit  te  ongerieflijk 
zouden  achten. 

Mocht  het  mij  gelukt  zijn  in  de  voorgaande  beschou- 
wingen eenigszins  te  hebben  doen  uitkomen ,  welke  wijzi- 
gingen de  Trans-Siberische  spoorweg  zal  teweeg  brengen 
in  het  vervoer  van  mails  en  reizigers,  zoo  gaat  de 
heer  Corsten  voort,  dan  ziet  men  daaruit  tevens,  dat  er 
voor  Nederland  een  groot  voordeel  in  gelegen  is,  wanneer 
het  mocht  gelukken  het  vervoer  van  reizigers  en  mails 
van  New-York  naar  het  Verre  Oosten  via  Holland  te 
leiden.  Het  vervoer  der  mails  is  van  beduidenden  omvang. 
Zoo  de  cijfers,  die  mij  onder  de  oogen  zijn  gekomen, 
juist  zijn,  worden  jaarlijks  van  Engeland  naar  China 
verzonden  ruim  een  half  millioen  kilogram  aan  brieven 
en  ruim  anderhalf  millioen  kilogram  aan  drukwerk,  enz. 
Hierbij  komt  nu  nog  de  mail  voor  Japan  en  later  een 
gedeelte  der  Amerikaansche  mails  voor  het  Verre 
Oosten. 

Heeft  dus  Nederland  er  eenig  belang  bij  de  wijzigingen 
te  overwegen,  die  door  den  Trans-Siberischen  spoorweg 
in  het  wereldverkeer  zullen  worden  gebracht,  toch  is  dit 
in  veel  hoogere  mate  het  geval  met  Nederlandse h- 
Indië.  Dit  zal  blijken  uit  de  volgende  opmerkingen 
aangaande  het  goederenvervoer. 

Van  Shanghai  per  Conference  Lines  werd  in  1897  per 
ton  de  volgende  vracht  betaald: 


410 

Naar  Londen,  Hamburg  en  de  Noordelijke  Europeesche 
havens : 

gemengde  lading 35/0 

zijde 37/6 

thee 40/0 

Naar  Manchester: 

gemengde  lading 47/6 

zijde 50/0 

thee 52/6 

Naar  Koningsbergen  via  Londen: 

gemengde  lading 42/6 

zijde 45/0 

thee 47/6 

Op  deze  vrachten  ontvangen  geregelde  verschepers  een 
reductie  van  tien  percent.  De  voorgaande  cijfers  zijn  niet 
het  gemiddelde  der  vrachtkoersen  voor  1897 ,  doch  kunnen 
als  gewone  raten  worden  aangemerkt.  Men  moet  hierbij 
echter  niet  vergeten,  dat  goederen,  die  voor  export  te 
Shanghai  aankomen ,  dikwijls  reeds  een  zeer  hooge  vracht 
hebben  betaald  aan  kust-  of  rivierstoomers. 

Voor  goederen,  die  in  de  eerste  klasse  worden  gerang- 
schikt, bedragen  deze  kustvrachten  van  Hankow  en 
Tientsin  naar  Shanghai  respectievelijk  13  en  18shillings 
per  ton. 

Met  behulp  van  de  hierboven  vermelde  vrachten  van 
Shanghai  naar  Europa,  vindt  men  nu  dat  gemengde 
lading  van  Tientsin  naar  Koningsbergen  aan  vervoer  kost 
601/*  shilling  per  ton,  terwijl  thee  van  Hankow  naar 
Koningsbergen  een  vracht  van  60  shillings  per  ton  betaalt. 
De  vraag  is  dus  of  de  Trans-Siberische  spoorweg  met 
deze  vrachtprijzen  kan  concurreeren. 

Wanneer  men  als  basis  aanneemt  het  laagste  vrachttarief 
der  Amerikaansche  spoorwegen,  dan  zou  de  vracht  van 
Vladivostock  naar  Koningsbergen  ongeveer  50  shillings 
bedragen.  Wanneer  dus  goederen  uit  China  of  Japan, 
bestemd    voor   Europa    te   Vladivostock  kunnen  worden 


411 

gelost  met  niet  veel  meer  dan  10  shillings  kustvracht 
te  hunnen  laste,  dan  kunnen  die  goederen  via  Siberië 
worden  vervoerd  tot  aan  de  westelijke  grenzen  van 
Europeesch  Rusland,  even  goedkoop  als  per  stoomer 
via  het  Suez- kanaal.  Hieruit  volgt  reeds,  dat  bijna  alle 
artikelen  die  Rusland  uit  Oost-Azië  betrekt,  hun  weg 
zullen  nemen  via  Vladivostock.  Daarbij  komt  nog,  dat 
de  immigratie  in  Siberië  met  reuzenschreden  vooruitgaat, 
en  dat  de  ontwikkeling  van  de  landstreken  door  den 
grooten  spoorweg  doorsneden,  er  veel  toe  zal  bijdragen 
om  de  koopkracht  dier  sterk  toenemende  bevolking  be- 
duidend te  vermeerderen.  Voor  onze  koloniale  producten 
zullen  Siberië  en  Rusland  dus  binnen  korten  tijd  een 
goed  afzetgebied  vormen,  dat  wij  via  Vladivostock  zullen 
moeten  bereiken. 

Intusschen  mag  men  op  grond  der  laatste  politieke  ge- 
beurtenissen in  Oost-Azië  ook  verwachten,  dat  China  in 
meerdere  mate  voor  den  buitenlandschen  handel  zal  worden 
opengesteld.  Onder  deze  omstandigheden  is  het  in  ons 
belang  opnieuw  de  oprichting  van  een  stoomvaartlijn  van 
Java  naar  China  en  Japan  en  van  daar  naar  Vladivostock 
in  overweging  te  nemen.  De  Trans-Siberische  spoorweg 
heeft  behoefte  aan  stoomvaatlijnen  als  f  ceders ,  en  aan- 
gezien het  in  het  belang  van  Rusland  is ,  het  vervoer  van 
Oost-Azië  naar  Europa  voor  zoover  doenlijk  over  Vladi- 
vostock te  leiden ,  mogen  wij  voor  een  eventueele  stoom- 
vaartlijn zeker  wel  eenige  medewerking  van  Russische  zijde 
verwachten.  Aangezien  de  Trans-Siberische  spoorweg 
bezwaarlijk  vóór  het  jaar  1902  voor  het  vervoer  kan 
worden  opengesteld,  is  er  voldoende  tijd  beschikbaar  om 
de  oprichting  van  een  stoomvaartlijn  onder  Nederlandsche 
vlag  voor  te  bereiden. 

Hierbij  dient  te  worden  in  het  oog  gehouden,  dat  de 
lijn  een  groot  deel  van  haar  inkomsten  zal  moeten  ver- 
krijgen door  het  vervoer  van  passagiers  en  goederen 
van   China   naar   Vladivostock  en  vice- versa,  en  tevens 


412 

door  het  vervoer  tusschen  de  voornaamste  Chineesche 
havens  onderling.  Een  nader  onderzoek  zal  wellicht  ook 
de  wenschelijkheid  aantoonen  om  althans  gedurende  een 
gedeelte  van  het  jaar  Saigon  aan  te  doen,  met  het  oog 
op  de  beduidende  verschepingen  van  rijst  uit  die  haven 
naar  Java. 

Doch  het  licht  niet  in  mijn  bedoeling  in  détails  te 
treden  aangaande  de  richting  van  de  lijn  en  de  havens, 
die  mochten  worden  aangedaan.  Naar  ik  vermoed ,  is  het 
voldoende  opnieuw  de  aandacht  te  vestigen  op  de  wen- 
schelijkheid van  het  tot  stand  komen  der  hedoelde  stoom- 
vaaart verbinding.  Het  fiasco,  dat  wij  in  1896  hebben 
gemaakt  met  onze  Java—China — Japanlijn,  kan  ons  nog 
ten  goede  komen,  wanneer  wij  ons  de  opgedane  onder- 
vinding ten  nutte  weten  te  maken. 

In  de  eerste  plaats  blijkt  dan  de  wenschelijkheid  om 
aan  een  eventueele  lijn  van  Java  naar  China ,  Japan ,  enz. 
een  regeeringssubsidie  te  verleenen.  Gaat  men  na ,  welke 
groote  sommen  er  jaarlijks ,  zoowel  in  Nederland  als  in 
Nederlandsch-Indië ,  worden  besteed  tot  onderhoud,  ver- 
betering en  uitbreiding  der  binnenlandschc  verkeersmid- 
delen ,  dan  is  het  opvallend  hoe  weinig  wordt  uitgegeven 
tot  verbetering  der  verkeersmiddelen  met  het  buitenland , 
en  toch  zijn  vooral  deze  laatste  het  gemakkelijkst  dienst- 
baar te  maken  aan  de  uitbreiding  onzer  handelsbetrek- 
kingen in  vreemde  landen. 

Men  kan  bezwaarlijk  beweren,  dat  de  toestand  van 
handel ,  nijverheid  en  landbouw  in  Nederlandsch-Indië  zóo 
rooskleurig  is,  dat  men  niet  behoeft  om  te  zien  naar 
middelen  om  daarin  verbetering  te  brengen.  Hiertoe  dient 
men  echter  de,  onze  koloniën  omringende  markten  te 
bestudeeren,  en  moet  mën  zich  nauwkeurig  rekenschap 
geven  van  de  groote  veranderingen,  die  thans,  zoowel 
op  politiek  als  op  oeconomisch  gebied,  in  Oost- Azië  plaats 
grijpen. 

De   heer   Corsten   vreest  dat  men  in  Nederland  en  in 


413 

Nederlandsch-Indië  te  weinig  aandacht  wijdt  aan  hetgeen 
in  dit  gedeelte  der  wereld  omgaat.  Om  te  bewijzen  welke 
activiteit  door  andere  natiën  aan  den  dag  wordt  gelegd, 
voert  hij  het  volgende  aan: 

Van  Russische  zijde  is  in  overweging  een  stoomvaart- 
lijn  met  16  stoomschepen  ter  verbinding  van  Chineesche 
en  Japansche  havens  met  Vladivostock.  Deze  lijn  zal 
een  belangrijk  subsidie  ontvangen. 

Van  Fransche  zijde  is  in  overweging  een  lrjn  der 
Messageries  Maritimes  van  Vladivostock  naar  Shanghai 
in  aansluiting  met  de  hoofdlijn  dezer  maatschappij  van 
Marseille  naar  Japan.  Het  aantal  stoomschepen  thans 
varende  onder  Fransche  vlag  tusschen  Hongkong  en 
Tonkin,  zal  binnenkort  met  3  worden  vermeerderd. 

Duitschland  blijft  niet  achter.  Van  het  begin  van 
Februari  af  heeft  de  Hamburg- Amerikanische  Paquetfahrt 
Actiën  Gesellschaft  een  maandelijkschen  dienst  op  China 
geopend.  Voor  dezen  dienst  zijn  bestemd  6  stoomschepen , 
elk  van  ongeveer  8000  ton  laadvermogen. 

Denemarken,  dat  niet  evenals  Nederland  belangrijke 
koloniën  in  Azië  heeft,  schijnt  toch  overtuigd  van  de 
voordeden  van  een  eigen  stoomvaartlijn.  In  het  begin 
van  dit  jaar  vertrok  het  eerste  stoomschip  van  de,  ten 
vorigen  jare  te  Kopenhagen  opgerichte,  Aktieselskabet 
Det  Ostasiatiske  Kompagni  naar  China  en  Japan. 

Naar  de  heer  Corsten  verneemt ,  zal  deze  eerste  stoomer 
op  de  terugreis  Rotterdam  aandoen. 

In  aansluiting  met  deze  lijn  zal  een  geregelde  dienst 
met  kuststoomers  onder  Deensche  vlag  worden  ingericht 
tusschen  Bangkok  en  Singapore. 

Japan,  dat  reeds  eigen  stoomvaartlijnen  heeft  naar 
Europa  en  Amerika,  naar  Noord-  en  Zuid-China,  Korea 
en  Vladivostock ,  gaat  voort  met  uitbreiding.  In  de  maand 
Januari  van  dit  jaar  werd  door  de  Osaka  Shosen  Kaisha 
een  nieuwe  stoomvaartlijn  geopend  tusschen  Shanghai  en 
de  Yangtse  havens.  De  maatschappij  ontvangt  voor  deze 


414 

lijn  een  subsidie  van  150,000  yen  per  jaar,  doch  heeft 
sedert  haar  oprichting  zulke  goede  zaken  gemaakt,  dat 
het  subsidie  misschien  spoedig  overbodig  zal  blijken. 
Japan  betaalt  aan  de  Nippon  Yusen  Kaisha  voor  het 
onderhouden  van  haar  verschillende  lijnen  een  subsidie 
van  ongeveer  3l/a  millioen  yen  per  jaar. 

Van  Chineesche  zijde  bestaat  het  voornemen  om  een  lijn 
naar  Europa  te  ondernemen  met  stoomschepen  van  de 
China  Merchants  Steam  Navigation  Company.  Reeds 
sedert  geruimen  tijd  zijn  in  overweging  genomen  twee 
Chineesche  stoomvaartlijnen  ter  eventueele  verbinding  van 
de  Chineesche  havens  met  Vladivostock  en  een  andere 
lijn  van  China  naar  Saigon,  Singapore,  Java  en  andere 
zuidelijke  havens.  In  hoeverre  die  Chineesche  plannen 
tot  uitvoering  zullen  komen,  zal  de  toekomst  moeten 
leeren. 

Eindelijk  valt  nog  te  vermelden  Zweden  en  Noorwegen. 
De  tonnenmaat  der  in  China  in-  en  uitgeklaarde  schepen 
neemt  voortdurend  toe.  Voor  Zweden  en  Noorwegen  vindt 
men  in  de  statistieken  der  Chineesche  douane,  als  in- 
en  uitgeklaard  in  1894:  471  schepen,  metende  288,051 
ton;  in  1895:  595  schepen,  metende  429,485  ton,  en  in 
1896:  1126  schepen,  metende  870,173  ton. 

Naar  het  mij  voorkomt ,  behoeft  hieraan  niets  meer  te 
worden  toegevoegd ,  dan  dat  tegenover  dien  alom  te  con- 
stateeren  vooruitgang,  zelfs  van  landen,  zooals  Dene- 
marken en  Zweden  en  Noorwegen,  Nederland  als  bedui- 
dende koloniale  mogendheid  slechts  kan  wijzen  op  het 
treurige  fiasco  der  Java— China— Japan  lijn  in  1896.  Al 
is  men  ook  verplicht  hulde  te  brengen  aan  hen,  die  met 
vaderlandslievende  bedoelingen  het  kapitaal  voor  deze 
lijn  bijeenbrachten,  toch  moet  men  met  leedwezen  erken- 
nen, dat  wij  voor  de  zooveelste  maal  een  treurig  figuur 
hebben  gemaakt.  Men  kan  niet  eens  ter  verontschuldiging 
aanvoeren,  dat  in  China  geen  vraag  is  naar  onze  koloniale 
producten.  Ten  bewijze  hiervan  kunnen  de  volgende  cijfers , 


415 

betreffende    den    invoer    in    de    jaren    1895    en    1896, 

strekken : 

Benaming.  1895  1896 

Tin 2,169,835  2,357,212 

Specerijen 564,159  614,773 

Petroleum 6,615,297  9,083,321 

Rottan 450,748  452,008 

Sandelhout 607,014  1,209,438 

Suiker,  ruwe 3,691,776  3,912,805 

Timmerhout 1,224,616  1,182,494 


Totaal  HK.  Taels  15,323,445  18,812,051 
De  waarde  van  den  Hai-Kwan-tael  is  op  het  oogenblik 
ongeveer  ƒ  1.65  k  f  1.75.  Het  is  niet  alleen  aan  de  groote 
bedragen,  dat  men  waarde  moet  hechten,  maar  vooral 
aan  het  voortdurende  toenemen  van  den  invoer ,  die  zelfs 
bij  de  vergelijking  van  twee  achtereenvolgende  jaren  zoo 
zeer  in  het  oog  valt.  Bovendien  vergete  men  niet,  dat 
tal  van  artikelen  uit  onze  koloniën  hierboven  niet  zijn 
vermeld,  zooals  b.  v.  koffie,  betelnoten,  vogelnestjes, 
kinine,  enz.  enz.  Ook  sluiten  de  voor  suiker  vermelde 
bedragen  niet  in  de  zoo  belangrijke  uitvoeren  van  Java 
naar  Hongkong. 

Men  moet  dus  wel  erkennen ,  dat  andere  natiën ,  kleiner 
dan  Nederland  en  in  veel  ongunstiger  omstandigheden 
verkeerend,  wat  den  handel  in  Azië  betreft,  ons  de  loef 
afsteken.  Dit  is  eerstens  toe  te  schrijven  aan  meerdere 
belangstelling  in  buitenlandsche  handelsaangelegenheden 
dan  men  over  het  algemeen  in  Nederland  waarneemt, en 
ten  tweede  aan  de  afwezigheid  van  enkele  verkeerde 
handelsbegrippen ,  die  sommige  personen  in  ons  vaderland 
er  op  na  houden.  Zoo  werd  mij  onlangs  door  een  mijner 
vrienden  uitgelegd,  dat  het  toch  geen  verschil  maakt  of 
de  verkoop  van  Indische  petroleum  in  China  werd  opge- 
dragen aan  Nederlanders  of  aan  vreemdelingen,  zoo- 
lang  de   maatschappijen   maar   goede  winsten  maakten. 


416 

Dat  petroleum  met  evenveel  succes  door  Nederlanders 
kan  worden  verkocht  als  door  vreemdelingen ,  wordt  niet 
genoeg  ingezien,  en  dat  de  petroleum  het  aangewezen 
middel  is  om  de  vestiging  van  Nederlanders  in  de  meeste 
havens  van  Zuid-  en  Oost- Azië  mogelijk  te  maken ,  wordt 
te  weinig  overwogen  Dat  die  Nederlanders  tal  van  andere 
Nederlandsche  en  koloniale  artikelen  zouden  trachten  te 
verkoopen  en  dus  onzen  handel  zeer  zouden  bevorderen , 
gaat  nog  altijd  het  begrip  van  enkele  Nederlandsche 
handelsgeleerden  te  boven.  Het  is  daarom  noodig  bij  her- 
haling hierop  te  wijzen. 

Wellicht  zal  het  voorgaande  er  toch  nog  in  eenige 
mate  toe  bijdragen  in  Nederland  wat  meer  de  aandacht 
te  vestigen  op  de  groote  veranderingen ,  die  thans  elkander 
zoo  snel  opvolgen  in  het  Verre  Oosten ,  en  waarbij  onze 
belangen  zoo  zeer  zijn  betrokken. 

Sedert  eenige  dagen  wordt  nu  weder  een  besluit  der 
Chineesche  Regeering  tegemoet  gezien ,  waarbij  het  stoom- 
vaartverkeer  op  alle  binnenlandsche  wateren  van  China 
zal  worden  opengesteld ,  zoowel  voor  Chineesche  als  voor 
vreemde  schepen.  Mocht  dit  besluit  werkelijk  worden  uit- 
gevaardigd, dan  zal  het  handelsverkeer  binnen  eenigen 
tijd  een  zeer  groote  vlucht  nemen.  Het  beteekent  feitelijk 
niet  veel  minder  dan  het  openstellen  van  een  half  wereld- 
deel voor  den  buitenlandschen  handel. 

Het  wordt  dus  hoog  tijd ,  dat  wij  maatregelen  beramen , 
die  zoowel  onzen  handel  als  dien  onzer  koloniën  kunnen 
bevorderen.  Wanneer  niet  met  overhaasting  wordt  te  werk 
gegaan ,  maar  door  bevoegde  personen  nauwkeurig  wordt 
overlegd ,  wat  gedaan  moet  worden ,  dan  zal  zeker  op  dat 
programma  ook  een  flink  gesubsidieerde  stoomvaartlijn 
van  Java  naar  China,  Japan,  enz.,  voorkomen. 

Voor  de  ontwikkeling  van  den  handel  onzer  koloniën 
met  omliggende  landen  is  nog  zoo  weinig  gedaan,  dat 
verbetering  in  dit  opzicht  dringend  noodig  is.  Zoodra 
men  echter  spreekt  van  verbeteringen  op  handelsgebied , 


417 

is  spoedig  deze  of  gene  bereid  om,  met  behulp  van 
talrijke  retrospectieve  beschouwingen ,  aan  te  toonen ,  dat 
verbetering  van  den  bestaanden  toestand  reeds  is  beproefd 
en  onmogelijk  gebleken.  De  retrospectieve  beschouwingen 
stichten  echter  weinig  nut ,  vooral  als  zij  het  bewijs  leveren 
van  een  beduidende  afwezigheid  van  kennis  aangaande 
zaken  van  meerdere  actualiteit.  Een  blik  in  het  verleden 
moet  zich  beperken  tot  hetgeen  noodig  is  om  het  heden 
volkomen  te  begrijpen.  Wil  men  in  handelszaken  niet 
voortdurend  achter  het  net  visschen,  dan  dient  men  de 
gebeurtenissen  van  den  dag  nauwkeurig  te  volgen ,  want 
daaruit  moet  worden  afgeleid,  welke  maatregelen  zijn  aan 
te  bevelen  tot  uitbreiding  van  handelsbetrekkingen  in  de 
toekomst. 

In  het  belang  van  den  handel  van  moederland  en 
koloniën  verdienen  daarom  de  tegenwoordige  gebeurte- 
nissen in  Oost-Azië  onze  volle  aandacht. 


VARIA. 


De   waarheid   in   zake   de   Lombok- 
telegrammen. 

Na  de  opzienbarende  mededeeling  van  mr.  P.  Brooshooft 
in  De  Locomotief  (zie  de  vorige  aflevering  van  dit  tijd- 
schrift) over  de  Lombok-telegrammen  van  generaal  Vetter , 
is  nu  de  redacteur  van  het  weekblad  Imulinde,  de  heer 
R.  A.  van  Sandick,  met  zijne  lezing  van  het  geval 
gekomen. 

Hij  schrijft  in  no.  17  van  zijn  blad: 

„Op  den  voorgrond  stellen  wij,  dat  wij  de  goede 
trouw  van  den  sympathieken  redacteur  van  De  Locomotief 
boven  twijfel  stellen.  Evenzoo  nemen  wij  op  zijn  gezag 
gaarne  aan,  dat  het  telegram,  door  hem  afgedrukt, 
inderdaad  door  generaal  Vetter  uit  Lombok  verzonden  is. 

„Maar  als  een  paal  boven  water  staat,  dat  er  dan 
nog  een  ander  voorafgaand  telegram  geweest 
is:  het  eerste  telegram  door  den  Gouverneur-generaal 
van  generaal  Vetter  ontvangen  in  den  morgen  van  den 
28sten  Augustus  en  door  Z.Exc.  het  eerst  gelezen  aan 
het  station  te  Weltevreden,  toen  hij  uit  den  trein  stapte, 
komende  van  Buitenzorg,  was  veel  hopeloozer  dan  het 
door  mr.  P.  Brooshooft  gepubliceerde  telegram.  In  dat 
laatste  toch  wordt  T  betwijfeld "  of  offensief  optreden 
tegen    Mataram   en   Tjakra   mogelijk  is,   zelfs  met  een 


419 

versch  bataljon ,  en  er  wordt  alleen  gezegd  dat  „  de 
expeditie  opnieuw  moet  worden  georganiseerd  en  uitge- 
rust en  van  veel  artillerie  worden  voorzien". 

„Het  door  ons  bedoelde  telegram  van  generaal  Vetter 
kwam  echter  daarop  neer,  dat  de  expeditie  naar  Java 
moest  terugkeeren  en  in  een  volgend  seizoen  op- 
nieuw georganiseerd  worden.  Wel  degel  ij  k  — 
wij  zijn  verplicht  om  het  vol  te  houden  —  wilde  gene- 
raal Vetter  dus  Ampcnan  verlaten. 

„De  Gouverneur- generaal  heeft  toen  persoonlijk  een 
rol  gespeeld,  die  een  bewijs  is  welk  een  buitengewone, 
krachtige,  energieke  persoonlijkheid  in  Indië  het  bewind 
voert.  Hij  decideerde  onmiddellijk,  dat  wij  te  Lombok 
zouden  blijven,  tegen  het  advies  van  Vetter.  Hij 
ontbood  den  legercommandant,  Gey  van  Pittius,  die  zich 
onmiddellijk  bereid  verklaarde  het  commando  te  Lombok 
op  zich  te  nemen.  De  Gouverneur-generaal  vroeg  hem, 
of  hij  dadelijk  versche  troepen  naar  Lombok  kon  zenden. 
De  legercommandant  antwoordde:  „ja,  mits  de  gouver- 
neur van  Atjeh  er  voor  durft  in  te  staan,  dat  hij  geen 
nieuwe  troepen  noodig  zal  hebben". 

„Toen  werd  getelegrafeerd  aan  generaal  Deijkerhoff; 
en  op  zijn  antwoord,  dat  hij  daarvoor  wel  durfde  in  te 
staan,  werden  onmiddellijk  telegrafisch  de  noodige  troepen 
gemobiliseerd  voor  Lombok. 

„Den  legercommandant  wilde  de  Gouverneur-generaal 
echter  op  Batavia  houden  en  niet  naar  Lombok  zenden, 
omdat  hij  van  Batavia  uit  daar  beter  de  te  nemen  maat- 
regelen kon  dirigeeren. 

„Dienzelfden  dag  belegde  de  Gouverneur-generaal  den 
Raad  van  Indië.  Hij  opende  den  Raad  met  de  mededeeling 
dat  hij  den  Raad  bijeengeroepen  had  ter  bespreking  van 
de  maatregelen ,  die  onmiddellijk  te  nemen  zouden  zijn  als 
gevolg  van  dit  zijn  vast  besluit:  „ik  blijf  op  Lombok". 

„Hij  deelde  verder  mede,  dat  het  hem  beter  voor- 
kwam  dat   de  legercommandant  te  Batavia  was  dan  op 

29 


420 

Lombok ;  dat  een  vervanging ,  ontheffing  of  afzetting  van 
generaal  Vetter  hem  in  alle  opzichten  ongewenscht  voor- 
kwam, omdat  de  generaal  alles  verloren  had  en  niets 
meer  te  verliezen  had ,  doch alles  te  winnen  had. 

„Daarbij  legde  zich  de  Raad  neer.  In  dien  zin  werd 
aan  generaal  Vetter  getelegrafeerd:  dat  hij  te  blijven 
had,  en  dat  hem  belangrijke  versterkingen 
zouden   worden   gezonden. 

„De  uitslag  heeft  den  Gouverneur-generaal  Van  der 
Wijck  in  't  gelijk  gesteld.  Hij  heeft  —  laten  wij  er  nog 
dit  bijvoegen  —  gehandeld  op  eigen  verantwoorde- 
lijkheid zonder  advies  af  te  wachten  uit  Nederland. 

„Hij  heeft  den  Minister  gelukkigerwijs  gesteld  voor 
een  fait  accompli. 

„  Generaal  Vetter  heeft  gehandeld ,  zooals  Van  der  Wijck 
verwachtte.  Hij  heeft  zijn  vreeslijk  échec  schitterend  ge- 
wroken. Eere  aan  den  opperlandvoogd ,  die  hem  daartoe 
de  gelegenheid  heeft  verschaft! 

„  Slechts  eenmaal  nog  heeft  Van  der  Wijck  ingegrepen, 
't  Was  na  de  inneming  van  Mataram. 

„Generaal  Vetter  vreesde  toen,  met  het  oog  op  het 
dreigende  regenseizoen,  dat  het  te  laat  zou  zijn  om 
offensief  op  te  treden  tegen  Tjakra  Negara,  en  hij  stelde 
daarom  voor  tot  het  volgende  seizoen  te  wachten. 

„Toen  heeft  Van  der  Wijck  het  offensief  optreden 
tegen  Tjakra  Negara  gelast,  en  de  bloedige  inneming 
van  dat  laatste  brandpunt  van  opstand  en  verzet  heeft 
een  overwelkbare  lauwer  gevlochten  om  het  hoofd  van 
den  aanvoerder:  generaal  Vetter. 

„Niet  alzoo  om  dien  verdienstelijken  opperofficier 
omlaag  te  halen  deelen  wij  hier  de  waarheid  mede ,  maar 
om  uit  de  schaduw  in  het  volle  licht  te  plaatsen  de  per- 
soonlijke verdiensten  van  den  Gouverneur  generaal,  aan 
wiens  energieke,  snelle  beslissing,  toen  menigeen  te 
Batavia  „den  kop  kwijt  was",  het  te  danken  is,  dat 
deze   hoogst   gevaarlijke  tijd  voor  onze  heerschappij  in 


421 

Indic  geëindigd  is  met  een  volslagen  verdelging  en  ver- 
nedering van  den  opgestanen  vazalstaat.  In  plaats  van 
kwaad  heeft  de  Lombok-expeditie  ten  slotte  goed  gewerkt 
voor  ons  prestige  in  Indië.  Dat  heeft  ons  dapper  leger, 
aangevoerd  door  generaal  Vetter,  verricht;  maar  den 
Gouverneur-generaal  de  verdienste  dat  leger  en  dien 
aanvoerder  in  die  richting  gestuurd  te  hebben." 

Naar  aanleiding  van  dit  stuk  heeft  generaal  Vetter 
eindelijk  het  stilzwijgen  verbroken.  De  Amsterdatnsche 
Courant  publiceert  in  hadr  nummer  van  1  en  2  Mei  jl. 
het  volgend  schrijven  van  zijne  hand ,  dat  de  mededeeling 
van  den  heer  Van  Sandick  zeer  bepaald  logenstraft: 

Geachte  Redacteur! 

In  het  weekblad  Insulinde ,  van  Dinsdag  26  April  jl., 
komt  een  artikel  voor  van  v.  S.:  De  waarheid  over  de 
Lombok-telegrammen. 

Daarin  zegt  de  schrijver,  dat  hij  op  gezag  van  den 
heer  mr.  P,  Brooshooft,  redacteur  van  De  Locomotief, 
gaarne  aanneemt,  dat  het  door  hem  afgedrukte  telegram 
inderdaad  door  mij  uit  Lombok  verzonden  is. 

„Maar",  zegt  de  schrijver  van  genoemd  artikel,  „als 
een  paal  boven  water  staat  dat  er  dan  nog  een  ander 
voorafgaand  telegram  geweest  is ... ." 

De  inhoud  van  dit  laatste  telegram  zou,  volgens 
schrijver,  daarop  neerkomen  dat  de  expeditie  naar  Java 
moest  terugkeeren  en  in  een  volgend  seizoen  opnieuw 
georganiseerd  worden. 

Naar  aanleiding  van  deze  onderstelling  verklaart  de 
ondergeteekende  dat  zoodanig  telegram  niet  door  hem 
verzonden  is,  zijnde  het  door  mr.  P.  Brooshooft  in  De 
Locomotief  gepubliceerde  *)  het  eerste  en  eenige  telegram, 

°)  Ik  tcckcn  hierbij  aan,  dat  ik  aan  die  publiceering  geheel  vreemd 
ben  en  tot  op  heden  noch  mr.  P  Brooshooft,  noch  een  redacteur  van 
ecnig  ander  blad,  rechtstreeks  of  zijdelings,  eenigerlei  inlichting  of 
gegevens  betreffende  de  Lombok-expeditie  heb  verstrekt. 


422 

dat  door  hem  op  den  27en  Augustus  1894  van  Ampenan 
is  afgezonden. 

Verder  komt  in  bovengenoemd  artikel  van  het  week- 
blad Insulinde  nog  voor ,  dat  na  de  inneming  van  Mataram , 
met  het  oog  op  het  dreigende  regenseizoen,  door  mij 
gevreesd  werd  dat  het  te  laat  zou  zijn  om  offensief  op 
te  treden  tegen  Tjakra  Negara  en  daarom  door  mij  zou 
zijn  voorgesteld  tot  het  volgend  seizoen  te  wachten. 

In  de  maand  October  1894  liet  zich  te  Lombok  inder- 
daad het  weer  ongunstig  aanzien  Ik  ontveinsde  mij  dan 
ook  niet,  dat  de  regens  en  de  branding  op  de  kust, 
indien  zij  aanhielden ,  een  beletsel  zouden  kunnen  worden 
om  de  offensieve  operatiën  voort  te  zetten  en  ons  zouden 
kunnen  noodzaken  op  Lombok  te  overwinteren. 

Feitelijk  werden  in  die  maand  de  offensieve  bewegingen 
reeds  belemmerd  en  moesten  maatregelen  genomen  worden, 
die  ten  doel  hadden,  ons  op  den  regenmoesson  voor  te 
bereiden ;  daarbij  steeds  het  doel :  den  aanval  op  Tjakra 
Negara,  in  't  oog  houdende. 

Van  een  en  ander  werd  de  Regeering  niet  onkundig 
gelaten. 

Zoodra  echter  in  de  maand  November  het  weer  zich 
gunstiger  liet  aanzien ,  werd  door  mij  het  initiatief  ge- 
nomen tot  den  aanval  op  Tjakra  Negara. 

Noch  van  de  Regeering,  noch  van  het  Legerbestuur is 
door  mij  last  ontvangen  tot  bedoelden  aanval,  evenmin 
als  eenige  andere  last  op  de  operatiën  betrekking  hebbende. 

De  Gouverneur-generaal  liet  mij  daarin  volkomen  vrij , 
mij  voortdurend  zijn  volle  vertrouwen  schenkende. 

Met  de  plaatsing  in  uw  blad  van  het  bovenstaande, 
zult  u  ten  zeerste  verplichten 

Den  gewezen  opperbevelhebber  der  Lombok-expeditie , 

VETTER, 
gep.  luitenant-generaal. 

's  Gravenhage ,  29  April  1898. 


423 

lnsiilinde,  in  zijn  nummer  van  3  Mei  dit  schrijven 
overnemende ,  teekent  er  het  volgende  bij  aan : 

„  Dewijl  generaal  Vetter  tot  dusverre ,  hoe  dikwijls  ook 
de  Lombokzaak  ter  sprake  kwam,  en  hoe  vinnig  zijn 
beleid  ook  werd  gehekeld ,  zich  nooit  genoopt  heeft  ge- 
voeld tot  eenige  uitlating,  schrijven  wij  dezen  ommekeer 
in  zijn  houding  daaraan  toe ,  dat  hij  terecht  van  ons  stuk 
den  indruk  gekregen  heeft  dat  het  ons  alleen  te  doen 
was  om  de  zaken ,  niet  om  de  personen,  en  om  de  waar- 
heid te  dienen. 

„Wij  zijn  hem  voor  zijn  antwoord  dan  ook  zeer  dank- 
baar, maar  wij  mogen  niet  verhelen  dat  wij  echter  niet 
geheel  voldaan  zijn.  Het  spreekt  van  zelf  dat  een  ernstig 
publicist  niet  de  pen  opvat  alvorens  zich  zoo  goed 
mogelijk  bij  vertrouwde  bronnen  te  vergewissen  van  de 
juistheid  der  door  hem  te  relateeren  feiten.  Zoo  hebben 
ook  wij  gedaan  en  ons  niet  tot  schrijven  neergezet,  al- 
vorens zeer  geloofwaardige  personen  te  raadplegen,  die 
de  geheele  Lombok-geschiedenis  mede  hebben  doorgemaakt 
en  wier  toenmalige  ambtelijke  betrekking  ons  een  waar- 
borg opleverde  voor  de  juistheid  hunner  inlichtingen. 

„Die  waarborg  van  juistheid  is  voor  ons  zóó  sterk, 
dat  we  hem  tegen  ieder  zouden  volhouden.  En  alleen  de 
sobere,  stellige  verklaring  van  den  opperoffleier ,  die  het 
telegram  afzond ,  het  woord  van  een  man  van  eer ,  noopt 
ons  thans  ons  bij  zijn  verzekering  neer  te  leggen. 

„De  tekst  van  het  door  mr.  Brooshooft  gepubliceerde 
telegram,  waarvan  generaal  Vetter  de  juistheid  feitelijk 
bevestigt,  zij  dus  nu  het  uitgangspunt  van  onze  rede- 
neering. 

„  Daarbij  worde  niet  uit  het  oog  verloren,  dat  het  debat 
altijd  geloopen  heeft  over  de  vraag:  of  het  al  of  niet 
waar  is  dat  generaal  Vetter  Lombok  heeft  willen  ver- 
laten na  de  bekende  catastrophe ;  en  zoo  ja,  of  het  dan 
niet   de   Gouverneur-generaal   is   geweest,  die  hem  ge- 


424 

dwongen  heeft  te  blijven.  Hierover  liep  het  debat  —  wij 
herhalen  het  nog  eens  — ,  en  de  den  generaal  Vetter  minder 
goed  gezinden  antwoordden  bevestigend ,  ten  einde  daaruit 
af  te  leiden  dat  dien  oppcrofficier  de  moed  in  de  schoenen 
gezonken  was  en  hem  dit  te  verwijten. 

Wij  komen  nu  al  dadelijk  tegen  die  conclusie  op. 
Niemand,  die  in  dergelijke  omstandigheden  nooit  verkeerd 
heeft,  kan  het  een  veldoverstc  euvel  duiden ,  dat  hij  onder 
zulke  vreeselijke  omstandigheden,  onmiddellijk  na  een 
zoodanige  nederlaag,  een  oogenblik  het  spoor  bijster  is 
geweest.  Niemand,  die  het  verder  beleid  van  generaal 
Vetter  gevolgd  heeft,  zal  bovendien  durven  volhouden 
dat  hij,  indien  hem  eenige  dagen  rust  gelaten  was,  niet 
tot  dezelfde  conclusie  als  de  Gouverneur-generaal  zou 
zijn  gekomen.  Te  waardeeren  valt  het  slechts,  dat  hij 
onmiddellijk  de  waarheid  onverbloemd  heeft  geseind. 

„Dat  punt  in  debat  was  eigenlijk  beslist  door  het  ge- 
publiceerde en  door  generaal  Vetter  thans  erkende  tele- 
gram. Want  leest  men  de  slotwoorden  van  dat  telegram 
goed  en  in  onderling  verband,  let  men  op  de  tegenstel- 
ling tusschen  de  mededeeling  dat  naar  's  generaals  oor- 
deel te  betwijfelen  was,  of  een  offensief  optreden  met  de 
aanwezige  troepenmacht  resultaat  zoude  hebben ,  al  werd 
daaraan  ook  een  versch  bataljon  toegevoegd,  en  het  advies 
aan  het  slot  om  opnieuiv  de  expeditie  te  organiseeren  en 
uit  te  rusten,  dan  zal  daaruit  niets  anders  te  lezen  zijn, 
dan  dat  de  generaal  betwijfelde  te  zullen  slagen,  ook  al 
werden  hem  versche  troepen  toegezonden,  en  dat  hij 
alleen  heil  zag  in  een  opnieuw  uitrusten  en  organiseeren 
van  de  expeditie ,  wat  natuurlijk  op  Java ,  niet  op  Lombok, 
moest  geschieden. 

„Het  zou  ons  zeer  verwonderen  als  dit  ook  niet  de 
bedoeling  van  generaal  Vetter  geweest  is  bij  het  neer- 
schrijven van  dat  telegram;  zeker  is  het  ten  minste  dat 
èn  de  Gouverneur-generaal  èn  de  Raad  van  Indië  te 
Batavia  zijn  telegram  zóó  hebben  opgevat. 


425 

„{lebben  wij  generaal  Vetter  goed  begrepen,  dan  is 
zijn  grief  ook  niet  deze,  dat  inderdaad  de  opvatting  te 
Batavia ,  hetzij  deze  dan  het  gevolg  was  van  dit  telegram  , 
hetzij  van  een  ander  uit  Lombok  afgezonden,  verkeerd 
was  en  dat  het  derhalve  niet  zijn  bedoeling  was  geweest 
naar  Java  terug  te  gaan  en  van  daar  uit  met  een  nieuwe 
expeditie  weder  te  keeren ,  maar  dat  wij  vermeld  hebben 
dat  hij  dit  in  een  volgend  seizoen  sou  willen. 

„Nu  generaal  Vetter  doet  uitkomen  dat  het  laatste 
nooit  van  uit  Lombok  is  getelegrafeerd,  nemen  wij  dit 
aan,  maar  wij  blijven  dan  toch  onze  stelling  handhaven, 
dat  het  aan  den  grooten  moed  en  het  doorzicht  van  den 
Gouverneur-generaal  te  danken  is  geweest  dat  we  vóór 
een  groote  knak  in  ons  prestige  bespaard  zijn  gebleven 
en  dat  door  zijn  toedoen  bereikt  is  het  door  generaal 
Vetter  betwijfelde  resultaat:  immers  dat  door  aanvoer 
van  versche  troepen  wel  degelijk  krachtig  tegen  Mataram 
en  Tjakra  Negara  kon  worden  opgetreden. 

„  En  wat  nu  de  andere  quaestie  betreft.  Het  is  ons  nu 
uit  het  antwoord  van  generaal  Vetter  gebleken ,  dat  onze 
zegslieden  ons  vrij  juist  hebben  ingelicht  omtrent  hetgeen 
in  den  Raad  van  Indië  behandeld  is  geworden  en  na  de  inne- 
ming van  Mataram  en  voor  de  inneming  van  Tjakra  Negara 
heeft  plaats  gehad ,  bijzonderheden ,  welke  —  voor  zoover 
wij  weten  —  nog  nooit  gepubliceerd  zijn  geworden.  Wij  ne- 
men aan,  nu  generaal  Vetter  dit  zoo  pertinent  zegt,  dat  hij  van 
de  Regeering  nooit  last  heeft  gekregen  om  Tjakra  Negara 
aan  te  vallen.  Maar  moeten  wij  deze  mededeeling  op- 
vatten in  denzelfden  trant  als  deze  andere  dat  de  generaal, 
nooit  eenigen  last  heeft  ontvangen  op  de  operatiën  betrekking 
hebbende?  Was  niet  reeds  dadelijk  de  last  om  op  Lombok 
te  blijven  en  het  doel  der  expeditie ,  Mataram  en  Tjakra 
Negara  te  nemen ,  te  volvoeren ,  een  last  op  de  operatiën 
betrekking  hebbende?  Als  wij  in  aanmerking  nemen,  dat 
in  October  1894,  toen,  gelijk  de  generaal  zelf  erkent, 
een  overwintering  op  Lombok  in  het  vooruitzicht  lag,  de 


426 

Tweede  Kamer  bijeen  was  en  zoowel  de  Minister  als  de 
Gouverneur-generaal  in  een  heel  moeilijk  parket  kwamen , 
indien  zij  tegenover  de  Kamer  niet  op  een  afdoend  resul- 
taat —  zijnde  de  inneming  niet  slechts  van  Mataram,  maar 
ook  van  Tjakra  Negara  —  konden  wijzen  en  dat  er  dus 
den  Gouverneur-generaal  alles  aan  gelegen  was,  mits  hij 
het  bereikbaar  achtte ,  coiite  que  coüte  Tjakra  Negara  te 
doen  innemen,  ligt  het  dan  niet  voor  de  hand,  dat  de 
Gouverneur-generaal  daarop  met  klem  heeft  aangedrongen  ? 
En  nu  moge  dit  niet  in  den  vorm  van  een  last  gebeurd 
zijn,  hetzij  van  hem  hetzij  van  het  lcgerbestuur ,  onze 
zegslieden  blijven  er  bij,  dat  er  toenmaals  in  dien  zin  nog- 
maals en  herhaaldelijk  pressie  is  uitgeoefend  op  generaal 
Vetter. 

„Ons  op  de  hoofdzaak  gewonnen  geven  kunnen  wij 
dus  niet.  Een  publicatie  van  de  authentieke  stukken, 
vooral  die  der  Notulen  van  den  Raad  van  Nederlandsch- 
Indie,  die  wij  vurig  zouden  wenschen,  en  van  de  ge- 
voerde correspondentie  tusschen  Batavia  en  Lombok, 
zouden,  indien  wij  goed  ingelicht  zijn,  aantoonen  dat 
deze  onze  mededeelingen  juist  zijn." 

De  voormalige  hoofdredacteur  van  De  Locomotief,  de 
heer  J.  F.  Scheltema,  komt  nu  zegevierend  te  voorschijn 
uit  den  hoek,  waarin  zijn  opvolger  hem  had  gedrongen. 
In  Insulinde  van  10  Mei  jl.  verklaart  hij  de  voorstelling 
in  dat  blad ,  overeenstemmende  met  die  welke  hij  destijds 
in  De  Locomotief  gaf,  voor  de  „  beproefd-juiste." 

Intusschen  is  de  zaak  er,  na  al  dit  geschrijf,  niet 
duidelijker  op  geworden.  Men  weet  niet  recht  wat  men 
er  van  denken  moet.  Met  den  heer  Scheltema  vragen 
wij :  waar  nu  eigenlijk  de  leugen  schuilt  en  wie  nu  eigen- 
lijk  het   publiek  knollen  voor  citroenen  heeft  verkocht? 


427 


Officieele   statistiek    van   Suriname 

over    189  7. 

De  Nieuwe  RotterdamscJte  Courant  ontving  mededeeling 
van  de  volgende  officieele  statistiek  van  Suriname  over 
1897,  die  nog  niet  werd  gepubliceerd: 


Aangekomen  248  schepen,  met  een  tonnenmaat  to- 
taal 107,153.  (De  ton  berekend  op  2.83  M3.) 

Vertrokken  253  schepen  met  een  tonnenmaat  to- 
taal 108,988. 


LAND  OF  HAVEN. 


Aangekomen. 


Aan- 
tal. 


Tonnen- 
maat. 


Vertrokken. 


Aan- 
tal. 


Tonnen- 
maat. 


Nederland 

Groot-Brittannië 

Londen  via  Britsch-Guyana  . 

Noord- Amerika 

New-York  via  Curacao  enz. . 
Martinique  via  Demerary  .    . 

Cayenne   

Demerary 

Barbados  

Venezuela 

Bolivar 

Brazilië 

St.  Martin 

Batavia. 

Madeira 

Fort  de  France 

Trinidad 

St.  Domingo 

Baltimore 

St.  Thomas 

Berbice 

Belire 


25 
8 

14 
13 
18 

11 

28 
83 
30 
1 
9 
2 
1 
1 
2 
2 


248 


23,505 

3,508 

14,774 

6,075 

20,015 

5,916 

8,966 

10,145 

6,658 

57 

1,521 

785 

105 

1,991 

410 

2,722 


21 
5 
9 
15 
20 
11 
41 
82 
34 


107,153 


253 


22,742 
1,421 
9,503 
7,603 

22,271 
5,855 

13,424 

12,058 
8,446 

338 


150 

839 
392 
473 
237 
2,424 
812 

108,988 


428 


De  schepen  behoorden  tot  de  volgende  natiën: 


N  A  T  I  fc  N. 


Aangekomen. 


Aan- 
tal. 


Tonnen- 
maat. 


Vertrokken. 


Aan- 
tal. 


Tonnen- 
maat. 


Nederland.  .  . 
Groot-Brittannië 
Frankrijk  .  .  . 
Noord-Amerika . 
Denemarken .  . 
Noorwegen  .  . 
Portugal  .  .  . 
Venezuela .  .  . 
Oostenrijk.  .  . 
Zweden.  .  .  . 
Duitschland  .    . 


89 

72 

63 

15 

2 

3 

1 

1 

1 

1 


54,748 

21,364 

21,813 

5,953 

547 

1,011 

150 

57 

245 

265 


89 

72 

63 

15 

3 

5 

1 

1 

1 

1 

2 


55,655 

21,060 

21,813 

6,814 

784 

1,430 

150 

57 

245 

265 

715 


De  waarde  van  den  invoer  bedroeg  ƒ  5,635,161  en  die 
van  den  uitvoer  ƒ  5,241,671. 

Het  aandeel  der  verschillende  landen  in  den  invoer  en 
in  den  uitvoer  is  aangegeven  in  den  volgenden  staat: 


LANDEN  OF  PLAATSEN. 

Invoerwaarde 

in 

Guldens. 

Uitvoerwaarde 

in 

Guldens. 

Groot-Brittannië 

2,927,715 

744,249 

1,023,416 

35,060 

324,209 

163,021 

11,631 

24,714 

285,843 

873 

94,430 

1,378,588 

628,596 

2,793,327 

21,742 

Curacao 

139,327 

7,121 

14,380 

247,597 
10,993 

5,635,161 

5,241,671 

429 


De  voornaamste  producten  der  kolonie  en  de  gepro- 
duceerde hoeveelheden  zijn  de  volgende: 


muscovado. 
vacuumpan. 


Suiker  l 

Melasie 
Rum  . 
Cacao  . 
Bananen 

heele .    . 

gebroken 
Rijst 

Aardvruchten 
Koorn  .  .  . 
Kokosnoten  . 
Balata .  .  . 
Goud   .    .    . 


Koffie 


! 


303,970 

11,321,004 

1,370,110 

1,000,741 

3,424,513 

562,949 

270,110 

11,765 

134,223 

578,382 

359,922 

454,649 

159,253 

904.357.9 


KG. 

» 
Liter. 

KG. 

Bossen. 

KG. 

Yi 

» 

Stuks. 

KG. 

Gram. 


Van  deze  producten  is  het  navolgende  uitgevoerd: 


producten. 


Prijs  per 
eenheid. 


Balata 

Cacao 

Goud 

Koffie  (  ^ei  '    *    i-, 

\  m  hoornschil 

Melasie  f  muscovado 

Aiciasie  ,  vacuumpan 

Rum  en  Diam 

muscovado 

Suiker  {  vacuumpan  ie  product . 

„  naproduct  . 


159,253 

KG. 

3,584,715 

n 

859,905 

Gram. 

45,665 

KG. 

115,375 

Yi 

1,000 

Liter. 

826,360 

k'6. 

199,540 

9,751,631 

n 

1,779,618 

« 

f 

n 


1.60 
0.58 
137 
0.60 
0.40 
0.06 

0.15 
0.10 
0.13 
0.10 


De  waarde  van  den  uitvoer  van  in  de  kolonie  ge- 
vonden goud  heeft  in  1897  bedragen  ƒ  1,178,070,  zijnde 
859,905  gram ,  waarvan  de  prijs  is  berekend  op  ƒ  1  37 
per  gram. 

In  het  jaar  1897  zijn  geboren  1956  kinderen  (1052 
jongens  en  904  meisjes)  en  overleden  1676  personen 
(935  van  het  mannelijk  geslacht  en  714  van  het  vrouwelijk 
geslacht. 


430 
Muntwezen  in  Britsch-Indië. 

Er  is  thans  eene  Staatscommissie  benoemd  voor  de 
muntquacstie  in  Britsch-Indië.  Voorzitter  is  sir  Henry 
H.  Fowler.  Leden  zijn:  lord  Balfour of Burleigh (minister 
van  Schotland ,  later  wellicht  onderkoning  van  Indië) ,  sir 
John  Muir,  sir  Francis  Mo  watt  (hoofdambtenaar  bij  de 
Schatkist),  sir  David  Barbour  (gewezen  minister  van 
Financiën  van  Indië),  sir  Ch.  Crostwaithe  en  F.  C.  Ie 
Manchant  (leden  van  den  Raad  van  Indië),  E.  Hambro 
(commissaris  van  de  Bank  van  Engeland) ,  W.  H.  Holland 
(voorzitter  van  de  Kamer  van  koophandel  te  Manchester) , 
R.  Campbell  (directeur-generaal  van  de  Bank  van  Indië) 
en  sir  Alfred  Dent.  Als  secretaris  der  commissie  treedt 
op  de  heer  R.  Chalmers. 

In  een  schrijven  van  den  minister  voor  Indië,  lord 
George  Hamilton,  aan  den  voorzitter  Fowler  wordt  de 
taak  der  commissie  in  groote  trekken  omschreven.  Onder 
toezending  van  eene  uiteenzetting  van  de  maatregelen 
welke  naar  het  oordeel  der  Indische  Regeering  genomen 
moeten  worden  om  de  in  1893  door  de  Britsche  Regeering 
aanvaarde  politiek,  welke  ingeleid  werd  met  de  sluiting 
der  Munten  in  Indië,  te  doen  slagen,  en  van  het  daarop 
door  lord  Hamilton  gegeven  antwoord,  zegt  de  laatst- 
genoemde : 

„  Het  is  u  bekend,  dat  het  aanvaarden  van  die  politiek 
het  uitvloeisel  was  van  een  grondig  onderzoek ,  ingesteld 
door  eene  commissie  onder  voorzitterschap  van  lord 
Herschell ,  welker  rapport ,  met  de  daarop  gevolgde  brief- 
wisseling tusschen  den  minister  voor  Indië  in  Rade  en 
de  Regeering  van  Indië ,  aan  het  Parlement  is  overgelegd. 
Ook  is  u  bekend,  dat  in  den  herfst  van  1897  bij  Hr.  Ms. 
Regeering  voorstellen  voor  eene  internationale  regeling 
in  onderzoek  waren,  welke  betrekking  hadden  op  het 
muntwezen  van  Indië,  en  dat  eene  correspondentie  over 
dit  onderwerp,  waaronder  een  zeer  belangrijk  schrijven 


431 

van  de  Indische  Regeering,  onder  de  aan  het  Parlement 
toegezonden  stukken  opgenomen  en  openbaar  gemaakt  is 
zoodra  er  eene  beslissing  was  genomen.  Op  al  deze  docu- 
menten wensch  ik  uwe  bijzondere  aandacht  te  vestigen. 

n  Wegens  de  zeer  groote  beteekcnis  van  de  voorstellen 
der  Indische  Regeering,  is  besloten  ze  in  handen  te  stellen 
van  eene  commissie,  welke  zal  hebben  te  onderzoeken, 
of  het  door  die  Regeering  beoogde  doel  zal  kunnen  worden 
bereikt  met  de  door  haar  voorgestelde  maatregelen,  of 
op  andere  wijze.  De  commissie  zal  tot  taak  hebben  ov^r 
die  voorstellen  te  beraadslagen  en  aan  mij  rapport  ujt  te 
brengen,  evenals  over  elk  onderwerp  dat  naar  hare 
meening  daarbij  van  belang  zal  zijn,  met  inbegrip  van 
het  thans  in  Indië  geldende  muntstelsel,  en  de  vermoe- 
delijke uitwerking  van  voor  te  stellen  wijzigingen  op  den 
binnenlandschen  handel  en  de  belastingen  daar  te  lande ; 
en  desgelijks  de  wijzigingen  in  de  voorstellen  der  Indische 
Regéering,  of  de  denkbeelden  die  de  commissie  zelve 
aanbevelenswaardig  mocht  achten  om  eene  bevredigende 
regeling  van  het  muntwezen  in  Indië  en,  voor  zoo  veel 
mogelijk,  een  vasten  wisselkoers  tusschen  dat  land  en 
het  Vereenigd  Koninkrijk  tot  stand  te  brengen." 

De  commissie  zal  vergaderen  in  het  India  Office, 
evenals  in  1892/93  zullen  hare  beraadslagingen  niet  open- 
baar zijn. 


NIEUWE   UITGAVEN. 


NEDERLAND. 


Bose  (C.  M.  E.  B.  O.  van).  Een  en  ander  over  het  eiland  Amboina. 
Met  8  platen  naar  origincelc  photographieën.  Nijmcgen-Arnhem, 
Gcbr.  E.  &  M:  Cohen /    0.90, 

Fortanier  (A.  P.).  Leer-  en  leesboek  bij  de  beoefening  der  geschie- 
denis van  de  Ncderlandsche  bezittingen  en  koloniën  in  Oost-  en 
West-Indië.  3e  druk,  om-  en  tot  op  onzen  t\jd  bUgewerkt  door 
R.  van  Eek.  Zwolle,  W.  E.  J.  Tjeenk  Willink    .    .    .    .    /    1.25. 

Graaftand  (N.).  De  Minahassa,  haar  verleden  en  haar  tegenwoordige 
toestand.  Aft.  1.  Haarlem,  De  Erven  F.  Bohn.  Per  afl.    .    f   0.80 
Compleet  in  17  a  18  afleveringen,  2  deelen. 

Grashuis  (Mr.  G  J.).  Maleische  spraakkunst,  met  vertaaloefeningen. 
Zwolle,  W.  E.  J.  Tjeenk  Willink f    2.90. 

Grove  (W.  B.  de).  De  cultuur  en  de  bereiding  van  thee  op  Java. 

Haarlem;  H.  D.  Tjeenk  Willink f    0.60. 

Overdruk  uit  Eigen  Haard, 

Baoiboraki  (M.).  Die   Pteridophyten  der  Flora   von  Buitcnzorg. 

Leiden,  E.  J.  Brill f    3.50. 

Flore  de  Buitcnzorg  publiée  par  lc  jardin  botanique  de  1'Etat. 
Ire  partic. 

Vorderman  (A.  G.).  Toelichting  op  mijn  beri-beri-verslag.  Batavia, 
Jav.    Boekhandel    en   Drukkerij,   ('s  Gravenhage,   Mart.   Nijhoff.) 

f    0.25. 


ENGELAND. 


Benyowsky  (Count  Mauritius  Augustus  de).  Memoirs  and 
travels  of,  in  Sibcria,  Kamchatka,  Japan,  the  Liukiu  Islands  and 
Formosa.  From  the  translation  of  his  original  manuscript  (1741 — 
1771)  by  William  Nicholson,  1790.  Edited  bv  captain  Pasfield 
Oliver.  Illustrated ". 3/6 


433 

Bond  (Catharine).  Goldficlds  and  chrysanthemums.  Xotes  of  travel 
in  Australia  and  Japan.  Illustrated 7/6 

Cantlie  (James).  Report  on  the  conditions  under  which  lenrofey 
occurs  in  China,  Indo-China,  Malaya,  &c.  Compiled  eüiefly 
during  1894 3/é 

Constable's  Hand  Gazettecr  of  India.  Compiled  under  the  directlon 
of  J.  G.  Bartholomew.  Edited,  with  additions,  by  Jas.  Burgens.  1Ö/6 

Cox  (8.  Herbert).  Prospecting  for  minerals:  a  practical  hand- 
book  for  prospectors,  explorers,  settlers  and  all  interested  in  the 
opening  up  and  development  of  new  lands.  Being  vol.  1  of  tne 
„New  Land"  Series 5/ 

James  (Lionel)  The  Indian  frontier  war.  Being  an  account  of  the 
Mohmund  and  Tirah  expeditions,  1897.  With  31  illusts.  from  sket- 
ches by  the  author  and  photographs,  and  10  maps  and  plans.    7/6 

Memoirs  of  the  Geological  Survey  of  India.  VoL  27.  Part  2.      6/ 

Merewether  (F.  H.  S.).  A  tour  through  the  famine  districts  of 
India.  Illustrated 16/ 

Review  of  mineral  production  in  India,  1896.  (Publication  of  the 
Government  of  India) 1/ 

Soientiflo  Memoirs  by  medical  officers  of  the  army  in  India. 
Part  10.  1897.  (Publication  of  the  Government  of  India)  .    .    5/6 

Seenes  and  life  in  the  Transvaal.  Complete  album  of  photographs 
and  word  pictures,  illustrating  and  describing  the  objects  of  inte- 
rest, the  scenerv,  and  the  life  of  the  people 52/6 

Yukon  Territory  (The).  The  narrative  of  W.  H.  DaU,  leader  of 
the  expedition  to  Alaska  in  1866—1868.  The  narrative  of  an  explo- 
ration  made  in  1887  in  the  Yukon  district  by  George  M.  Dawson. 
Extracts  from  the  reports  of  an  exploration  made  in  1896—1897 
by  Wiiliam  Ogilvie.  Introduction  by  F.  Mortimer  Trimmer.  With 
map  of  the  territory,  50  woodcuts  and  22  full-page  illustrations    21/ 


DTÜTSCHLAM) . 

(Gust.).   Am  stillen  Ocean.  Erlebnisse  in  Honduras, 
Kalifornien  u.  Alaska M.    2.— 


(Dr.  Bioh.).  Leitfaden  zur  Erlernung  der  malayischen  Um- 
gangssprache  (Küstenmalayisch.  2.  Aufl M.    2. — 

Stuhlmann  (F.).  Die  wirtschaftliche  Entwickelung  Deutsch-Ost- 
Afrikas M.    1.50 

Zeitsèhrift  fUr  Ethnologie.  Organ  der  Berliner  Gesellschaft  f.  Anthro- 
pologie,  Ethnologie  u.  Urgeschichte.  Red.  v.  M.  Bartcls,  R.  Virchow, 
A.  Voss.  30.  Jahrg.  1898.  1.  Heft.  Jahrl.  6  Hefte  .    .    .    M.  24.— 

Zimmermann  (Dr.  Alft».).  Die  deutsche  Kolonial-Gesetzgebung. 
Sammlung  der  auf  die  deutschen  Schutzgebiete  bezügl.  Gesetze, 
Verordngn.,  Erlasse  u.  internationalen  Vereinbargn.,  m.  Anmcrkgn. 
u  Sachregister.  2.  Thl.  1893—1897    .    .    .    M.  8.—  ;  geb.  M.  9  50 


434 


• 


Fraser  (J.  Q-).  Lc  totémisme.  Etude  d'ethnographie  comparée,  trad. 
de  langlais,  par  A.  Derr  et  A.  van  Gennep 2  fr.  50 

La  Grasserie  (B.  de).  De  l'individualisme  et  de  ses  conséquences 
chez  les   Anglo-Américains  (Essai   de   psychologie  sociologique) 

1  fr.  50 

Beynaud  (Dr.  Q.  A.).  Considérations  sanitaircs  sur  1'expcdition  de 
Madagascar  et  quelques  expéditions  coloniales  frangaises  et  anglai- 
ses.  Préface  de  M.  Mahy 3  fr.  30 

Sallós  (A.).  Voyage  au  Pays  des  Fjords.  l  carte  et  28  photogra- 
phies 4  fr. 

Worms  (EL.).  Annalcs  de  Tlnstitut  international  de  sociologie. 
T.  IV  contenant  les  travaux  du  3e  Congres  tenu  a  Paris  en 
juillet  1897 10  fr. 


GELEGENHEID-ALBUMS. 

Heteenigsteen 
beste  adres  voor 
artistique  albums 
en  prachtbanden 
in  alle  stijlen  als- 
ook met  familie- 
wapens er  op  ge- 
werkt, is 

JOS.  JIKRMLB4GH ,  UTRECHT  (MLUND\ 

Hofleverancier.  Bekroond  met  Gouden  en  Zilveren  Medaille*. 


C.  L.  STEVENS    —    DEN  HAAG. 

Elke  dag  brengt  drukte  mee, 
'k  Ben  daarover  zeer  tcrret) 
Werken  is  mijn  element; 
Dat  ik  't  goed  doe,  i»  bekend. 
STEVENS  wordt  genoemd  met  eere, 
Hij  bedriegt  zijn  klanten  niet; 
Wat  men  Trage  of  begeere, 
't  Is  ui  tijd  billijk  en  aolied. 

%'ijfti«-«  Stai%er«  kust   een   VEER, 

Kant  en  klaar  is  uw  horloge; 
't  Kost,  (ik  zeg  het  onder  't  roosje,) 
U  bij  and'ren  keel  wat  meer.  — 
Marmeren  PENDUULS  on  COUPES. 
Mei  Driejarige  garantie , 
Lever  ik  voor  Z*«tiea  pop, 
Desverkiezeud  op  kwitantie, 
ilEBfOXTOIRS  van  ZILVER  Ze-, 
GOUDEN  DAMES  Kif  en  HEBREN 
.%«-httim  fsultloi*,  heel  die  les 
Moogt  gij  wel  van  buiten  leeren. 
Zorg  dat  dit  het  eeiet  geschiedt ; 
Zorg  dat  ieder  men.tch  het  weto  : 
Dat :  Wat  verder  men  vergete, 

Breedstraat  Honderd,  zeker  niet. 


Zwitsersclic  fal-  en  Mscb  StrpiiÉlitiiig  „RIJSWIJK". 

Wetenschappelijk  nagewezen  volkomen  deslnfeetle 
Oorlogste  mechanische  slijtage.  Geen  knnstbleekerij,  geen 
Stamp-,  IV ring  -  en  Dorstelmachines. 

Specialiteit  in   Snelwasschen. 

TEXEPHOON  674 

Telegram-Adres:   Waschinrichting    „RIJSWIJK". 


m 

ii 

j 

iot 

■) 


Prins  Hendrikstraat  119. 

2)e  nieuwste  romans 

in  alle  talen. 
Lezing  per  deel  en  per  abonnement. 
KANTOOR-,    SCHRIJF-    en    SCHOOL- 
BEHOEFTEN. 
BIND-  SN  DRUKWERK. 
Plaatsing   van   Advertentiën  en  Abonne- 
menten op  alle  Dagbladen. 
FINALE  UITVERKOOP  WEGENS 
VERBOUWING. 


MAX  M.  SCHILTE 


Export 

NAAR 

Oost>&  Westlndië 


Bij  F.  J.  VAN  PAASSCHEN,  te  's  Gra- 
venhage  is  verschenen: 

PraÉclie  Handleiding  der  Eng.  Taal, 

voor  Postambtenaren, 

DOOR 

J.  F.  E.  W.  ZEIJ , 

Adjunct- Commies  bij  het  Hoofd- 
bestuur der   Posterijen   en    Telegrafie. 

Gediplomeerd  in  Engelsen  {Midd. 
ondetwijs). 
Pvi|a  f  0.75  fr.  p.  p.  f  0.80. 


Makanan  Djawa. 

Verzending  van  alle  Ind.  gerechten 

Bezorging  van  kleine  engroote 

Ind.  diners.  —  Diners  k  f  1  36  best. 

uit  5  Ind.  gerechten ,  vold.  v.  2  pers. 

GROOTHANDEL 

in  SAMBALS  en  BOEMBOES. 

ECHTE  JAVA-KERRIE 

i/0.50,  ƒ1.— en/2.— per1/,  flesch. 

Vrmttff  Menu  en  F*rij*courm,nt. 

Adres :  P.  VAN  KEMPEN,  Loosduinsche 
kade  4,  b/h.  Westeinde,  Den  Haag. 


DELFTSCHE  R00MB0TER-1N1UCHTII 

% 


is 


J 

Verzending  van  Roomboter    ruim   170OO   KG.  per  week. 

DE  A^VONDJPOST, 

Neutraal   Nieuwsblad. 

Van  alle  in  de  Residentie  verschijnende  dagbladen  hel  meest 
verspreid ,  ook  buiten  's  Gravenhage ;  bevat  o.  m.  uitvoerige  ver- 
slagen der  Staten-Generaal,  artikelen  over  aetneele  onder- 
werpen en  sociale  vraagstukken,  militaire  beschouwingen, 
Indisehe  schetsen,  brieven  alt  de  Oost  en  causerieën,  met 
zorg  gekozen  feuilletons,  ofUcleele  berichten  en  benoemin- 
gen van  denzelfden  dag,  mailberichten,  opgaven  omtrent 
verloven  van  Indisehe  officieren  en  ambtenaren,  enz. 

Het  Zondagsblad  van  De  Avondpost 

is  hoofdzakelijk  aan  belletrie  gewijd. 

Abonnementsprijs  voor  Den  Haag,  Scheveningen  en 
Loosduinen  f  l.aö ,  Delft  f  1.40,  voor  alle  andere  plaatsen  in 
Nederland  fr.  p.  p.  f  l.SB, 

Voor  O.  &  W.  Indië  per  jaar  bjj  vooruitbetaling  /  IC. 

éBareaux:  Se  Wagenstraat  70t  'sSravenhage. 


Het  Zuid-Hollandsch  Venduehuis. 

Uitgebreide  lokalen:  Ingang  Prinsegr.  hoek  L. Beestenmarkt, 

DEN  HAAG. 

Is  de  beste  inrichting  tot  aan-  en  verkoop  van 


Elke  dag  van  9—10  uur  geopend  en  des  Zondags  van  9  -5  uur 
TOOBS11LIG1  CONDITXEN  VOOB  PUBLIEKE  VEILINGEN. 

R.  GLASTRA,  Bierstraat  5,  Oen  Haag. 


Billijke     . 
l  Prijzen. 


Beste 
Bediening 


VERHUIZINGEN  en  TRANSPORTEN  door  het  geheele  Rijk. 


D.  A.  BACHOFNEB, 

.  Tailleur  Civil  &  Militaire. 
IBRUCfllSTRAAT  56  -  'S  GR4VENH1GK. 

Uitrustingen 

OOST-   &  WEST-INDIE. 
Livereien,  etc.  etc. 


$       EENIG  ADRES  VOOR 

jj  Solied  Haarwerk.  * 

t|       Haarverf  eenig  geheel  onseha-  ij 

*  delijk  en  vlekt  niet  de  huid.  *ï 

;         Malson  T.  Harteveld,  ]  1 

*1  .  Colifeur.  j 

*e  Sptciul  SaLon  nor  Dimes  ei  Bttm.  fï* 

ï      Prins  Hendrikstraat  182 ,  M 

(i  nabij  de  Waldeck  Pyrmontkade.  kl 


H.  C.  J.  VRIJTHOFF  VAN  DER  TOORN 

Zeestraat   30    —    Den   Haag. 

Fabrikant  van  BANDA6ES  van  ORTHOP.  TOESTELLEN.  Leverancier 
aan  verschillende  Rijks-  en  Gemeente-instellingen 
Levert  verder  en  gros  en  en  detail : 
Prima  Eng.  Rijwielen,  voor  Heeren  f  100—130—160,  voor  Dames  f  140, 
Prima  Amerikaansche  Rijwielen,  voor  Heeren  en  Dames  f  ?25, 

alle  met  de  meest  omvattende  garantie  op  machines  en  banden. 
Prachtige  Zwitsersche  Muziekdoozen,  Zeifspelende  Piano's,  Orgels,  enz. 
Electr.  schel-  en  lichtgeleidingen,  om  zelf  aan  te  leggen,  draagbare  Electr. 
fiets-  en  huislampen,  Telefonen,  enz.  enz.  —  Uiterst  billijk. 


i  MAlLBANKENenSTOELEN 

|         Bamboes,  Theehout 

I EOTTTKG  HE0BELB»x^^> 
|     voor  Serres      S&$5r& 

!  waranda's^mR/' 

f  Tuinen,     /f/     Volières 
^£/     VKHLKOOIBN 

-.  "*/ Zietaslitlm  11  Banta 

.         'V/'    m,uin,1.km,c,„rh.„d,. 

v/    24,  Groenmsrkt  24. 

Sprrialiuit  van  fijn  Mandenwerk 


JAC.  MOULIJN, 

'ÏOéiffenstraat   95. 

Eenig   vertegenwoordiger  voor   den 
Haag  on  Omstreken  der 

PHOENIX-Rijwielen. 

Prima  Hollandsen  fabrikaat. 
«BILLIJKE  PRIJZEN.  •:- 
Repareeren,  Emailleeren, 
Vernikkelen  en  Rullen. 


LOUIS  KUIPERS, 

v/h  b/d  firma  LENDEN ROTH  &  Zn., 

PASSAGE  50-52 
•583  DEN   HAAG.  2& 

Fabriek  tam 

MILITAIRE  BOOÏDTOOISKLS 

en  Équipementen. 


!'- 


LATERS  JJHto.1 

;         't  Beste  adres  voor 

!  Sport-  en  Reis-flrtikelen. 


H.  J.  T.  MATVELD, 

WAGENSTRAAT  127  -    DEN  HAAG. 

Teekenbehoeften. 

SCHILDER-ARTIKELEN. 

Grootste  keuze. 

Billjjkste  prijzen, 
PRIJSCOURANTEN    en   MONSTER- 
BOEKJES op  aanvraag  franco. 


GOOSEN    e»    R  O  Z  A 

PIANO'S    •»  ORGELS. 

ril 

1  M 

*  1  5« 

l5=.  SsS 

=  &  SS 


HraiiiiiinmAT    m*,. 
nl;    "*«    ■li.l.IJKE    CONPITIRM. 


Restaurant   Burgemeister, 

iti  1 1  i:\iioi   ao, 

vis-a-vis  de  hoofdwacht. 


Diners  quotidien. 

Salons  a  reserver, 


maclie  en  Ohineeeotie 
Kunstvoorwerpen. 


JAN  13  12 39  * 


TIJDSCHRIFT 


VOOR 


NEDERLANDSCH INDIË 


VAN 


•  • 

wyien  dr.  W.  R.  baron  van  HOEVELL. 


(Opgericht  in  1838.) 


TW.EJS.DJE  NIEUWE  SERIE. 

2e  JAARGANG. 


JUNI     1898. 


-**£*•«< 


'S  GRAVENHAGE.  —  F.  J.  VAN  PAASSCHEN. 

Mede  verkrijgbaar  te 

BATAVIA  bij  G.  KOLFF  &  Co. 

en  bij  alle  Boekhandelaren  in  Ned.-Indië. 


r"..t*     **-*  birnt*  -i-y  Ji- 


INHOUD. 


Bladz. 

I.  Bimanccsche    taaistudie.    Door   Prof.    dr.    A. 
KERN 435 

II.  De  jongste  Kamerdebatten  met  betrekking  tot 

Indië 453 

III.  De  koning  van  Siam  at  home 482 

IV.  Varia 489 

Kunstmatige  contra-natuurlijke  indigo.  --  De  suiker- 
industrie op  Formosa.  -  -  Ornamenten  bij  onbe- 
schaafde volken,  —  Emigratie  naar  de  Britsche 
koloniën.  —  Een  kaart  van  Japan.  — De  handel 
van  Spanje  met  zijne  koloniën.  —  Het  Schutzge- 
bied  der  Neu-Guinea-Kompagnic. 

V.  Nieuwe  uitgaven 500 


Bijdragen  en  brieven,  de  Redactie  betreffende,  ge- 
lieve men  te  zenden  aan  den  Heer  H.  A.  LESTURGEON , 
villa  „Catharina  Francisca",  N.  Badhuisweg,  Scheveningen. 


Dit  Tijdschrift  verschijnt  tusschen  den  lcn  en  den  15cu 
van  elke  maand. 

De  abonnementsprijs  bedraagt  voor  Nederland  ƒ  13. — 
per  jaar.  Voor  het  buitenland  wordt  dit  bedrag  met  de 
porto's  verhoogd.  Tusschcntijds  aangegane  abonnementen 
worden  ad  ƒ  3.25  per  kwartaal  berekend. 

Afzonderlijke  nummers,  voor  zoover  deze  voorhan- 
den zijn,  ƒ  1.50  per  aflevering. 

Prijs  der  advertentiën  van  ljz ;  »/4 ;  V*  cn  1U  bladzijde 
per  plaatsing  ƒ  1.50;  ƒ  2.50;   f  4.50;  ƒ  8.—. 

Bij  12  achtereenvolgende  plaatsingen  van  V8;  V*?  V» 
en  Vi  bladzijde  ƒ  12.—  ;  ƒ  20.—  ;  ƒ  35.—  en  ƒ  60.—. 


Bimaneesche  taaistudie. 


Het  is  een  verblijdend  feit  dat  de  talen  van  den  Indi- 
schen  Archipel  in  toenemende  mate  de  aandacht  trekken 
en  grondig  bestudeerd  worden.  Waarom  mag  men  zich 
daarover  verheugen?  Ten  eerste,  als  men  de  zaak  van 
een  zuiver  wetenschappelijk  standpunt  beschouwt ,  omdat 
de  leemten  in  onze  kennis  daardoor  gaandeweg  worden 
aangevuld,  iets  waarmede  onderzoekers  van  alle  natiën 
gebaat  zijn,  want  de  wetenschap  is  een  internationaal 
belang.  Ten  tweede ,  omdat  het  de  plicht  is  van  ons ,  Neder- 
landers, als  beschaafde  natie  zooveel  als  in  ons  vermo- 
gen is ,  bij  te  dragen  tot  den  vooruitgang  van  menschelijke 
kennis;  geen  buitenlandsche  geleerden  hebben  de  gele- 
genheid om  ceteris  paribus  zich  zóó  goed  op  de 
hoogte  te  stellen  van  hetgeen  als  voorbereiding  tot  de 
studie  der  Indonesische  talen  strekt  als  wij.  Ten  derde 
is  de  kennis  van  taal  en  volk  in  de  overzeesche  gewesten 
waar  onze  vlag  waait  een  eisch  van  welbegrepen  en  voor- 
uitziende staatkunde,  en  wel  om  twee  redenen:  geen 
bestuur  kan  op  den  duur  weldadig  wezen ,  hetwelk  geen 
rekening  houdt  met  den  waren  aard ,  de  neigingen ,  de 
overleveringen,  de  gewoonten  en  zeden,  in  één  woord 
met  het  geestelijk  en  zedelijk  bewustzijn  van  een  volk, 
groot  of  klein,  en  men  wane  niet,  ooit  het  gemoed  van 
een  volk  te  kunnen  peilen  zonder  kennis  van  zijn  taal 
en  van  de  uitingen  zijner  levensbeschouwing  daarin;  en 

30 


436 

ten  andere  is  het  een  eisch  van  wijs  staatsmansbeleid ,  dat 
men  aan  afgunstige  naburen  elk  voorwendsel  ontneemt 
om  ons  een  lang  verworven  bezit  onwaardig  te  keuren, 
als  hadden  wij  het  pand  slecht  beheerd.  Aan  waarschu- 
wingen ontbreekt  het  ons  niet.  Niet  dat  wij  ons  over 
vreemde  regeeringen  te  beklagen  hebben ;  behoudens  eene 
enkele  uitzondering,  hebben  die  zich  tot  nog  toe,  wat 
men  noemt  „correct"  jegens  ons  gedragen;  sommige 
betoonen  ons  zelfs  vriendschap  en  toegenegenheid.  Maar 
van  de  pers  in  een  paar  groote  staten  kan  men  niet  het- 
zelfde zeggen,  en  eene  gewetenlooze  pers,  die  uit  eigen- 
belang of  louter  kwaadaardigheid,  onophoudelijk  vijand- 
schap stookt ,  kan  op  den  langen  duur  veel  kwaad  doen , 
wanneer  de  schrijvers  behendig  waarheid  en  leugen  onder- 
een weten  te  mengen. 

Er  zijn  in  de  laatste  vijf  jaren  verscheiden  afgelegen 
deelen  van  het  uitgestrekte  veld  der  Indonesische  taal- 
wetenschap oorbaar  gemaakt.  Ik  herinner  slechts  —  om 
de  voornaamste  werken  te  noemen  —  aan  Adriani's 
Sangireesche  Spraakkunst  en  de  door  hem  uitgegeven 
Sangircesche  teksten  met  vertaling;  aan  van  Baarda's 
uitvoerig  Galelareesch  Woordenboek,  dat  tevens  zooveel 
belangrijke  gegevens  voor  de  volkenkunde  van  Halmaheira 
bevat ,  alsmede  diens  Galelareesche  vertellingen  in  grond- 
tekst en  vertaling ;  voorts  aan  het  beknopte ,  maar  degelijke 
werk  van  Hendriks  Het  Burusch  van  Masarète ,  bevattende 
spraakleer,  Burusch-Hollandsche  en  HollandschBurusche 
Woordenlijst.  Vermeldenswaard  zijn  ook  de  bijdragen  van 
Pater  Calon  tot  de  kennis  der  Sikka-taal  op  Flores, 
waarvan  wij  tot  nog  toe  zoo  goed  als  niets  wisten.  Over 
de  verdienstelijke  geschriften  van  geleerden  die  zich  op 
een  reeds  vroeger  ontgonnen  gebied  bewogen,  zwijg  ik. 

Onder  de  bovenbedoelde  werken  van  grooteren  om- 
vang nemen  die  van  dr.  J.  C.  G.  Jonker  over  het  Bima- 
neesch  eene  eervolle  plaats  in.  In  1893  verscheen  het 
eerste   gedeelte   van   de    uitkomsten  zijner  Bimaneesche 


437 

studiën,  zijnde  een  Bimaneesch-Hollandsch  Woordenboek 
(Verhandelingen  van  het  Bataviaasch  Genootschap  van 
Kunsten  en  Wetenschappen  D.  XVIII,  Ie  reeks).  Dit 
woordenboek  is  niet  zeer  omvangrijk,  maar  methodisch 
bewerkt,  vrij  van  onnoodigen  omhaal;  tevens  getuigt  het 
van  des  bewerkers  bekendheid  met  de  uitkomsten  der 
vergelijkende  taalwetenschap,  die  bij  de  studie  van  zulk 
een  taal  als  het  Bimaneesch  van  belang  zijn,  omdat  de 
meeste  beoefenaren  haar  minder  om  de  betrekkelijk  onbe- 
duidende literarische  voortbrengselen  zullen  bestudeeren 
dan  als  een  schakel  in  de  lange  reeks  der  verwante 
talen. 

Het  tweede  stuk  van  bovenvermeld  deel  der  Verhan- 
delingen van  het  Bataviaasch  Genootschap,  verschenen 
in  1894,  behelst  Bimaneesche  teksten,  in  proza  en  poëzie, 
waaronder  één  stuk  in  het  eenigszins  afwijkende  dialekt 
van  Kolo.  De  aanteekeningen  behelzen ,  behalve  taalkun- 
dige opmerkingen  en  toelichtingen,  ook  eene  aanwijzing 
van  't  onderwerp  der  opgenomen  stukken,  waaraan  wij 
de  volgende  opgaven  ontleenen. 

No.  I  is  een  verhaal  van  het  ontstaan  der  Nggeya 
(een  soort  vampyren  1)  en  geeft  verder  voorschriften 
voor  de  samenstelling  van  een  aantal  geneesmiddelen. 

N°.  II  en  III  handelen  beide  over  de  Mohammedaansche 
geloofsbelijdenis,  het  gebed,  de  wasschingen,  enz.  Het 
eerste,  uit  het  Maleisch  vertaald,  handelt  ook  over  de 
eigenschappen  van  Allah  en  over  de  verplichtingen  van 
kinderen  jegens  hun  ouders  en  leermeesters.  Vermoedelijk 
is  ook  het  tweede  aan  een  Maleische  bron  ontleend.  Beide 
handschriften  zijn  in  Arabisch  karakter. 

N°.  VI  is  een  geschrift  over  krijgszaken:  't  aanleggen 
van  bentengs,  't  belegeren  van  bentengs  of  steden,  den 
strijd  in  't  open  veld ;  voorts  over  de  regelen  bij  oorlogs- 
verklaring,  enz.,   terwijl   hier   en   daar  uitspraken  van 


1)  Overeenkomende  met  de  popokang  der  Makassaren. 


438 

oudere  vorsten  aangehaald  worden.  De  inhoud  van  het 
geschrift  bewijst  dat  het  van  Makassaarschen  of  van 
Bugineeschen  oorsprong  is,  want  sommige  gedeelten 
herinneren  aan  geschriften  als  de  Makassaarsche  R  a  p  a  n  g 
of  de  Bugineesche  Latowa;  ook  enkelen  technische 
termen  in  het  geschrift  vindt  men  in  't  Makassaarsch 
alleen  in  de  R  a  p  a  n  g  terug. 

N°.  V  bevat  een  klein  fragment  der  Bimaneesche  wet- 
ten. Deze  zijn,  gelijk  alle  officieele  stukken,  oorspron- 
kelijk in  het  Maleisch  geschreven ,  zoodat  de  Bimaneesche 
tekst  eigenlijk  eene  vertaling  is. 

N°.  VI  bevat  de  heilwenschen  (kan de)  der  hoofden 
(gal ara)  van  Belo  en  Sape  bij  de  inhuldiging  van  een 
nieuwen  Sultan.  Het  zijn  twee  afzonderlijke  stukken ,  die 
genomen  zijn  uit  eene  in  't  Maleisch  opgestelde  beschrij- 
ving der  inhuldiging  van  den  tegenwoordigen  Sultan. 

Onder  N°.  VII  zijn  een  tiental  verhaaltjes  en  fabelen, 
(mpama)  1)  opgenomen,  die  als  echt  Bimaneesche  wor- 
den beschouwd ,  of  in  allen  gevalle  niet  uit  een  Maleisch 
geschrift  vertaald.  Daarentegen  zijn  N°.  VIII  en  IX  twee 
aan  't  Maleisch  ontleende  verhalen,  al  is  de  vertaling 
dan  ook  zeer  vrij.  N°.  VIII  komt  overeen  met  het  door 
dr.  De  Hollander  Hikayat  Maharadja  Ali  ge- 
naamde verhaal ;  N°.  IX  is  de  Hikayat  Si-Miskin. 

Onder  N°.  X  vindt  men  de  Bimaneesche  vertaling  van 
eenige  fabels  uit  het  Maleisch  Leesboek  van  dr.  De  Hol- 
lander ,  alle  van  Indischen  oorsprong  en  ontleend  aan  het 
Païicatantra.  Het  zijn  de  fabels :  De  Aap  en  de  Boomstam ; 
De  kluizenaar  met  de  oliekruik ;  De  Jager,  het  Hert ,  het 
Zwijn  en  de  Tijger;  De  twee  kooplieden.  Daarbij  is  nog 


1)  Terecht  door  Jonker  vergeleken  met  het  Bataksche  u  mpama 
(upparaa),  waaronder  men  verstaat  een  meestal  vierregelig  versje, 
in  welks  twee  laatste  regels  de  een  of  andere  spreuk,  waarheid 
of  gewoonte  vermeld  wordt.  Daar  mpama,  umpama  ontleend  is 
aan  Sanskrit  uparnü,  gelijkenis,  moet  het  bij  de  Bataks  enBima- 
neeschen  aanvankelijk  „allegorie",  daarna  „fabel",  beteekend  hebben. 


439 

gevoegd  de  fabel  van  de  Schildpad,  die  omdat  hij  niet 
zwijgen  kon,  uit  de  lucht,  waar  hij  door  twee  vogels 
vervoerd  werd ,  nederviel  en  zoo  den  dood  vond ;  dezelfde 
fabel  welke  Holle  in  verschillende  talen  en  dialekten  van 
den  Indischen  Archipel  heeft  doen  overbrengen. 

N°.  XI  is  een  oorspronkelijk  Bimaneesch  geschrift ,  dat 
even  als  het  volgende  nommer,  naar  men  dr.  Jonker 
verzekerde,  door  een  schrijver  onder  de  regeering  van 
Sultan  Abdul-Aziz  vervaardigd  werd.  Het  stuk,  geheel 
in  gebonden  stijl,  heeft  den  vorm  van  een  Maleische 
sjair.  Eene  logische  volgorde  schijnt  in  het  gedicht, 
waarvan  de  uitgever  trouwens  slechts  fragmenten  machtig 
kon  worden,  te  ontbreken.  Wat  men  er  in  aantreft,  zijn 
vermaningen,  klachten  over  zedenbederf,  beschrijvingen 
van  de  hel  en  de  helsche  straffen  en  van  den  hemel; 
voorts  eenige  verklaringen  van  Arabische  termen  en  de 
voorschriften  omtrent  de  wasschingen,  het  gebed  enz. 

N°.  XII  is  grootendeels  in  gebonden  stijl,  en  wel  in 
sjairvorm  geschreven.  Het  gedeelte  in  proza  nadert  hier 
en  daar  de  gebonden  rede,  in  zooverre  als  tot  sieraad 
zekere  klankspelingen,  temba  genoemd,  zijn  aange- 
bracht. Deze  bestaat  daarin,  dat  in  het  tweede  gedeelte 
van  een  Bimaneesch  liedje  (rawa)  1)  drie  woorden  (in 
bepaalde  gevallen  slechts  twee)  moeten  voorkomen ,  welke 
dezelfde  medeklinkers  bevatten;  het  is  dus  eene  soort 
alliteratie,  niet  een  rijm  of  assonantie.  Met  het  woord 
temba  wordt  het  allitereerende  gedeelte  ingeleid  2).  Als 
eene  vermenging  van  den  dichtvorm  in  rijm  met  den 
allitereerenden ,  kan  men  het  beschouwen,  wanneer  de* 
slotwoorden  der  vier  straferegels  niet  op  elkaar  rijmen, 


1)  Men  zou  kunnen  zeggen:  in  de  antistrofe,  ware  het  niet  dat 
het  tweede  gedeelte  van  een  rawa  in  geen,  of  althans  in  een 
raadselachtig  verband  met  het  eerste  staat. 

2)  De  eigenlijke  beteekenis  van  temba  is  op  Bima  niet  meer 
bekend.  Zou  het  niet  het  Javaansche  tembang  wezen? 


440 

maar  alliteratie  vertoonen;  dus  rasu,  rase,  raso  en 
reso,  zooals  in  een  der  strofen  voorkomt. 

Dit  gedicht,  dat  in  stijl  beneden  het  vorige  staat,  al 
moge  het  van  denzelfden  schrijver  afkomstig  zijn,  be- 
helst godsdienstige  vermaningen  en  klachten  over  on- 
godsdienstigheid en  wat  daarmede  samenhangt. 

Onder  N°.  XIII  treft  men  eene  verzameling  liedjes  of 
deuntjes  (rawa)  aan ,  die  gewoonlijk  met  begeleiding 
van  de  inlandsche  viool  gezongen  worden.  Wat  den  bouw 
van  zulke  deuntjes  betreft,  zegt  de  uitgever,  dat  een 
rawa  regelmatig  bestaat  uit  drie  versregels ,  doch  dat 
het  aantal  lettergrepen  in  eiken  versregel  even  onregel- 
matig is  als  in  de  Bugineesche  elong.  Meestal  volgt 
op  een  rawa  de  tem  ba,  die,  zooals  reeds  opgemerkt 
werd,  geen  verband  pleegt  te  houden  met  den  inhoud 
van  't  liedje  en  uit  dien  hoofde  willekeurig  kan  aange- 
bracht worden.  Deze  omstandigheid  versterkt  ons  in  't 
vermoeden ,  reeds  hieronder  aangeduid ,  dat  t  e  m  b  a 
niets  anders  is  dan  wat  de  Javanen  Tëmbang  noemen, 
zoodat  de  t  e  m  b  a  den  deun ,  de  wijs  aangeeft  waarnaar 
de  rawa  te  zingen  is. 

Onder  het  laatste  N°.  zijn  twee  stukken  in  't  dialekt 
van  Kolo  opgenomen,  waarvan  het  eerste  eene  vertaling 
is  van  de  fabel  van  de  Schildpad,  die  reeds  onder  N°.X 
ter  sprake  is  gekomen.  Het  tweede  stuk  is  een  oorspron- 
kelijk verhaal. 

Men  zal  moeten  erkennen  dat  Dr.  Jonker  alles  gedaan 
heeft  wat  hij  kon,  om  door  de  verscheidenheid  van  uit- 
gelezen stukken  ons  een  blik  te  gunnen  in  de  niet  zeer 
ontwikkelde  Bimaneesche  letterkunde.  Daarvoor  kan  hij 
met  recht  aanspraak  maken  op  den  dank  van  alle  belang- 
stellenden ,  en  ook  daarvoor ,  dat  hij ,  het  goede  voorbeeld 
van  Dr.  Matthes  volgende,  de  noodige  literarische  toe- 
lichtingen aan  zijne  uitgave  der  teksten  heeft  toegevoegd. 

Het  derde,  en  verreweg  het  omvangrijkste  stuk  van 
de  geheele  reeks,  is  de  Bimaneesche  Spraakkunst,  uit- 


441 

gekomen  in  1896.  Het  is  niet  alleen  het  omvangrijkste, 
maar  m.  i.  ook  het  voortreffelijkste  gedeelte  van  't  geheel ; 
hetgeen  wel  niemand ,  die  de  voorgaande  bladzijden  gelezen 
heeft,  zóó  zal  opvatten,  alsof  ik  aan  de  verdiensten  der 
twee  voorafgaande  gedeelten  te  kort  zou  willen  doen. 
Laat  mij  beginnen  met  als  mijne  persoonlijke  meening 
uit  te  spreken,  dat  Jonker  door  zijn  Bimaneesche  spraak- 
kunst getoond  heeft,  een  geboren  grammaticus  te  zijn, 
die  daarenboven  door  de  grondige  studie  van  meerdere 
verwante  talen  de  noodige  ruimte  van  blik  heeft  gekregen 
om  grammatische  vraagstukken  zóó  te  behandelen  als 
onze  tijd  eischt.  Het  is  geen  ondankbaarheid  jegens  de 
verdiensten  van  vorige  geslachten,  geen  miskenning  van 
hetgeen  zij  naar  beste  weten  in  't  zweet  huns  aanschijns 
hebben  voortgebracht,  wanneer  men  verklaart  dat  de 
wetenschap  vooruitgaat,  dank  zij  de  omstandigheid  dat 
elk  later  geslacht  slaat  op  de  schouders  van  zijn  voor- 
gangers en  daardoor  verder  kan  zien.  Alleen  hij  is  on- 
dankbaar, en  daarenboven  verwaand  en  dom,  die  het 
goede  van  zijn  voorgangers  niet  erkent,  niet  overneemt , 
en  doet  alsof  de  wereldgeschiedenis  eerst  met  zijn  optreden 
begint.  De  ware  dankbaarheid  bestaat  daarin  dat  men 
voortbouwt  op  het  werk  zijner  voorgangers ;  behoudt  wat 
goed ,  verwijdert  wat  bouwvallig  en  onhoudbaar  is ;  valsche 
dankbaarheid  bestaat  in  't  nabauwen  van  't  geleerde. 
Zulk  eene  dankbaarheid  is  niets  anders  dan  luiheid,  die 
zich  tooit  met  een  mooien  schijn. 

Het  spreekt  van  zelf,  dat  iemand,  die  zooals schrijver 
dezer  bladzijden,  het  weinige  wat  hij  van  't  Bimaneesch 
weet,  uitsluitend  aan  Jonker's  werk  te  danken  heeft, 
niet  in  eene  beoordeeling  der  medegedeelde  feiten  kan 
treden.  Alleen  over  bijzaken  kan  hij  zijne  meening  zeggen. 
Ook  laat  noch  aard  en  omvang  der  Bimaneesche  Spraak- 
kunst ,  noch  de  aard  van  dit  Tijdschrift  toe ,  dat  de  recen- 
sent den  inhoud  van  het  boek  op  den  voet  volgt.  Daarom 
zal  ik  slechts  enkele  grepen  doen,  welke,  naar  ik  ver- 


442 

trouw,  voldoende  zullen  wezen  om  den  lezer  de  over- 
tuiging te  schenken,  dat  het  boek  eene  ware  aanwinst 
is  voor  de  Nederlandsch-Indische  wetenschap. 

Omtrent  de  plaats  die  het  Bimaneesch  in  de  rij  der 
zustertalen  inneemt,  zegt  Jonker  het  volgende:  „Wan- 
neer men  bij  de  talen  dezer  familie ,  1)  welke  in  den  Archi- 
pel gesproken  worden ,  eene  Westelijke  en  eene  Oostelijke 
afdeeling  onderscheidt,  dan  is  het  Bimaneesch  vooral 
door  de  plaatsing  van  de  bestanddeelen  eener  samenstel- 
ling en  door  de  genitief-constructte  in  het  algemeen,  tot 
de  eerstgenoemde  te  brengen.  Ten  opzichte  van  de  gram- 
matica vertoont  de  taal  de  bijzonderheid,  dat  zij  na  alle 
achtervoegsels  en  de  meeste  voorvoegsels,  althans  als 
levende  elementen,  verloren  te  hebben,  dit  verlies  ge- 
deeltelijk door  nieuwe  vormingen  hersteld  heeft.  Ook  is 
op  te  merken  de  vorming  van  het  verbum  flnitum  door 
de  persoonlijke  voornaamwoorden  in  verkorten  of  genitief- 
vorm  voor  het  woord  dat  de  handeling  of  toestand 
aanduidt." 

Bij  deze  laatste  zinsnede  teekent  de  schr.  aan:  „Ook 
in  het  Mak.  en  Bug.  komen  verbindingen  van  het  voornw. 
met  verbale  woorden  van  intransitieve  beteekenis  voor, 
het  gebruik  dezer  verbindingen  is  echter  tot  bepaalde 
gevallen  beperkt  en  in  het  algemeen  kan  men  zeggen 
dat  daar,  waar,  genoemde  talen  van  deze  verbinding  ge- 
bruik maken ,  bijv.  in  zinnen  als  Mak.  ngapa  n u-lampa 
(waarom  gaat  gij?)  of  Bug.  iya-mi  ku-ëngka  (daarom 
slechts  ben  ik  aanwezig)  in  het  Bim.  daarentegen  een 
subst.  constructie  vereischt  wordt.  Meer  overeenkomst 
bestaat  er  zoo  het  werkwoord  transitief  is ,  maar  ook  in 
dat  geval  bezigen  Mak.  en  Bug.  meermalen  de  genoemde 
verbinding,  waar  het  Bim.  een  subst.  constructie  eischt, 


1)  D.  i.  der  Indonesische  ,  niet  der  Maleisch-Polynesisch  in  't  alge- 
meen ,  want  de  Polynesische  en  Melanesische  talen  stammen  overeen 
met  de  Westelijke  groep,  ten  opzichte  der  samenstelling. 


443 

bijv.  in  uitdrukkingen  als  Bug.  wanuwa  na-onrowi-e 
(het  land  dat  hij  bewoont) ,  of  een  Mak.  mate  n  a-1  o  1- 
long  djing  (sterven  door  een  geest  weggevoerd 
wordende." 

Hiertegen  heb  ik  meer  dan  ééne  bedenking.  Vooreerst 
blijkt  uit  niets,  dat  in  de  aangehaalde  zinnen  Mak.  lampa 
en  Bug.  ëngka  als  werkwoorden  moeten  beschouwd 
worden,  en  ten  andere,  wordt  niet  de  reden  van  het 
spraakgebruik  aangegeven.  Ik  neem  niet  aan  dat  Mak. 
ngapa  nu  lampa  voldoende  vertaald  is  met  een  Hol- 
„  waarom  gaat  gij ? ,J  Het  is  niet  hetzelfde,  of  men  in 
onze  taal  uitspreekt:  „wdarom  gaat  gij,"  of  „waarom 
geit  gij,"  of  „waarom  gaat  gij";  dit  hangt  af  van  de 
bedoeling  des  sprekers.  Volkomen  datzelfde  verschil  in 
bedoeling  kun